Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië
Part 20
De avond is donker, en we varen voort in de schaduw van den boomrijken oever, die het nog donkerder maakt. Na gedurende eenigen tijd een somber doolhof van takken voorbij te zijn gevaren, komen we aan een open ruimte waar de groote boomen in brand staan. De vorm van iederen tak en twijg teekent zich bij den donkerrooden gloed af, en als een licht koeltje er doorheen ritselt, schijnen ze in vuur te groeien. Kortom, 't is zoo'n gezicht als waarvan we in legenden van betooverde bosschen lezen, met dat onderscheid, dat het naar is om aan te zien hoe die edele werken der natuur zoo jammerlijk aan hun einde komen, en men niet minder treurig te moede wordt als men bedenkt hoeveel jaren er niet moeten verloopen voor en aleer de tooverkracht, die ze schiep, huns gelijken weer op dezen grond te voorschijn zal roepen. Maar die tijd zal komen, en wanneer in hun veranderde asch de groei van ongeboren eeuwen wortel zal geschoten hebben, dan zullen ook de onvermoeide geslachten dier volgende eeuwen weer optrekken naar deze onbevolkte wildernissen, en hun medeschepselen, uit ver verwijderde steden, die misschien nu nog onder de baren der zee sluimeren, ze zullen in een taal die vreemd zal klinken in elk oor, daar die taal hun nu reeds zeer oud is, van oorspronkelijke wouden lezen waar de bijl nooit werd gehoord en waar geen menschelijke voet den met dichte bosschen bezetten grond ooit betreden had.
De middernacht en de slaap wisschen al deze tooneelen en gedachten uit; en schijnt de morgen weer, dan verguldt hij de nokken der huizen van een drukke stad, voor wier breed geplaveide kaai de boot wordt vastgemaakt, met andere booten, en vlaggen, en bewegende raderen, en een gekrioel van menschen om zich heen, alsof er duizend mijlen in den omtrek geen eenzaam of rustig plekje gronds te vinden waren.
Cincinnati is een mooie stad; vroolijk, bedrijvig en druk. Niet dikwijls heb ik een plaats gezien, die zich bij den eersten aanblik zoo gunstig en pleizierig voordoet aan een vreemdeling als deze stad met haar nette roode en witte huizen, haar welbestrate wegen en voetpaden van glinsterend gebakken steen. Ook bij nader kennismaking wordt deze goede indruk niet minder. Breed en luchtig zijn de straten, de winkels buitengewoon goed, en de particuliere huizen moeten wel in 't oog vallen, zoo sierlijk en net zijn ze. Deze huizen zijn in verschillenden, soms eigenaardigen stijl opgetrokken, een stijl, die van een vindingrijken geest en werkzame verbeelding getuigt, iets dat iemand, na in gezelschap te zijn geweest van zoo'n even smakeloos als saaie stoomboot, alweer hoogst pleizierig aan moet doen, aangezien men nu immers bij zich zelf de gevolgtrekking gaat maken, dat daar ter stede de zoo even vermelde hoedanigheden niet gemist worden. De neiging om deze lieve villa's te versieren en aantrekkelijk te maken, leidt vanzelf tot de boom- en bloemkweekerijen, alsmede tot het aanleggen van goed onderhouden tuinen, waarvan het gezicht voor hen, die langs de straten wandelen, onuitsprekelijk verkwikkend en aangenaam is. Ik stond dan ook opgetogen van verrukking over het voorkomen van de stad en haar nabijgelegen voorstad Mount Auburn. Vooral van deze voorstad bezien, doet de stad zelf, die in een amphitheater van heuvels ligt, zich allergunstigst voor, ja, levert een werkelijk schoonen, weergaloozen aanblik op.
Den dag na onze aankomst hield het Matigheidsgenootschap er toevallig een groote vergadering; en daar, volgens den wegwijzer, de optocht het hotel, waar wij logeerden, voorbij moest, had ik een goede gelegenheid hem te zien, toen ze 's morgens onder onze ramen voorbijtrokken. De optocht bestond uit ettelijke duizenden menschen, altemaal leden van verschillende "Onderafdeelingen van het Matigheidsgenootschap Washington," en werd gedirigeerd door beambten te paard, die met sjerpen en linten van heldere kleuren, die vroolijk achter hen wapperden, langs den geheelen trein kranig op en neer draafden. Muziekkorpsen waren er ook bij, en banieren zonder tal, en het geheel zag er als een fiksch, feestelijk concours uit.
