Part 3
De tijgerjacht behoort in Indië tot de meest geliefkoosde uitspanningen, waaraan evenwel vele gevaren verbonden zijn; er zijn weinig paarden die men zoo kan africhten, dat zij den jager in de nabijheid van een tijger brengen, zoodat de tijgerjacht dus meestal op olifanten plaats heeft. Men drijft den tijger uit zijn leger, en dringt van alle kanten op hem aan. Als de tijger nu tot het uiterste gedreven wordt en geen uitkomst ziet, springt hij soms op den rug van den olifant en grijpt den jager. Zulke jachten hebben dikwijls een treurigen afloop. Er zijn ook vele gevallen bekend van reizigers die eensklaps door tijgers aangevallen werden. Om des nachts op reis veilig te kunnen slapen, is het genoeg dat men een groot vuur aanlegt, want de tijgers zijn bang voor vuur, ofschoon het niet altijd een voldoend middel is om leeuwen op een afstand te houden.
Ofschoon de tijger hardnekkig vervolgd wordt, schijnt zijn getal toch niet te verminderen: in de provincie Kandeisth alleen werden er in de jaren 1825-1829 duizend twee en dertig tijgers gedood. Op Sumatra zijn geheele dorpen door de aanvallen der tijgers onbewoond geraakt; het volk durft hen uit een godsdienstig vooroordeel niet dooden, want zij gelooven dat doode menschen in de gedaante van tijgers terug komen.
De huid van den tijger is roodachtig geel, aan de zijden met zwarte dwarsstrepen geteekend, aan den buik zwart gestreept, zwarte ringen op den staart, witte onderkin en lippen. Als de tijger verzadigd is brult hij, en als hij van plan is een aanval te doen laat hij een kort en scherp gehuil hooren; een eigenaardig blazen door de neusgaten, dat veel van niezen heeft, geeft tevredenheid en eene vriendelijke stemming te kennen.
Ofschoon de tijger zeer veel kracht bezit, en door het kreupelbosch schuifelt, zooals alle katten doen die hun prooi onverwachts aanvallen, wordt hij toch dikwijls het slachtoffer van een ander, even wreed en verscheurend dier.
De rivieren en meren in de heete landen worden bewoond door verschillende soorten van krokodillen. In den Nijl leeft de echte krokodil, in Suriname de kaaiman of alligator, en in den Ganges de gaviaal: het is over deze laatste soort dat wij hier spreken. Deze groote en afschuwelijke dieren liggen òf in de stralen der middagzon op een zandbank te slapen, òf geheel in het water verscholen, behalve de oogen en neusgaten die boven de oppervlakte van het water uitkomen; zóó blijven zij bewegingloos liggen wachten op een of ander dier dat bij de rivier komt. Als de gavialen op een zandbank liggen, kan men hen nauwelijks onderscheiden, want dan gelijken zij veel op doode boomstammen.
De gaviaal valt op tweeërlei wijze aan. Is zijn prooi dicht bij, dan grijpt hij het dier in zijne verschrikkelijke kaken, en sleept het naar den bodem der rivier. Of wel hij blijft op de zandbank liggen, en zoodra een dier het water nadert, slaat hij het met zijn staart in het water, met meer behendigheid dan een koetsier met zijn zweep. Als hij op die manier het dier tusschen zijne kaken heeft gekregen, verscheurt hij het onder water.
De gaviaal is geheel ingericht voor het leven, waartoe hij bestemd is. Hij is bedekt met schubben die samengesteld zijn uit platen van verschillende grootte, en samengevoegd worden door vleezige scharnieren. Als wapen om aan te vallen of om zich te verdedigen, bezit hij lange rijen scherpe tanden, en den langen buigzamen staart, waarmede hij een dier kan vermorselen; in één woord de gaviaal is het schrikwekkendste en vreesselijkste dier dat in het water leeft. Zijne kleine, groene, glazige oogen, zonder eenige uitdrukking, steken boven het hoogste gedeelte van den kop uit, zoodat het dier in staat is zijn geheele lichaam onder water te dompelen, en toch alles te zien wat er boven het water voorvalt. Ofschoon zijne bewegingen gewoonlijk traag zijn, kan hij toch zeer vlug op het land vooruit komen, en men heeft hem dikwijls zoo haastig uit het water zien schieten, dat men hem moeielijk met het oog kon volgen. De gaviaal is de grootste van alle hagedisachtige dieren, hij wordt dikwijls van 5 tot 6 meter lang. Evenals hij op buffels en andere zoogdieren loert, richt hij ook onder de visschen groote verwoestingen aan, en alle lijken die in den Ganges geworpen worden, worden zijn prooi. De geloovige Hindoes laten zich, als zij op sterven liggen, naar de heilige rivier brengen, en worden ook somtijds door den gaviaal aangevallen en verscheurd.
