Schetsen, Eerste bundel

Part 12

Chapter 124,074 wordsPublic domain

Zoo was hij dertig geworden, goedhartig, dom, sterk, levend het leven van alle mannen én schilderend. Hij schilderde wat men "aardig" noemt. Op alle tentoonstellingen hingen stukjes van hem. De nobele schilderijen-specialiteiten vermeldden hem steeds met "lof." Het goedhartige, domme, krachtige van zijn natuur was in het zware, dompige, harde van zijn kleuren en fantasieën. Ze kochten zijn werk voor prikjes. De vele prikjes maakten z'n burgerbestaan uit. Wat hij verdiende gaf hij uit. Er was geen reden om te sparen. Soms at hij bij Suisse, soms in de gaarkeuken, soms kocht hij een paar eieren. Het was geen nagemaakt vie de bohème, geen artistieke anstellerij: het was zijn gewoon goedhartig normaal leven.

Als zijn vrienden kwamen oploopen, lei hij zijn penseelen neer, werd er gebitterd uit gebroken glaasjes en eierdoppen, werd er gewerkt met de gewichten, geschermd met oude sabels. Dan zette hij zijn bril af, den grooten zwaren bril, dien hij gewoonlijk met logge handbewegingen tegen de oogen duwde en stond als een leelijke, sterke, kippige reus. Ze mochten hem allen. Ook de vrouwen. De vrouwen vonden hem leelijk met zijn houtige lichaam, zijn hoekige gezicht. Maar zijn domme goedheid en het "artistieke" dat vrouwen schijnt in te palmen, maakte hem tot veroveraar van de vele modellen, die al zoo kwamen om te poseeren.

Nu was hij dertig jaar. Niets groots, niets heftigs was in zijn leven gebeurd. Het ging aan hem voorbij, zonder dat hij het merkte. Hij leefde het zonder vreugde, zonder bitterheid. Schilderen, vrienden, vrouwen, turnen, alles passeerde zonder schok, zonder gevoel van moeheid, zonder passie. Hij was een gezond, stevig individu, dat schilderde uit onverklaarbare genegenheid. Als hij er in zijn jonge jaren niet toe gekomen was om te schilderen, zou hij timmerman of smid geworden zijn.

Toen hij eens niets verkocht had, kreeg hij ruzie met zijn huisbaas om de huur en "verkaste". In de Jordaan stond een groote kamer leeg met goed licht. De vrienden sjouwden mee. Den volgenden dag was het atelier in orde. Wat vieze doeken tegen de ramen, wat schetsen en wapens aan de wanden, wat oude stoelen en een stoffige bank, belegd met Smyrnaasch. Voor één gulden in de week bracht de juffrouw van boven hem elken dag een kop koffie met een dunnetjes belegde boterham. En het beenige, plompe lichaam zat weer voor den ezel met dezelfde gemoedelijke genegenheid om te schilderen.

Klop. Klop.

"Binnen!"

"Moeder is ziek.--Ik kom u de koffie brengen."

Hij keek op van zijn werk.

"Is de juffrouw boven je moeder?"

"Ja."

"Waar heb je dan al dien tijd hier in huis gezeten, dat ik je voor het eerst zie?"

"Nou.--Da's ook 'n vraag! Ik ga om acht uur de deur uit 's morgens en kom 's avonds half negen eerst binnen."

"Wat doe je voor den kost?"

"Ik ben op 'n naaiwinkel."

"O."

"Dag mijneer."

"Wat hè-je 'n haast!"

"Dag mijneer."

Weg was ze.

"Verdikkie wat 'n aardig smoeltje"--dacht-ie, at zijn boterham en werkte door.

Ook den volgenden dag kwam ze.

"De koffie mijneer."

"Heb je weer zoo'n haast?"

"Moeder is alleen."

"Mag ik je een zoen geven?"

"Ga nou weg!"

"Kom nou, ééntje."

"Je bent zoo leelijk, zeg!"

"Leelijke zoenen ook"...

"Ik zou je danken."

Weg was ze.

