Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië

Part 22

Chapter 224,082 wordsPublic domain

Belleville was een kleine verzamelplaats van houten huizen, die in 't hartje van 't kreupelhout en 't moeras als bijeengehutseld waren. Verscheidene daarvan hadden opzienbarend lichtrood en geel geschilderde deuren; want de plaats, moet men weten, was onlangs bezocht door een reizenden schilder, die, zooals men mij vertelde, "op die manier aan den kost zag te komen." Het gerechtshof hield juist een zitting en was op dat oogenblik bezig met het verhooren van eenige misdadigers, die paarden moesten gestolen hebben: allerwaarschijnlijkst zou 't slecht met hen afloopen, want daar levende have van allerlei soort uit den aard der zaak nogal gevaar loopt in de bosschen, zoo is ze bij de gemeente eigenlijk nog meer in tel dan 't leven van een mensch, weshalve de jury gewoonlijk iedereen, die van vee-diefstal beticht wordt, schuldig verklaart, onverschillig of hij 't is al dan niet.

De paarden van den rechter en de getuigen waren aan tijdelijke ruiven vastgemaakt, die maar licht en dicht op den weg waren neergezet (onder dat woordje "weg" heeft men een pad door 't bosch heen te verstaan, waar men bijna tot aan de knieën in de modder en 't slik zakte).

Er was hier ook een logement, dat evenals alle hotels in Amerika, een groote eetzaal had waar open tafel werd gehouden. Die zaal was een armzalige schuur voor het huis, laag van verdieping en half koeienstal, half keuken, met een gemeen bruin tafelkleed van zeildoek, en aan den muur vastgemaakte tinnen armblakers, waar men bij 't avondeten de kaarsen in stak. Onze postiljon of koetsier of hoe men hem noemen wil, was vooruitgegaan, om koffie en wat "eten" te bestellen, en ze waren er nu bijna al klaar mee. Hij had "tarwebrood en kuiken-fixing" besteld, want daar hield hij meer van dan van "witbrood en zoo'n alledaagschen kost." Met dit laatste bedoelt men hier alleen varkensvleesch en spek, terwijl men onder kuiken-fixings geroosterde ham, saucijsjes, kalfslapjes, ossenlapjes en andere soortgelijke vleeschspijzen verstaat, waar men van veronderstellen kan, dat ze (dit woord in een nogal ruimen, dichterlijken zin opgevat) een kuiken behoorlijk in de verteringsorganen van een dame of heer zullen "fix" (bevestigen.)

Aan een der deurposten van dit logement of liever herberg was een blikken plaatje, waar met vergulde letters "Dokter Crocus" op te lezen stond, en op een vel papier, dat bezijden dit plaatje aangeplakt was, las men een geschreven bericht dat Dr. Crocus ten genoegen van het Belleviller publiek, tegen betaling van zoo en zooveel per hoofd, dien avond een lezing zou houden over de Phrenologie of Schedelleer.

Terwijl de "kuiken-fixings" klaargemaakt werden, ging ik de trap op, en kwam toevallig de kamer van den dokter voorbij. Daar nu de deur wagenwijd openstond, en de kamer leeg was trok ik mijn stoute schoenen aan en gluurde er eventjes in.

Het was een kaal, ongemeubileerd, ongezellig vertrek, met een portret zonder lijst dat aan 't hoofdeinde van 't ledikant hing, en, naar ik gis, den dokter moet verbeeld hebben, want het voorhoofd was phrenologisch volkomen ontwikkeld, iets waar de kunstenaar kennelijk nogal werk van gemaakt had, om goed uit te doen komen. Over het ledikant zelf lag een beddesprei, als men een oude lappedeken met dien naam mag bestempelen. Geen karpet op den vloer, geen gordijnen voor de ramen. Er was een vochtige stookplaats zonder iets dat naar een kachel zweemde, vol houtskool; een stoel, en een zeer klein tafeltje, op welk laatstgenoemd meubelstuk dokters bibliotheek, bestaande uit een half dozijn smerige oude boeken, zoo lag uitgespreid, dat het nogal vertooning moest maken.

