Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië
Part 21
De boot was op dezelfde wijs ingericht als de Messenger; ook de passagiers waren lui van 't zelfde allooi. Wij aten op dezelfde uren van dezelfde spijzen op dezelfde saaie manier, en met dezelfde gebruiken. Het gezelschap scheen onder dezelfde achterkousigheid gebukt te gaan en dezelfde onvatbaarheid te bezitten om vroolijk te wezen en luchtig van hart. Nooit in mijn leven zag ik zoo'n onverschillige, zwaarmoedige saaiheid als die daar broedde over deze maaltijden: bloot de heugenis daarvan drukt als lood op mijn ziel en maakt me voor een oogenblik onpasselijk. Geen wonder dan ook, dat, als ik daar in onze kleine kajuit op mijn knie zat te lezen en te schrijven, ik er werkelijk tegen opzag dat het aanstonds weer zoo laat was om te komen eten; en, was het eten afgeloopen, zoo blij van tafel opstond als had ik in de kast gezeten. Waar gezonde vroolijkheid en opgeruimdheid bij den disch aanzitten, kon ik met de Le Sage's rondreizenden speelman mijn broodkorst doopen in de fontein en den grootsten schik hebben in mijn leven, maar... om nu met zooveel mede-dieren aan te zitten en dan dorst en honger te stillen op de manier waarop men handel drijft aan de Beurs; aan te moeten zien, dat ieder schepsel zijn bord leegt zoo gauw als hij maar kan en dan op eens uitsnijdt; kortom, er getuige van te wezen, dat deze maatschappelijke gebruiken ontbloot zijn van alles behalve van datgene wat met de gulzige bevrediging der natuurlijke behoeften overeenkomt, kijk, dat alles doet bij mij de gal zoodanig overloopen, dat ik in gemoede geloof dat de herinnering aan deze begrafenismalen mij een wakende nachtmerrie zal zijn zoolang ik leef.
Er was toch nog iets op deze boot dat ons een beetje opbeurde, wat we op de anderen niet gevonden hadden. De kapitein (een goed kalf van 'n vent) had namelijk zijn aardig vrouwtje bij zich, die levendig en spraakzaam van aard, het gezelschap wel waard was, evenals dit het geval was met een stuk of wat andere damespassagiers, die aan 't zelfde end van de tafel bij ons zaten. Maar niets was bestand tegen den neerdrukkenden invloed van 't gezelschap in zijn geheel genomen. Er heerschte een magnetisme van de saaiste botheid en de botste saaiheid onder dien troep, dat de koddigste grappenmaker ter wereld zich hier uit het veld geslagen zou gevoeld hebben. Een schertsend woord zou een misdaad geweest zijn, en een glimlach zou al heel gauw plaats hebben moeten maken voor een algemeen gegrijns van afschuw. Zoo'n doodachtig volk van lood; zoo'n stelselmatig gebuk en getob en gesloof onder de vervelendste en ondraaglijkste zwaarmoedigheid; zoo'n massa geanimeerde indigestie met betrekking tot al wat geestig, joviaal, rondborstig, gezellig of prettig mag heeten; 't was zeker nooit en nergens bijeengebracht sinds den dag der schepping.
Toen wij de samenvloeiing van den Ohio en den Mississippi naderden, was het tooneel, dat zich daar aan ons oog vertoonde, ook alles behalve bezielend en opwekkend. De boomen waren in hun groei belemmerd; de oevers waren laag en plat; de nederzettingen en blokhutten geringer in aantal, en die er in woonden, nog bleeker en armzaliger dan de ellendigste wezens die we tot dusverre tegengekomen waren. Geen vroolijk gezang van vogels in de lucht, geen liefelijk geuren, geen afwisselend licht en schaduw van snel voorbijdrijvende wolken. Uur-in uur-uit scheen de onveranderlijke gloed van den heeten, onvriendelijken stroeven hemel op dezelfde eentonige voorwerpen. Uur-in uur-uit stroomde de rivier voort, zoo vervelend en langzaam als de tijd zelf.