Wat mij bijzonder goeddeed, was het gezicht van de Ieren, die een duidelijk te onderscheiden afdeeling op zich zelf uitmaakten, en met hun groene sjerpen nogal in 't oog liepen. Hun nationale harp droegen zij bij zich, en hoog boven hun hoofden stak hun portret van Vader Matthew uit. Zij zagen er even lustig en goed geluimd uit als altijd, en daar zij hard voor hun dagelijksch brood werkten en allen arbeid, die op hun weg lag, hoe zwaar ook, verrichtten, waren zij, mijns bedunkens, hier de onafhankelijkste mannen.
De banieren waren goed geschilderd en wapperden door de straten dat het een aard had. Een was er bij, waar het slaan tegen de rotsen en het springen van 't water op afgeschilderd stond. Ook was er een matigheidsman met "considerable of a hatchet" [8] (gelijk de banierdrager waarschijnlijk zou gezegd hebben), die een doodelijken slag wou toebrengen aan een slang, die kennelijk op 't punt stond, van boven een vaatje met sterken drank op hem aan te vliegen. Maar de voornaamste trek van dit gedeelte der vertooning was een groote Allegorie, die in de groep der scheepstimmerlui gedragen werd, en aan den eenen kant de stoomboot Alcohol voorstelde, waarvan de ketel sprong, en die met een groot gekraak in de lucht vloog, terwijl op de andere zij het goede schip Matigheid afgebeeld was, een Brave Hendrik onder de schepen, die dan ook, tot innige tevredenheid van kapitein, bemanning en passagiers, met een gunstigen wind doorzeilde.
Nadat de optocht de stad rondgegaan was, begaf hij zich naar een bepaalde plaats, waar hij, naar luid van 't gedrukte program, ontvangen zou worden door de kinderen der verschillende vrije scholen, "Matigheidsliederen" zingende. Ik had verhindering gekregen en kon dus niet bijtijds present wezen om deze Kleine Nachtegalen te hooren, kan dus evenmin verslag uitbrengen van deze nieuwe soort van vocale vermakelijkheid: nieuw althans voor mij; maar ik vond in een groote open ruimte iedere afdeeling om haar eigen banieren geschaard, waar men in stille aandacht naar zijn eigen redenaar luisterde. Afgaande op het weinige, dat ik daarvan hooren kan, waren de redevoeringen zeker welberekend voor de gelegenheid, want ze hadden dien graad van betrekking op koud water, als waar natte dekens recht en aanspraak op hebben; edoch het voornaamste was de wijze waarop de toehoorders zich den ganschen dag aanstelden, en dat was waarlijk bewonderenswaardig en veelbelovend.
Cincinnati staat allergunstigst bekend om zijn vrije scholen, die het in zoo grooten getale bezit, dat op de geheele bevolking geen kind met mogelijkheid verstoken is van de middelen van opvoeding en onderwijs, waar dan ook gemiddeld vier duizend leerlingen jaarlijks gebruik van maken. Ik ben maar in een dezer inrichtingen geweest, terwijl er onderwijs gegeven werd. In de afdeeling voor de jongens, die vol kleine kleuters was (van verschillenden leeftijd, ik geloof, van zes jaar tot tien of twaalf), stelde de meester voor, de leerlingen voor de vuist eenige algebra-sommen te laten maken; een voorstel waar ik zoo vrij was, niet zonder eenige verlegenheid, voor te bedanken, en wel om de doodeenvoudige reden, dat ik mijn bekwaamheid om misslagen in die wetenschap aan te wijzen, volstrekt niet vertrouwde. In de meisjesschool stelde de onderwijzer voor, dat er iets gelezen zou worden. Nu, die kunst meende ik nogal tamelijk goed machtig te zijn, weshalve ik me bereid verklaarde, een klasse te hooren. Boeken werden er dus rondgedeeld, en een stuk of zes meisjes losten elkaar af met het lezen van paragrafen uit de Engelsche Geschiedenis. Maar 't was niets meer dan een droge compilatie, die hun bevattingsvermogen oneindig ver te boven ging; en toen zij (klaarblijkelijk zonder er tien woorden van te verstaan), drie of vier saaie passages betrekkelijk het Verdrag van Amiens en andere zieldoorvlijmende onderwerpen van denzelfden aard afgeraffeld hadden, gaf ik te kennen, dat ik geheel voldaan was. 't Is wel mogelijk dat het alleen geschiedde om de verbazing van den vreemden bezoeker gaande te maken, dat zij deze verbazend hooge sport op de ladder der Geleerdheid beklommen en zich bij andere gelegenheden ietwat lager bij den grond hielden; doch ik voor mij zou meer in mijn schik geweest zijn en me meer voldaan gevoeld hebben, bijaldien het examen geloopen had over eenvoudige lessen die zij begrepen.
