Schetsen uit de Dierenwereld

Part 5

Chapter 53,903 wordsPublic domain

Het konijn heeft vele vijanden. De arenden en uilen grijpen het dikwijls overdag, en halen het zelfs bij nacht uit zijn hol. Menig konijn ook wordt het slachtoffer van de viervoetige dieren, die door de velden dolen om hun honger te stillen. Een van zijn meest gevreesde vijanden is de vos, die altijd op den loer ligt om het in zijne stoeipartijen te overvallen. Door zijn scherpen reuk ontdekt de vos spoedig of er konijnen in de nabijheid zijn, en door list en allerlei kunstgrepen is hij in staat hen onverwacht te naderen en aan te vallen. Zoo ook hier. Een vos heeft eenige konijnen ontdekt; het is nog vroeg in den morgen, en zij zijn al weder aan 't stoeien. Het kreupelboschje belet hem de konijnen te zien, maar hij ruikt dat hier geen misverstand kan plaats hebben. Hij sluipt dus laag op den grond gedoken voorzichtig naar hen toe, tilt behoedzaam de pooten op, en zet ze zachtjes op het gras neer. Met zijne schitterende oogen werpt hij gretige blikken om zich heen, en zijne spitse ooren steekt hij vooruit, om het minste geluid op te vangen. Eensklaps ziet hij op eene rots de dansende schaduw afgeteekend van twee konijnen, die met elkander spelen en stoeien. Al hunne bewegingen worden door deze eigenaardige soort van spiegel getrouw teruggekaatst. Maar Reintje de Vos weet zeer goed dat het slechts hunne schaduwen zijn, en terwijl hij deze vertooning gadeslaat, beproeft hij door het boschje te kijken en op verkenning uit te gaan. Weldra ziet hij hunne slanke gedaanten, want zij komen gedurig naderbij. Eensklaps neemt hij een sprong. Een schrille kreet van het tegenspartelende konijn bewijst dat de vos gelukkig geweest is; de verschrikte konijnen vluchten in hunne holen, de dansende schaduw is verdwenen, en men ziet slechts de gedaante van een vos die een levenloos konijn wegvoert.

DE SNEEUWVAL.

In landstreken waar hooge bergen zijn, welker toppen met ijs en sneeuw zijn bedekt, doet zich een natuurverschijnsel voor, 't welk men sneeuwval of lawine noemt. Zulke lawinen ontstaan doordien het bergijs soms in brokken en met sneeuw vermengd van de hooge toppen naar beneden valt. In de Boven-Alpen bijvoorbeeld vallen elken dag groote hoeveelheden sneeuw en stukken ijs van de steile hellingen en kammen met een donderend geraas naar beneden. Zulke lawinen worden gedeeltelijk veroorzaakt door de warmte der zonnestralen, gedeeltelijk door de gedurige beweging van het bergijs. Gewoonlijk vallen zij op kale rotsen en zijn dus niet altijd gevaarlijk of schadelijk. Ook vallen de lawinen veelal op bepaalde plaatsen, en als die plaatsen bekend en door de omringende rotsen binnen eene enge ruimte beperkt zijn, kan men er somtijds zeer dicht bijstaan en het vallen van een lawine zonder levensgevaar bijwonen. F. Galton verhaalde eenige jaren geleden in het Alpen-dagblad, dat dit het geval is met de lawinen die aan de noordelijke zijde van den Jungfrau vallen. Hij verhaalt dat de lawine, welke juist toen hij daarbij tegenwoordig was neerstortte, haar komst aankondigde door een verschrikkelijk geraas en een dikke wolk stofsneeuw die ver boven zijn hoofd opstoof. "Ik wist niet wat er gebeuren zou, en liep weg zoo hard ik kon, totdat ik gerust gesteld werd door te zien dat de lawine haar gewonen weg volgde. Ik keerde dus naar mijn vorige standplaats aan den rand der kloof terug, om dat treffende verschijnsel bij te wonen. Het vallen van de sneeuwmassa's en ijsbrokken in de diepte der kloof en het geraas, daardoor te weeg gebracht, waren verschrikkelijk."