In den ochtendstond van den derden dag kwamen we eindelijk aan de plek die er zooveel woester uitzag dan al wat we tot dusver van dien aard gezien hadden, dat de armzaligste plaatsen, die we voorbij gekomen waren, daarmee vergeleken, allerbelangrijkst konden genoemd worden. Aan de samenvloeiing der twee rivieren ligt op een bodem zoo vlak, en laag, en moerassig, dat hij op zekere tijden des jaars tot aan de nok der huizen overstroomd is, een broeinest van koorts, ziekte en dood; en dat rampzalige oord, het wordt in Engeland opgehemeld als een mijn van Gouden Hoop, en afgaande op monsterachtig verkeerde voorstellingen, laat men er zich zelf tot speculatiën door verlokken, die menigeens onheil ten gevolge hebben. Een akelig moeras, waar de half voltooide huizen wegrotten: hier en daar over een ruimte van een el of wat van boomen gezuiverd; en waar dan een welige, ongezonde vegetatie voor den dag komt, in wier ongezonde schaduw de ongelukkige landverhuizers, die hierheen gelokt zijn, kwijnen en sterven en begraven worden; de nare, afschuwelijke Mississippi, die er draaiend en kronkelend voorbijstroomt, en aan zijn zuidelijken loop een slijmachtig monster afzet, afzichtelijk om aan te zien; een broeibak van ziekte, een leelijk graf, een groeve waar geen enkele straal van hoop boven flikkert: een plaats zonder een enkele eigenschap, in bodem, lucht of water, die haar in 't minst kan aanbevelen: ziedaar het beeld van dit ellendig Caïro.
Maar welke woorden zullen den Mississippi beschrijven, dien grooten vader van rivieren, die (de Hemel zij geloofd!) geen jonge kinderen heeft als hij! Een reusachtig groote sloot, op sommige plaatsen een mijl of drie breed, die, zes mijlen in 't uur, niets dan slik of modder met zich voert; zijn sterke en schuimende stroom overal belemmerd door blokken, ja, door heele boomen, die zich nu eens tot groote vlotten samenvlechten, uit wier tusschenruimten een met duinhelm begroeid, drabbig schuim opwerkt om op de oppervlakte van 't water te dobberen; dan weer voorbijrollen als monsterachtige lichamen, terwijl hun verwarde wortels er uitzien als gevlochten haar; die nu een voor een als reusachtige bloedzuigers voorbijflikkeren, en zich dan weer als gewonde slangen in de draaikolk van den een of anderen maalstroom om en om wringen. De oevers laag, de boomen dwergachtig, de moerassen krioelende van kikkers, de armzalige hutten weinig in getal en ver van elkaar af, hun bewoners holwangig en bleek, het weer erg heet, muskieten die doordringen tot in iedere reet en spleet der boot, slik en slijm op ieder voorwerp: niets, niets dat er plezierig uitziet, dan het onschadelijke weerlicht dat elken avond aan den donkeren gezichteinder flikkert.
Twee dagen lang sukkelden we op dezen smerigen stroom voort. Gedurig stootten we tegen het drijfhout aan, of stopten, om die meer gevaarlijke hinderpalen te vermijden, de knoesten of zoogenaamde zagers, die de verborgen stronken der boomen zijn, die onder 't water wortels geschoten hebben. Zijn de nachten stikdonker, dan weet de wacht, die voor aan de boot op den uitkijk staat, aan 't rimpelen van 't water, of er een of ander onheil dicht voor de hand ligt, en dan luidt hij een bengel naast hem, dat voor de machine het sein is om te stoppen: maar 's nachts heeft deze bengel altijd werk, en na ieder gelui komt een schok, die het niet gemakkelijk maakt, in bed te blijven.
Het ondergaan der zon was hier erg prachtig; het uitspansel zwom als in een zee van rood en goud, tot boven onze hoofden. Toen de zon achter den oever onderging, schenen de kleinste grashalmpjes, die daar groeiden, even duidelijk zichtbaar te worden als de aderen in 't geraamte van een blad, maar toen, daar de zon langzaam onderging, de roode en gouden strepen op 't water hoe langer hoe doffer van tint werden, alsof ze ook ondergingen; en al de gloeiende kleuren van den afscheidnemenden dag duim voor duim voor den somberen nacht verbleekten, zie, toen werd het tooneel duizendmaal eenzamer en vervelender dan te voren, ja werd het even doodsch en naar als de lucht.
Zoolang wij ons op deze rivier bewogen, dronken we het slikkerige water dat ze opleverde. De inboorlingen houden 't voor gezond; 't is echter nog troebeler dan haverdegort. Ik heb zulk water in de filtreermachines gezien, maar nergens elders.
