Schetsen Uit De Indische Vorstenlanden De Aarde En Haar Volken

Chapter 9

Chapter 91,601 wordsPublic domain

De Araï-Din-ka-Jhopra--dat wil zeggen, het werk van twee-en-een-halven dag--staat op een hoog terras, waarheen vroeger breede steenen trappen voerden, die tegenwoordig verdwenen en door een eenvoudiger stoep vervangen zijn. De aanblik van deze ruïnen is zeer schilderachtig: dicht geboomte omhult den voet van het terras, en laat niets doorschemeren dan alleen de gebeeldhouwde kroonlijst der moskee. Eene sierlijke poort voert naar eene groote geplaveide binnenplaats, waarvan de zerken meerendeels verbroken zijn. Tegenover deze poort verrijst de moskee; maar de gevel is bijna geheel verborgen door eene rij groote boomen en een modernen muur, hetgeen het effect bederft. Aan de drie andere zijden is de hof omgeven door zuilengalerijen, die groote paviljoenen, in een ernstigen stijl gebouwd, dragen. Eerst als ge door het poortje in den muur zijt gegaan, kunt ge de moskee in haar geheel overzien. In het midden van den voorgevel verheft zich eene hooge majestueuse poort, ter wederzijde omgeven door drie lagere booggangen: deze zeven poorten dragen de namen van de zeven dagen der week. De gansche voorgevel is als met een net van beeldhouwwerk bedekt, zoo fijn en zoo smaakvol, dat het alleen met kant te vergelijken is. Het inwendige der moskee is dezen prachtigen voorgevel volkomen waardig: moeilijk kunt ge u iets schooners denken dan deze ruime hal, waarvan het heerlijk gebeeldhouwde gewelf door vier rijen sierlijke zuilen gedragen wordt.

Het middenschip is gedekt door eene reeks koepels in den eigenaardigen djaïna-stijl; de zijschepen hebben platte zolderingen, in vakken verdeeld en evenals de koepels, met de grootste weelderigheid en rijkste verscheidenheid van beeldhouwwerk bedekt. De zuilen zijn evenzeer uitnemende modellen van den djaïna-stijl; door hun slanken vorm en hunne schikking geven zij aan den tempel een karakter van grootschheid en majesteit, meer dan anders aan de heiligdommen dezer secte eigen pleegt te zijn.

Geen enkel opschrift geeft den tijd der stichting van dezen tempel aan; in den muur bevindt zich wel een zwart marmeren plaat, waarop eenige regelen in het sanskriet zijn gebeiteld, maar dit opschrift is volstrekt onleesbaar. Todd meent dat de tempel gesticht werd door koning Swamprithi, twee eeuwen vóór Christus; en tot staving van dat gevoelen beroept hij zich op de gelijkenis van dit monument met de ruïnen van een ander heiligdom te Komulmair, waarvan de stichting aan dien vorst wordt toegeschreven. Het komt mij juister voor, de stichting van dezen tempel te plaatsen omstreeks de vierde eeuw van onze jaartelling, toen de zoogenaamde djaïna-stijl, zich van den boeddhistischen stijl losmakende, zich zelfstandig begon te ontwikkelen. Ware de Araï-Din-ka-Jhopra inderdaad door koning Swamprithi gebouwd, dan zou zij een boeddhistische tempel zijn geweest. Wat hier ook van zij, de oude tempel van Ajmeer, later in eene moskee herschapen, is een hoogst merkwaardig kunstgewrocht; en het is treurig te zien, hoe dit monument gaandeweg in een bouwval verandert: over weinige jaren zal er zoogoed als niets meer van over zijn; en den Engelschen zal met recht het verwijt treffen dat zij een gedenkteeken hebben laten vervallen, zelfs door de wilde horden van Turkestan ontzien en met eerbied behandeld.