De zoogenaamde grond- en stoflawinen richten veel grooter verwoestingen aan dan de bovengenoemde ijs- of sneeuwlawinen, want zij vallen bijna altijd op bewoonde streken, en verpletteren duizende boomen, gebouwen en zelfs geheele dorpen in hun val. Het ontstaan der sneeuwvallen is niet zoo van het toeval afhankelijk als wij, menschen uit de vlakte, ons dat verbeelden, want op vele plaatsen heerscht daarin zekere regelmatigheid. Natuurlijk dragen daartoe de helling der rotsmuren en de rijkdom aan sneeuw van het jaargetijde het meeste bij. Daarom let men daarop bij het bouwen van woningen op de bergen, en worden zulke onveilige plaatsen vermeden. De Alpenbewoner ziet niet zelden het aanstaande nedervallen of losbreken van een sneeuwval vooruit. Dikwijls keert hij op een verren tocht, dicht bij zijn doel, om en maakt liever een omweg, wetende dat zijne voetstappen den sneeuwval aan zijne zijde kunnen doen nederstorten.

Dit geldt vooral van de zoogenaamde stuifsneeuwvallen, die voor de gevaarlijksten doorgaan. Zij vertoonen zich vooral bij hevige koude, als de wind bij aanhoudend sneeuwen groote sneeuwhoopen tegen steil afloopende rotswanden aangewaaid heeft. Men noemt ze daarom ook wind- of slagsneeuwvallen, daar zij van een vreeselijke luchtdrukking vergezeld gaan, die alleen reeds in staat is om boomen en hutten omver te werpen. Daar hun nederstorten niets anders is als het afglijden van groote sneeuwmassa's, heeft men op niet al te gevaarlijke plaatsen met goed gevolg aan den ondersten rand van zulke glijplaatsen of glippen hooge dammen van steenen opgericht, die tot beschutting dienen van het daar beneden liggende dal.

De wilde dieren die in de bergen leven en aan de gevaren die hen dreigen gewoon zijn, worden toch somtijds door deze lawinen overvallen en er onder bedolven. Niettegenstaande hare vlugheid komt de gems er even goed bij om 't leven als de minder vlugge marmotten, en in de lente vindt men de geraamten der slachtoffers dikwijls in de sneeuw terug. Ook heeft men doode gemzen bij boomen gevonden, onder welks takken zij geschuild hadden. De takken, die door de zwaarte van de sneeuw naar den grond gebogen waren, hadden haar als het ware in een kooi opgesloten en verhinderd te vluchten. Zulke gevallen zijn echter zeldzaam, ofschoon de gemzen in den winter dikwijls onder denneboomen schuilen.

Sommige vogels, zooals het korhoen en het hazelhoen, komen ook dikwijls in de sneeuw om. Als de sneeuw los is, dringen zij er in, om zich tegen de koude of voor een of anderen vijand te beschermen, en als zij 's avonds in de sneeuw kruipen, blijven zij er tot den volgenden morgen in. Als het nu in den nacht hard begint te vriezen, vormt zich een harde korst aan de oppervlakte; de vogels kunnen daar niet doorheen komen en sterven van honger.

Behalve vogels en gemzen worden soms ook grootere dieren door de sneeuw overvallen; maar, daar zij geen vreemdelingen op de bergen zijn, worden zij slechts overvallen door kleine lawinen of sneeuwwolken, die hen wel voor eenige oogenblikken bedekken maar niet dooden. Zulk eene gebeurtenis wordt op de nevensgaande plaat afgebeeld.

Eenige herten loopen langzaam over een bergpas in de Schotsche Hooglanden en zoeken een goeden weigrond. Zij vermoeden geen gevaar, en de gehoornde leider van het troepje loopt voorzichtig met gebogen kop vooruit en denkt aan niets als aan zijn voedsel. De schuwe hinden steken telkens haar bevalligen kop in de hoogte, spitsen de ooren en snuiven den frisschen bergwind op, om te ruiken of er ook gevaar in de nabijheid is.