Wat de kleuren betreft, gelijkt de gaviaal op den krokodil, en heeft, evenals deze, klauwen aan de drie binnenste teenen. Zijne achterpooten gelijken op die van den krokodil, maar de nekschilden op die van den alligator. De eerste en vierde tand aan beide zijden van de onderkaak, steken boven de anderen uit, en vallen in een holte van de bovenkaak. Aan het eind van de kaak vormen de met kleppen bedekte neusgaten een kraakbeenig, vooruitstekend kussen. In het weefsel van het ooglid ligt een klein beenplaatje, en onder de benedenkaak liggen een paar klieren, die een naar muskus riekende stof afscheiden.
Nu wij een kort overzicht hebben gegeven van de beide dieren die op de plaat zijn afgebeeld, zullen wij zien op welke wijze zij met elkander vechten; een gevecht, waarbij altijd een van beiden het leven verliest. De zon is zoo even opgekomen, en wekt de gevederde boschbewoners uit hun slaap. Zij schudden de dauwdroppels van hunne vederen, en hun morgengezang klinkt door het woud, terwijl de tijger, vergezeld van zijn wijfje, naar den stroom gaat om zijn dorst te lesschen, voordat hij zijn leger opzoekt waarin hij den dag zal doorbrengen. Zachtjes doorkruisen zij het welbekende kreupelbosch, onverschillig voor de vroolijkheid die hen omgeeft. De speelsche aap slingert zijn buigzaam lichaam door de takken, en op het zien van zijn meest gevreesden vijand, grijnst hij van woede en vrees.
De beide dieren bereiken den stroom, maar de tijgerin die voorzichtiger is dan de tijger, blijft in het dichte kreupelbosch staan; de tijger stapt in het water, en begint te drinken. De gaviaal heeft misschien uren lang op die gelegenheid aan den oever liggen te wachten. Met een nauw merkbare beweging trekt hij zijne schubbige pooten tegen zijn lichaam, en zoodra de tijger begint te drinken, grijpt de krachtige gaviaal den kop van het ongelukkige dier tusschen zijne kaken. Met een half gesmoorden kreet van woede en schrik beproeft de tijger zich van den wreeden vijand te ontslaan, maar deze doet wat hij kan om hem in de rivier te trekken. Niettegenstaande de hevige pijn grijpt de tijger hem met zijne pooten, maar zijne scherpe klauwen glijden af op den schubbigen kop van den gaviaal. Stap voor stap wordt de tijger van den oever gesleurd, ofschoon hij wanhopig tegen zijn verschrikkelijk noodlot strijdt; maar als hij dieper in het water komt, wordt zijn tegenstand allengs zwakker, terwijl de gaviaal, die nu in zijn element is, alle krachten inspant om den kop van den tijger onder water te duwen. Na eenige krachtige pogingen verdwijnt hij met zijn prooi in de diepte, en duikt naar den bodem der rivier. Enkele cirkels aan de oppervlakte van het water en een paar onheilspellende roode strepen zijn de eenige teekenen van het verschrikkelijke en bloedige gevecht dat hier heeft plaats gehad.
LIST TEGENOVER KRACHT.
Het hert van Canada of de wapiti van Noord-Amerika is zeker het edelste dier dat er bestaat. Ofschoon hij niet zoo groot is als de eland, is hij veel bevalliger, en veel regelmatiger gebouwd. Het is een prachtig gezicht als het edele hert zijn nachtleger verlaat en naar het veld gaat, terwijl zijn lichaam glinstert van de talrijke dauwdruppels. Het houdt zijn bevalligen kop recht op, en het veeltakkige gewei rust op zijne schouders. Bij het minste geruisch steekt het zijne ooren op, en de omgekrulde bovenlip en het ongeduldige trappelen met de voorpooten duiden een vurig gestel aan.
