Part 4
Gewoonlijk baden de wilde olifanten zich des nachts, maar als de dag zeer warm is, zoeken zij de rivier op om zich te verfrisschen. Zij gaan er zeer voorzichtig in, houden telkens eens stil om te luisteren of zij ook een vijandig geluid hooren, of om zich door hun buitengewoon scherpen reuk van de nabijheid van den een of anderen vijand te overtuigen. In hun badplaats gaat het vroolijk toe; de groote dieren dompelen zich geheel onder water, of staan er in en slurpen groote hoeveelheden water in hunne snuiten op, om het over hunne ruggen of die van hunne buren te spuiten. De logge nijlpaarden, die door de onverwachte komst van de olifanten gestoord worden, komen boven water en werpen door hunne neusgaten dikke stralen water in de lucht; zij openen hunne bekken, laten de groote tanden zien en staren naar de onwelkome indringers; grijnzende apen geven door allerlei grimassen en belachelijke gebaren hunne afkeuring over het geheele gezelschap te kennen. Zoo iets ziet elke reiziger in de binnenlanden van Afrika, en er is zeker niets wat meer het hart van de natuurvorschers verkwikt, nadat zij weken lang omgezworven hebben en blootgesteld waren aan de woedende elementen, aan aanvallen van wilde dieren of van wilde menschen, dan eensklaps een tooneel voor oogen te hebben zooals wij op onze plaat zien afgebeeld, een tooneel, dat met recht een tropische badplaats genoemd kan worden.
EEN GELUKKIG HUISGEZIN.
Van alle dieren die in de dichte bosschen der warme landen leven, zijn er geen die belangwekkender zijn dan de onderscheidene soorten van apen en bavianen. Zij onderzoeken alles wat in hun bereik is, en met een ernst die grappig is om aan te zien, bootsen zij elkeen na. De bavianen leven in troepen van één of meer familiën, die gewoonlijk bestuurd worden door een grijzen, ernstigen aartsvader, die de orde handhaaft, de nieuwe leden onderricht en hen in bedwang houdt, hetgeen somtijds geschiedt door het uitdeelen van oorvegen en klappen. De apen zijn vrijpostig en listig, en richten dikwijls groote verwoestingen in de tuinen en koornvelden aan. Hierin zijn zij zeer bedreven; eenigen gaan op den uitkijk staan om de dieven te waarschuwen en in een oogenblik zijn de velden van hunnen oogst beroofd, terwijl de buit wordt medegenomen. Niet alleen stelen zij eetbare waren, maar men verhaalt ook van een kind dat door een troep bavianen gestolen werd. Men vond de apen rondom het kind zitten, dat volstrekt geen letsel bekomen had. Zonder twijfel waren zij ernstig met elkander aan het beraadslagen, of zij den nieuweling al of niet in hun huisgezin zouden opnemen.
De bavianen zijn zeer bevreesd voor slangen, en vermijden haar zooveel mogelijk, door op de takken der boomen of op eene hooge rots te gaan zitten, en daar hun toorn en afkeer over het kruipend gedierte door gebaren te kennen te geven. Een inboorling van Afrika bezat een tammen baviaan; schertsenderwijze sloeg hij hem eene doode slang om den hals. De baviaan bleef doodstil zitten en beefde verschrikkelijk; hij durfde zich niet verroeren, en toen de man de slang wegnam, vluchtte hij in de hut van zijn meester, en school weg in een hoek. De eigenaar riep hem om bij hem te komen, maar de baviaan weigerde, en toen de man hem voor zijne ongehoorzaamheid sloeg, vloog de baviaan op hem aan. Hierop volgde een hevig gevecht; men kon de strijdenden bijna niet zien door het stof en door de asch van het vuur dat in de hut brandde; eensklaps vluchtte de baviaan uit de hut, en ging naar de bergen. Zijn meester was vreeselijk gewond, en moest eenige weken het bed houden. Zoodra hij hersteld was, ging hij met zijn geweer uit, vast besloten om zich op zijn gewezen lieveling te wreken. Nadat hij eenigen tijd te vergeefs gezocht had, zag hij ten laatste den baviaan met eenige kameraden op eene rots zitten en naar hem gluren. Oogenblikkelijk gaf hij vuur, maar de baviaan trok zijn kop ter zijde, en hield een van zijne kameraden als een schild voor zijn lichaam. Hij was zoo vlug en behendig in zijne wendingen, dat de man genoodzaakt was, zijn verlangen om hem te straffen op te geven, en teleurgesteld naar huis ging.