Hij at, zong en werkte. 't Kon hem niemendal schelen. Ze zeiden allemaal leelijkert, later mochten ze hem toch.

Derde, vierde, vijfde dag. Het bleef zoo. Ze lachte hem uit. Ze liet d'r witte tandjes zien, ginnegapte, maar als hij een beweging maakte, was ze weg.

Hij werd er wrevelig onder. Waarom dee ze zoo mal? Die bakvisch. Eindelijk, den zesden dag, toen ze wat dichter bij kwam, in de eene hand de koffie, in de andere het bordje met brood, zoende hij d'r geniepig, onverwacht. Ze werd vuurrood van woede. De koffie viel om, plaste op den grond.

"Laat me los! Ik wil van jou niet gezoend worden, smeerlap!" Driftig, met een gebaar van walging veegde ze zich den mond af.

"Heb je zóó 't land an me?" zei-die verwonderd.

"Ja! Ja! Ja!"

Dat was gek. Terwijl ze de trap naar boven opging, luisterde hij naar de krakende treden. Het was gèk. Most ze dàarom zoo nijdig worden. Hij floot een deuntje, maar voelde zich niet op z'n gemak. Als ze morgen kwam zou-die zich koest houen. Je mot bij vrouwen koel zijn. Dan heb je succes.--Dan piqueer je ze.--Dan gaan ze op je letten. Den volgenden dag kwam ze niet. Moeder was beter. Hij at en werkte. Ook goed. Dan zou hij d'r niet meer zien. Wat maalde die om een aardig snuitje. Tegen den avond ging hij uit, at in de gaarkeuken. Nou was zij op den naaiwinkel. Wat? Wel zeker! Hij wou toch 's gaan kijken. Om acht uur wachtte hij bij een lantaarn. Daar kwam ze.

"Dag Marietje!"

"Dag."

"Mag ik je thuis brengen?"

"Toe ga nou weg... Ga nou weg... Ik loop al met iemand."

"Da's niet waar."

"Waarachtig."

"Wil je niks van me weten?"

"Je verveelt me. Toe ruk nou uit!"

Ze liet hem staan. Iets verder wandelde ze op met een ander, die zijn arm door den hare stak.

"'t Kan me ook niks schelen..." mopperde hij: "'t 's 'n lamme meid."

Maar den heelen avond was hij down, dronk wat grogjes, stond den volgenden morgen katterig op. Het werk ging niet. Hij zou een dutje doen. Op de rustbank languit, het hoofd op de armen, lag hij te luieren. Hij at een paar eieren, ging weer liggen inert op het Smyrnaasch. Bij halfnegen hoorde-die d'r thuiskomen. De buitendeur werd geopend. Beneden in de gang praatte ze met iemand. Hij kon alles hooren, àlles. Ook dat 'r gezoend werd. Toen viel de buitendeur dicht, kraakten de treden, een voor een.

Schemer was in het atelier. Het licht van een gaslantaarn gaf een raamreflectie op den grond. Witte plakkaten van schetsen aan de wanden waren als vlekken te zien.

Met het hoofd achterover, lusteloos, als een sterk beest, zonder leven, lag hij. Al z'n gedachten waren vaag, doezelig. Maar in de straat gingen een paar meiden voorbij, die zongen van "Daisy Bell" en zoo zonder aanleiding, voor het éérst van zijn gemoedelijke, domme leven begon-ie te huilen. Wat gebeurde 'm nou--Waarom was-ie zoo krankzinnig,--waarom blerde-ie als 'n idioot?--D'r was 'm toch niks gebeurd.--Wat kon 'm die meid schelen, die verdomde bakvisch, dat schaap, dat nest, dat kuiken, die magere gans, dat nuffie, dat toch maar 'n gewoon scharreltje was!...

Stilletjes bleef-ie doorhuilen in de rust van de kamer.

BEZOEK.

Ik zat voor het raam in een groote stemming van down-heid. Het leven ging sukkelachtig-egaal en de beroepsdingetjes drukten zwaarder dan ooit. In zoo'n stemming bekijk je alles landerig en beu. Uit de deur van 't "Heilsleger" kwam een bleeke man. Wat verderop werd een leelijke meid met groote open neusgaten voortgesjouwd door een manken hond-mormel. Een nijdige wind zwiepte stuifsneeuw op.