Evenals op iedere andere plaats die ik bezocht, waren de rechters hier mannen van uitstekend karakter en talent. Ik woonde een der terechtzittingen een minuut of wat bij, en vond ze gelijk aan die, waar ik al gewag van gemaakt heb. Het geding liep over een eisch tot schadeloosstelling; er waren niet veel toehoorders, en de getuigen, raadsman en jury vormden een soort van familiekransje; nogal lollig, moet ik zeggen,
De gezellige kringen waar ik mij hier mee inliet, waren verstandig, hoffelijk en aangenaam. De bewoners van Cincinnati zijn trotsch op hun stad als een der belangrijkste in Amerika, en niet zonder reden; want zoo fraai en bedrijvig als ze nu is met een bevolking van vijftig duizend zielen, zijn er maar twee en vijftig jaar verloopen, sinds de grond waar ze op staat (die toen ter tijd voor een handvol dollars gekocht werd) een woest bosch was, en haar burgers maar een handvol personen waren, die in verspreide blokhutten aan den oever der rivier woonden.
XII.
NAAR St. LOUIS.
VAN CINCINNATI NAAR LOUISVILLE MET EEN ANDERE WESTERSCHE STOOMBOOT; EN VAN LOUISVILLE NAAR ST. LOUIS MET NOG EEN ANDERE. ST. LOUIS.
Om elf uur voor den middag verlieten we Cincinnati en scheepten ons in naar Louisville in de stoomboot de Pike. Deze boot, die de brieven overbracht, was een packet van veel beter allooi dan die waarmee we van Pittsburg waren gekomen. Daar deze overtocht niet meer dan een uur of dertien vereischte, maakten we de noodige schikkingen, om dien avond aan wal te gaan, alles behalve van plan als we waren om in een zoogenaamde staatsiehut te slapen, wanneer het mogelijk was, ergens elders te slapen.
Behalve de gewone alledaagsche massa passagiers bevond zich toevallig aan boord dezer boot een zekere Pitchlynn, een opperhoofd van den stam der Choctaw-Indianen, die mij zijn kaartje zond, en met wien ik het genoegen had, een langdurig onderhoud te hebben.
Engelsch sprak hij volmaakt goed, ofschoon hij, naar hij me vertelde, die taal eerst begonnen was te leeren, toen hij een volwassen jonkman was. Hij had vele boeken gelezen; en Scott's poëzie scheen een sterken indruk op zijn ziel te hebben gemaakt: vooral het begin van de Dame van 't Meer en de scène van den grooten Slag in Marmion, waar hij, ongetwijfeld om de overeenkomst der onderwerpen met zijn eigen lievelingswerk en smaak, veel belang in stelde, en niet minder genoegen in smaakte. Al wat hij gelezen had, scheen hij zeer goed te begrijpen; en elke fictie, die zijn sympathie verworven had, hij sloeg er mannelijk en ernstig geloof aan, ik moest bijna zeggen heftig. Hij had onze gewone dagelijksche kleeding aan, die hem los en met ongekunstelde sierlijkheid om zijn fraaie gestalte hing. Toen ik hem zei, dat het mij speet, dat ik hem niet in zijn eigen kleederdracht zag, stak hij een oogenblik zijn rechterarm uit, alsof hij een of ander zwaar wapen zwaaide, en antwoordde, toen hij hem weer liet vallen, dat zijn ras gaandeweg nog wel heel wat andere dingen verloor, dan hun kleeding, en het niet lang zou duren, of ze werden niet meer gezien op aarde: maar hij droeg ze thuis, voegde hij er met fierheid bij.
Verder vertelde hij me nog, dat hij zeventien maanden lang bewesten den Mississippi geweest was en zich nu op de terugreis bevond. Voornamelijk was hij daarom te Washington geweest, om eenige onderhandelingen ten einde te brengen, die al sinds lang tusschen zijn stam en het Gouvernement aanhangig waren, maar (en dit zei hij op droefgeestigen toon) ze waren nog altijd niet tot een goed einde gebracht, en hij vreesde dat dit wel nooit zou gebeuren, want wat vermochten een stuk of wat Indianen tegenover zulke uitgeslapen kooplui als de blanken? Van Washington hield hij niet; de steden, groot en klein, hingen hem gauw de keel uit, en hij verlangde naar 't Bosch en de Prairie.