De bavianen vallen ieder aan die hen te na komt, en geven hun afkeer door schorre geluiden te kennen. Een reiziger verhaalt het volgende: "De ongastvrije behandeling der bavianen spoorde ons aan om hen eens eene bestraffing toe te dienen. Wij beantwoordden de uitdaging van een onbeschaamden troep apen met twee geweerschoten. De bavianen gingen naar de plaats waar de eerste kogel gevallen was, en krabden met de nagels van de vingers in het lood. De tweede kogel trof een van de oudste bavianen, een zeer grooten "man", zooals de Hottentotten hem noemen; hij was even groot als een newfoundlandsche hond, en te oordeelen naar zijn eerwaardig uiterlijk, tandeloozen bek en witte bakkebaarden, was hij zeker een groote mijnheer geweest. Deze ramp verwekte eene buitengewone ontsteltenis, en er hadden vele aandoenlijke tooneelen plaats. Onder een verschrikkelijk geschreeuw en gehuil liep de troep in alle richtingen weg, de wijfjes grepen hare jongen, drukten ze liefkozend aan de moederlijke borst, en droegen ze in hare armen weg."
De baviaan is zeer stoutmoedig, en vecht wanhopig als hij aangevallen wordt. De oude mannetjes zijn zeer woest, en kunnen vreeselijke wonden toebrengen met hunne lange, puntige tanden, welker binnenkanten zoo scherp zijn als een mes. Als een dier hen kwaad gedaan heeft, grijpen zij het met de handen, slaan de tanden in zijn lichaam, en werpen het daarna weg.
Evenals alle schepselen, hebben ook de bavianen hunne vijanden, waartegen hun groote listigheid toch niet bestand is. Den luipaard vreezen zij het meest, want het gebeurt dikwijls dat hij een uit hun midden wegneemt. Dan zijn zij razend, en zoeken zich op den luipaard te wreken, die echter zeer onverschillig blijft voor hunne dreigende houdingen. Zij zoeken een veilige schuilplaats op, trekken afschuwelijke gezichten tegen den luipaard, en huilen van kwaadaardigheid. Een groote baviaan loopt voor de anderen heen en weer, hetgeen een teeken is van woede en razernij; tusschenbeide grijpt hij een kleinen aap, en bijt hem in zijn lichaam om zijn wraak te koelen, hetgeen hij natuurlijk veel liever den luipaard zou doen, als hij maar durfde. Over 't algemeen zijn zij echter zeer vreedzaam; tusschenbeide gaan zij op rooftochten uit naar de naburige velden, waar zij zooveel eten als zij maar kunnen, en zooveel mogelijk in hunne wangzakken en handen medenemen om het later op hun gemak op te eten. Dit is de bezigheid van de volwassenen, die de noodige orde bewaren, welke noodzakelijk is voor het welzijn van elk goed bestuurd huishouden.
De bavianen hebben de gewoonte om zoo dicht mogelijk bij elkander te kruipen en over dag te slapen. Als men zoo'n groep ziet, schijnt het alsof zij aan elkander gegroeid zijn, zoo dicht zitten zij op elkaar. Hunne oogen zijn gesloten, en met hunne handen houden zij elkander bij het haar vast; telkens laten zij een tevreden geknor hooren en doen zij hun best om nog dichter op elkander te gaan zitten. Op de plaat zien wij zulk een troepje, naar allen schijn zijn zij zeer tevreden met hunne zitplaats en van plan een slaapje te doen. Een oude baviaan, de leidsman van den troep, zit op het einde van de samengeperste rij; zijne armen zijn om zijne knieën geslagen en hij heeft veel lust om de ondeugende jonge apen, die op eenigen afstand zoo oneerbiedig den slaap van de ouderen verstoren, te bestraffen en te kastijden. Een andere baviaan, zonder twijfel de huismoeder, is achter de anderen opgestaan, en zal aanstonds in tonen van verontwaardiging haar afkeuring te kennen geven, omdat de jonge apen, terwijl de ouden hun namiddagslaapje doen, zooveel kattekwaad uitvoeren.
Eenigen van de jongere leden zijn aan 't stelen geweest, en één er van doet alsof hij zeer verontwaardigd is over hun onfatsoenlijk gedrag. Maar wij kennen u, kleine dief, het verontwaardigd uiterlijk, dat gij zeer goed nagebootst hebt, bedriegt ons niet. Uwe dikke wangen verraden u! Hij zoekt een plaatsje op, waar hij veilig is voor de nieuwsgierigheid van zijne makkers en voor de bestraffingen van den strengen ouden aartsvader.