In den herfst is de wapiti in de volle bewustheid van zijn kracht; dan vreest hij geen gevaar, en vergezeld van zijne wijfjes die naar hem als haar beschermer opzien, leeft hij zonder vrees voor de aanvallen van dieren die hem op andere jaargetijden vervolgen. In den winter kan hij door de dikke sneeuw niet vluchten of zich tegen zijne vijanden verdedigen; in de lente, als hij uit gebrek aan het noodige voedsel mager en zwak is, en zijn gewei mist, dat in de eerste maanden van het jaar afvalt, is de wapiti slechts een schim bij wat hij geweest is en nauwelijks in staat zich tegen den minste van zijne vijanden verdedigen. Dan vlucht hij in het kreupelhout, en blijft zooveel mogelijk uit het gezicht, dan schuwt hij zelfs het gezelschap van andere herten, en blijft zoolang verborgen totdat zijn gewei weer gegroeid is.
De takken van zijn groot gewei groeien verbazend snel. Kort nadat het afgevallen is, komt er aan elken kant van den kop een knobbeltje te voorschijn, bedekt met eene zachte zelfstandigheid die veel op fluweel gelijkt. In dit knobbeltje vloeit bloed, dat het gewei gedurende de verdere ontwikkeling voedt.
De jonge horens zijn in dezen tijd zoo teeder, dat de minste stoot of wond aan het zachte bekleedsel het aan 't bloeden maakt, en daarom verschuilt de wapiti zich gewoonlijk totdat het gewei zijn vollen wasdom bereikt heeft. Als de horens hard geworden zijn, schilfert de zachte huid die hen bekleedde in lange strooken af; ze zijn dan zuiver wit, maar worden door de zonnestralen spoedig bruin gekleurd.
Gedurende de lente en den zomer leven de wijfjes met de jongen in kleine troepjes. Zij kunnen zich moeielijk verdedigen als de mannetjes er niet bij zijn, en als zij door een roofdier overvallen worden, zijn zij genoodzaakt te vluchten. Haar gevaarlijkste vijand is de poema, of, zooals men hem somtijds noemt, de noord-amerikaansche leeuw, dien zij gelukkig zelden ontmoeten. Dit dier is de grootste en sterkste tijger die in de streken leeft die door den wapiti bewoond worden. Ofschoon hij meestal des nachts rondzwerft, gaat hij ook wel bij dag op roof uit, en sluipt dan zachtjes door het bosch om het een of ander dier aan te vallen.
De poema is zeer listig, zooals uit het volgende voorval blijkt. Een jager die het grootste gedeelte van den dag jacht gemaakt had op een poema, zag, toen hij een eind weegs geloopen had, telkens de sporen van een man en van zulk een tijger, en weldra kwam hij op het vermoeden dat het listige dier een omweg gemaakt had en achter den man gekomen was, en zoodoende de vervolger was geworden in plaats van den vervolgde.
In plaats van verder te gaan, ging hij achter een boom staan, en wachtte met zijn geladen geweer den sluipmoordenaar af. Kort daarna zag hij den poema voorzichtig aan komen sluipen; het dier besnuffelde zijn voetspoor en zocht overal om den jager. Deze wachtte een gunstig oogenblik af en gaf vuur; het dier viel gelukkig op de plaats dood neder. Het was een mannetje van de grootste soort.
In den winter beproeft de poema dikwijls te vergeefs den wapiti aan te vallen, want de wapiti's kunnen krachtigen tegenstand bieden, en de hinde wordt gewoonlijk vergezeld van den bok, wiens harde horens niet te minachten zijn. Dan brengt de tijger een bezoek aan de schaapskooi, waar hij onder de verschrikte en hulpelooze schapen groote ontsteltenis veroorzaakt.
Als de tijger zulk eene gelegenheid vindt, doodt hij meer schapen dan hij noodig heeft om zijn honger te stillen. Wordt een tijger door een jager met zijne honden vervolgd en in 't nauw gebracht, dan vlucht hij op een boom, en gaat op een dikken tak liggen; daar ziet hij rustig op zijne viervoetige vervolgers neer, die toornig om den boom heenloopen, en in hunne vergeefsche pogingen om bij hem te komen bij den stam op gaan staan. Maar nu wordt de tijger door een schot doodelijk gewond en is genoodzaakt zijne schuilplaats te verlaten; hij valt te midden van zijne vervolgers en verdedigt zich hardnekkig. Zelden wordt de tijger dan ook afgemaakt, voordat eenige honden door zijne klauwen en tanden gedood zijn.--Nu wij een overzicht gegeven hebben van zijne levenswijze en gewoonten, zullen wij zien hoe het komt dat de tijger en de wapiti soms aan 't vechten geraken.