Den vierden avond na ons vertrek uit Louisville bereikten we St. Louis, en hier was ik getuige van 't einde van een voorval, dat nogal onbeduidend op zich zelf, maar nogal aardig was om aan te zien en mij gedurende de geheele reis belang had ingeboezemd.
Er was, moet men weten, een klein vrouwtje aan boord, met een klein kindje; en zoowel dat kleine vrouwtje als dat kleine kindje zagen er met hun heldere kijkers zoo aardig en zoo vroolijk uit, dat het een lust was om ze te zien. Het kleine vrouwtje had lang met haar zieke moeder te New-York gewoond, en haar huis in St. Louis in dien toestand achtergelaten waar dames, die haar echtgenooten lief hebben, graag in verkeeren. De kleine was in haar moeders huis geboren; en zij had haar man (naar wien ze nu terugkeerde) in geen twaalf maanden gezien, daar ze hem een maand of twee na hun huwelijk verlaten had.
Nu was er zeker nooit een vrouwtje zoo vol hoop en teerheid, zoo vol liefde en bezorgdheid als dit kleine vrouwtje: en den ganschen dag zei ze ons, dat het haar benieuwde of "Hij" aan den steiger zou wezen; en of "Hij" haar brief gekregen had; en of, bijaldien zij hun kind met iemand anders aan wal stuurde, "Hij" het kennen zou, als hij 't op straat mocht tegenkomen, iets wat, in 't afgetrokkene beschouwd, niet zeer waarschijnlijk was, daar hij den kleine immers nooit gezien had, doch voor de jeugdige moeder waarschijnlijk genoeg was. Zij was zoo'n ongekunsteld, naïef schepseltje, en verkeerde in zoo'n zonnige, stralende, hoopvolle gemoedsgesteldheid, en liet zich over al wat haar zoo na aan 't hart lag zoo vrijmoedig uit, dat al de damespassagiers er evenzeer in deelden als zij zelf; en de kapitein (die er alles van hoorde door tusschenkomst van zijn vrouw) was verwonderlijk sluw, dat beloof ik u. Zoo deed hij er, telkens als we elkaar aan tafel ontmoetten, heel leuk onderzoek naar, of zij altemet ook iemand verwachtte die haar te St. Louis tegen zou komen, en of zij ook begeerte had, nog denzelfden avond van onze aankomst aan wal te gaan (maar hij veronderstelde, dat ze niet wou); en in dien trant veroorloofde hij zich nog meer geestige doch droge kwinkslagen. Onder 't gezelschap bevond zich een zeker stokvischachtig oud vrouwtje met een tronie als een gedroogde appel, die deze gelegenheid te baat nam om haar twijfel uit te spreken aangaande de standvastigheid van mannen, als ze zoo lang bij hun vrouwen vandaan zijn; en er was nog een andere dame bij (met een schoothondje), oud genoeg om te moraliseeren over de lichtzinnigheid der menschelijke hartstochten en toch nog niet zoo oud, dat ze 't laten kon om af en toe den zuigeling aan te halen, of met de overigen te lachen als het kleine vrouwtje hem bij zijn vaders naam noemde en in de blijdschap haars harten hem allerlei gekke vragen deed, betrekking hebbende op papa.
Het was min of meer een slag voor het kleine vrouwtje, dat, toen we nog maar twintig mijlen van de plaats onzer bestemming af waren, het natuurlijk noodig was, haar kleine te bed te leggen. Maar ook dit kwam ze met haar gewone opgeruimdheid te boven; zij bond een doek om haar hoofd en kwam met de overigen op de kleine galerij. Lieve hemel! wat werd zij toen een orakel met betrekking tot de localiteiten! en wat al aardigheden werden er toen uitgekraamd door de getrouwde dames! en wat werd er toen een sympathie aan den dag gelegd door de eenloopende dames! en wat beantwoordde het kleine vrouwtje zelf (die het wel uit had willen schreeuwen van de pret) al die kwinkslagen met den gulsten schaterlach!
Ten laatste vertoonden zich de lichten van St. Louis, en hier was de kaai en daar lag de trap, en met haar handen voor haar gezicht en harder dan te voren lachende (of schijnende te lachen), vloog ze naar haar eigen hut en sloot zich daarin op. Ik maak me sterk, dat ze, in de bekoorlijke onstandvastigheid van zoo'n overspanning, haar ooren toestopte, opdat ze "Hem" niet naar haar zou hooren vragen: maar gezien heb ik 't niet.