Ik richtte nu mijne schreden naar den ouden burcht der Sjohan-koningen, waarvan de zware muren en torens, volgens de overlevering door Aja-Pal gebouwd, zich op den top des bergs, ongeveer duizend voet boven mijn hoofd, verhieven. Dit was geen gemakkelijk werk, want de helling van den berg is zeer steil; maar de moeite wordt rijkelijk beloond door het prachtige panorama, dat zich, naarmate men hooger komt, voor den blik ontvouwt. Van de wallen van den Teraghur overziet ge, met een enkelen blik, geheel deze breede, wonderschoone vallei, eene ware oase, verloren te midden van eene wildernis van naakte rotsen en dorre zandvlakten; naar het westen ontwaart ge eene breede, lange gele streep: dat is de woestijn van Thoerr, Maroestan, het koninkrijk van den Dood. Het uitzicht treft bovenal door de rijke afwisseling en de scherpe contrasten, vlak nevens elkaar; het loont, zooals ik zeide, volkomen de moeite der beklimming; maar iets anders moet ge hier dan ook niet zoeken. Geen enkel spoor is meer te vinden van de oude koninklijke paleizen: niets dan eene kleine, armzalige, witgepleisterde moskee, en de ruime barakken van het engelsche sanitarium. De lucht is, op deze hoogte, zeer zuiver, en de temperatuur, bijna het gansche jaar door, gematigd. De Engelschen hebben daarvan gebruik gemaakt, en de oude koningsveste ingericht tot een sanitarium of gezondheids-station, waar de soldaten, die te Nusserabad en te Ajmeer in bezetting liggen, zich van tijd tot tijd komen verfrisschen en hunne uitgeputte krachten herstellen.

De omstreken der stad zijn uitnemend schoon en rijk aan bekoorlijke wandelingen. Een van de voornaamste sieraden der omliggende dorpen zijn de reusachtige baolis of waterputten. De uitdrukking put is echter min juist gekozen: het is een soort van vijver, door onderaardsche bronnen gevoed, en waarvan de waterspiegel altijd verscheidene ellen beneden den beganen grond ligt. De wanden van dezen reusachtigen put zijn tot boven den grond met sierlijke galerijen, eenige verdiepingen hoog, voorzien; ik weet het geheel niet beter te vergelijken dan bij een huis, waar men door het dak zou inkomen, en ver beneden op de binnenplaats neerzien. Een koepel kroont het geheele gebouw, dat in den regel eene stichting is van particuliere liefdadigheid en den reiziger een vrij verblijf aanbiedt. De galerijen zijn dan ook meestal met eene bonte menigte gevuld; en beneden, aan den rand van den vijver, ziet ge altijd mannen en vrouwen, die zich baden of de door hunne godsdienst voorgeschreven wasschingen volbrengen. Water en koelte zijn de kostbaarste geschenken, die men in Indië den armen reiziger, op zijne eindelooze tochten, bieden kan; en waar hij die vindt, zal hij nooit vergeten voor zijn edelen weldoener te bidden.

Wij vertoefden omstreeks tien dagen te Ajmeer, en brachten dien tijd, in gezelschap van majoor Davidson en een kleinen kring Europeanen, zoo aangenaam mogelijk door. Eindelijk moesten wij zorgen voor eene nieuwe karavaan, om onze reis naar Jeypoor te vervolgen: en daar wij hier geen inlandsch vorst vonden, die ons dadelijk verschafte wat wij noodig hadden, had dit vrij wat moeite in. Evenwel, met behulp der engelsche overheden, slaagde ik er in, de noodige lastdieren bijeen te krijgen, benevens twee slechte dromedarissen. Daar de wegen veilig waren, hadden wij geen gewapend geleide noodig.

(_Wordt vervolgd._)

DE KINABOOM IN INDIË.

