Part 6
Terwijl de wolf zijn treurig gehuil laat hooren, zien wij eensklaps een mannelijken wapiti uit het boschje te voorschijn komen. Het edele dier blijft in zijn schuilplaats, maar de gekrulde bovenlip, het knarsen met de tanden en de trotsche houding van den kop bereiden zijn tegenstander geen aangename ontvangst, als hij kennis met den wapiti mocht willen maken. Maar dat schijnt niet de bedoeling van den wolf te zijn, want hij gaat een weinig achteruit en laat onafgebroken zijn gehuil hooren. Dit geeft hem in het eerst niets, de echo alleen herhaalt het, maar na verloop van eenigen tijd wordt zijn gehuil uit de verte beantwoord; hij steekt zijne ooren in de hoogte en hoort nu van alle kanten hetzelfde geluid. Vlug en zachtjes komen eenige gedaanten naar de plaats loopen waar zij het gehuil het eerst gehoord hebben. De wapiti wordt onrustig en doet eenige stappen voorwaarts, alsof hij een aanval wil doen, maar hij bedenkt zich en keert naar zijn schuilhoek terug.
De wolven komen schielijk naar het boschje toe, zij loopen er om heen of gaan liggen, en schijnen te peinzen over de beste manier om den wapiti aan te vallen. Op eens hebben zij een besluit genomen, want zij komen allen naar den wapiti toesnellen, die met gebogen kop en verschrikte oogen den aanval afwacht. Maar nog durven zij hem niet aan; zij gaan voor hem staan en knarsen met de tanden. Nu zien wij de list van de wolven; eenigen zijn ongemerkt weggeloopen en komen op hunne achterpooten aanspringen; zij vallen den wapiti van achteren aan en beproeven door het gesmak met hunne kaken het edele dier schrik aan te jagen.
De wolven hernieuwen hun aanval en zijn nu stouter dan in 't begin; de wapiti doet ondertusschen wanhopige stooten met zijne horens. Eindelijk valt een van de wolven hem aan en werpt hem ter aarde; de wapiti vliegt op hem los, doorboort den wolf met zijne horens en werpt hem hoog in de lucht. De andere wolven zijn woedend over het lot van hun metgezel; zij vallen den wapiti allen te gelijk aan, en nu heeft er een hevig en wanhopig gevecht plaats.
Aan alle kanten kunnen de wolven den wapiti aanvallen, en daar kan hij zich niet tegen verdedigen; hij breekt door het boschje heen en ontvlucht. De hongerige wolven volgen hem, hun toornig gehuil weerklinkt door de lucht, en zij spannen al hunne krachten in om den wapiti in te halen, die hen allen vooruit blijft en met wanhopige sprongen door de sneeuw ijlt. Zoo gaan zij verder, vervolgers en vervolgde, vele mijlen ver. Kudden schuwe antelopen schrikken op en vluchten pijlsnel; buffels kruipen bij elkander, de stieren staan voorop, met hunne krachtige, harde koppen naar de begeerige wolven gekeerd, terwijl de koeien en kalveren achter hunne dappere beschermers gaan staan. De wolven zijn onvermoeid, en met bloeddorstige oogen en uit den bek hangende tongen achtervolgen zij hun prooi mijlen ver. De wapiti wordt vermoeid, want de sneeuw hindert hem, en door zijne scherpe hoeven breekt de ijskorst die zijn pooten openrijt en wondt. Zijn tong hangt uit zijn bek, zijn ademhaling wordt sneller, en met zijne groote, heldere oogen ziet hij telkens naar zijne bloeddorstige vervolgers om. Maar hij houdt vol, want het is een strijd op leven of dood, en hij begrijpt dat, als hij nu verflauwt, hij spoedig in de macht van zijne vijanden is, die hem oogenblikkelijk aan stukken zullen scheuren. In het eerst dacht hij dat zijn vlugheid voldoende zou zijn om hem van zijne vijanden te verlossen, maar nu hem zijne krachten beginnen te begeven, begrijpt hij dat hij een veilige plaats moet opzoeken. En die gewenschte plaats doet zich als van zelf voor; hij bereikt eenige lage heuvelen en ziet een rivier. Op dit gezicht voelt hij zijne krachten herleven, en hij rent naar den vriendelijken oever. Maar helaas! in plaats van het gewenschte water, ziet