Apathisch keek ik naar de dingen. Het was het dommeluurtje voor het eten. De kachel stond gloeiend, schemerde rooderig licht tegen het plafond. Over een half uur zouen de boeken van de tafel geruimd worden, zou er gerinkeld worden met borden, zouen we eten... Over anderhalf uur zouen de beenen bewegen door de Van Woustraat, door de Utrechtsche straat, door de Kalverstraat... De vaste, plichtmatige wandeling van een zeer fatsoenlijk bourgeois... Dan wat werk en 's nachts wéér de Kalverstraat, de Utrechtsche straat, de Van Woustraat... Dan het bed en morgen alles hetzelfde, als een klok tikketak, als een schoothondje, dat op den juisten tijd moet uitgelaten worden.

Het werd donkerder.

Het was een wel hopeloos schemeruurtje; de oogen gericht op het roode licht van het plafond. Het waren in-krachtlooze oogenblikken, zooals ieder ze heeft, oogenblikken, waarin de afmatting van kamerleven zich triestig concentreert.

Er werd gebeld. Bij zessen. Dat zou de post wel weer zijn. Dinsdag. Ik wist precies wat er in de bus lag. Dinsdag kwam dát krantje. Anders niets. Ik zou het maar ophalen en weer eten en wandelen door de Van Wou-, door de Utrechtsche-, door de Kalverstraat.

Op de vloermat lag het krantje. Ook een brief in rose envelop. Het was een vrouwenhand. Bij het licht van de kachel las ik langzaam woord voor woord. De handteekening stond er scherp en raak, met een streep er onder. Wonderlijk. In dit moment van slapheid en depressie, kwam plots een meisjesbrief, ongekunsteld, met een heldere meisjes-extase voor kort geleden geschreven nietigheidjes. Het stond er typisch-grappig--"Ik ben negentien en zou zoo graag eens met u kennismaken. Maar pa en ma weten er niets van dat ik u dezen brief schrijf. Wil u dus antwoorden poste restante?" Door de lauwheid van de kamer leek een vonkje pleizier te knetteren. Waren er dan toch voor wie ik iets was? Mal. Wel mal. Ik las nog eens en nóg eens. Het was verbazend frisch-opgewonden.

Maar bij de vierde lezing kwam er een groot wantrouwen. Het was eigenlijk een verdacht briefje--een meisje van negentien jaar, die aan een ongetrouwd jongmensch in die termen schrijft--pa en ma, die er niets van wisten--een geheime correspondentie poste restante. Ja, het wàs een verdacht briefje. Welke vriend wou me er eens doen inloopen? Wat zouen ze gieren van 't lachen als ik antwoordde en er serieus op inging. Had ik dit handschrift niet meer gezien?

De aardigheid was er af. En ik antwoordde niet. Dat duurde drie, vier, vijf dagen. Toen in een koffiehuis, zittend met iemand, die de grap zeker niet kon uitgehaald hebben, liet ik het briefje lezen.

"Kerel je bent gek,--dat is de brief van een meisje."

"Ja, ja,--maar ik maak me niet belachelijk."

"Wacht eens even! Aannemen!"

"Wat ga je doen?"

"Dat zul je zien.--Kelner, het adresboek."

We snuffelden in het boek en jawel, de naam bestond en nog sterker, er was er maar één.

Den volgenden morgen ging er een briefje poste restante, beleefd, correct. Dienzelfden dag was er een uitvoerig antwoord van negen bladzijden, met aardige, naïve confidenties, eindigend met het verzoek of zij me eens mocht komen opzoeken.