Hierop stormde een massa volks aan boord, ofschoon ze nog niet vastgemaakt was, maar tusschen de andere booten doorvoer, ten einde een landingsplaats te vinden; en ieder keek naar den echtgenoot uit, en niemand zag hem, toen in 't midden van ons allen--de Hemel weet hoe ze daar ooit beland is--het kleine vrouwtje een knappen, stevigen jongen kerel met beide armen om den hals viel! en een oogenblik later was zij daar weer, nu in de handen klappende van blijdschap, terwijl ze hem door de kleine deur van haar kleine hut heenduwde om naar den kleine te kijken, die daar rustig en wel lag te slapen!
We gingen naar een groot logement, het Planters' House genaamd, gebouwd in den trant van een Engelsch hospitaal, met lange gangen en kale muren, en lantarens boven de kamerdeuren voor den vrijen omloop der lucht. Dit logement was druk bezocht, en toen wij de straat in kwamen rijden, zagen we zooveel licht uit de benedenramen glinsteren, alsof het ter eere van de een of andere festiviteit geïllumineerd was. Het is een voortreffelijk huis, en de eigenaars zijn volkomen op de hoogte van al wat het gemak der bezoekers maar eenigermate kan verhoogen. Zoo dineerde ik eens met mijn vrouw alleen op onze kamer, en telde toch niet minder dan veertien schotels.
In het oude Fransche gedeelte der stad zijn de straten hoekig en nauw; maar enkele huizen zijn allerkeurigst en schilderachtig, gebouwd als ze zijn van hout, met schuins afloopende balkons voor de ramen, die men langs een trap of liever ladder van de straat af bereikt. Ook zijn in deze wijk vreemdsoortige scheerwinkeltjes en kroegen; en massa bouwvallige huizingen met draairamen, zooals men die in Vlaanderen aantreft. Sommige van deze ouderwetsche woningen, met spits toeloopende vlieringramen in 't dak, zien er min of meer op zijn Fransch uit en schijnen, daar ze stokoud zijn, hun hoofden op zij te houden, alsof ze bij de aanschouwing van al die Amerikaansche verbeteringen gezichten trokken van verbazing.
Ik zal wel niet opzettelijk behoeven te vermelden, dat deze verbeteringen uit kaaien en magazijnen, en nieuwe gebouwen in alle richtingen bestaan, alsmede uit tal van plannen die nog in "wording" zijn. Niettemin, verscheiden goede huizen, breede straten en winkels met marmeren voorpuien zijn reeds zoo ver af, dat men ze voltooid kan noemen, en het laat zich buitendien wel aanzien, dat de stad binnen weinig jaren aanmerkelijk verfraaid zal worden, ofschoon zij het, wat sierlijkheid of schoonheid betreft, wel nooit van Cincinnati zal winnen.
De Roomsch-Katholieke godsdienst, die hier door de vroegste Fransche kolonisten is ingevoerd, heeft sterk de overhand. Zoo telt men onder de openbare instellingen een Jezuïetencollege; een klooster voor de "Zusters van 't Heilige Hart" en een groote kapel, die, bij 't college behoorende, tijdens mijn bezoek in aanbouw was en den tweeden December dezes jaars ingewijd zou worden. De architect van dit gebouw is een van de eerwaarde vaders der school, en onder zijn opzicht alleen worden de werken voortgezet. Het orgel komt uit België.
Behalve deze inrichtingen is er een Roomsch-Katholieke hoofdkerk, gewijd aan den H. Franciscus Xaverius; een gasthuis gesticht door de weldadigheid van een overleden resident, die een lid der kerk was. Van hier stuurt ze ook zendelingen uit naar de Indiaansche stammen.
Evenals in de meeste andere deelen van Amerika wordt de kerk der Unitariërs op deze plaats vertegenwoordigd door een hoogst achtingswaardig en voortreffelijk heer. De armen hebben wel reden om haar in gedachtenis te houden en te zegenen; want zij begunstigt hen en bevordert de zaak der zedelijke opvoeding zonder sectarische of zelfzuchtige oogmerken. Kortom, deze kerk is achtbaar in al haar daden, welwillend tegenover andersdenkenden en milddadig zonder de minste bekrompenheid.
Er zijn in deze stad al drie vrije scholen opgericht en in volle werking. Een vierde is in aanbouw en zal spoedig geopend worden.
