Schetsen uit de Dierenwereld

Part 2

Chapter 23,969 wordsPublic domain

Men vindt de groote apen slechts op plaatsen waar uitgestrekte bosschen zijn, want daar deze dieren ingericht zijn om als over de toppen der boomen te loopen, en van tak tot tak, door middel van hunne lange armen verder te gaan, zouden zij niet op opene vlakten of waar de boomen ver van elkander staan, kunnen leven. Als zij over een dikken tak loopen, gaan zij in eene half opgerichte houding, en steunen met de knokkels van de vingers op den tak. Heeft de aap de takken van een anderen boom bereikt, dan grijpt hij die met beide handen, en trekt er uit al zijn kracht aan, om te beproeven of hij er zich wel op kan vertrouwen; is hij hierover voldaan, dan slingert hij zich naar den overkant, en op deze wijze doorkruist hij spoedig eene groote uitgestrektheid van het bosch. De grimassen van deze dieren, en de manier waarop zij tevredenheid of tegenzin te kennen geven, zijn, vooral als zij jong zijn, zeer grappig en kluchtig. Wallace had een jonge gorilla, en als dat dier iets kreeg dat hem beviel, dan likte hij zich de lippen af, trok zijne wangen samen, en sloeg zijne oogen naar boven met eene uitdrukking van de grootste tevredenheid. Smaakte de spijs hem niet, dan proefde hij er even van, en spuwde het overige uit, en als men hem toch weer de zelfde spijs voorzette, begon hij te huilen en te schoppen als een stout kind. Als hij boos of onrustig was, sloeg hij met zijne handen in de lucht alsof hij iets wilde grijpen, maar hij was bijzonder in zijn schik als hij den baard van Wallace machtig kon worden, dien hij dan zoo stevig vasthield dat men hem zonder hulp niet weder los kon maken. Om zijn aap genoegen te doen, maakte Wallace een pop van een rol of bundel van buffelhuid, en hing die ongeveer een voet hoog boven den grond op. De aap scheen daarmede zeer in zijn schik te zijn: om dien rol kon hij zijne armen en beenen slaan, en naar hartelust in het haar wroeten. Dit geluk duurde echter slechts zoo lang tot hij plotseling aan zijne moeder dacht, want hij deed eene poging om te zuigen. Maar niets vindende als haar of wol, werd hij boos, en begon hard te gillen, zoodat de nagemaakte moeder weder weg genomen moest worden.

De apen, vooral de groote soorten, hebben niet vele vijanden. Op Borneo, waar een van de grootste apen thuis behoort, namelijk de orang-oetan, beweren de inboorlingen dat hij in het bosch nooit door eenig ander dier wordt aangevallen behoudens twee uitzonderingen, door den krokodil en den python; wat trouwens toch zelden gebeurt. Als er geen vruchten meer in het bosch te vinden zijn, zoekt de orang-oetan zijn voedsel aan den oever der rivier, waar hij vele jonge loten vindt, en vruchten die aan den waterkant groeien. Dan tracht de krokodil hem soms te grijpen; maar de orang-oetan springt op hem, slaat hem met handen en voeten, verscheurt en doodt hem. Als een python of boa-constrictor den aap aanvalt, grijpt de mias, zooals men hem op Borneo noemt, de slang met beide handen, en bijt haar dood.

De gorilla is tot heden de grootste van alle bekende soorten. Men heeft hem nog nooit in volwassen staat levend naar Europa over kunnen brengen, want als deze aap de vruchten mist waaraan hij in 't wild gewend is, of blootgesteld wordt aan de koudere luchtstreek van noordelijker landen, begint hij te kwijnen en sterft hij weldra aan de tering. Maar mocht er iemand zijn, die lust heeft om dit woeste schepsel in vrijheid te zien, dan moet hij naar de binnenlanden van Afrika gaan, naar die streken waar geene beschaving heerscht, en waarin slechts enkele Europeanen zijn doorgedrongen. Dáár woont de gorilla met zijn familie, in gezelschap van de overige wilde boschbewoners. Dáár leven zij ongestoord, en eten de vele vruchten die aan trossen aan de boom en hangen, en schenken slechts weinig aandacht aan hetgeen beneden hen gebeurt. Maar als een ongewoon geluid de stilte van het bosch komt storen, of als zij iets vreemds zien, dan vluchten de wijfjes met de jongen die zij vast omklemd houden nog dieper in het bosch, terwijl de vader en beschermer zich snel van den eenen boom naar den anderen slingert, het voorwerp van zijne vrees tracht op te sporen voor dat hij de anderen op de vlucht volgt, en rond ziet of er gevaar is; en dan schijnt hij met een toornig gelaat en een heesch geluid knorrig te vragen: Wat is er?