hij eene groote uitgestrektheid glinsterend ijs. De wapiti aarzelt een oogenblik, maar zijne vijanden zijn dicht bij hem: nog één minuut en het is te laat. Met de kracht der wanhoop springt hij van den oever en komt neer op het gladde ijs dat onder zijn gewicht breekt. De begeerigste wolven volgen hem en vallen met hem in het water. Een er van wordt door zijne scherpe hoeven gewond, de stroom voert den wolf mede, en hij verdwijnt onder de ijskorst. Een andere wolf keert naar den oever terug, want het koude bad heeft zijn ijver bekoeld; de overigen staan op den oever te huilen en zien hoe de wapiti alle moeite doet om aan het nieuwe gevaar dat hem dreigt te ontkomen. De wapiti breekt het ijs met zijne voorpooten, en duwt de stukken in het opene water. Langzamerhand wordt de afstand van zijne vijanden grooter, en nu is er nog één stuk ijs tusschen hem en zijne redding. Half opgericht plaatst hij er zijne voorpooten op, hij duwt het weg en heeft nu een kanaal gemaakt, waarin hij zwemmen kan. Mooi en dapper gedaan! De wolven staan op den oever te huilen van kwaadaardigheid; zij volgen hem met de oogen, en sommigen wagen zich zelfs op het ijs. Druipnat klimt de wapiti bij den anderen oever op, waar hij een plaatsje zoekt om wat uit te rusten en zijne krachten terug te krijgen;--het dubbele gevaar is voorbij, zijn leven bleef gespaard!
MOEDERLIEFDE EN MOED.
Ofschoon de gier-arend min of meer op een gier gelijkt, behoort hij toch niet tot deze orde van vogels. In plaats van den kalen kop, den afzichtelijken, kalen nek en het gerimpelde vel van den gier te bezitten, is het lichaam van den gier-arend tot aan den snavel met vederen bedekt, zoodat hij met zijn scherpziend oog en fraaien vorm meer heeft van den arend dan van het afschuwelijke geslacht der gieren. De gier-arend vliegt zeer snel, en is zoo stoutmoedig dat zelfs de tegenwoordigheid van menschen hem niet van zijne rooverijen terughoudt. Een bekend reiziger verhaalt: "ik zat eens met eenige lieden om een vuur geschaard, waarop ons middagmaal klaar gemaakt werd; eensklaps streek een gier-arend vlak bij ons neer, klom bij den ketel op, en stak er zijn poot in om er een schapenbout uit te nemen. Maar het kokende water bedroog hem, zoodat hij weg vloog; op zoo iets had hij niet gerekend. Kort daarna kwam hij echter terug, en nam, zonder acht te slaan op de personen die om het vuur zaten, alle stukken vleesch weg die voor hen lagen. Toch had hij er slechts kort pleizier van, want hij werd doodgeschoten."
De gier-arend is de grootste der arenden, en bezit niet alleen minder kracht in zijne klauwen als menige kleinere roofvogel, maar ook een in verhouding kleineren snavel. Hij aast bijna nooit op doode dieren: hij doodt hen liever zelf, en vergenoegt zich dan ook slechts in de uiterste noodzakelijkheid met rottende overblijfselen. Hij komt met den gier daarin overeen, dat hij zijn prooi niet wegdraagt, maar op de plaats zelve opeet, en ook in zijn groote gulzigheid, want hij eet altijd zooveel tot hij zich niet meer bewegen kan. De gier-arend doodt zijn prooi niet door een stouten aanval, en door gebruik te maken van zijn snavel en zijne klauwen, maar vliegt boven zijne prooi heen en weder, verblindt en bedwelmt haar door vleugelslagen, en zoekt haar in een afgrond te werpen. De gier-arend is niet sterk genoeg om groote dieren leed te doen en kiest dan ook alleen zijne slachtoffers onder zwakke en jonge schepselen.
In Zwitserland vangt men den gier-arend door het zelfde middel als waarmede men de vossen vangt, namelijk in vallen, en in Piëmont werpen de inwoners doode paarden in diepe kloven; spoedig komen de vogels er op los, en eten zooveel zij maar kunnen; daarna willen zij weg vliegen, maar door de engte van de kloof kunnen zij de vleugels niet uitslaan, en worden nu gemakkelijk gevangen.