Nu mag ieder me uitlachen, maar met dien brief ben ik nu een paar dagen gelukkig geweest. Ieder loopt rond met een stumperig vrouwen-ideaaltje. Van liefde is misschien het mooist, dat zij niet gehéél bestaat, dat onze fantasie gaat om een droombeeld, dat onze ijlste verlangens te puur zijn voor een zachte werkelijkheid. Deze paar stukjes papier met meisjes-opgewondenheid deden alles vrijelijk fantaseeren. Op een Donderdag-middag zou ze komen om vier uur. Het duurde nog twee dagen. Ze heette Antoinette. Luierend in mijn stoel, dacht ik over de kleinste, stilste diminutiefjes, droomde van een bijzonder kopje, met bijzondere oogen, met een bijzondere stem. Ze zou binnenkomen, verlegen. We zouden met elkander babbelen, beleefd, in de vormen, vooral in de vormen. Een meisje dat op bezoek komt, is een gast van heiligheid. En dan zou misschien dat cynisme, dat anderen gegeven hadden, weggelachen worden door geluksklanken van een vrouwenstem. Misschien was dit het gouden klokje dat begon te luien in de dorheid van een menschleven, misschien was dit de kelk, die openbloeide in dauw van gelukstranen. O ja. Misschien. Trala.

Al de verlangens die een mensch kan hebben, al de opstanding van een individu, dat zijn begeeren heeft naar verwerkelijking van droomen, waren in de fantasie van die dagen.

Toen kwam Donderdagmiddag.

Toen kwam ook het komediespel. Want met alle pogen naar oprechtheid blijven we allemaal komedianten. De kamer zag er niet artistiek genoeg uit. Dàar kon nog wel wat rommel liggen en hier was weer te veel. En die Fransche kranten met de gemeene plaatjes moesten vermoffeld worden en die naakte juffrouw onder het portret van grootmoeder moest ook weg. Zoo. Nu was het er. En lag ik in een leuningstoel met een boek voor me. Als ze binnenkwam, zou ik zijn als een geleerd mensch, die in zijn studie verrast wordt. Vijf minuten vóór vier.

Ik las nog eens den eersten brief... "Ik ben negentien en zou zoo graag eens met u kennis maken. Maar pa en ma weten er niets van, dat ik u dezen brief schrijf"... Wat zouen pa en ma er van zeggen, als ze later hoorden dat hun dochter op visite was geweest bij een ongetrouwd jongmensch? Voor oneerlijke menschen is dit een zeer onfatsoenlijk iets, maar daar ik nu toch op het punt stond van ideaal-verliefd te raken, kwam het er niets op aan. Vier uur. Wat zou er in mijn leven veranderd zijn na één uur? Als Antoinette...

Er werd gebeld. Ik hoorde de gracieuse oude meid scharrelen in de keuken. Waarom draaide ze zoo. "Er wordt gebeld! Er wordt gebeld!!", schreeuwde ik aan de trap.--"Ja, ja, mijnheer, ik bind mijn schort voor." Ze slofte door de gang. Ik zat weer in mijn stoel, zenuwachtig met het boek in de handen. Stemmengemompel. Toen de ouwe, die de trap op kwam.

Klop, klop.

"Binnen!"

"Mijnheer daar binne twee dames voor u."

"Twéé?"

"Ja meneer."

"Twéé?"

"Jawel, een ouwe en een jonge."

"Laat boven kommen."

Weer stemmengemompel. Weer trapgekraak. Weer klop-klop.

Toen ging de kamerdeur open. Eerst een dikke, kleine dame. Toen een bleek, klein meisje.

"Mijnheer Falkland, ik ben maar zoo vrij geweest om mee te kommen. Mijn dochter heeft me gezegd dat ze met u gecorrespondeerd heeft... Ze zei 't net op 't laatste oogenblikkie... Ik vond het niks gepast, dat Antoinette alleen ging... Vind u ook niet?... Toen ben ik maar meegegaan"...

"Gaat u zitten."

Stilte.

Zoo'n stilte moet er om Perrette geweest zijn, toen de melkkan viel.

"'n Beetje winderig vandaag, mevrouw."

"Ja, 't is nog al guur."

"'t Is guur geweest de heele maand December."

"En wat een vroege sneeuw, vin u niet?"

"Als men maar overschoenen draagt, mevrouw."

DOLCE FAR NIENTE.

Dolce far niente.