EEN ROOVERSBURCHT.

In een van de meren van de schotsche Hooglanden staat eene eenzame rots, het toevluchtsoord van de vogels die wij op de plaat zien afgebeeld. Een van deze vogels keert juist naar zijn nest terug, en houdt het voedsel voor zijne hongerige jongen tusschen zijne klauwen. Reeds jaren lang wordt die ongenaakbare klip door deze vogels bewoond; zij broeden en verzorgen er hunne jongen, en de oppervlakte van den top der rots is bijna geheel bedekt door het nest, dat met elk jaar grooter wordt. Nog nooit heeft een menschelijke voet die rots betreden, en nog nooit heeft een hartstochtelijke eieren-verzamelaar naar de gespikkelde eieren gezocht, die er op dat eiland liggen.

Het is een prachtig gezicht als een visch-arend zijn prooi vervolgt. Met welk een bevalligheid en gemakkelijkheid zweeft hij met zijne breede vlerken door de lucht! Als hij weet dat alles in zijn nest in orde is, vliegt hij naar den oever van het meer, want dáár is het water minder diep, en kan hij dus beter de visschen zien, waar op hij aast. Als hij dáár is, vliegt bij langzaam heen en weder, en ziet aandachtig naar hetgeen er beneden hem voorvalt; eensklaps houdt hij een oogenblik stil, schiet als een pijl uit den boog in het water, en verdwijnt in de bruischende golven. Spoedig komt hij weer te voorschijn, en nu heeft hij een grooten visch tusschen zijne klauwen; hij schudt de glinsterende waterdroppels uit zijne vederen, even als een hond die in 't water geweest is, vliegt naar zijn nest terug, en verkondigt zijn geluk door het uiten van schrille kreten. De jongen hooren het welkome geluid, en geven door aanhoudend gepiep hunne dankbaarheid te kennen; zij komen boven het nest uitkijken, en met uitgerekte halzen en uitgespreide vleugelen wachten zij ongeduldig op hun verzorger. Vóór dat de vogel in het nest gaat, vliegt hij er in een halven cirkel om heen, dan strijkt hij neer met den visch, die spoedig door de scherpe bekken van de hongerige jongen aan stukken wordt gescheurd.

Ofschoon de visch-arend zeer veel kracht in zijne klauwen heeft, en er zware wonden mee kan toebrengen, is hij toch een van de vreedzaamste en onschadelijkste dieren. Hij leeft bijna in elk werelddeel; men vindt hem vooral langs de kusten van Noord-Amerika, en nu en dan op een van de binnenlandsche meren. Groenland wordt ook somtijds door den visch-arend bezocht, en in den herfst van het jaar 1872 ving de heer Edward Whymper op zijne tochten in dat bijna onbekende land, een zeer schoon exemplaar van een visch-arend; maar het gebeurt toch zelden dat deze vogel zoo ver naar het noorden trekt, want het exemplaar van den heer Whymper is tot heden het eenige 't welk in dat gedeelte der aarde gedrongen is. Zoodra de winter begint, bezoekt de visch-arend ook dikwijls de Antillen. Men vindt hem ook in Groot-Brittanje, ofschoon tegenwoordig niet zoo veel als vroeger. Hij is ook zeer algemeen in Australië, op de eilanden van den Indischen Archipel, en in Indië. Ongeveer vijf of zes soorten van deze vogels zijn bij de natuurkundigen bekend.