Het lichaam van den gier-arend is van boven glanzend bruinachtig zwart, elke veder heeft een witte schacht en een witte stip op de punt. Zijn hals en borst zijn roestgeel, een zwarte streep loopt van het midden van den schedel over de oogen tot den wortel van den snavel, de aschgrauwe staartpennen met donkeren rand en de slagvederen hebben witte schachten.
De bek en het keelgat van den gier-arend zijn buitengewoon groot, en het laatste is zoo rekbaar, dat hij met gemak de grootste beten doorslikt; zijn maag is zeer groot en verteert beenderen, scherpe splinters, vogelklauwen en het haar van zoogdieren. Zijn nest maakt hij van takken en dunne boomwortels, en vult het met dor gras. In de maand Maart legt hij van twee tot vier vuilwitte, bruin gevlekte eieren. In de eerste jaren zijn de vederen der jongen donkerkleurig, en eerst in het derde of vierde jaar krijgen zij verschillende kleuren.
Als de gier-arend op den grond loopt, doet hij zich het minst voordeelig voor, maar in de lucht vliegt hij bevallig en gemakkelijk; met zijne breede vleugels doorklieft hij den dampkring, tusschenbeide gaat hij op de met sneeuw bedekte toppen der bergen zitten, en onderzoekt met zijn doordringenden blik alle plaatsen, om te zien of er misschien ook een of ander dier tusschen de bergen verscholen is, dat hij onverwachts met zijne klauwen kan grijpen. Zijn staart stuurt hem in alle richtingen, evenals het roer van een schip. Als hij over de meren vliegt die zijn beeld terugkaatsen, of als hij naar beneden ziet, naar de dalen die aan den voet der hooge bergen liggen, dan verheugt hij zich in zijne kracht en vrijheid, en laat telkens een schrillen vreugdekreet hooren. Maar eensklaps staakt hij zijn vlucht, want hij heeft iets ontdekt dat zijn aandacht opwekt.
Langs de zijden van een bijna ontoegankelijke rots springt een gems met haar eenig jong; zij huppelen van de eene punt naar de andere, en komen dikwijls op zulke smalle richels neer, dat zij er nauwelijks op kunnen staan. Het kleine gemsje blijft dicht in de nabijheid van de moeder, en volgt al hare bewegingen en sprongen na, op gevaar af van in den afgrond te vallen. Maar zij zijn zeer zeker in hunne sprongen, en ofschoon slechts eenige weken oud, loopt de jonge gems zoo gemakkelijk op de gevaarlijke rotsen, alsof zij het al jaren had gedaan. Zij is zoo gerust, alsof er geen afgrond onder haar en geen doodvijand boven haar is.
Maar wie is zoo waakzaam als eene moeder? Terwijl zij naar een ruimer punt springt, altijd op hare hoede dat haar jong geen leed kan geschieden, ziet zij dat een gier-arend van plan is haar jong aan te vallen. Met opgerichten kop en snuivende neusgaten wacht zij den vijand af, en trapt ongeduldig met de voorpooten op den grond; het jong, dat door de bewegingen van de moeder begrijpt dat er gevaar op handen is, schuilt achter haar. Ja, dat teêre schepseltje zou een heerlijke maaltijd voor den gier-arend zijn! Hij zal dus de oude gems met vrede laten, die trouwens hare scherpe horens naar hem keert, en beproeft hare aandacht van het jong af te trekken en haar door list te verwijderen. Telkens schiet hij half neer, maar de gems laat zich niet om den tuin leiden. Nu verandert de gier-arend zijn plan van aanval; hij komt dichter bij en wil met zijne krachtige vleugelen het jong van de smalle rots afwerpen. De stoutmoedige gems verijdelt echter al zijne pogingen, en nu beproeft de gier-arend, die toornig is omdat hij zoo gefopt wordt, nog eene laatste krachtige poging. Hij zweeft nu eens heen en weer boven de jonge gems, houdt dan weder een oogenblik stil, en schiet met de snelheid van den bliksem naar beneden. Zijne scherpe, meedogenlooze klauwen heeft hij reeds uitgestoken om het jong te grijpen..... maar hij komt terecht op de harde horens van de onversaagde moeder, en ondervindt eenigermate de gewaarwording als werd hij tegen eene rots geslingerd.