Ik vroeg hem, wat hij van 't Congres dacht? Glimlachend gaf hij ten antwoord, dat het in 't oog van een Indiaan waardigheid miste.
Voor zijn dood, zei hij, zou hij heel graag Engeland willen zien; ook sprak hij met veel belangstelling over de groote dingen die daar te zien waren. Toen ik hem van die kamer in 't Britsch Museum sprak, waar huishoudelijke souvenirs bewaard worden van een ras dat reeds duizend jaar geleden opgehouden had te bestaan, was hij zeer aandachtig, en het viel niet moeielijk te zien, dat hij bij zich zelf dit feit met het trapsgewijze wegkwijnen van zijn eigen volk in verband bracht.
Dit bracht het onderwerp van ons gesprek op het Kunstkabinet des heeren Catlin, dat hij hoogelijk prees, en er de opmerking bijvoegde, dat zijn eigen portret onder de collectie was, en allen "keurig" geleken. Volgens hem had de heer Cooper de Roodhuiden goed getroffen; en hij wist, dat ik dit ook wel zou doen, als ik maar met hem wou gaan op de buffeljacht, iets wat hij erg graag had, dat ik zou doen. Toen ik hem zei, dat, gesteld ik ging ook zijn landstreek bezoeken, ik den buffels al bitter weinig schade toe zou brengen, vatte hij het als een kolossale grap op en lachte hartelijk.
Hij was een opmerkelijk schoon man, naar mijn gevoelen een jaar of wat over de veertig, met lang zwart haar, een arendsneus, breede wangbeenderen, een door de zon verbrande tint en een zeer helder, scherp, donker en doordringend oog. Naar hij me vertelde, waren er nog maar twintig duizend Choctaws over, en hun getal slonk bij den dag. Enkele van zijn medechefs waren genoodzaakt geweest, de beschaving der blanken aan te nemen en zich bekend te maken met hetgeen de blanken wisten, want dit was hun eenige kans om te blijven bestaan. Maar hun getal was niet groot; en de overigen waren zooals ze altijd geweest waren. Lang stond hij bij dit punt stil, en zei meermalen dat zij als weggeveegd moesten worden voor de reuzenschreden die de beschaafde maatschappij zette, tenzij ze probeerden om zich met hun veroveraars te vereenzelvigen.
Toen we bij 't afscheidnemen elkaar de hand drukten, zei ik hem, dat hij naar Engeland moest komen, daar hij immers zoo verlangend was, dat land te zien,--dat ik hoopte, hem daar nog eenmaal aan te zullen treffen en hem wel dorst beloven, dat hij goed ontvangen en vriendelijk behandeld zou worden. Deze verzekering deed hem blijkbaar goed, ofschoon hij hier met een vroolijken glimlach en schalksche beweging van zijn hoofd op repliceerde, dat de Engelschen dol veel van de Roodhuiden plachten te houden, als ze hun hulp van noode hadden, maar.... zich naderhand weinig om hen bekommerden.
Hij nam dan afscheid van me en deed dit met zooveel waardigheid, den onbedorven Zoon der Natuur eigen, als ik ooit in mijn leven gezien heb. Hierop bewoog hij zich onder 't volk in de boot, als een ander soort van schepsel. Kort daarna stuurde hij me zijn gelithographeerd portret, zeer gelijkend, ofschoon ternauwernood mooi genoeg,--dat ik ter herinnering aan onze korte kennismaking zorgvuldig bewaard heb.
De reis van dien dag leverde ons overigens weinig belangwekkends op, en te middernacht kwamen we te Louisville aan. Wij sliepen in 't Galt House, een prachtig logement, waar we zoo allerkostelijkst logeerden als waren we te Parijs geweest, en niet honderden mijlen aan genen kant van 't Alleghany-gebergte.
Daar de stad geen merkwaardigheden bezat van dien aard, dat het de moeite waard was, ons aldaar op te houden, besloten we reeds den volgenden dag met een andere stoomboot, de Fulton, verder te gaan. We hadden ons te dien einde, tegen den middag, naar een zekere voorstad, Portland genaamd, te begeven, waar de boot een kanaal door moest, dat haar natuurlijk eenigen tijd op zou houden.