Ofschoon de rivieren en meren bij de komst van den visch-arend dikwijls bevroren zijn, en hij daardoor genoodzaakt is langen tijd te vasten, zal hij toch nooit kleinere vogels of zoogdieren tot zijn prooi maken, hetgeen hij door zijn snelle vlucht en sterke klauwen gemakkelijk zou kunnen doen. Voor de amerikaansche visschers is hij een welkome verschijning, want hij is altijd de voorbode van eene groote hoeveelheid haringen en makrelen, die in dichte massa's aan den oever komen zwemmen. De visschers laten den visch-arend dan ook altijd ongemoeid, want zijne verschijning voorspelt hun een overvloedig en voordeelig jaar, en zij moeten dan ook niet zien dat een jager het waagt in hunne tegenwoordigheid op een visch-arend te schieten, want dan zou hij er niet goed afkomen. De zwemvogels hebben niets van den visch-arend te vreezen, want hij valt hen nooit aan; in Amerika ziet men zelfs insekten-etende vogels een plaats op zijn nest innemen, en er hun eigen nesten op maken, evenals vasallen die rondom de burcht van hun machtigen heer en meester hutten bouwen.

De visch-arend is over 't algemeen van boven donker-bruin gekleurd, van onderen wit, en de kop wit met bruine vlekken; de vederen aan den nek en hals zijn lichtgeel met bruine strepen; van de oogen tot den opperarm loopt een breede, donkerbruine streep, aan de borst heeft hij enkele pijlvormige vlekken, en de washuid en pooten zijn lichtblauw. De jongen zijn van boven bruin-grijs, van onderen zuiver wit; de volwassene wijfjes zijn moeielijk van de mannetjes te onderscheiden. Onder de teenen heeft de visch-arend zeer scherpe knobbeltjes, waardoor hij met gemak de gladde visschen kan grijpen en vasthouden.

In Amerika heeft de visch-arend een gevreesden vijand in den zee-arend, die hem dikwijls zijn prooi ontsteelt. De wijze waarop hij dit doet, is aardig om te zien. Als de visch-arend naar een visch zoekt, gaat de zee-arend in een boom zitten, volgt den visch-arend met gretige blikken, en verliest zijn slachtoffer geen oogenblik uit het oog. Zoodra de visch-arend uit het water komt en zijn zegekreet laat hooren, buigt de zee-arend zijn lichaam, en zit op de takken heen en weer te wiegelen. Als nu de visch-arend zekere hoogte bereikt heeft, vliegt de zee-arend met een schrillen kreet op, om hem te vervolgen. De ongelukkige visch-arend weet maar al te wel van waar die kreet komt, en plotseling begint hij in wijde cirkels te vliegen; de zee-arend doet het zelfde, en nu trachten zij beiden boven elkander te blijven. Hoe bevallig en gemakkelijk zijn hunne bewegingen als zij zoo in kringen naar boven vliegen! Maar nu begint de visch-arend het gewicht van den visch te voelen, en nu kan hij niet meer zoo vlug als zijne krachtige tegenpartij vliegen. Zoodra de zee-arend het overwicht verkrijgt, en boven den visch-arend is gekomen, houdt hij een oogenblik stil, en valt op den visch-arend neer, die, nu hij zich moet verdedigen, den visch laat vallen, waarvoor hij zooveel moeite gedaan heeft. Nu vliegt de vrijpostige roover bliksemsnel naar beneden, vangt den visch voor dat deze in het water valt, en onder zegekreten draagt de zee-arend zijn gestolen buit naar den dichtst bijzijnden boom, om den visch op zijn gemak op te peuzelen; en de ongelukkige visch-arend vliegt weer verder om een anderen visch te zoeken. Op het rustige meer, dat op onze plaat afgebeeld is, ziet men geen gevleugelde roovers die heerschappij voeren over de vreedzame visch-arenden. Jaar in, jaar uit, leven zij veilig op de rots, zoo veilig als in de middeneeuwen een ridder op zijn rooversburcht.

OP 'T KANTJE AF.

Er zijn weinig vogels die tot zoo veel bijgeloof en vrees aanleiding hebben gegeven als de uil, en die tevens zoo geheel zonder reden verafschuwd worden. In vroegere tijden beschouwde men het krijschen van dezen nachtvogel als een teeken van onheil, vooral als men het in de nabijheid van eene woning hoorde; en toch is er zekerlijk geen schepsel dat minder kwaad doet. Gelukkig verdwijnt het bijgeloof reeds bij velen, en wordt de uil met recht gewaardeerd als een weldoende vernieler van vele insekten en krengen.