Nu zag deze kamer er zeker zoodanig uit, dat men 't voor 't laatste vertrek ter wereld zou gehouden hebben, waar u of mij iets goeds uit ten deel kon vallen. Maar, gelijk ik gezegd heb, de deur stond uitnoodigend open en hield in verband met den stoel, het portret, de tafel en de boeken als 't ware deze toespraak: "komt maar binnen, heeren, komt maar binnen! Weest toch niet ziek, heeren, als ge wel kunt worden in een ommezien. Dokter Crocus is hier, heeren, de beroemde dokter Crocus! Dokter Crocus heeft deze heele reis afgelegd, om u te genezen, heeren. Hebt gij niet gehoord van Dokter Crocus, dan is 't uw schuld, heeren, die zoo'n klein beetje buiten de wereld woont, maar dokter Crocus' schuld is 't niet. Komt maar binnen, heeren, komt maar binnen!"

Toen ik de trap weer afliep, kwam ik, in de gang beneden, dokter Crocus zelf tegen. Een massa menschen was uit het Gerechtshof saamgevloeid, en een stem uit haar midden riep den herbergier toe: "Kolonel! stel dokter Crocus toch 'reis voor."

"De heer Dickens," zegt de kolonel. "Dokter Crocus."

Waarop dokter Crocus, die een groote, knappe Schot is, maar om de waarheid te zeggen wat al te forsch en te krijgsmansachtig voor een beoefenaar van de vreedzame geneeskunst, met zijn rechterarm en zijn borst zoo ver mogelijk vooruit, op eens uit het oploopje voor den dag komt en zegt:

"Uw landsman, m'nheer!"

Waarop Dokter Crocus en ik elkaar de hand geven, en dokter Crocus een gezicht trekt alsof ik in geenen deele aan zijn verwachting beantwoordde. Nu moet ik dan ook zeggen, dat ik met een linnen kiel en een grooten strooien hoed met een groen lint, en geen handschoenen aan, en mijn gezicht en neus rijkelijk versierd met de steken van muskieten en de beten van wandluizen, er zóó uitzag, dat het niet te verwonderen was, dat ik daaraan niet beantwoordde.

"Is u al lang hier, m'nheer?" zeg ik. (Ik diende toch iets te zeggen.)

"Een maand of vier, m'nheer," zegt de dokter.

"Is-u van plan om gauw weer naar 't oude vaderland terug te keeren, m'nheer?" zeg ik.

Een woordelijk antwoord geeft dokter Crocus op die vraag niet, maar zoo'n smeekenden blik krijg ik van hem, een blik die zoo duidelijk zegt: "Och toe, wees zoo goed en vraag me dat asjeblieft 'n beetje luider!" dat ik mijn vraag herhaal.

"Of ik van plan ben gauw weer naar 't oude vaderland terug te keeren, m'nheer!" herhaalt de dokter.

"Ja, naar 't oude vaderland, m'nheer," herhaal ik weer op mijn beurt.

Dokter Crocus kijkt in de rondte om te zien, wat voor indruk deze woorden op de menigte om hem heen teweegbrengen, wrijft in zijn handen en zegt zeer luid:

"Vooreerst nog niet, m'nheer, vooreerst nog niet. Op zoo iets zal u me niet betrappen. Daartoe hou ik 'n beetje te veel van vrijheid, m'nheer. Ha! ha! 't Is zoo gemakkelijk niet, m'nheer, zich los te scheuren van een vrij land zooals dit. Ha! ha! Neen! neen! Ha! ha! Niets van dat al, of je moet tegen wil en dank verplicht zijn, dat te doen, m'nheer. Neen, neen!"