Een troepje vrouwelijke wapiti's loopt door het bosch, om eene geschikte plaats te zoeken waar zij den nacht kunnen doorbrengen. Nu zij niet vergezeld zijn van hare beschermers, die in dit jaargetijde afgezonderd leven, vertrouwen zij op haar scherp gezicht en gehoor en op hare vlugheid. Geen vijandig gebrul wordt in het bosch gehoord. Maar haar grootste vijand bespiedt de zorgelooze dieren met vurige blikken. Hij ziet haar gehuppel, en sluipt op zijne fluweelen pooten naar den overhangenden tak van een bladerrijken boom, en wacht op de komst van de herten. Daar ligt hij, als uit marmer gehouwen: men bespeurt geen ander teeken van leven als de onwillekeurige beweging van de klauwen, die telkens van de gladde schors afglijden. Zachtjes komen de bevallige, schuwe herten aanhuppelen, zij houden telkens eens stil om te snuffelen of om met opgestoken ooren naar de komst van een vijand te luisteren. Maar zij hooren of ruiken niets, en onbekend met de grootte van het gevaar, loopen zij onder den boom door. De tijger, wiens natuurlijke wreedheid nog verhoogd is door het lange vasten, springt eensklaps op den breeden rug van zijn slachtoffer. De arme wapiti is een oogenblik als verlamd door het onverwachte van den schok, en bezwijkt onder het gewicht van het verschrikkelijke dier; maar de angst verleent hem nieuwe krachten en hij ijlt door het bosch, terwijl zijn wreede vijand zijn vleesch met zijne klauwen en tanden openrijt. Het gebrul van den tijger en het gejammer van het gewonde hert brengt de andere boschbewoners op de been; allen vluchten, behalve de groote ooruil, die in zijn slaap wordt gestoord; hij volgt de twee dieren, hopende zijn aandeel te krijgen in het gastmaal dat op handen is. De wapiti, wiens krachten allengs minder worden, begrijpt dat hij zich van zijn gevaarlijken metgezel moet bevrijden, want dat hij anders onder zijne klauwen zal bezwijken; hij draaft voorbij de dikke boomstammen, en schuurt er tegen aan, vergeefs moeite doende den tijger van zijn rug af te krijgen. Doch al zijn moeite is vergeefs; eensklaps ziet hij een dooden boomstam die dwars over den weg en eenige voeten boven den grond ligt. De wapiti ijlt er naar toe, bukt zich en kruipt er onder door; de tijger schuurt met geweld tegen den boomstam aan, zoodat hij genoodzaakt is zijn prooi los te laten; de tijger valt, en de wapiti verdwijnt in het dichte bosch. De tijger brult van woede, slaat met zijn langen staart en sluipt zachtjes weg;... Men ziet hieruit dat list dikwijls veel vermag tegenover kracht.
SNUFFELAARS OP ZEE.
Nadat het schoone schip menigen storm heeft doorgestaan, lijdt het ten laatste schipbreuk op de kust. Het is door de woeste golven geheel uiteen geslagen, en de planken liggen verstrooid op het strand. De lading spoelt weg, en de schoone zeemeeuwen vliegen er heen. Zij zweven boven den eetbaren voorraad, of zetten zich neer op iets dat haar bijzonder bevalt. Zij betwisten elkander met schrille kreten den buit en haasten zich het geroofde in hare ivoren bekken weg te dragen. Zij vliegen in zwermen boven het gestrande schip, en hare zilveren vederen steken tegen de donkere wolken af.
Onder de zeevogels zijn er geen die bevalliger en schooner zijn dan de werkzame, vroolijke, zuiver witte zeemeeuwen. Een vlucht van deze vogels gelijkt meer op sneeuwvlokken dan op levende schepsels; als sneeuwvlokken zweven zij over de golven of over het kale strand. De zee, die door duizende schepselen van allerlei gedaanten bewoond wordt, zou waarlijk zeer treurig zijn indien er geene zeevogels waren om haar te vervroolijken.