Er zijn vele soorten van uilen, waaronder de groote ooruil, en de kleine uil die nauwelijks grooter is dan een musch. Sommige uilen gaan op roof uit als de zon hoog aan den hemel staat, hetgeen geheel in tegenstelling is met de gewone gebruiken van de andere soorten, zoodat er dus twee soorten van uilen zijn: dag- en nachtuilen. In de noordpoolstreken is de uil even wit als het ijs en de sneeuw die de geheele oppervlakte van het land bedekt, zoodat hij zich gemakkelijk voor zijne vijanden kan verbergen, en ongemerkt een dier kan naderen, dat hij voor zijn prooi heeft uitgezocht. De natuur plaatst altijd hare schepselen in zulke omstandigheden als het beste met hun gestel en uiterlijk overeenkomen, en verzuimt nooit iets wat tot hun gemak, geluk en bescherming bij kan dragen.

De groote uilen van meer zuidelijke landen hebben gespikkelde vederen, en sommige hebben groote kuiven boven de ooren, die den vogel een zeer grappig aanzien geven, als hij die vederbosjes in de hoogte steekt. De uil vertoeft bij dag gaarne in het dichte geboomte, op sparren en andere boomen, en ook wel in een hollen boom, waarin hij zich schuil houdt zoolang de zon schijnt, of in stomme verbazing zit te kijken naar alles wat dicht bij zijne schuilplaats komt. Menig dartel eekhoorntje dat over de takken huppelt of over een boomstam springt, houdt een oogenblik stil, en ziet naar den bezadigden en ernstigen vogel. Niet tevreden over de koele ontvangst van den uil, geeft het eekhoorntje zijn ongenoegen te kennen door telkens met zijn dikken staart heen en weer te slaan, en scheldt den uil uit door een geluid te maken als de ratel van een nachtwacht. Kort daarop huppelt hij maar weer verder, om een meer gastvrijen vriend op te zoeken, want hij ziet toch wel dat hij, volstrekt geen indruk op zijn droomerigen buurman maakt.

De groote ooruil van Amerika valt des nachts de kalkoenen aan. Die aanval wordt door deze vogels echter op de volgende wijze verijdeld. Ofschoon de uil altijd zachtjes nadert, wordt de kalkoen toch zelden onverhoeds aangevallen, want zoodra hij den nachtvogel bespeurt, uit hij een waarschuwenden kreet voor zijne metgezellen, en de kalkoen die door den uil aangevallen wordt, buigt zijn kop en spreidt zijn staart over zijn rug uit. Zoo kan de uil dus niets anders machtig worden als een of twee staartpennen, en zoodra de uil weg gevlogen is, zoeken de kalkoenen eene andere plaats op om den slaap te vervolgen.

Over 't algemeen verwijderen de uilen zich nooit ver van die plaatsen waar zij geboren zijn, omdat zij daar altijd overvloed van voedsel hebben. Van de koude hebben zij niets te lijden, want hunne dikke vederen zijn eene genoegzame bescherming tegen de stormen en rukwinden van het ruwe jaargetijde. Ofschoon zij over dag zeer rustig en traag zijn, beginnen zij, zoodra de nacht invalt, zich ijverig op hunne nachtelijke tochten voor te bereiden. Door de donsachtige vederen van hunne vleugels kunnen zij zonder gedruisch vliegen, en zijn zij voorbij gevlogen eer men bespeurt dat zij komen.

De oogen van den uil die over dag half blind in 't rond staren, zijn des nachts helder en flikkerend, zoodat hij elk voorwerp in de duisternis kan onderscheiden. Niets ontgaat zijn blik wanneer hij door de bladerrijke wouden zwerft, en bij tusschenpoozen zijn onwelluidend gekrijsch laat hooren, dat vele menschen een hevigen schrik aanjaagt, en waardoor dikwijls de geheele bevolking van een dorp uit den slaap gewekt wordt, want zijn gekrijsch klinkt als de gesmoorde kreet van een mensch die stikt of geworgd wordt. Tusschenbeide verlaat hij het geboomte, en zweeft over de opene vlakten. Met den vos vecht hij om zijn prooi, maar als de vos hem meester kan worden, is er ook voor hem geen genade. Door alle vogels, van de kleinsten tot de groote roofvogels, wordt de uil gehaat en verafschuwd. Niet tevreden met kikvorschen en torren, rooft hij konijnen, korhoenders, eekhoorntjes, fazanten, eenden en, zooals wij reeds gezegd hebben, kalkoenen. De vederen, haren en beenderen worden mede doorgeslikt, en verteren niet, maar voor vischgraten is hij bang en vermijdt die zorgvuldig. Hij houdt er zeer veel van om het gedoode dier uit het vel te halen, en in de gevangenschap weigert hij gesnedene stukken vleesch, want dan beneemt men hem de gelegenheid om het zelf aan stukken te scheuren. De ooruil vliegt niet zeer snel, maar gelijkmatig en zacht. Als hij gewond wordt, is hij woedend; hij zoekt zijn vijand op, en vecht met een volharding en moed, waarin hij zelfs den arend overtreft. Hierdoor hebben de inboorlingen van Noord-Amerika een bijgeloovige vrees voor dezen vogel, en de priesters dragen altijd een opgezetten uil met glazen oogen bij zich, als een zinnebeeld van hun macht en beroep.