Niemand zal ooit toegeven, dat de plaats zijner inwoning ongezond is (tenzij hij ze verlate), en daarom zal ik 't stellig wel aan den stok krijgen met de inwoners van St. Louis, door namelijk in twijfel te trekken of haar klimaat wel zoo erg gezond is, en een vermoeden te opperen dat hier 's zomers en in den herfst nogal koortsen moeten heerschen. Laat mij er slechts dit bijvoegen, dat haar klimaat zeer heet, en de stad omringd is van groote rivieren en uitgestrekte streken ongedraineerd moerassig land, dan moge de lezer dienaangaande zijn eigen gevoelen opmaken.
Daar ik er sterk naar verlangde, een zoogenaamde Prairie te zien voor en aleer ik van 't verste punt mijner zwerftochten terugkeerde, en eenige heeren der stad, door gastvrijheid gedreven, dezelfde begeerte hadden om aan dit mijn verlangen te voldoen, werd er een dag bepaald waarop wij voor mijn vertrek een tochtje zouden doen, naar de Looking-Glass [9] Prairie, die ongeveer dertig mijlen van de stad afligt. Nu zullen mijn lezers er waarschijnlijk niets tegen hebben, eens te weten, wat zoo'n Zigeunerstocht op zoo'n afstand van huis wel inheeft, en onder wat voor soort van voorwerpen men zich daar beweegt. Welaan dan, in een volgend hoofdstuk hoop ik hun weetgierigheid te bevredigen.
XIII.
NAAR DE PRAIRIE.
EEN UITSTAPJE NAAR DE LOOKING-GLASS PRAIRIE, HEEN EN TERUG.
Laat mij beginnen met voorop te zetten, dat Amerikanen het woord prairie op verschillende wijzen uitspreken, bij voorbeeld als paraaer, parearer en paroarer. De laatste wijze van uitspraak is misschien het meest in zwang.
Wij waren met ons veertienen, en allen jonge mannen. Nu, het is een zonderlinge, ofschoon zeer natuurlijke kenmerkende trek in de gezelschappen die deze afgelegen nederzettingen bezoeken, dat ze voornamelijk uit personen bestaan in den bloei des levens, die voor geen kleintje vervaard zijn, en dat er maar bitter weinig grijze hoofden onder door loopen. Dames waren er niet bij. Geen wonder, want het uitstapje was nogal vermoeiend en 's morgens met klokkeslag van vijven zouden we op marsch gaan.
Ik werd om vier uur geroepen, om er zeker van te wezen, dat niemand op mij behoefde te wachten, en nadat ik wat brood en melk gebruikt had voor mijn ontbijt, gooide ik het raam open en keek in de straat, denkende dat ik het geheele gezelschap druk in de weer zou zien met het maken van aanstalten voor onzen tocht. Maar daar alles doodstil was en de straat er even somber uitzag als dit gewoonlijk elders om vijf uur in den morgen het geval is, begreep ik dat het maar geraden zou zijn, weer naar bed te gaan, wat ik dan ook deed.
Om zeven uur werd ik weer wakker, en toen was ons gezelschap bijeen, rondom een licht rijtuigje met een kolossale wagenas; zoo iets op wielen als een speelwagentje; een dubbelen phaeton van groote antiquiteit en bovenaardschen bouw; een sjees met een groot gat in 'r rug en een gebroken hoofd, en een soort van postiljon die te paard zat, en vooraan zou gaan. Ik ging met drie tochtgenooten in 't eerste rijtuig zitten; de overigen zochten een goed onderkomen in de andere rijtuigen; twee groote manden werden aan 't lichtste rijtuig vastgemaakt; twee groote kruiken in teenen kokers, waarvan de technische naam bij ons demi-johns is, werden aan de "least rowdy" [10] uit het gezelschap ter bewaring toevertrouwd; en zoo ging de optocht naar de veerboot, waar, zooals de gewoonte in deze streken meebrengt, menschen, paarden, wagens en alles mee overgezet zou worden.
Goed en wel kwamen we over deze rivier, en monsterden elkaar weer voor een kleine houten kast op wielen, die geheel schuins in een moeras stond met "MEESTER KLEERENMAKER" in zeer groote letters boven de deur geschilderd. Nadat we onze marschorde en den weg, dien we in zouden slaan vastgesteld hadden, zetten we ons andermaal in beweging en begonnen met een slecht ter naam staanden zwarten hollen weg in te slaan, die men hier, minder krachtig, den Amerikaanschen Bodem noemt.