De zitplaats van de bavianen is goed gekozen. De warmte der zonnestralen, die de boomen met een gouden gloed omgeven, wordt gematigd door het zachte windje dat door de bladeren speelt; de apen zitten hier buiten het bereik van hunne vijanden, en het gelukkige huisgezin is zeer tevreden met zijn lot.
DE KONING DER DIEREN.
Men heeft den leeuw altijd beschouwd als den koning der dieren, doch ten onrechte; hij is slechts de tyran der dierenwereld. Hij is de moedigste aller katten, maar niet de grootmoedigste aller dieren. Green trots of edelmoedigheid, die men voorheen den leeuw toeschreef, geven hem eene waardigheid en majesteit boven andere dieren; zij zijn slechts de uitdrukking van het bewustzijn, dat hij krachtig is, zich zelven vertrouwt, en gewoon is te zegepralen. Weinig schepselen kunnen hem dan ook tegenstand bieden, en des nachts als hij op roof uit is, verspreidt reeds zijn gebrul dat door de bosschen weergalmt, angst en schrik onder het geheele dierenrijk. Als hij aan zijn maaltijd is, zal geen enkel schepsel zich vermeten hem te storen; allen wachten geduldig totdat hij verzadigd is, en vergenoegen zich dan met hetgeen er overbleef. Zoo regeert hij over het talrijke viervoetige gedierte dat met hem dezelfde streken bewoont; slechts weinigen die zijn gezag niet erkennen.
Enkele dieren intusschen vreezen hem niet; het zijn de olifant, het neushoorndier en de buffel, met wie hij trouwens weinig in aanraking komt. Toch gebeurt het somtijds dat leeuwen olifanten aanvallen.--Een reiziger die op de antelopen-jacht was, kwam op eene plaats waar ongeveer een dozijn olifanten rustig aan hun maaltijd waren. Een van de olifanten die zich een weinig van de anderen verwijderd had, werd eensklaps door een leeuw en eene leeuwin aangevallen. De leeuw klom van achteren bij den olifant op, en de leeuwin sloeg hare klauwen in zijn keel. Zoodra de olifant de klauwen van zijne bespringers voelde, begon hij hard te schreeuwen, draafde naar eene dichtbijzijnde rivier, en sloeg met zijn slurf met zooveel kracht langs rug en zijden, dat de leeuwen genoodzaakt werden los te laten en den aanval op te geven. Dezelfde reiziger verhaalt ook van een leeuw die een buffel aanviel. De leeuw sprong achter op het lichaam van den buffel, klauterde op zijn rug, en sloeg de klauwen in zijn nek; de buffel viel en werd spoedig afgemaakt.
Harris verhaalt nog het volgende: "Wij waren eens op de jacht, en zagen een leeuw in het kreupelbosch liggen. Toen wij er heen reden, schoot de leeuw eensklaps onder een hevig gebrul uit het boschje, en rende met de snelheid van een hazewindhond over de vlakte. De schoonheid van zijne dikke, zwarte manen bracht ons in verzoeking hem te vervolgen, en zoodra de leeuw zag dat hij achtervolgd werd, bleef hij in een klein boschje staan, en wachtte in eene edele en ontzagwekkende houding zijne vervolgers af. Maar hij rook stellig dat wij kruit bij ons hadden, want hij verliet het boschje en ging op den top van een heuvel liggen. Zooals hij daar lag, had hij veel van de steenen leeuwen die men wel aan den ingang van tuinen ziet; hij keek ons aan en nam eene uitdagende houding aan. Toen de kogels hoe langer hoe dichter bij hem neervielen, kreeg de toorn de overhand op de voorzichtigheid; zijne oogen flikkerden; hij begon hoe langer hoe harder te brullen en sloeg met den staart. Eindelijk trof een kogel zijn poot. Hij sprong nu naar beneden, de staart rechtuit en de manen overeind, met oogen die vuur schenen te schieten. Maar hij kon onze paarden niet inhalen, en keerde hinkend naar den heuvel terug. Wij hielden niet op met schieten; woedend verliet hij den heuvel en ijlde over de vlakte; het bloed stroomde uit zijn bek, en kleurde zijne manen. Een goed gemikte kogel stuitte hem eindelijk in zijn vaart, hij viel voorover op zijn kop, maakte eene buiteling en was dood."