In het begin van April broedt de uil 2--3 kegelronde, witte eieren uit, die even groot zijn als kippeneieren en eene ruwe schaal hebben. Het wijfje is altijd een weinig kleiner en slanker, en heeft een dikkeren kop en langere vederbosjes dan het mannetje.

De kleur van den ooruil is op den rug gewoonlijk grijs, met zeer fijne zwarte en witte stippen, de vleugels zijn geelachtig wit met zwart, zijn borst is wit met roestgele vlekken en grijsgele golvende dwarsstrepen, om de oogen heeft hij zwarte ringen, de snavel en de klauwen zijn zwart, de pooten dicht met gele vederen bedekt, en zijn staart is aan de onderzijde wit met zwart gestreept.

Eenige konijnen spelen op de glinsterende sneeuw die door hunne sprongen in de lucht stuift. Geen enkele vijand bedreigt hen, en vrijpostig komen zij uit hunne holen kijken. Maar zachtjes zweeft de groote nachtuil over de witte velden om zijn avondmaal te zoeken. Hij bukt en buigt zich om te onderzoeken of er iets is wat hij kan meester worden. Over de bevroren planten ligt een laag sneeuw; de uil komt, en staart naar de speelplaats van de kleine viervoetige dieren, die onbekend zijn met het gevaar dat hen dreigt. Eensklaps valt de uil op hen aan, en de verschrikte konijnen vluchten naar hunne holen; maar hoe hard zij ook loopen, hun vervolger vliegt nog harder, en grijpt een van de konijnen met zijn klauwen in het vel. Doch het konijn biedt tegenstand zooveel het kan, het loopt naar zijn hol: gelukkig ligt er een boomtak voor de opening, en terwijl zijn verschrikte metgezel over zijn lichaam heen springt, om het gewenschte toevluchtsoord te bereiken, trekt het ontstelde kleine dier den poot van den vogel tegen den tak, ontworstelt zich uit de scherpe klauwen, en verdwijnt in de opening van het hol. En een loerende vos die, voordat de vogel zich vertoonde, geduldig gewacht had op de gelegenheid om een sprong te doen naar de konijnen, kijkt verwonderd op als hij de doordringende kreet van dit diertje hoort, en is getuige van eene ontsnapping die nog juist op het kantje af is.

HET GEVECHT.

In de bosschen van Azië leven ontelbare verscheidenheden van zoogdieren, vogels en insekten, terwijl de moerassen en rivieren bewoond worden door allerlei kruipend gedierte, dat, in het water verborgen of bedekt door de overhangende bladeren der boomen, geduldig aan den oever op den loer ligt naar een schepsel, dat zijn dorst aan den verkoelenden stroom komt lesschen.

Van alle verscheurende dieren is zonder tegenspraak de gestreepte tijger, een bloedverwant van den jagoear van Zuid-Amerika, het gevaarlijkst en meest te vreezen. Evenals deze laatste heeft hij een prachtige huid, maar zijn karakter stemt met dat schoone uiterlijk niet overeen, want hij is listig, wreed, verraderlijk en roofgierig, en als hij door honger geplaagd wordt of op wraak bedacht is, bestaat er zeker geen dier dat meer te duchten is. En toch is de olifant niet bang voor hem, want in een gevecht zal de tijger bijna altijd het onderspit delven; als de olifant hem niet terstond met zijne groote slagtanden doorboort, neemt hij den tijger met zijn slurf op om hem onder zijne pooten te vertrappen, en dan helpen de scherpe tanden en klauwen den tijger niets, want zij glijden af op de taaie, dikke huid van zijn grooten tegenstander.