Den vorigen dag was 't--ik zal niet zeggen heet geweest, want zelfs dit woord zou te zwak zijn, om den lezer een denkbeeld te geven van de temperatuur. De stad had als 't ware in een lichtelaaien gloed gestaan. Maar 's avonds was het beginnen te regenen dat het goot, en den geheelen nacht was 't zonder ophouden door blijven regenen. Wij hadden een span stevige paarden, doch legden niettemin maar een beetje meer dan een paar mijlen per uur af, door één onafgebroken poel van zwarte modder en water, zonder eenig andere afwisseling dan dat het hier wat dieper was dan daar. Zoo zakten we 'r nu eens tot half over de wielen in, dan tot over de as, en straks bijna tot aan de portierraampjes. Overal weergalmde de lucht van 't luide gekwaak der kikvorschen, die hier het rijk alleen schenen te hebben in vereeniging met de varkens (een gemeen, leelijk ras, dat er zoo ongezond uitzag als was het zoo regelrecht uit deze streek opgegroeid). Hier en daar reden we een blokhut voorbij; maar de armzalige hutten stonden ver van elkaar af; want ofschoon de grond te dezer plaatse zeer rijk is, kunnen er maar weinigen in zoo'n doodelijke atmosfeer leven. Aan iederen kant van den weg, als hij dien naam nog verdient, bevond zich het dikke "kreupelhout," en overal zag men stilstaand, slijmerig, stinkend, smerig water.
Daar 't hier de gewoonte is, een paard een zekere hoeveelheid koud water te geven, telkens als het zoo heet is dat het schuimt, maakten we met dat doel halt voor een blokherberg in 't bosch, die ver van eenige andere woning af stond. Ze bestond uit één vertrek, natuurlijk kaal van dak en kaal van muren, met een zolder er boven. De dienstdoende kellner was een zwartachtige jonge neger, in een gedrukt katoenen hemd, dat wel iets weghad van een beddeken, en met een opgelapte broek aan. Behalve deze sinjeur waren er nog een paar jonge knapen, die, bijna naakt, bij den put lagen te luieren; en zij, en hij, en de reiziger in de herberg, kwamen te voorschijn om ons op te nemen.
De reiziger was een oud man met een grijzen stekeligen baard van twee duim, een ruigen knevel van dezelfde kleur, en verbazend groote wenkbrauwen, die zijn lodderige, half beschonken oogen bijna geheel en al overschaduwden, toen hij zich beurtelings op zijn teenen en hielen in evenwicht houdende, ons met de armen over elkaar stond aan te gapen. Zoodra een uit ons gezelschap hem aansprak, kwam hij nader, krabde aan zijn kin (iets wat onder zijn vereelte hand een geluid maakte alsof iemand, die spijkers onder de zolen zijner schoenen heeft zitten, over nieuw kiezelzand loopt), en zei dat hij van Delaware was. Vervolgens wees hij naar een der moerassen, waar de geknotte boomen het dichtst naast elkaar stonden, en zei dat hij daar ginds onlangs een boerderij gekocht had. Nog vertelde hij ons, dat hij naar St. Louis ging om zijn familie te halen die hij achtergelaten had; maar hij scheen niet veel haast te hebben, om dit karweitje achter den rug te krijgen, want toen we wegreden, ging hij op zijn gewone slungelachtige wijze de hut weer in, en scheen wel van zins om daar tabernakelen te bouwen tot zijn laatste cent op was. Natuurlijk was hij een groot staatkundige en ontvouwde aan een uit ons gezelschap nogal wijdloopig zijn gevoelens; maar ik herinner me alleen, dat hij met twee uitroepen concludeerde, waarvan de eene was: Iemand voor altijd! en de andere: Weg met ieder ander! Iets wat in geenen deele bewijst, dat de man de zaken niet goed inzag.
Toen de paarden tot bijna tweemaal hun natuurlijken omvang gezwollen waren (men schijnt hier van 't denkbeeld uit te gaan, dat zoo'n soort van opgeblazenheid hun onder 't loopen goeddoet) gingen we weer verder, door modder en vocht, en vurige hitte, en struiken en heesters, altijd geaccompagneerd door de muziek der kikkers en der zwijnen, en dat hield zoo aan tot bij den middag, toen we halt maakten op een plaats Belleville genaamd.