Als wij haar bouw gadeslaan, die zoo geheel in overeenstemming is met het leven waartoe zij bestemd zijn, zien wij hoe talrijk de middelen zijn waarover de Schepper kan beschikken! Op alle zeeën vindt men deze vogels, van de groote zeemeeuw met zwarte rugvederen, tot de kleine zeemeeuw die niet grooter is dan een zwaluw.
In warme landen blijven deze vogels het geheele jaar over; maar zij verlaten de noordelijke landen zoodra de winter in aantocht is, want dan is de zee met een ijskorst bedekt, en zijn de meeuwen dus van haar gewone voedsel verstoken.
Hoe bevallig ploffen zij in de zee neder om visschen te vangen! Overal weerklinken hare zegekreten, somtijds ook kreten van gramschap, als een sterkere vogel haar het voedsel ontsteelt. Men wordt duizelig als men de ontelbare zwenkingen van deze witte vogels gadeslaat, maar men wordt tevens getroffen door de verscheidenheid, schoonheid en snelheid van hunne gemakkelijke bewegingen. Men vindt deze bevallige vogels niet alleen langs de kusten, maar ook honderde mijlen van het land verwijderd. Ofschoon zij zoo licht zijn dat men zou denken dat de wind hen mee moet voeren, kunnen zij toch gemakkelijk een storm weerstaan; nu eens balanceeren zij op hunne vleugels, dan zwenken zij weder evenals schepen tegen den wind in. Als de zeemeeuw vermoeid is door lang te vliegen, gaat zij op het water zitten; zij vouwt hare lange vleugels over den rug, en blijft dan rustig zwemmen, onverschillig voor de golven die haar lichaam telkens in de hoogte slingeren.
De zeevogels maken niet allen nesten; sommigen leggen hunne eieren in het zand, anderen op kale rotsen; dit zijn vooral zulke zeevogels, die gewoon zijn op overhangende klippen te broeden en hunne jongen te verzorgen. Elke ledige ruimte wordt soms ingenomen door duizenden van alken, zeekoeten en dergelijke vogels, die hunne eieren op de rotsen leggen; verderop vormen de zeemeeuwen een kolonie, en voeden en verzorgen hare jongen. Den geheelen dag wemelt het op de rotsen van ontelbare vogels; de een brengt voedsel aan zijne jongen en de ander gaat het zoeken. Als zij gestoord worden, vliegt eensklaps de geheele bevolking op, hetwelk een geraas geeft als of het in de verte dondert. Ofschoon zij in ontelbare menigte bijeen leven, zijn zij altijd vriendschappelijk onder elkander, en als hunne plichten vervuld zijn, zoekt elk zijn woonplaats weer op. Zoo volgen die snuffelaars op zee alle hun eigenaardige levenswijze, zonder dat de een den ander leed doet.
EEN TROPISCHE BADPLAATS.
In Afrika leven de meeste groote dieren. In de woestijnen zwerven kudden antelopen, die dagen lang zonder een enkelen druppel water kunnen leven, en de bosschen worden bewoond door kudden reusachtige olifanten, die in statigen optocht onder de schaduwen van het geboomte voortloopen.
Het groote, lompe neushoorndier komt met zijne kleine, boosaardig flikkerende oogen uit het kreupelbosch kijken en is naar allen schijn in diep gepeins verzonken; de trotsche giraffe loopt met groote schreden door de bladerrijke bosschen. Ook bavianen ziet men deftig in eene plechtige vergadering bijeen; zij beraadslagen met elkander over een of ander gewichtig onderwerp van hunne huishouding en worden door een grijzen patriarch in bedwang gehouden, die op krachtige wijze de goede orde handhaaft. De koninklijke leeuw en de luipaard zijn er ook aanwezig, maar blijven in hun leger totdat de nacht invalt; dan gaan zij op roof uit, gevolgd door den lafhartigen hyena en den keffenden jakhals. Overal ziet men vreemde vogels, van den langhalzigen secretaris, die over de vlakte stapt om naar slangen te zoeken, tot de werkzame kleine wevervogels, die in luidruchtige groepen hunne groote nesten op de boomen maken. In de rivieren leven ontelbare krokodillen, die onbewegelijk op den oever liggen, terwijl groote kudden nijlpaarden zich in het water vermaken. Dus overal dieren, in zulk een oneindige verscheidenheid en menigte, dat Afrika meer op een grooten dierentuin gelijkt, dan op een land waarin ook menschen wonen.