Geen schooner eereteeken voor de moeder dan die vederen uit de borst van haren wreeden vijand; zij zijn het beste bewijs van hare moederliefde en trouw.
De toornige gier-arend is thans verslagen en vernederd, en zet zich op een nabijgelegen rots neer, in de hoop weldra een prooi te vinden, die minder krachtig verdedigd wordt. Zijne gehavende vederen getuigen van de kracht, die zulk een in vergelijking zwak dier als de gems bezit, als zij haar hulpeloos jong tegen den vijand wil beschermen en verdedigen.
IN 'T NAUW GEBRACHT.
Er bestaat geen norscher en wraakzuchtiger dier dan een oud wild zwijn. Even als zijn geheele ras toont het zeer weinig schranderheid. Door de dikte van zijn huid en door zijne groote kracht komt het meestal ongedeerd uit een gevecht met een ander wild dier te voorschijn. De lange, witte slagtanden, die in zijn onderkaak zitten, worden door de gedurige wrijving tegen de bovenkaak zoo scherp als een scheermes, en de steken die het er mee kan geven, zijn doodelijk.
Er zijn vele soorten van wilde zwijnen. Sommigen hebben een afschuwelijk uiterlijk; hun kop is bedekt met wratten en uitwassen, en uit hun langen stompen snuit steken groote tanden naar buiten. Dit is o. a. het geval met het zoogenaamde wratzwijn in Afrika, dat het leelijkste is van alle zwijnen. Op sommige eilanden van den Indischen Archipel leeft een zwijn dat door de inboorlingen babi-roessa genaamd wordt, van wege den vreemden en buitengewonen vorm van de slagtanden die uit de bovenkaak steken. Deze slagtanden zijn zeer lang en scherp, en in plaats van naar beneden en buiten te groeien, zooals bij de andere soorten, steken zij aan elken kant van den neus uit beenachtige pijpjes recht in de hoogte, en worden dan boven de oogen terug gebogen; bij oude zwijnen worden de slagtanden ongeveer tien centimeter lang.
Men weet niet waartoe deze tanden dienen, want zij zijn het dier somtijds hinderlijk in zijne bewegingen en kunnen ook niet ter verdediging dienen. Ofschoon de babi-roessa dezelfde gewoonte heeft als het gewone zwijn, graaft en wroet hij toch niet in den grond, zooals de andere zwijnen altijd doen, maar leeft van afgevallen vruchten die hij in de bosschen vindt.
De kleur van het wilde zwijn is altijd rosachtig zwart of bruin met grijs gemengd. Het maskerzwijn van Zuid-Afrika heeft lange kwasten aan de ooren, die puntig en dun zijn, en bezit doorgaans een roodbruine huid, welks haren van onderen grijsachtig wit en van boven roodbruin zijn. Dit dier ziet er vroolijker uit dan zijn sombere broeders.
Men gelooft algemeen dat de zwijnen ongevoelig zijn voor slangegif, zoodat men niet zelden een kudde zwijnen houdt op plaatsen, die door slangen onveilig gemaakt worden, daar de zwijnen de slangen vangen en opeten. Het is bekend dat het zwijn niet zelden de ratelslang vernietigt, hoewel deze zeer vergiftig is. Men beweert dat al wordt het zwijn door de woedende slang gebeten, het vergif toch niet in zijn bloed wordt opgenomen, omdat het lichaam onder de huid overal met een dikke laag vet is bedekt. Daardoor ondervindt het zwijn geen schadelijke werking van het vergif.
Zoodra het zwijn een slang ziet, valt het, met de borstels overeind, op haar aan, en onverschillig voor hare vreesselijke beten, bijt het de slang aan stukken en eet haar op.
De zwijnenjacht was en is nog heden ten dage in sommige gedeelten van Europa een geliefkoosd tijdverdrijf. Bij zulk een jacht behooren natuurlijk steigerende paarden, blaffende honden en vroolijk hoorngeschetter; de stoutmoedige jagers ontkomen dikwijls ter nauwernood aan het woedende dier, als het naar eene plaats gedreven wordt waar de honden het omringen, en waaruit het niet kan ontkomen. Dan is het zeer gevaarlijk om het zwijn te gemoet te gaan en op de punt van het korte jachtgeweer op te wachten. Als men niet goed treft, of als het dier de punt van het geweer op zijde schuift, brengen zijne slagtanden verschrikkelijke wonden toe, of wel het zwijn vertrapt het voorwerp van zijn haat onder zijne puntige hoeven.