De leeuw is een verscheurend dier, hij voedt zich met het vleesch van levende dieren en van lijken. Somtijds valt hij menschen aan, en men zegt dat, als een leeuw eens menschenvleesch geproefd heeft, hij het boven al het andere verkiest, alle pogingen in het werk stelt om het te verkrijgen en daarvoor dagen lang op den loer blijft liggen. Om deze reden beschouwt men dezen "menscheneter," zooals men hem noemt, altijd als veel gevaarlijker dan andere roofdieren, en somtijds trekt de geheele mannelijke bevolking van een afrikaansch dorp er op uit om hem te vervolgen. Zijn dood verwekt de grootste vreugde, en de overwinnaars houden de huid van het verslagene dier zegevierend in de hoogte, opdat een ieder het zal zien.
De aanvallen van zulk een menschenetende leeuw zijn altijd onverhoeds. Des nachts sluipt hij om de legerplaats heen, en zoekt een van de personen die om het vuur zitten tot zijn prooi uit; hij sluipt stil naderbij, neemt een sprong, en grijpt het slachtoffer met zijne klauwen. Dat alles heeft zoo onverwacht plaats, dat het gezelschap nauwelijks den tijd heeft om te zien wat er gebeurd is, en geen hulp meer kan bieden.
De leeuw onderscheidt zich van alle andere dieren van het kattengeslacht door een haarbos aan den staart, en door lange manen die zijn hals bedekken. Zijn kleur is meestal bruingeel. Afrika, bovenal Senegal, Barbarije, de Kaap de Goede Hoop enz. is het vaderland van dit dier. In Azië is hij minder verbreid; hij leeft dáár in Bengalen, Perzië, in het stroomgebied van den Indus enz.
De leeuw woont niet in hoogstammige bosschen, maar in kreupelhout en rietbosschen. Op eene beschutte plaats graaft hij een ondiepen kuil, en brengt daarin den dag slapende door, om 's avonds op roof uit te gaan.
De leeuw en de leeuwin leven in de grootste eendracht met elkander, en verdedigen met onbegrensden moed hunne jongen. De leeuw wordt zeer oud; te Parijs hebben dikwijls leeuwen 40 jaren lang geleefd, en te Londen stierf in 1760 de beroemde leeuw Pompejus in den ouderdom van 70 jaren.
De leeuwin is veel kleiner dan de leeuw, en mist de prachtige manen, die zulk een groot sieraad van den laatste zijn. Zij is driftiger en wreeder dan de leeuw, vooral als zij jongen heeft. Veelal zijn er van twee tot vier jongen in een leger. Het zijn zeer aardige dieren, die flauw gestreept zijn; later verdwijnen echter die strepen. Eerst in het derde jaar krijgen de jongen manen.
In stormachtige nachten, als de regen in stroomen nedervalt en de boomen voor de kracht van den wind moeten zwichten, als de ondoordringbare duisternis nu en dan door bliksemstralen wordt verlicht en de echo de donderslagen herhaalt, is de leeuw het stoutmoedigst, en laat hij bij voorkeur zijn gebrul hooren. Zelfs in die duisternis ziet zijn scherp oog eenige schuwe antelopen, die, een schuilplaats voor den storm zoekend, bevend bij elkander zijn gekropen. Met één slag van zijn poot velt hij er een. Dan draagt hij zijn prooi naar de rivier, houdt een oogenblik stil om tegen het weerlicht te brullen, en de koning der dieren begint zijn avondmaaltijd.
EEN ROOVER GEVANGEN.
Er zijn geen vogels die met minder geruisch vliegen dan de nachtuil. Als een geest zweeft hij over het landschap, en ongemerkt nadert hij zijne slachtoffers, die in een oogenblik van den grond geheven en in triomf weggedragen worden. De uil behoort bijna in alle werelddeelen te huis. Ver in de noordpoolstreken, op plaatsen waar nooit een beschaafd mensch den voet heeft gezet, leeft de groote sneeuwuil, die bijna even wit is als de sneeuw. Zelfs aan den snavel en de klauwen heeft deze uil vederen, zoodat hij de strengste koude kan doorstaan, en in de schemering van den noordschen winter is zijn oog even helder en scherp als dat van den arend in de stralen der zon. Zonder vrees en vol zelfvertrouwen op zijne krachten, vliegt hij over de blanke velden, of volgt de beren op hunne rooftochten op den walrus en den zeehond, om den maaltijd met hen te deelen.