Zoo gaan de dieren verder, ondanks hun scherp gezicht en scherpen reuk toch niet in staat het gevaar waaraan zij bloot staan te voorzien. Op eenigen afstand, boven het enge, kronkelende pad 't welk zij volgen, verheft zich een groote klip, in een smetteloos wit gewaad gehuld. Zij staat daar zeer onschuldig, en geeft niet de minste reden om te vermoeden dat zij zich weldra van de rots zal losmaken. Terwijl de dieren naderen, vallen er reeds eenige sneeuwklompen naar beneden; de bok staat stil, beweegt zijn kop, snuift door de neusgaten, en de hinden kruipen schuw achter hem weg. Maar nu wordt alles weder stil, en de dieren vervolgen hun weg. Onder de witte klip gekomen, laat zich een onbepaald, geheimzinnig, dreunend geluid hooren, en de geheele massa valt eensklaps met een donderend geraas naar beneden. De ongelukkige dieren worden in een dichte wolk van sneeuw gehuld. Zij doen wanhopige sprongen om zich te redden, en trachten zich met hunne hoeven een weg door de sneeuw te banen. Eindelijk gelukt hun dit. Verheugd zien zij om zich heen, en nu de zon hen weer beschijnt, springen zij, gelukkig aan den sneeuwval ontkomen, vroolijk verder.

TWEE MEDEDINGERS OM HET KONINGSCHAP.

Een van de treffendste gezichten op het vasteland van het westelijk halfrond zijn de groote kudden buffels, of beter genaamd bisons, daar er in Noord-Amerika geen eigenlijk gezegde buffels zijn. Zoover het oog reikt, ziet men niets als groote, ruige gedaanten. Zij behooren tot de laatste vertegenwoordigers van de groote, viervoetige dieren, die in vroegere tijden in dit uitgestrekte land verblijf hielden. Het schijnt dat ook het geslacht der bisons weldra uitgestorven zal zijn, want zij worden diep in het binnenland gedreven en vervolgd; en het tijdstip kan dus niet ver meer af zijn, dat de laatste bison voor zijne talrijke vijanden bezwijkt, en dit geslacht even als dat zijner reusachtige voorgangers tot de geschiedenis behoort. Ofschoon de bison van Amerika zeer sterk is, vertrouwt hij toch meer op zijne vlugheid om zijne vervolgers te ontkomen, dan gebruik te maken van de verdedigingsmiddelen die de natuur hem geschonken heeft. De vorm van den bison is zeer onbevallig, zijn groote kop hangt laag naar den grond, alsof hij te zwaar is voor het lichaam. Desniettemin loopt hij in een soort van galop en met zulk een vaart, dat een jager wel een goed paard mag hebben, zal hij hem inhalen. De stieren loopen altijd voorop en aan de kanten, terwijl de koeien en kalveren in het midden blijven. Het verwarde haar hangt over hunne kleine, schitterende oogen, en zij draven onder wolken van stof over de vlakten. Wee het ongelukkige schepsel, dat hen in den weg komt; het wordt door de krachtige aanvoerders ter aarde geworpen en verpletterd.

Het vleesch van den bison is zeer smakelijk, en wordt door de Amerikanen zelfs boven dat van tam rundvee verkozen; vooral de tong en het vleesch van de schouders moeten een ware lekkernij zijn. Het vleesch wordt gedroogd en aan stukken gestampt, en is het beste en duurzaamste voedsel voor jagers en handelsreizigers, terwijl het vel van den bison hen tot beschutting dient tegen de strenge koude, wanneer zij op de sneeuwvelden willen overnachten. De bison is ongeveer 3 meter lang, en weegt van 600 tot 700 kilogram. Het wijfje van den bison is slanker gebouwd, heeft een langeren hals en dunner pooten. Beide seksen bezitten korte, dikke, zwarte horens, die naar buiten steken en ver van elkander staan. Over het algemeen is de kleur van het haar aan den kop zwart en aan de overige deelen van het lichaam bruin.

Somtijds bevangt deze dieren plotseling een hevige schrik. In onstuimige vaart draven zij dan voort, totdat eensklaps de opgewonden kudde op een rotskloof stuit, welks steile wanden loodrecht naar beneden zinken. De aanvoerders deinzen terug voor de diepte die zich eensklaps vertoont, en blijven een oogenblik staan, als om zich gereed te maken tot een wanhopigen sprong. Maar opgedrongen door de massa die achter hen is, worden zij voortgestuwd en in den afgrond neergestooten. Een afgrijsselijk tooneel grijpt thans plaats: groote troepen vallen op elkander in den afgrond, totdat de diepte met doode en stervende bisons is gevuld. Bij zulke gelegenheden komen er honderden om, die een prooi worden van de gieren en wolven, die steeds belust zijn op zulk een feest.