Den tijd, die ons na 't ontbijt overbleef, besteedden we aan 't doorrijden van de stad, die regelmatig en vroolijk aangelegd is. De straten beschrijven namelijk rechte hoeken en zijn met jonge boomen beplant. De gebouwen zien er rookerig en zwart uit, door 't gebruik van steenkolen, maar een Engelschman is wel gewoon aan dat gezicht en heeft geen lust daar over te vallen. In den handel scheen niet veel om te gaan; en sommige onvoltooide gebouwen als anderszins schenen er op te zinspelen dat de stad overbouwd was in de drift van Amerika's lievelingsleus: "Vooruit maar! Hals over kop maar!" en nu gebukt ging onder de reactie, die er een onvermijdelijk gevolg van is, als men zijn krachten op zoo'n koortsachtig gejaagde wijze overschat.
Op onzen weg naar Portland passeerden we een "Magistrate's office," waar ik me niet weinig vroolijk over maakte, daar 't meer weg had van een jongejuffrouwenschool dan van een politie-bureau. Verbeeld u, dit ontzagwekkend gebouw was niets dan een klein, nestig spreekkamertje, dat aan de straat uitkwam, en in dat kamertje lagen twee of drie figuren (ik veronderstel den schout en zijn rakkers) zich als toonbeelden van vadsige rust te koesteren in de zon. Kortom 't was een volkomen beeld van de Justitie die zich uit gebrek aan klanten uit de zaken teruggetrokken, haar zwaard en schaal verkocht heeft, en nu met de beenen op de tafel op haar doode gemak ligt te rentenieren.
Evenals overal elders in deze streken, krioelde ook hier de weg van varkens van allerlei leeftijd, die hier en daar en overal lagen te slapen of al knorrende aan 't zoeken waren van verborgen lekkernijen. 't Is misschien een gril van me, nu goed, maar ik kan 't niet helpen, ik ben altijd op de hand geweest van die oolijke dieren; als niets me op kon vroolijken, dan heb ik toch nog altijd schik gehad wanneer ik 't naging hoe zij reilden en zeilden. Toen wij er dien morgen langs reden, merkte ik een klein voorvalletje op tusschen twee jeugdige varkens, dat onuitsprekelijk koddig mocht heeten. Ik zal 't u vertellen, lezer, ofschoon ik er zeker van ben, dat het dan nogal saai zal worden.
Een zekere jongeheer (een zeer delicaat zwijn, wien verscheidene strootjes nog uit den neus staken, wel een bewijs hoe kort het nog maar geleden was dat hij een wetenschappelijke reis naar den een of anderen mesthoop ondernomen had), een zekere jongeheer dan liep, in diep gepeins verzonken, te kuieren, toen zijn broer, ik wil zeggen m'nheer zijn broer, die in een modderplas lag, iets wat hij niet gezien had, spookachtig van de dampende modder zich op eens aan zijn ontstelde blikken vertoonde. Nooit had een varken al zijn bloed zoodanig voelen stollen. Ten minste drie voet sprong hij achteruit, keek een oogenblikje op, en zette het toen zoo hard hij maar kon op 'n loopen, terwijl zijn buitengewoon klein staartje van de haast en den schrik schudde als een penduleslinger die in de war is. Maar voordat hij nog heel ver gegaan was, begon hij blijkbaar bij zich zelf te redeneeren over den aard dezer vreeselijke verschijning; en onder 't redeneeren begon hij zoetjes aan zachter te loopen; totdat hij ten laatste stil bleef staan en weer rechtsomkeert maakte. Daar lag, met de modder op 'm glimmende in de zon, zijn broer hem uit denzelfden modderplas aan te gapen: men kon 't hem aanzien, dat hij er met zijn varkensverstand maar niet de hoogte van had kunnen krijgen wat zijn broer toch bewogen had, zich als zoo'n dolleman aan te stellen! Nauwelijks had hij zich hiervan verzekerd (en hij verzekerde zich er zoo sekuur van, dat men bijna zou zeggen, dat hij zijn hand voor zijn oogen deed, om des te beter te kunnen zien), of hij keerde op een fiksch drafje terug, vloog op hem aan, en beet hem zonder complimenten een stukje van zijn staart af, alsof hij 't hem op die manier in wou peperen, om in 't vervolg wat beter op te passen en nooit ofte nimmer weer eenig lid zijner familie in de maling te nemen.