Er zijn ook uilen die in holen onder den grond wonen en toch het daglicht niet schuwen. In deze vreemde, onderaardsche gebouwen leeft de uil in gezelschap van den prairie-hond en de ratelslang. Maar het valt te betwijfelen of de laatste wel altijd een welkome gast is, want zij zal somtijds wel eens een van hare medebewoners verscheuren. Deze kleine holen-uilen zitten altijd aan den ingang van hunne woningen, om, zoodra zij een alarmkreet hooren, met verbazende snelheid te verdwijnen.
Zulke koloniën van drie soorten van dieren, die zoo weinig bij elkander passen, vindt men dikwijls in de prairieën van het westen van Amerika.
In de zuidelijke landen wordt de stilte van den nacht dikwijls door het gekras van den kerkuil verbroken. De kerkuil vreest de nabijheid van den mensch niet; hij wordt niet zelden op de zolders van oude gebouwen midden in groote steden gevonden, waar hij den dag slapende doorbrengt. Hij is de meest gewone soort van uil in ons land, en ten gevolge daarvan zekerlijk zoo bekend, dat er hier geen uitvoerige beschrijving van zijn zacht, geelachtig, met grijs gevlekt en gestreept gevederte, of van zijne gedaante behoeft gegeven te worden. De kerkuil schuwt zeer koude luchtstreken, en wordt daarom in Zweden even zelden aangetroffen als in Schotland, doch komt des te meer voor in Ierland, Engeland, Nederland, Duitschland en in de overige gedeelten van het zuidelijk Europa, zelfs tot ver in Azië. Ook aan de Kaap de Goede Hoop en in Noord-Amerika is hij niet minder gemeen dan in Europa.
De zomernachten brengt de kerkuil onophoudelijk jagende door, en vangt dan kleine knaagdieren, mollen, vogels en vooral spitsmuizen. Hij verzamelt zelfs tegen den winter een voorraad van de laatstgenoemde diertjes. In vraatzucht doet hij voor grootere roofvogels niet onder; men vindt soms 15 doode muizen en jonge ratten in den omtrek van zijn nest. Waarom hij echter geen jonge duiven vermoordt, daar hij zelfs zangvogels die in kooien aan de huizen hangen aantast, is niet gemakkelijk te verklaren. Hoe dit ook zij, hij verdient toch de onredelijke vervolging niet, die de boeren hem aandoen, want hij behoort tot die hoogst nuttige vogels, zonder welke de door den mensch zoo moeielijk te verdelgen en toch zoo verderfelijke veldmuizen ontzaglijk zouden toenemen.
Een eigenlijk nest bouwt de kerkuil niet; hij vergenoegt zich met een hoek of een vlakken kuil in puinhoopen of in oude muren. De drie tot vijf langwerpige witte, eieren worden omstreeks drie weken lang bebroed; de jongen worden door de ouden zorgvuldig gevoederd. In de eerste jeugd gevangen, kunnen zij tot zekere mate tam gemaakt worden, ten minste aan de nabijheid van den mensch gewennen; vriendelijk en vertrouwelijk worden zij echter nooit, en een dikwijls uitgestooten kreet verkondigt hoe moeielijk het hun valt de gevangenschap te verdragen. Als de uil geplaagd wordt, spert hij zijn bek wijd open en blaast als een kat, en als hij aangevallen wordt werpt hij zich op den rug en verdedigt zich dapper met de klauwen en den bek, waarom hij ook wel katuil wordt genoemd.
Als de zon ondergaat opent de uil zijne groote oogen en komt uit den hollen boomstam, waarin hij over dag geslapen heeft, te voorschijn. Hij klapt eenige keeren met de kaken, als om te beproeven of zij goed in orde zijn, schudt zijne vederen en verlaat zijn verblijf. Hij maakt nu allerlei wonderlijke bewegingen, rekt zijn hals uit en kijkt, alsof hij bijziende is en een bril noodig heeft om goed te kunnen zien; nu en dan draait hij den kop ver naar achteren, op gevaar van zijn nek te verdraaien, en verschuilt zich vervolgens weer in den boom, dien hij juist verlaten heeft. Als de nacht en daarmede de duisternis invalt, wordt hij levendiger. De stilte der bosschen is hem stellig onaangenaam, want hij uit eenige diepe keeltoonen, die een geluid geven alsof hij geworgd wordt, en ziet dan om zich heen, naar allen schijn zeer voldaan over zijn muzikaal talent.