Als dokter Crocus deze laatste woorden zegt, schudt hij veelbeteekenend zijn hoofd en lacht opnieuw. Verscheidene der omstanders schudden evenals de dokter, met hun hoofden en lachen ook, en kijken elkaar aan alsof ze wilden zeggen: "Die Crocus is toch 'n vroolijke vent, 'n opperbeste kerel!" en, of ik moet me al danig vergissen, dien avond gingen er heel veel de lezing bijwonen, die, zoo oud als ze waren, nog nooit om dokter Crocus of phrenologie gedacht hadden.

Van Belleville zetten we door dezelfde soort van woestenij, en, zonder dat het een enkel oogenblik ophield, bestendig geaccompagneerd door dezelfde kikkermuziek, onzen tocht voort, totdat we om drie uur na den middag nog eens halt maakten aan een dorp Libanon geheeten, om de paarden weer op te blazen en ze buitendien een beetje koorn te geven wat ze hoog noodig hadden. Gedurende deze plechtigheid kuierden wij het dorp in, waar ik een kant en klaargemaakt woonhuis tegenkwam, dat, door een stuk of twintig ossen voortgetrokken, den heuvel af kwam draven.

Het logement was hier zoo zindelijk en goed, dat de bestuurders van den tocht besloten, er op de terugreis weer aan te gaan en er zoo mogelijk den nacht door te brengen. Dit eenmaal vastgesteld, en de paarden goed verfrischt, rukten we weer op, en kwamen met zons-ondergang op de Prairie aan.

Waar 't vandaan kwam zou ik moeilijk kunnen zeggen--ofschoon 't mogelijk was, dat het hier vandaan kwam, dat ik er zooveel van gehoord en gelezen had--maar dit weet ik wel, dat ik mij nu teleurgesteld gevoelde. Daar lag dan, den kant uit naar de ondergaande zon, een uitgestrekte vlakte voor mij, die door niets werd afgebroken dan door een dunne lijn van boomen, die zich in 't verschiet ternauwernood als een streep voordeed, totdat die streep, om zoo te zeggen, den gloeienden hemel ontmoette, waar ze zich in scheen te dompelen, zich vermengende met zijn rijke kleuren, vooral met zijn overheerlijk azuur. Daar lag ze, de vlakte, aan een stille zee of meer zonder water gelijk, bijaldien men zoo'n vergelijking mag maken,--daar lag ze, terwijl de avondschemering allengs haar sluier er overheen trok: hier en daar trippelde een vogeltje, overigens was alles om ons heen even eenzaam en stil. Maar het gras stond er nog niet hoog; er waren kale zwarte plekken op den grond, en de weinige wilde bloemen, die het oog kon zien, zagen er armzalig uit. Hoe groot de schilderij ook was, juist dat vlakke en uitgestrekte, dat hoegenaamd geen stof aanbood voor de verbeelding, het deed de belangstelling niet weinig verflauwen. Ik voor mij voelde dan ook weinig van dien geest van vrijheid en blijheid, dien een Schotsche hei inboezemt, ja zelfs onze Engelsche duinen opwekken. Het was hier eenzaam en woest, maar neerdrukkend door zijn kale eentonigheid. Ik voelde dat ik bij 't doortrekken der Prairiën mij nooit zoo met het tooneel om me heen inlaten kon, dat ik al het andere zou vergeten, wat ik instinctmatig zou doen als ik daar een heibewoner aan mijn voet mocht zien of een als in ijzeren banden geklonken kust: maar dat ik dikwijls turen zou naar de afgelegen en telkens wijkende lijn van den gezichteinder, en daarbij den wensch zou ontboezemen dat ik zoo ver was ze achter den rug had. Wel is 't geen tooneel om vergeten te worden, maar bezwaarlijk zou men 't onder die tooneelen kunnen rekenen, waar men naderhand met plezier om denkt of die men nog eens weerom verlangt te zien. Zoo komt het mij althans voor na al wat ik daarvan gezien heb.