Wij vonden de stoomboot in 't kanaal, waar ze wachtte op den afloop van die even vervelende als langzame karwei, welke bij schippers en consorten onder den naam van "schutten" bekend staat. We gingen toen aan boord, waar we kort daarna een nieuw slag van bezoeker hadden in den persoon van een zekeren Reus uit Kentucky, wiens naam Porter is en in zijn kousen de gematigde hoogte van zeven voet acht duim bereikt.
Nooit bestond er een menschenras, dat de geschiedenis zoo ten eenenmale logenstrafte of de kroniekschrijvers zoo gruwelijk in hun geschriften belasterd hebben, als deze reuzen. In plaats van de wereld in rep en roer te brengen en ze onderste boven te keeren, in plaats van er altijd en eeuwig op uit te zijn om hun Cannibalen-provisiekamers van 't noodige te voorzien, en te dien einde gedurig op ongeoorloofde manier naar de markt te gaan, zijn zij de zachtzinnigste menschen die men zich met mogelijkheid voor kan stellen: eerder geneigd tot melk en plantaardig voedsel en over wie men wel, zooals men dit noemt, heen zou kunnen loopen, als men ze maar met rust en vrede laat. Ja zoo stellig zijn vriendelijkheid en zachtzinnigheid de hoofdkenmerken van hun karakter, dat ik beken, op dien jongen, die zich onderscheidde door 't slachten van deze niets en niemand kwaaddoende personen, als een valschen roover neer te zien, wien 't, onder 't voorgeven van menschlievende bedoelingen, wezenlijk nergens anders om te doen was, dan om de schatten te plunderen die zij in hun kasteelen opgestapeld hadden. En des te eer hel ik hiertoe over, daar ik vind, dat zelfs de geschiedschrijver van die heldendaden, met al de partijdigheid voor zijn held, toch, en grif ook, toe moet geven, dat de geslachte monsters in quaestie van een zeer onschuldig en eenvoudig kaliber waren; buitengewoon argeloos en lichtgeloovig; zoo lichtgeloovig zelfs dat ze de onwaarschijnlijkste vertelseltjes voor echte munt aannamen; personen die, om kort te gaan, met zich om lieten springen als de kat met de muis, die zich dan ook zoetsappig in kuilen lieten stoppen, ja zelfs (evenals in 't geval van den Reus uit Wallis) met een overmaat van de gastvrije beleefdheid van een logementhouder zich liever in stukjes lieten hakken, dan dat ze in de verte op de mogelijkheid zouden gezinspeeld hebben, dat hun gasten bedreven waren in de landlooperskunst, van de maar al te wel bekende vlugvingerigheid en hocus-pocus.
Onze Kentuckische reus nu was maar een nieuwe illustratie van de waarheid dezer stelling. Hij had een zwakte in de kniestreek en een geloofwaardigheid in zijn langwerpige tronie die zelfs op "vijf voet negen" een beroep deed, om hier een handje te helpen. Hij was eerst vijf en twintig jaar, naar hij zei, en nog niet lang geleden uit de kluiten gewassen, want men had het noodig geoordeeld, een stuk te zetten aan de pijpen van zijn onderbroek. Op zijn vijftiende jaar was hij een kleine dreumes, en in die dagen had het weinig gescheeld of zijn Engelsche vader en Iersche moeder hadden hem vinnig gekapitteld, als zijnde te klein van postuur om de eer der familie op te houden. Hij voegde er bij, dat hij niet al te gezond geweest was, ofschoon het nu wat beter ging; maar er is geen gebrek aan kleine menschen, die fluisteren dat hij te veel drinkt.
Ik verneem verder, dat hij huurkoetsier is, maar moeielijk zou men kunnen begrijpen hoe hij 't aanlegt, of hij moet achter op 't voetenbankje gaan staan, en daar met zijn borst op den hemel en met zijn kin op den bok gaan liggen. Uit aardigheid had hij zijn geweer meegebracht. Als "die kleine buks" gedoopt en buiten een winkelraam uitgestald, zou een winkelier in Holborn er door boven Jan geraakt zijn. Toen hij zich vertoond en een beetje gepraat had, vertrok hij met zijn zakinstrument, en als een vuurtoren wandelende onder lantaren palen, slingerde hij te midden van menschen van zes voet en langer de kajuit in.
Nu duurde het nog maar een minuut of wat en we waren het kanaal uit, en weer op den Ohio.