De bison behoeft geen van de dieren te vreezen, die met hem dezelfde streken bewonen, want als hij aangevallen wordt, komen al zijn broeders hem te hulp. Slechts als hij door den pijl van een Indiaan of door een kogel gewond is, wordt dit groote dier het slachtoffer van zijne viervoetige vijanden. De listige witte wolven vreest hij het meest, want deze zwervelingen bespeuren spoedig dat hij zwak of ziek is, en gaan dan in menigte op hem af, met het doel om hem te verscheuren. Maar de bison bezwijkt niet zonder pogingen te doen om zijn leven te redden. Hij verdedigt zich met zijn krachtigen kop, en is moedig en dapper tot het laatste oogenblik, maar zijne knieën knikken onder het gewicht van zijn lichaam, dat door bloedverlies is verzwakt. De wolven vallen hem van alle kanten aan. Met hunne scherpe tanden rijten zij zijne huid open, telkens te vlug achteruit gaande om door zijne horens of hoeven getroffen te worden. Zijne pogingen om de sprongen van de wolven te ontduiken zijn te vergeefs; hij spant zijne laatste krachten in, springt op een van de wolven los, maar valt tegelijkertijd op het lichaam van zijn vijand neer, te zwak om den ongelijken strijd voort te zetten en niet in staat om weer op te staan. De hongerige wolven vallen op hem aan, en weldra is er van den bison niets meer over dan alleen zijn geraamte.

Er is een ander dier dat met den bison naar de heerschappij dingt, namelijk de grijze beer. Deze gevreesde inwoner van het verre westen is een zeer gevaarlijke tegenpartij zoowel voor menschen als voor dieren. Gelukkig valt hij zelden aan, en als hij kan, vlucht hij liever dan te vechten. Maar dit is niet het geval als hij in zijn maaltijd gestoord wordt, of als hij niet vluchten kan, of nog erger, als het dier een wijfje is en jongen heeft; dan mogen jagers en dieren wel voorzichtig zijn, want dan is de aanval moorddadig en wanhopig.

De grijze beer is zeer sterk. Als hij een bison heeft kunnen dooden, sleept hij het zware lichaam naar zijn hol en verscheurt het daar. Is hij volwassen, dan klimt hij niet meer in de boomen, waaraan reeds vele jagers hun leven te danken hebben. De grijze beer wordt zeer zelden naar Europa overgebracht, en blijft in de gevangenschap zeer ruw en woest.

Ofschoon de grijze beer een groot en lomp lichaam heeft, kan hij toch vlug loopen, zoodat een jager, op een goed paard gezeten, te nauwernood aan zijne woede ontsnapt. Als de grijze beer zijn vijand achtervolgt, neemt hij groote sprongen, brult verschrikkelijk en tracht zijn vijand met zijne scherpe klauwen te grijpen. Gelukkig kan hij den wedloop niet lang volhouden. Geraakten de bison en de grijze beer met elkander aan 't vechten, dan zou de strijd vreeselijk zijn, en de uitkomst er van moeielijk te voorspellen. Maar de beer komt niet dikwijls in aanraking met den bison, daar hij in het dichte kreupelhout huist, en de bison een bewoner is van de opene vlakte. Tusschenbeide gebeurt het toch. Op onze plaat wordt een grijze beer verrast door een stoot met den harden kop van den bison. Kunnen wij ook den afloop van het gevecht bezwaarlijk raden, wij mogen ons verzekerd houden dat de bison al het mogelijke zal doen om zijn mededinger naar het koningschap te verslaan.

DE HINDERLAAG.

De roofdieren gaan op verschillende wijze te werk als zij hun prooi aanvallen. De wolf achtervolgt zijn slachtoffer zoo lang, totdat het arme dier, uitgeput van vermoeienis, nedervalt en voor den moorddadigen aanval van zijn onvermoeiden vervolger bezwijkt. Maar de meeste wilde dieren liggen in hinderlaag, en wachten geduldig tot hun prooi in de nabijheid komt. Eenige slangen, zooals de boa-constrictor, doen het zelfde: van den tak waarop zij liggen, schieten zij eensklaps naar beneden, kronkelen zich om het lichaam van hun slachtoffer en verbrijzelen het. Het kattengeslacht, waartoe de tijger en de leeuw behooren, overvalt zijn prooi onverhoeds. Alle soorten van dit geslacht bezitten een buigzaam en lenig lichaam en pooten, die als fluweel zoo zacht zijn. Zij hebben een ongeloofelijk geduld, liggen soms uren lang op de loer, en maken zelden een mislukten sprong. De tijger kruipt laag bij den grond, en terwijl hij achter een boschje of op een tak van een boom ligt, met de pooten onder het lichaam opgetrokken, volgt het listige dier alle bewegingen van zijn slachtoffer.