Ter wille van 't water dat wij er vonden, kampeerden we in de nabijheid van een eenzaam blokhuis, en gebruikten ons middagmaal op de vlakte. In de manden hadden wij gebraden gevogelte, buffeltong (een uitgezochte lekkernij tusschen twee haakjes), ham, brood, kaas en boter; beschuit, champagne en sherry; citroenen en suiker voor punch; en een massa ruw ijs. Het maal was kostelijk, en zij, die er ons op trakteerden, kruidden het ten overvloede door vriendelijkheid en opgeruimdheid. Menigmaal heb ik me sinds dien tijd dat vroolijke partijtje voor den geest geroepen, en al kom ik later weer met vrienden van ouder dagteekening aan den gezelligen disch bijeen, mijn goede, beste reismakkers in de Prairie zal ik toch niet gemakkelijk vergeten.

Dien avond naar 't dorp Libanon terugkeerende stapten wij aan de kleine herberg af, waar we dien middag halt gemaakt hadden. Wat zindelijkheid en gemak betreft, had het de vergelijking door kunnen staan met elk min of meer welvarend dorpsbierhuis in Engeland.

Den volgenden morgen stond ik om vijf uur op, en ging toen het dorp eens in; geen een huis kwam ik dien dag in mijn zwerftocht tegen, misschien was 't daartoe nog te vroeg. Vervolgens amuseerde ik me, door in een soort van boeren-erf achter de kroeg eens rond te drentelen, dat er nogal vreemd uitzag. Verbeeld u een stuk of wat ruwe loodsen die stallen moesten heeten; een ruwe zuilengang, gebouwd om 's zomers een koele plaats tot verfrissching te hebben; een diepen put; een groote hoogte van aarde waar men 's winters groenten in kon bewaren; een duiventil, waarvan de kleine openingen, gelijk met alle duivenhokken het geval is, veel te klein schenen te wezen om er de vette vogels met hun opgezwollen kroppen, die er deftig en wel omheen stapten, behoorlijk door te laten, ofschoon ze zeker nooit zoo erg hun best deden om er door te komen als toen. Na mijn nieuwsgierigheid op dit punt te hebben bevredigd, nam ik een kijkje in de twee spreekkamers, die versierd waren met gekleurde prenten van Washington, en President Madison, en van een jonge dame met een blank gezicht (dat nogal bespikkeld was van de vliegen), die haar gouden halsketting ter bewondering van den aanschouwer ten toon spreidde en allen die haar bewonderden meedeelde dat zij "juist zeventien" was, ofschoon ik haar voor ouder aangezien had. In 't beste vertrek hingen twee portretten in olieverf, den herbergier en zijn jeugdigen zoon voorstellende, die er beide zoo stout uitzagen als leeuwen en je met zoo'n deftigheid aankeken, dat de duurste prijs, die er voor betaald was geworden, nog goedkoop zou mogen heeten. Ik geloof, dat ze door denzelfden kunstenaar geschilderd waren, die de deuren in Belleville zoo mooi met rood en goud belegd had, want onmiddellijk scheen ik diens verheven stijl te herkennen.

Na 't ontbijt braken wij op, om langs een anderen weg dan wij gister ingeslagen hadden, terug te keeren, en daar we om tien uur een kamp van Duitsche landverhuizers tegenkwamen die hun goederen op wagens meevoerden en een lekker vuur gemaakt hadden dat zij juist bezig waren te verlaten, zoo maakten we daar halt, om ons wat te verkwikken. En welkom, uiterst welkom was ons dat vuur, want al was 't gister heet geweest, vandaag was 't erg koud en waaide er een scherpe wind. Toen we daar langs reden, zagen we in de verte nog zoo'n oude Indiaansche begraafplaats, de Monnikenhoogte geheeten, ter gedachtenis aan een vereeniging van dwepers van de orde van La Trappe, die, toen er duizenden mijlen in den omtrek geen enkel kolonist gevonden werd, verscheidene jaren geleden daar een eenzaam klooster hadden gesticht, en allen door het verderfelijk klimaat weggesleept waren, welk noodlottig ongeval misschien maar weinig verstandige lui als een ernstig verlies voor de maatschappij zullen beschouwen.