De britsch-indische regeering is op de gelukkige gedachte gekomen, om den kostbaren kinaboom, wiens vaderland, zooals men weet, Zuid-Amerika is, naar Hindostan over te brengen, en daar, zoo mogelijk, te acclimatiseeren. De door haar genomen proeve mag nu reeds worden gerekend volkomen te zijn geslaagd. In de plantages op den Nilagiris bevinden zich tegenwoordig ruim twee millioen zesmaalhonderd duizend kinaplanten, die eene uitgestrektheid van meer dan negenhonderd-vijftig acres (bunders) land beslaan. De grootste boomen zijn dertig voet hoog, en hebben een omvang van ruim drie voet. In het afgeloopen jaar werden bijna zevenduizend-driehonderd pond voortreffelijke kinabast uit deze plantages te Londen ter markt gebracht, terwijl bovendien meer dan vijf-en-dertig duizend pond in Indië zelf werden afgeleverd. De totale opbrengst bedroeg zestienhonderd pond sterling. De aanzienlijke uitgaven, die de regeering zich voor de aankweeking dezer kostbare plant in Indië getroost heeft, zullen haar binnen kort met winst worden terugbetaald; en, wat van meer belang is, reeds nu worden jaarlijks honderde inboorlingen, door het gebruik der kinine, genezen. Het hoofddoel van dezen menschlievenden, weldadigen maatregel, het kostbaar geneesmiddel tegen de koorts ook voor de armsten verkrijgbaar te stellen, is reeds bereikt geworden. Ook in dit opzicht heeft de britsche regeering bewezen een zegen voor hare aziatische onderdanen te zijn.

HET INDO-ENGELSCHE GEZANTSCHAP AAN DEN ATALIK-GAZI VAN OOST-TURKESTAN.

Sedert nu ruim een jaar geleden, de russische generaal Kaulbars naar Kashgar ging en met den Atalik-Gazi een handelsverdrag sloot, heeft men zich ook in Engeland meer rekenschap gegeven van het gewicht, dat deze vorst in het hart van Centraal-Azië, door de ligging van zijn land, bij den min of meer vreedzamen wedstrijd tusschen Rusland en Engeland in de schaal kan leggen. Door het boek van Shaw, dat zoovele belangrijke mededeelingen omtrent de handelsbetrekkingen dezer streken bevat, en door de herhaalde waarschuwingen van Vámbery, zijn de Engelschen tot de overtuiging gekomen, dat hier niet enkel commerciëele, maar ook zeer ernstige politieke belangen op het spel staan. Hayward en Forsyth waren, evenals Shaw, nu drie jaren geleden naar Yarkhand gegaan, om met den Atalik-Gazi betrekkingen aan te knoopen; maar hunne pogingen waren met geen gunstig gevolg bekroond geworden. Sedert dien tijd is bij dien vorst, voornamelijk door het naderen der Russen tot dicht bij de grenzen van zijn rijk, de overtuiging levendig geworden, dat het in zijn eigen belang wenschelijk is, met den onder-koning van Hindostan op vriendschappelijken voet te staan.

In het begin dezes jaars verscheen te Calcutta een gezant van den Atalik-Gazi, om de wederzijdsche betrekkingen tusschen de beide mogendheden te bespreken, en de verzekering te geven, dat een engelsch gezantschap in Kashgar op eene vriendelijke ontvangst kon rekenen. De onder-koning, lord Northbrooke, heeft onmiddellijk aan dien wenk gevolg gegeven; en voor eenigen tijd is uit Calcutta het bericht ontvangen dat dit gezantschap, in de maand Juli aanstaande, van Simlah uit de reis zou aanvaarden. Vandaar zal het gezantschap den weg volgen door Kashmîr en Ladakh, en vandaar over Shadoela en Yarkhand naar Kashgar, waar men nog voor het einde van het jaar hoopt aan te komen. Aan het hoofd dezer zeer belangrijke zending staat de bekwame, ervaren Forsyth, wien verder eenige uitstekende mannen op verschillend gebied zijn toegevoegd.

Met het oog op de groote gebeurtenissen, die zich, in eene meer of min verwijderde toekomst, in Centraal-Azië voorbereiden, kan de uitslag van deze zending van zeer groot gewicht zijn.

AANTEEKENING

[1] Zie _Aarde_, 1872, bladz. 281 en volgende.