De los, die op onze plaat staat afgebeeld, is een der zwakkere leden van de kattenfamilie, waarvan de leeuw en de tijger de krachtigste en grootste vertegenwoordigers zijn. Sommige lossen zijn zeer groot; zij azen op geiten, schapen en kleinere dieren, en brengen ook dikwijls een bezoek aan het pluimgedierte, als het ten minste niet te dicht bij een huis is; want even als alle wilde katten, is de los zeer schuw en bang om in de nabijheid van eene woning te komen. Over dag slaapt hij op de rotsen, maar zoodra de nacht invalt, begint hij zijne roof- en vernielingstochten. Zelden waagt hij het groote dieren aan te vallen, en doet dit slechts dan, als hij zeer veel honger heeft. De klauwen van den los zijn dun, maar toch zeer gevaarlijk, want er zitten scherpe punten aan.

De leeuw en de tijger rijten met hunne scherpe klauwen de huid van hun prooi open; zij werpen gewoonlijk hun slachtoffer met een enkelen slag van den poot ter aarde, en scheuren vervolgens met hunne klauwen de huid open. Die klauwen zijn niet zelden aan de punt gespleten; want door het gedurig aangroeien en omdat zij van onderen zachter zijn dan van boven, begint de punt te breken en splijt. Daar nu deze punten op den duur zeer lang worden, krabben de huiskatten, om zich van dezen last te bevrijden, op de tapijten en aan de pooten der stoelen, gelijk de wilde katten aan de stammen en takken der boomen. Volgens Darwin maakt de poema in Patagonië, waar weinig boomen zijn, als zijne klauwen te lang worden, diepe groeven in den kalen, harden grond.

Ofschoon er eenige soorten van lossen in de warmere luchtstreken leven, zooals in Spanje en in het zuiden van Noord-Amerika, is de los eigenlijk een bewoner van de noordelijke gewesten; door de dikte van zijn huid lijkt het dier veel grooter en zwaarder dan het werkelijk is, en kan het de strengste koude doorstaan. Hij leeft gewoonlijk in afzondering, maar er zijn enkele soorten, zooals de karakal van Azië en Afrika, die, verschillend van de meeste katten, in troepen leven en hun prooi in grooten getale aanvallen. De karakal heeft lange pooten en een slank lichaam en loopt zeer schielijk, hetgeen gewoonlijk met de katten van deze afdeeling niet het geval is. De karakal zwerft over de vlakten, terwijl de andere soorten het dichte bosch verkiezen, waar zij zich beter kunnen verschuilen.

De los, die bij oudere natuurkenners ook wel lijnx geheeten werd, is tweemaal grooter dan een gewone kat. Van kleur is hij van boven rosachtig, met donkere wolken gevlekt; hals, borst, buik en binnenzijde der pooten zijn wit. Zeer kenschetsend is een dichte kraag of bakkebaard, die van de ooren tot onder den hals voortloopt.

Er zijn eene menigte verscheidenheden van deze diersoort, die door sommige geleerden als soorten beschouwd worden, en waardoor er eene vrij groote verwarring in de boeken heerscht. De hiernevens afgebeelde noemt men den poollos. Hij is de voslos der duitsche dierkenners, en de canadasche los der Engelschen en Amerikanen. Hij heeft een vrij korten staart, zeer lang en zacht haar, en ooren die met een haarkwast zijn versierd. Hij is het bloeddorstigste roofdier van het noorden, en richt grooter slachting onder het wild aan dan de wolf.

De los is ongeschikt om snel te loopen, zwemt echter uitmuntend en steekt zelfs over breede rivieren heen. De Roodhuiden eten zijn wit en vast vleesch, hetwelk niet als dat van andere katten een bijzonderen of onaangenamen reuk bezit, maar even goed als dat van een haas moet zijn.