De wind schudt de wilgen.

Het zonlicht licht met strakke witheid. De kruinen slingeren, wrijven tegen elkander. Het is een zonnegewiegel van blaren, als gespeel van kinderen.

Als ik goed luister, droomerig luister, hoor ik jubelkreetjes, schelle stemmetjes.

Maar er zijn geen kinderen.

De wind zwiept de takken op. Blaren huppen en joelen. Er zijn geen kinderen. Het is bedrog. Er zijn groene blaadjes, dwarrelend door elkander, er is lichtgelach op de loovers, er zijn schaduwtjes en zilverschubben. Er is het gróóte gesuis van de blaren.

Als ik de oogen sluit lijkt het de zee--het groote water, water en lucht. Groene golven komen langzaam gedragen, neervallend, opdeinend. Witte schuimstrepen sissen. En het gesuis ademt zacht, blazend aan in den mond, in den neus, in de longen, die bewegen in stalen gevoel van sterkte. Het is de zee, de zee, effen glad als een spiegel van licht, de zee rumoerig en wild, de zee met marmeren bergen en dalen, de zee als een vreemd verbeeldingsland. Het is de zee bij het strand, opkolkend golven in branding van schuim.

Het is de zee, wen de zware lucht voortscheert de golven, de zee, als een binnenwater waarop reuzenlippen adem uitstorten, de zee, stil, vol geluiden, de zee als een droomenplek, waar de heete mond gulzig drinkt--drinkt--drinkt, in een passie naar licht, lucht, leven, dood. Het is de zee, groot, majesteitelijk, wiegend op het gladde lijf silhouetten van zeilen. Het is de zee, bij nacht, zwart en luguber,--bij avond, inslapend op wondermelodie van ònzegbaar-goede dingen,--bij middag als de zon op het water brandt--, het is de zee als een wit zuilenpaleis, statigend op tot in de wolken van sneeuw, zuilenpaleis met albasten vrouwen, badend en wiegend in water.

De zee, als de kinderen purper van leven stoeien in 't zand.

Er is geen zee.

Het is al bedrog. De wind stuift in de stoeiende wilgen. De blaren rukken driest, dollen en zwermen. Het is bladergesuis achter de schutting van den tuin, bladergesuis van de wilgen in zonlicht. Er is geen zee.

Dolce far niente...

Een musch lijnt door de warme, zonnige lucht, strijkt neer op een tak. De wind schudt tak en musch. Ze glanst in het licht, pikt met den snavel in het bruine borstje. De groene blaren, de blaren van zilver en groen, ravotten er om. Dan vliegt ze weer vort, bruine streep in het licht.

Beneden is het perk van groote groene planten. Gele koppen van bloemen, gele trossen knikkebollen, zacht bestreken door den wind. De gele koppen vlijmen uit scherp boven het groen. Het is een mooi perk van groote, groene blaren, groen in alle kleuren, zacht, donzig, bits, donker. Het geel pluimt er boven, drijft er over, fel, schreeuwend. Het perk staat, netjes afgerond, als de vroolijke, kleurige opgewaaide pruik van een boschduivel.

Kloek! Kloek!

Petie! Petie!

Ergens achter een schutting klinkt het pittig, gedempt geluid van kuikens. Ik zie ze in verbeelding, mollig, geel, dribbelend, met gele bekjes, pikkend in den grond.

De boomtakken zwiepen. De blaren stormen driftigjes. Schaduwen en groen én zilverloovertjes.

Een kat sluipt aan over de schutting. Stap voor stap. Fluweelen, zachte tredjes. Nu rekt ze zich uit, inbuigend het rugje--plompt neer van de schutting, verdwijnt in het groen. Monter klinkt het gepiep van de kuikens. De zon schijnt heet, uitmergelend den grond. Het is warm en de wind blaast in de blaren.

Een witte vlinder.

Ze klapklapt dicht bij den grond, bewegend met rukjes. De wind neemt haar op, stuwt het witte lijfje. Maar ze klapklapt naar de gele bloemen boven de groene planten. Ze laat de vleugeltjes rusten, de witte, papieren vleugels, blijft stil op een gele tros, op een tros van heftig-gele bloemen.