De tocht, dien we dien dag aflegden, bood dezelfde verschijnselen aan als de tocht van den vorigen. Daar was 't moeras, het kreupelhout, het eeuwigdurend gekwaak van kikvorschen, de plantengroei en de ongezonde dampen die uit den grond opstegen. Hier en daar, en nogal menigvuldig ook, kwamen we een gebroken wagen tegen, die vol was van 't goed van den een of anderen nieuwen kolonist. Het was een naar, een allernaarst gezicht, zoo'n wagen diep in de modder te zien steken; de as gebroken; een wiel er naast liggend; de man mijlen ver gegaan om hulp te halen; de vrouw als een beeld van schier wanhopig geduld, met een zuigeling aan haar borst te midden harer zwervende huisgoden zittende; terwijl het span ossen droevig in 't slik nederligt en zulke dampwolken uit bek en neusgaten blaast, dat al de natte mist en nevel in de rondte rechtstreeks van hen afkomstig scheen te wezen.

Behoorlijk op zijn tijd kwamen we nog eens voor de woning van den meester kleerenmaker bijeen, en staken nadat we gemonsterd waren, per veerboot naar de stad over. Onderweg kwamen we een plek voorbij, het Bloedige Eiland genaamd, de strijdplaats van St. Louis, en onder die benaming aangeduid ter eere van den laatsten noodlottigen strijd die daar, borst tegen borst, met pistolen werd gestreden. Maar de strijders vielen dood ter aarde; en 't is heel wel mogelijk, dat enkele verstandige lui van hen zullen denken wat ze van die sombere bent van in hun hersens geprikte Kluizenaars gedacht hebben, dit namelijk, dat ook hun dood geen groot verlies was voor de maatschappij.

XIV.

NAAR DE WATERVALLEN VAN DEN NIAGARA.

TERUGKEER NAAR CINCINNATI. EEN RIT PER DILIGENCE VAN DIE STAD NAAR COLUMBUS EN VAN DAAR NAAR SANDUSKY. ZOO, OVER 'T MEER ERIE, NAAR DE WATERVALLEN VAN DEN NIAGARA.

Daar ik graag door de binnenlanden van den staat Ohio wou reizen en, zooals de geijkte uitdrukking in die streken luidt: "strike the lakes" [11] bij een klein stadje, Sandusky geheeten, waar die route ons naar toe brengen zou op onzen weg naar Niagara, zoo dienden we langs denzelfden weg, dien we op waren gegaan, van St. Louis terug te keeren, en onzen eersten tocht weer te hervatten tot aan Cincinnati.

Het was een mooie dag toen we van St. Louis afscheid zouden nemen, en aangezien nu de stoomboot, die, ik weet niet hoe vroeg in den morgen af zou varen, voor de derde of vierde maal haar vertrek tot na den middag uitstelde, reden we naar een oud Fransch dorp aan de rivier, waarvan de eigenlijke naam Carondelet, doch de spotnaam Vide Poche (Leege Zak) was, en spraken af dat de packet ons daar af zou wachten.

De plaats bestond uit een stuk of wat arme hutten en twee of drie herbergen, waarvan de provisiekamers in dien toestand verkeerden, dat dit alleen den spotnaam wettigde, want in geen van de drie kon men iets te eten krijgen. Door zoo wat een halve mijl terug te gaan, vonden we echter ten laatste een eenzaam huis waar men ham en koffie krijgen kon, en daar toefden we om de komst af te wachten van de boot, die we, al heel in de verte, van uit het lommer voor de deur waar zouden kunnen nemen.