De huid van den los wordt als handelsartikel zeer op prijs gesteld, maar is op den eenen tijd veel deugdzamer dan op den anderen, en verschilt ook zeer naar het land waar het dier leeft. Jaarlijks worden duizenden van deze dieren in het noorden van Noord-Amerika gedood, zoodat hun getal zeer vermindert en zij wel spoedig zeldzaam zullen wezen. De los loopt zeer voorzichtig, alsof hij over elken stap dien hij doet nadenkt. Dit is vooral het geval wanneer hij een prooi ontdekt. Om die nauwkeurig gade te slaan, klimt hij verbazend snel op de onderste takken van een boom, en wacht dan een gunstig oogenblik af om een sprong te doen.

Op de plaat zien wij hem ook in deze houding. De geiten, die de nabijheid van haar vijand niet vermoeden, dwalen rond, en komen hoe langer hoe dichter bij de noodlottige plaats. De los komt evenwel nog niet te voorschijn, want dan zouden de geiten hem zien, maar hij luistert en verbergt zich nog dieper in zijn hinderlaag. Met zijne groene oogen gluurt hij rond, en een zijner pooten heeft hij al opgeheven om den aanval te doen. Weldra zal zich de gelegenheid voordoen. De niets kwaads vermoedende geiten komen onder den boom, plukken de bladeren van de takken af, en eten het korte gras. Terwijl de speelsche dieren met elkander stoeien, valt de los eensklaps op zijn slachtoffer aan, en verscheurt het met zijne tanden en klauwen; de andere geiten, verschrikt door dien onverwachten aanval, loopen in alle richtingen weg. Als zijn prooi niet te zwaar is, draagt de los haar in een boschje, waar hij, voor aller oog verborgen, zijn maaltijd nuttigt om, als hij zeer veel honger heeft, nogmaals in hinderlaag te gaan liggen en een nieuwe prooi te vermeesteren.

DUBBEL GEVAAR.

Wat is het koud! De eenzame vlakte is geheel met sneeuw bedekt, en door het heuvelachtige van den grond schijnt het alsof men de golven der zee ziet. De vlakte bezit eene uitgestrektheid van vele mijlen gaans. Het korte, groene gras dat in de lente rijkelijk versierd is met fraaie bloemen, is nu onder de sneeuw verborgen. Het is een schoon gezicht: de sneeuw glinstert in de heldere stralen van de winterzon, die duizendvoudig terug gekaatst worden. Maar hoe schoon zulk een schouwspel ook moge zijn, het sneeuwveld brengt ongemak, lijden en dikwijls den dood over menigen bewoner van de eindelooze vlakten, zoowel door den snerpenden wind en de koude die de beken en rivieren doet bevriezen, als door gebrek aan voedsel, 't welk onder de sneeuw bedolven is. In zulke tijden ziet men toch enkele dieren op roof uitgaan, in de hoop iets van hunne gading te vinden.

Op ginds heuveltje zien wij een groot dier staan; het sluipt zachtjes over het sneeuwveld en ziet rusteloos naar alle kanten rond, alsof het iets zoekt. Men ziet het dier niet dadelijk, want het is bijna even wit als de sneeuw. Aan den langen neus, de puntige ooren en den dikken ruigen staart herkennen wij den onvermoeiden zwerver, den lafhartigen, listigen en schranderen witten wolf uit het westen van Amerika. Als er veel sneeuw ligt, is hij in zijn element; dan loopt hij er zachtjes over heen, en kan zoodoende onverwachts zijn prooi overvallen.

Wij willen hem eens volgen en zien, of hij dezen morgen gelukkig is in zijn vangst. Hij gaat langzaam verder, snuift alsof hij zijn prooi al ruikt en draait zich telkens om, om te zien of zijne kameraden hem ook volgen.

Daar staat een troepje katoenboomen. De wolf staat even stil, snuffelt naar alle kanten en loopt naar het boschje toe; daar gaat hij zitten en schijnt over iets na te denken. Klaarblijkelijk heeft hij geroken dat er iets tusschen deze boomen te vinden is. Voorzichtig komt hij dichterbij en loopt om het boschje heen, want hoewel hij honger heeft is hij te listig of te voorzichtig om er dadelijk in te gaan. Hij ziet stellig iets, want hij wordt onrustig en zijne haren gaan overeind staan; maar nu gaat hij zitten en begint hard te huilen, zoodat het over de geheele vlakte weergalmt. En nu merken wij ook waarom hij deze bewegingen gemaakt heeft.