Weer een musch. De musch tript rond op den grond, hip-hip-hip. Telkens een musschenschaduwtje op den grond. De kat uit het groen sluipt zachtjes, pootje voor pootje, het lichaam bijna sleepend over den grond. Maar de musch vliegt weg. De kat ligt lui in 't zand, de vier pooten gestrekt. De musch tjilpt in de boomen. De kuikens piepen. De blaren dansen in 't licht.

Wit als een rozeblaadje, fladderend op den wind dommelt de vlinder gratievol van de eene pluim naar de ander. Zij is van een wonderlijke, pure witheid. De vleugeltjes klepperen. Het is niet te zien of zij bewegen of worden bewogen. In het blinkende zonlicht rust ze nu weer. De plant knikt stil en zwijgend. Het is een dunne, slanke plant. Alleen bòven één gele pluiming van bloemen. De vlinder wordt gewiegd, als een kindje dat moe is. Een tweede kleppert aan. Ze fladderen heen om elkander, twee witte, blankwitte, doorzichtige lijfjes. Ze zijn als opgewaaide veeren, stijgend, dalend. Ze spelen een spelletje van teerheid bij de gele bloemen, bij de groene, onrustige blaren. Ze spelen tot dicht bij den grond, wachtend en huppelend in het streelende, warme licht.

Kloek! Kloek!

Petie! Petie!

De kat rekt zich uit, geeuwt met een grooten open bek. Ze richt zich op, kromt lui den rug, geeuwt nòg eens, ziet de vlinders, de witte vlinders. Weer sluipt ze, als straks bij de musch, tred voor tred van het grijs sluwe lichaam. Ze kruipt langs de planten, loert, loert met groene, harde oogen.

De eene vlinder twinkelt heen over de schutting. De ander heeft een vleugel gebroken. Ze fladdert zacht op een struik. Maar de kat, speelsch en vlug, springt nòg eens. De struik buigt. Een paar blaren vallen af. De vlinder ligt op den grond.

De witte vleugels trillen. De kat snuffelt, gaat er bij liggen, vadsig, weelderig in de zonwarmte. De groote grijze poot verschuift het witte, blanke lijfje. De vleugeltjes beven. De groene, harde oogen, de wreede oogen loeren, bekijken het getril. De voorpooten gooien de vlinder op, de wind waait haar langs den grond. De kat springt toe, als een roofdier dat speelt met zijn prooi.

Zij heeft de vlinder wèer. Zij draagt haar in den bek, legt haar neer op een plekje van zon, duwt haar spelend vort met fluweelen stootjes van den sterken poot. De vlinder beweegt niet meer. De gebroken, verfletste vleugels hangen mat op den stoffigen grond.

De kat geeuwt, rekt zich uit, wentelt zich op de andere zij.

De wind stoeit het dooie vlinderlijfje op boven de groote, groene planten, boven de knikkebollende pluimen van geel. De kuikens piepen. De blaren suizen als de zee.

MOPJE.

De bel luidde onbehaaglijk.

"Ik kom, ik kom!"

Voor de deur was Lou.

"Wat is dat voor krankzinnigheid!"...

Lou stond op de stoep en hield aan de teugels een breed bruin paard. Het was een stevige merrie, zooals er voor de wagens der Heineken's bierbrouwerij loopen, een beest met zware schoften en een verstandigen grooten kop. Op den gladden rug lag een zadel. Het paard zweette van het draven. Bij elk van zijn pooten lag een plasje, dat met dunne straaltjes naar het straatriool liep. Om Lou en het paard stond de heele buurt. Daar had je de meiden van de waschvrouw, die tegen me grinnikten, de bakker met lange brooden onder zijn arm, de melkvrouw met volle putsen melk, de schoenlapper, de bovenbuurtjes. Ze stonden allemaal te gapen naar het paard, naar Lou en naar mij. In de verte zag ik een diender.

"Wat is dat voor krankzinnigheid?"... zei ik nog eens.

"Ik ben wezen paardrijden," zei Lou.