De maan is opgekomen en beschijnt de bladeren en de dikke boomstammen met haar zilveren licht; duizende sterren flonkeren aan den hemel en schitteren als diamanten. De geheele natuur is in rust, en geen enkel geluid stoort de stilte die er heerscht, behalve het geritsel der bladeren, die door een zacht windje heen en weer bewogen worden. Nu vliegt de uil weg, hij klappert met zijne vleugels en zweeft zachtjes voort. Met zijne wonderlijk saamgestelde oogen, die geen daglicht kunnen verdragen, ziet hij als door een teleskoop in de duisternis van het bosch. Hij vermijdt zorgvuldig de ontelbare takken, die hij in de vlucht ontmoet, en ziet meteen naar een prooi uit. Dáár ontdekt hij een kleine wezel, die eveneens een strooptocht onderneemt naar een plaats waar eenige vogels zitten; bliksemsnel schiet de uil naar beneden, en het vlugge, viervoetige diertje is gevangen in de scherpe klauwen van zijn gevleugelden vijand. De uil vliegt nu naar een bouwvalligen toren, waar hij reeds dikwijls zijn maaltijd genuttigd heeft, en waar de vleermuizen, die er om heen fladderen, reeds op zijne komst schijnen te wachten. Maar eensklaps verminderen zijne vleugelslagen, hij slaakt een enkelen rauwen kreet, en in plaats van naar boven te vliegen, valt hij naar beneden.
De oorzaak van dit vreemde verschijnsel is op de volgende wijze te verklaren. De uil had de wezel bij den rug gegrepen, en de slanke wezel, die haar leven niet zonder strijd wilde verkoopen, greep den vogel bij de keel en zette er hare scherpe tanden in. De roover was gevangen, en zoodra de wezel den grond bereikte, sprong zij weg en verdween, terwijl het levenlooze lichaam van den vogel bleef liggen. Hieruit blijkt, dat de list van een oogenschijnlijk zwak schepsel dikwijls meer kwaad doet dan de kracht van den sterke.
DE DANSENDE SCHADUW.
Er zijn weinig dieren die zoo talrijk zijn als de konijnen. Vlug en gemakkelijk springen zij rond op duinen en weiden; zij zijn speelziek van aard, en maken des nachts in het maanlicht allerlei dwaze sprongen over het gras. Door de natuur niet van verdedigingsmiddelen voorzien, zijn de konijnen genoodzaakt hun heil in de vlucht te zoeken, als zij aan hunne talrijke vijanden willen ontsnappen.
De konijnen houden veel van gezelligheid, en in hunne holen zijn dikwijls honderden bij elkander. Deze holen zijn zeer groot; kleine tunnels voeren naar alle richtingen, en hebben openingen aan de oppervlakte van den grond. Deze openingen geven niet altijd toegang tot de eigenlijke holen, maar dienen dikwijls meer als schuilhoeken wanneer zij vervolgd worden; daaruit leiden weer andere loopgraven naar afzonderlijke plaatsen, waar de jongen opgekweekt worden.
De konijnen zijn altijd des nachts in de weer, ofschoon zij ook dikwijls overdag voedsel gaan zoeken. Maar zoodra de zon ondergaat, begint hun leven eerst; uit elke opening van het hol ziet men een konijn komen, het gaat zitten en onderzoekt aandachtig den omtrek. Als het zeker is dat er geen gevaar te duchten is, springt het op om zijn avondwandeling te doen, en huppelt, met den korten witten staart over den rug, over het grasveld. Weldra echter begint deze eenzame wandeling hem te vervelen; en daar inmiddels de maan is opgekomen, die hare zilveren stralen over het landschap werpt, zoekt het zijne makkers op om met elkander te spelen. Zij springen nu eens over elkanders rug, en rennen dan weer door de velden. Tusschenbeide staken de mannetjes eensklaps hun renpartij, trappen ongeduldig met de lange achterpooten op den grond, en springen dan weer verder, nog vlugger dan te voren. Deze dans duurt eenige uren, totdat zij door de koelte van den nacht en door de inspanning eetlust gekregen hebben, en aan hun avondmaaltijd gaan denken. Zij verdeelen zich in kleine groepjes en beginnen gras te eten. Maar toch kunnen zij niet laten om tusschenbeide nog eens te stoeien, om dan weer ernstig te gaan zitten en hun maaltijd te vervolgen.