In het zuidelijke gedeelte van Amerika leeft een klein zwijn, algemeen bekend onder den naam van peccary. Het verschilt in vele opzichten van de andere zwijnen, en behoort met eenige verwante soorten tot een ander geslacht als ons gewoon zwijn. Deze kleine zwijnen leven gewoonlijk in troepen, en kennen geen vrees voor aanvallen van andere dieren. Zij zijn zoo wreed en stoutmoedig, dat menschen en beesten wel genoodzaakt zijn hen te ontvluchten, want anders loopen zij gevaar van vreesselijk gewond te worden door de korte, scherpe slagtanden van deze dieren. In vergelijking van de andere soorten is hun uiterlijk niet leelijk, de kleur van het haar is zwart-bruin, aan de lippen en kin wit.
Op het vasteland van Europa betwisten de wilde zwijnen en de wolven elkander de heerschappij. De brommende, lafhartige wolven zijn zeer gesteld op het vleesch van hun borsteligen vijand. Van de jonge zwijnen ondervinden de wolven niet veel tegenstand; zij maken hen met gemak van kant, ten minste als de vader of moeder er niet bij is om het jong te beschermen.
Alleen in den winter, als de grond met sneeuw bedekt is en de zwijnen half dood zijn door het lange vasten, durven de wolven een oud wild zwijn aan te vallen. Zoodra de wolven dan een eenzaam ronddolend zwijn zien, laten zij hun gehuil hooren; hier komen andere wolven op af, die zich bij de jacht voegen, en nu in grooten getale hun begeerde prooi achterna ijlen. Het zwijn begrijpt dat gehuil wel, dat in het dichte bosch weergalmt, en het barsche eenzame oudje, dat naar alle kanten met zijne bloeddorstige oogen rondziet, draaft over de sneeuw en zoekt eene schuilplaats waar het zich beter dan op de opene vlakte tegen zijne talrijke vervolgers kan verdedigen. Het zwijn kent het gevaar dat hem dreigt, en vreest dat de wolven hem in het opene bosch zullen overvallen, want tegen zoo vele dieren is het niet bestand. Het gehuil wordt hoe langer hoe heviger, de begeerige wolven komen nader; daar ligt een omgevallen boom, de wortels steken uit den grond, het zwijn verschuilt zich tusschen de door elkander gestrengelde wortels die hem genoeg kunnen beschermen, en wacht nu achter deze natuurlijke verschansing zijne vijanden af. Kort daarna verschijnen zijn vervolgers. Zij omringen zijn schuilhoek, trachten de gevaarlijke slagtanden te ontduiken en het dier van achteren aan te vallen; maar de wortels van den boom zijn te dik, en al hun moeite is te vergeefs. Woedend dat zij zoo gefopt worden, vallen zij het zwijn allen te gelijk aan, hopende hierdoor de overwinning te behalen; maar het zwijn draait zijn grooten kop naar alle kanten, en een van de wolven valt bloedende op den grond, terwijl de overige wolven huilende achteruit stuiven. Daar zit het zwijn met zijne kleine, bloeddorstige oogen veilig in zijn schuilplaats, met bloed en schuim om den bek, en knort verschrikkelijk. Op het gehuil van de verslagen wolven komen anderen hen te hulp: in het maanlicht vertoonen zich de schaduwen van gedaanten die naderbij komen om hunne kameraden te helpen. Nu wordt het gevecht nog wanhopiger en woedender dan te voren. Door den honger gedreven, zien de wolven het gevaar over 't hoofd; zij vallen het zwijn van alle kanten aan. Maar het zwijn is woedend, en maakt op een onbarmhartige manier gebruik van zijne slagtanden. De gesneuvelde wolven liggen om hem heen, de sneeuw wordt rood gekleurd door het bloed dat uit hunne gapende wonden vloeit, en hun gehuil weergalmt door het bosch. De overige wolven worden nu bang, en ontmoedigd door den dapperen tegenstand van het zwijn, sluipen zij stilletjes weg. Thans komt het zwijn zegevierend te voorschijn uit de schuilplaats, waarin het zoo deerlijk in 't nauw werd gebracht.