"Paardrijden?... Paardrijden?... Waar heb je dat geleerd?"

"Op de bierbrouwerij."

"Breng 't beest dan weer terug!"

"Wel nee... Je weet toch dat het ons paard is!"

"Ons paard?... Hebben wij een paard? Hebben wij... een paard?"

"Je hebt me toch geld gegeven om er een te koopen!"

"Ik jou geld gegeven... Ben je gek?"

"Ach je slaapt!... Je gaf me duizend gulden... Hier heb je de drie cent terug die ik over heb."

"Nou maar ik wil het beest hier niet hebben."

"Die is ook goed! Daar komt een agent an... Ik kan het toch niet buiten laten staan."

"Kaik dat beest 's sweite! Is dat 'n dier doodrijen"--, zei een van de meiden van de waschvrouw.

"Bemoei je d'r niet mee," zei Lou, "anders krijg je de wasch niet meer."

"We binnen om jullie wasch niet verlegen, 'n wasch van twee hemmetjes, twee kapotte onderbroeken"...

"Maak nou geen spektakel voor de deur," zei ik.

"Betaal liever mijn rekening"--bromde de bakker: "Koop jij een paard, als de straat niks meer van je mot hebben!"

"'t Is Godbeterme schande, zooals das beest schwitzt"--schreeuwde de schoenlapper, die een halve Duitscher is.

't Werd een benauwd relletje. Ze drongen hoe langer hoe meer op.

"Wees toch voorzichtig!" riep ik--"als 't beest achteruit trapt, krijg je ongelukken."

"Hij trápt niet achteruit!", zei Lou.

"Stommerik," zei ik zacht.

Maar op eens begon het beest geweldig te hinniken. Het was een gehinnik zóo schel als van een stoomfluit. Van schrik liet de bakker zijn brooden vallen. De merrie beet er in.

"Als je maar weet, dat ik 't op de rekening zet!"--brulde de bakker.

"Wat mot dat paard hier?"--Daar had je de politie.

"Mijnheer," zei ik--"mijn broer heeft een paard gekocht voor f 999.97... Nou staat 't beest zoo te transpireeren"...

"Vooruit menschen! Doorloopen! Doorloopen!"

Gelukkig, ze gingen 'n end op zij.

"Dat paard mot van de stoep af, mijnheer."

"Lou, het paard mot van de stoep, zegt de politie!"

"Dan zal ik het binnen brengen."

"Ben je dol!... 't Beest is te dik!"

"Niks te dik! Kijk maar!"

De dikke, zware merrie schuurde met haar vleezig lichaam tegen de muren van ons nauw portaaltje.

"Je maakt 'm heelemaal wit," zei ik nog. Maar Lou liep door, sleepte 't paard mee, eerst door de gang, toen door de keuken, toen de vijf treedjes af in het tuintje.

De merrie begon dadelijk te grazen van het ongelukkig beetje onkruid.

"Daar gaan onze bloemen! Wat doe je ook een paard mee te brengen!"

"Je zult zien wat we 'r 'n plezier van zullen hebben! As je 's avonds naar De Telegraaf gaat, rij je"...

"Hij vreet al het groen op!"

"Dat groeit het volgend jaar weer an."

"Pas op voor Poel. Hij staat zoo te blazen!" [6]

"Da's waar! Ik zal Poel wegbrengen, anders vliegt-ie 't paard an."

Boven hingen alle buren uit 't raam.--"Wat 'n mooi beest!"--"Wat 'n engel van 'n dier!" "Meneer, mag ik 'r 's opzitte?"--

"Nee! Nee! Nee!" schreeuwde ik: "we hebben nou geen tijd, we gaan eten!"

Het paard stond lekker te grazen.

"Heb je biefstuk meegebracht?"

"Ja."

"Waar is ze?"

"Hier."

Lou haalde de biefstuk uit zijn zak. Ze was warm geworden en kleefde an 't papier.

"Die kunnen we zoo niet eten!"

"Wel zeker. Hou ze maar even onder de leiding."

"Blijf jij dan bij het paard."