Er zijn vele voorbeelden van het tam maken van tijgers en van hun onderworpenheid aan hunne verzorgers; maar ofschoon zij aan de gevangenschap gewend raken, en zich laten liefkozen, verraadt hun wilde natuur zich toch op het een of ander oogenblik, en met de snelheid van den bliksem valt de tijger den persoon aan, wiens liefkozingen hij nog eenige oogenblikken te voren, onder luid gespin, heeft toegestaan.

Een heer in Indië had een tijger groot gebracht, die eenige weken oud was toen hij hem kreeg. De tijger volgde hem als een hond, speelde met hem, en verraadde nooit een trek van de wreedheid die den tijger eigen is. Eens op een dag zat de heer onder zijn veranda te lezen, en, zooals gewoonlijk, lag de tijger naast zijn stoel. Eensklaps werd hij in zijne lectuur gestoord; hij voelde dat de tijger zijn hand likte, die over de leuning van den stoel hing, en daarbij luid spinde. Naar beneden ziende, bespeurde hij dat zijn hand bebloed was, waardoor de wreedheid van het dier opgewekt werd. Zonder van houding te veranderen, riep hij een bediende om een geweer te halen, dat gelukkig geladen en dicht bij was, en beval hem het dier op de plaats dood te schieten. Dit geschiedde, en zoo ontsnapte die heer aan een groot gevaar, want de flikkerende oogen van den tijger en het slaan met zijn staart toonden duidelijk aan, dat de natuurlijke hartstochten bij het dier boven waren gekomen.

De tijger is bijna over geheel Azië verspreid. Men vindt slechts enkelen in Turksch Georgia, maar zij zijn talrijk in het Elboerz-gebergte ten zuiden van de Kaspische zee. In Bokhara, aan den oever van den Irtisj, en ook in de Altai-streken en aan den Amoer zijn zij niet ongemeen; ook in China en natuurlijk in Indië ten zuiden van het Himalaya-gebergte vindt men hen; maar niet op Ceylon, ofschoon hij een inwoner is van het maleische schiereiland en van sommige groote eilanden van den Archipel. De tijgers van noordelijke landen zijn grooter en hebben dikker haar dan die van zuidelijker streken.

Het voedsel van den tijger in Indië bestaat uit runderen, herten en wilde zwijnen. Somtijds bieden de laatsten zulk een heftigen tegenstand, dat de tijger overwonnen en verslagen wordt; men heeft tijgers gevonden welker lichaam geheel open gereten was, waarschijnlijk door de scherpe slagtanden van het zwijn. Het is bekend dat dit dier, tot het uiterste gedreven, zijn slagtanden weet te gebruiken, handiger dan een man met een mes kan omgaan.

De tijger is ook zeer belust op pauwen, en een groote vlucht van deze vogels verraadt meestal de aanwezigheid van een tijger.

Van nature is de tijger lafhartig en ontwijkt hij den aanval, zelfs al is hij bezig met zijn prooi te verslinden.

Men verhaalt hoe een herdersjongen in Indië door een van deze dieren aangevallen, maar door de buffels die hij hoedde gered werd. Zij vielen den tijger zoo krachtig op het lijf, dat zij hem tot een onteerenden aftocht dwongen, terwijl de knaap te midden van zijne hardkoppige beschermers ongedeerd bleef.

Als de tijger honger heeft, eet hij zelfs kikvorschen en alles wat hij slechts van dierlijk voedsel kan vinden. Sir Walter Elliot verhaalt van een tijger die door hem gedood werd en die zeer mager was, wat veroorzaakt was door den stekel van een stekelvarken die in zijn keel was blijven zitten en hem het slikken belette. Een beroemd jager verhaalt dat, toen hij eens een tijgerin gedood had, hij, in zijn tent terug gekomen zijnde, een man met een olifant zond om de tijgerin te halen. De man kwam terug en zei, dat hij de tijgerin nog levend gevonden had. Zij gingen dus den volgenden morgen op ontdekking uit en zagen, dat de tijgerin in een bergspleet was gevallen en vervolgens door een anderen tijger half opgegeten. Dezen laatsten doodden zij niet ver van daar. Het schijnt dus dat kannibalisme ook tot de eigenschappen van dit schoone dier gerekend kan worden.