AFGETOBD.
Het gezicht van een kraai wekt bij vele menschen sombere gedachten op, waarschijnlijk door de zwarte kleur van hare vederen. Zij is diefachtig van aard en neemt alles wat zij krijgen kan: als het voorwerp ten minste niet te groot is, brengt zij haar buit op eene verborgene plaats, evenals de ekster en de meerkol doen. Het veld, waarin juist koorn gezaaid is, beschouwen de kraaien als haar eigendom; als zij zulk een veld zien, zijn zij zoo ongeduldig om er op te komen, dat zij nauwelijks zoolang kunnen wachten tot de landbouwers vertrokken zijn.
Het gekras der kraaien is zeer onwelluidend; zij laten het telkens hooren, alsof zij willen toonen dat zij spotten met andere vogels die een welluidender gezang kunnen uiten. Zij behooren tot de vogels die het geheele jaar door op bepaalde plaatsen blijven, en zijn ongevoelig voor de veranderingen van de jaargetijden. In den winter zitten zij op de doode takken der boomen, die evenals de geheele natuur in een wit sneeuwkleed gehuld zijn; men ziet haar vooral in de somberste tijden van het jaar, als alle bloemen verwelkt zijn en de natuur van haar grootste schoonheid is beroofd. Zij vliegen over de sneeuw, hare zwarte lichamen schijnen nu nog zwarter te zijn, en onder het uiten van schrille kreten doorklieven zij de koude winterlucht. Zij hebben een scherp gezicht: niets ontgaat haar doordringenden blik. Het arme dier, dat voor de ruwe koude bezwijkt of dat gewond is, behoeft niet te hopen dat het den roover zal ontkomen, want zoodra de kraai het ziet, schiet zij naar beneden en volgt het zoolang tot het dood is. In den zomer, als de geheele natuur in haar bekoorlijkst gewaad getooid is, zijn deze zwarte vogels eene onaangename verschijning; zij passen beter bij de koude van de wintermaanden.
Het is schemeravond, de zon is achter een dikken nevel verborgen, en de wind giert over de eenzame vlakte. De dorre takken der boomen wiegelen heen en weer, de grond is met sneeuw bedekt, en de geheele natuur is levenloos. De wolken jagen door de lucht, alsof zij op eene bepaalde plaats moeten wezen en bevreesd zijn, dat zij die niet zullen bereiken. De jonge boompjes bezwijken onder den last der sneeuw, en aan de takken hangen lange, glinsterende ijskegels.
Men zou denken dat in zulk een tijd alle dieren in hunne schuilplaatsen blijven, en dat niets anders als de honger hen kan verleiden om de gure koude te doorstaan. Doch daar komt een gewonde haas langzaam aanspringen, hij heeft pijn, want zijn ééne poot is gebroken, misschien wel door een moorddadig schot; hij zoekt een schuilplaats, die hem voor den snerpenden wind en zijne onmeedoogende vervolgers kan beschermen. Het is nog maar kort geleden dat hij eensklaps opgeschrikt werd door een hond die zijn schuilplaats ontdekt had; de haas dacht misschien juist aan de heerlijke heldere zomernachten, toen hij op het zachte gras speelde. Zijn leger is ver weg, hij is verzwakt door de doodelijke wond, en spant al zijne krachten in om eene veilige plaats te bereiken. Maar hij kan niet verder en verschuilt zich onder een verdorden struik, die hem toch niet beschermen kan, want ook daar is hij aan de strenge koude van den naderenden nacht blootgesteld. Helaas! arm haasje, geen oogenblik laat men u met vrede: de kraaien hebben u al gezien en uwe bezwijkende krachten gadegeslagen; daar komen zij al aanvliegen! Zij weten maar al te goed, dat het niet lang meer met u zal duren; het flauwe teeken van leven dat gij nog geeft, schrikt haar niet af, en weldra zullen zij u aanvallen, gij die nog kort geleden zoo vol levenslust waart! Ja, gij ontstelt! want hare vleugels raken u al aan, zij kunnen haar ongeduld bijna niet langer bedwingen. De wind huilt en strooit de sneeuwvlokken in het rond, en bedekt daardoor het afgetobde, doode lichaam van den haas met eene laag sneeuw, als wilde hij het dier in een rein doodskleed hullen!