Onder de viervoetige dieren trekt de olifant vooral onze aandacht, zoowel door zijne grootte als door zijne schranderheid. Grooter dan de olifant van Azië, verschilt hij er ook nog in vele andere opzichten van. Hij heeft buitengewoon groote ooren; als hij ze achterover werpt, reiken zij voorbij de schouders en bedekken het geheele voorste gedeelte van zijn lichaam, en als hij ze naar voren werpt, bedekken zij den geheelen kop, zoodat het schijnt alsof hij een paar groote, leerachtige vleugels heeft. Beide sexen bezitten slagtanden, en het wijfje heeft dus een groot voorrecht boven hare aziatische zuster, die deze verdedigingsmiddelen mist.
De olifant, die met het nijlpaard en het neushoorndier tot de orde der dikhuidigen behoort, leeft altijd in groote troepen; het mannetje beschermt het wijfje en de jongen als zij aangevallen worden. Hij heeft geen reden om bang te zijn voor de meeste wilde dieren, ofschoon het wel eens gebeurt dat hij aan 't vechten geraakt met het ontembare neushoorndier, dat, als het onder het lichaam van zijn grooten tegenstander valt, zijn langen, scherpen hoorn in het lijf van den olifant stoot, waardoor deze weldra dood ter aarde valt.
Een soort van tijken en vele andere insekten leven op de huid van den olifant, en veroorzaken hem veel last. Om zich van deze lastige insekten te bevrijden, neemt hij zijn toevlucht tot een zeer schrander en krachtdadig middel. Hij zoekt een modderigen poel op en gaat er in liggen rollen als een varken. Als hij dik met de kleverige modder bedekt is, staat hij op en is nu geheel wit, rood of zwart, naar de kleur van de modder; daarna gaat hij zich in de zon droogen, en wacht uren lang totdat de modderkorst droog en hard is geworden. Dan schudt hij zijn lichaam, waardoor de modder loslaat; alle insekten zitten nu in de harde korst, en het schrandere dier gaat heen, en is voor eenigen tijd weder van zijne kwelgeesten bevrijd.
Over 't algemeen wordt de olifant zeer oud, maar zoodra er een uit de kudde ziek wordt, jagen de anderen hem uit hun midden. Nu het arme dier wel genoodzaakt wordt zijn gezelschap te verlaten, zoekt het eene plaats op die bij de jagers onder den naam van "de begraafplaats van den olifant" bekend is, en blijft daar tot aan zijn dood. Hoe ver deze bijzondere plaats ook verwijderd moge zijn, toch spant hij al zijne krachten in om haar te bereiken, alsof hij onmogelijk ergens elders zou kunnen sterven.
In de laatste jaren zijn de olifanten dieper in het land doorgedrongen, want de jagers vervolgen hen hardnekkig, vooral om de slagtanden die een zeer kostbaar handelsartikel zijn. Eene groote kudde van deze reusachtige dieren moet een prachtig schouwspel opleveren, en de weinige Europeanen die zulk een kudde in 't wild gezien hebben, geven er opgetogene beschrijvingen van.
Harris, de eerste reiziger die in het Cashan-gebergte doordrong, spreekt van een prachtig panorama dat zich eensklaps aan zijn oog vertoonde. "Het geheele landschap was bedekt met wilde olifanten. Er waren niet minder dan driehonderd bij elkander. Overal waren zij verspreid, op de groene heuvels en in het dal; het was een zwarte levende massa; sommigen waren gedeeltelijk verborgen achter boomen die door hen vernield werden, anderen stonden majestueus overeind, en droegen boomtakken in hunne snuiten, waarmede zij zich voor de vliegen beschermden. Op den achtergrond zag men eene blauwe bergketen, die hier zeer steil was en een verheven en treffend schouwspel aanbood." Zulke tooneelen genieten dikwijls zij, die hun leven en gezondheid veil hebben voor de wetenschap, of voor hun geliefkoosd bedrijf, de jacht.