Het was een nette, doodeenvoudige dorpskroeg, waar we ons middagmaal gebruikten in een net kamertje met een ledikant er in, dat opgepronkt was met een stuk of wat oude schilderijen, die in hun tijd waarschijnlijk dienst gedaan hadden in een Roomsche kapel of klooster. Al wat men er te eten kreeg, was zeer goed en werd met groote zindelijkheid opgedischt. Het huis werd gehouden door een karakteristiek oud paar, waar wij een lang gesprek mee hadden, en dat misschien een zeer goed exemplaar was van dat slag van menschen in 't Westen.

De herbergier was een droge, taaie, ruwe oude kwant (wel niet zoo heel oud, want hij was maar even over de zestig, naar ik denk), en hij had in den laatsten oorlog met Engeland bij de militie gestaan en daar allerlei dingen gezien, die betrekking hebben op den krijgsdienst, ja, allerlei dingen... behalve een veldslag; maar hij was er toch heel dicht bij geweest, om een veldslag bij te wonen, heel dicht, voegde hij er bij. Daar hij razend veel van verandering hield en aan dien trek geen weerstand had kunnen bieden, had hij zijn leven lang rust noch duur gehad. Vandaar dat hij 't niet lang op een en dezelfde plaats uitgehouden, maar gedurig heen en weer gezworven had; en nog altijd was hij zoo lustig als een eenloopend gezel, want was er niets dat hem aan huis bond (en toen hij dit zei, wees hij even met zijn hoed en duim naar 't raam van de kamer waar de oude vrouw zat, terwijl wij voor 't huis stonden te babbelen), dan maakte hij in een wip zijn geweer schoon en was morgenochtend op reis naar Texas. Hij was een van de oude afstammelingen van Kaïn, die aan dit vasteland zoo bijzonder eigen zijn; een van die mannen met andere woorden, die van hun geboorte bestemd schijnen te wezen om als pioniers in de groote armee der menschheid te dienen; die jaar-in jaar-uit blijmoedig haar voorposten uit gaan breiden, en het eene te-huis na 't andere achter zich laten en ten laatste sterven, zonder dat zij zich er 't minst hun hoofd over breken of het op hen volgende, insgelijks zwervende geslacht zich op zijn beurt weer duizenden mijlen zal verwijderen van hun graven.

Zijn vrouw was een van lieverlede huishoudelijk geworden, goede, beste oude stumperd, met hem meegekomen "uit de koninginne-stad van de wereld," die, naar 't scheen, Philadelphia was; maar hart had ze niet voor dit westersche land. Nu, daar bestond dan ook wel reden toe. Begrijp eens, al haar kinderen had ze hier een voor een in den vollen bloei hunner jaren zien sterven! Haar hart werd pijnlijk aangedaan, zei ze, als ze daarom dacht; en als ze nu maar eens, al was 't dan ook maar tegenover vreemdelingen, dienaangaande haar hart uit kon storten op deze rampzalige plaats die zoo ver van haar geboortegrond af lag, kijk, dat schonk haar eenige verlichting, ja, werd haar tot een droefgeestig genot.

Daar de boot tegen den avond aankwam, zeiden we die goede, beste, oude vrouw en haar zwervenden man vaarwel, begaven ons daarop naar de naastbijgelegen aanlegplaats, en nu duurde het niet lang, of we waren weer aan boord van de Messenger, in onze oude kajuit, en stoomden den Mississippi op.

Is het opvaren van deze rivier, zoo langzaam als het dan tegen den stroom in gaat, een vervelende reis,--het afvaren met haar troebelen stroom is bijna nog erger; want dan heeft de boot, die twaalf of vijftien mijlen per uur aflegt, zich met geweld een weg te banen door een doolhof van drijvende blokken, die men in den donker dikwijls onmogelijk van te voren kan zien, laat staan vermijden. Den ganschen nacht was de bengel dan ook geen vijf minuten achtereen stil, en na ieder gelui kreeg de boot een schok, soms twaalf schokken gauw achter elkaar, en van die schokken dat de lichtste meer dan genoeg scheen te wezen om haar broze kiel als pasteikorst te vergruizen. Keek men nu bij 't aanbreken van den dag in de smerige rivier, dan scheen ze te wemelen van insecten, daar deze zwarte massa's op de oppervlakte dreven, of, met den kop het eerst, op eens uit het water te voorschijn kwamen, wanneer de boot, door al die hinderpalen heenstoomende, een stuk of wat voor een oogenblik onder water duwde. Soms stopte de machine vrij lang, en dan bevonden zich voor de boot en er achter, en dicht aan alle kanten, zooveel van die ellendige hindernissen, dat zij er, als het middelpunt van een drijvend eiland, ten eenenmale van ingesloten, en wel genoodzaakt was daar te blijven, totdat ze, evenals donkere wolken zulks voor den wind doen, ergens naar toe gingen en van lieverlede een doortocht ontsloten.

Den volgenden morgen kwamen we echter weer in 't gezicht van 't afschuwelijk moeras Caïro genaamd. Daar stopten we, om hout in te nemen, en gingen naast een barge liggen, waarvan het hier en daar uitschietend getimmerde nauwelijks den boel bij elkaar hield. Ze was aan den oever vastgemaakt, en op haar zij stond het woord "koffiehuis" geschilderd. Dat nu was, naar ik veronderstel, het drijvende Paradijs, waar het volk een toevluchtsoord zoekt, als het voor een maand of twee zijn huizen verliest onder de afzichtelijke wateren van den Mississippi. Maar toen we zuidwaarts van dit punt afzagen, smaakten we de zelfvoldoening, die onuitstaanbare rivier al haar slijmerigen en leelijken last plotseling naar New Orleans te zien voortstuwen: en nadat we een gele streep over waren, die zich dwars door den stroom uitstrekte, waren we weer op den helderen Ohio, om naar ik vertrouw, nooit den Mississippi meer te zien, of 't moest wezen in onrustige droomen en nachtmerries. Hem verlaten voor 't gezelschap van zijn glinsterenden buur, stond dan ook gelijk met den overgang van smart tot vreugd, of het ontwaken uit een verschrikkelijk visioen tot een vroolijke werkelijkheid.

Op den vierden avond kwamen we te Louisville aan, en maakten terdege van ons voortreffelijk logement gebruik. Den volgenden dag gingen we op de Ben Franklin, een mooie mailboot, en bereikten kort na middernacht Cincinnati. Daar 't thans zoover gekomen was, dat het slapen op planken ons eigenlijk eer vermoeide dan uit deed rusten, waren we maar wakker gebleven, om dadelijk aan wal te kunnen gaan; en ons terstond een weg banende door al de donkere dekken van andere booten, en onder doolhoven van stoommachines en lekke suikervaten, belandden we eindelijk op de straten, porden den portier wakker aan 't logement waar we vroeger gelogeerd hadden, en nu duurde het niet lang, of we waren tot onze groote blijdschap gezond en wel onder dak.

Te Cincinnati bleven we maar één dag, en vertrokken toen naar Sandusky. Daar met dat uitstapje twee diligence-ritten gemoeid waren, die, met de door mij reeds aangestipte, de hoofdkenmerken bevatten van deze wijze van reizen in Amerika, wil ik den lezer als onzen reisgenoot meenemen en mij verbinden om den afstand zoo gauw mogelijk af te leggen.

De plaats onzer bestemming in eerste instantie is Columbus. Het ligt maar ongeveer honderd en twintig mijlen van Cincinnati, doch (een zeldzame zegen inderdaad!) de geheele weg is gemacadamiseerd, en de berekening is, dat men hier zes mijlen per uur aflegt.