Schetsen, Eerste bundel

Part 13

Chapter 133,179 wordsPublic domain

Ik begon de biefstuk te bakken. Wat vet en boter in de omeletpan op het gaskomfoor. Het rook lekker. Pieps en Poel stonden met kromme ruggen en stijvige staarten op de aanrechtbank toe te kijken.

"Hou het paard toch vast!"

"'t Doet geen kwaad. 't Is een mak beest!"

De merrie stond schuin op de tuintrap en snoof de biefstuklucht op.

"Kischt! Kischt!" riep ik.

"Laat 'm toch gaan!"

Lou dekte de tafel. Pieps en Poel bromden tegen het paard.

Toen kwam het de tuintrap op.

"Kischt! Kischt!"

Het hinnikte.

"Kischt! Kischt!"

Het kwam dichterbij.

"Kom," schreeuwde ik woedend: "breng je paard de keuken uit, anders vreet-ie de biefstuk op!"

"Laat 'm maar loopen! Cesar! Cesar!"

Lou floot het beest. 't Bleef naar de biefstukbakkerij kijken en lekte zich de neusgaten met een lange, bloederige tong.

"Kischt! Kischt! Wil je weg gaan!"

Ik kreeg het benauwd. Het paard kwam hoe langer hoe dichter bij. Poel stond te blazen met een staart zoo dik als een vuist.

"Lou! Lou!"

"Wat is 'r toch!"

"Haal je paard uit de keuken!"

Het was te laat. Nog terwijl ik "kischt! kischt!" riep, had de merrie aan het heete pannetje gelikt. Haar tong kleefde even aan het warme email. "Kischt! Kischt!"--Vervloekt beest. Van pijn sloeg het met de achterpooten den stoel stuk, keerde zich om en probeerde mij te trappen, maar ik was de gang al in. Ik zag nog hoe de biefstukpan geraakt werd, hoe mijn lekkere saus op de achterpooten van Cesar kwam, hoe de biefstuk op den grond viel en Poel er mee an den haal ging. Meer zag ik niet, want de merrie keerde zich weer om, zag mij in de gang, holde op me toe... Flank! Bons! De kamerdeur dicht. Het woedende beest probeerde met zijn bek de deurknop om te draaien, maar ik leunde met alle macht tegen de deur, terwijl de merrie in de gang zóó verschrikkelijk stampte, alsof het onweerde. "Lou," brulde ik... "help mee aan de deur! Ik val om van moeheid!"

Geen antwoord.

"Lou, Lou!"...

"Wat mot je toch?"

... "Waar is 't paard?"

"Wat paard?"

... "De biefstuk"...

"Sta nou maar op... 't Is één uur! Waarom roep je me?"

"Heb ik jou geroepen?"

"Wat mot er bij de koffie zijn?"

"Bij de koffie?... Gemarineerde haringen"...

LEEG VERHAALTJE.

Van de week, zittend voor het raam bij een vriend, heb ik iets gezien, dat me bij is gebleven, ofschoon het wel meer gebeurt, dikwijls gebeurt, ja zelfs in het geheel niet bijzonder of buitengewoon is. Ik zie zelfs geen kans er een verhaal van te maken, niets dat op een lieve historie lijkt.

Er werd simpelweg van een derde verdieping goed naar beneden gedragen.

Als je voor een raam zit, gemakkelijk zit, warm zit, met een behoorlijke sigaar, en al luierend naar buiten kijkt, let je alles op.

Eerst werd naar beneden gebracht een houten tafel, ontverfd, met schilvers van groen en rood. De tafel werd op de stoep gezet in de modder.

"Zeker de keukentafel," zei Peter.

"Ja," zei ik, geeuwend.

We babbelden over ditjes en datjes. Om dit verhaal lief te maken en voor den lezer genietbaar, had Falkland aan Peter dienen te vragen: "Wie woont daar?" enz. Falkland dee het niet. Hij rookte. Dat was verkeerd. Hoe interessant zou bijv. dit gesprek niet zijn geweest:

Peter: Wie daar woont? Een arme familie.

Falkland: Wat doet de man?

Peter: Niets. Hij is zonder werk. Hij heeft een vrouw, die ziek is...

Falkland: Stumpers!

Peter: ... en zes jonge kinderen.

Falkland: Verschrikkelijk.

Maar ik herhaal dat niets van dit alles gesproken werd, dat we zelfs in het gehéél niet over bijzondere dingen praatten, hoe spijtig ik het ook vind voor belangstellenden in lieve verhalen, die tot nu toe niets anders gehoord hebben dan dat van een derde verdieping een vervelooze tafel naar beneden werd gedragen en op de stoep in de modder gezet. Dit is werkelijk niet belangrijk. Maar groote stadsdingen zijn niet alle belangrijk en rookend in een aangenaam-warme kamer, luierend in een luierstoel, neem je ook niet van alles notitie omdat het belangrijk is.

Na een paar minuten droeg dezelfde man van straks--die, als het u, vriendelijke menschen, interesseert, er niet zeer voordeelig uitzag (ik zeg dit óók weer niet om sentimenteel te zijn) nee heelemaal niet voordeelig; wat je noemt verlept, moe, goor (maar ook dat zie je meer en in groote steden let je er zoo niet op) droeg dezelfde man dan, (dit lijkt weer de zuivere verhaaltrant) drie matten stoelen naar beneden en zette ze naast de tafel op de stoep in de modder. De eene stoel was oud, maar goed onderhouden. De tweede hing wat schuin, de derde had een groot, rond, pluizig gat in de zitting.

"Menschen, die d'r ouwe rommel an een sjaggeraar verpatsen," zei Peter.

"Ja," zei ik.

"Beroerd weer," zei Peter. "'t Begint weer te motten."

"Mogelijk," zei ik.

"Wat dragen ze nou an?"

"'t Lijkt wel een bed."

"Ja een ijzeren bed."

Het bed werd rechtop gezet tegen de deurpost, met twee pooten op de stoep, in de modder. Het was een oud, roestig bed.

"Kijk eens, wat 'n grappig snoetje," zei Peter.

Werkelijk een mooi snuitje, zwart haar, zwarte oogen en een brutaal mopje. Ze hielp den man om een onsmakelijk matras op de tafel te leggen. Ze zag er ook niet voordeelig uit. Ze liep op kapotte pantoffels in de modder, droeg een vuil paars jakje.

"Zeker z'n dochter," zei Peter.

"Of 't dienstmeisje."

Geeuwend stond ik op, wandelde de kamer op en neer. Peter bleef kijken.

"Falkland!... D'r is herrie! Kijk die dikkert is."

Rondom het beetje goed, dat op de stoep in de modder stond, waren wat buurvrouwen gekomen. Een dik wijf, met bloote armen, leek uitleggingen te geven. Ze balde d'r vuist en schreeuwde zoo, dat we soms schorre klanken hoorden, zonder te begrijpen waarover ze 't had.

"Nee laat 't raam dicht," zei Peter: "herrie is hier elken dag. De kachel geeft zoo'n warmte niet."

Het dikke wijf ging voort met haar verhaal. Met pootige, zware gebaren stond zij te beweren tegen de openstaande deur. Het mooie meisje kwam de trap af, slofte door de modder, kwam in den kring der vrouwen. Het dikke wijf nam een luisterende houding aan. Het meisje vertelde wat. De vrouwen hokten bijeen, schudden de hoofden, keken naar het pratende kind. Ook de sjofele man kwam beneden, met een pak beddegoed op z'n nek. Hij had zeker op zij geroepen. In eens weken de babbelende vrouwen en wierp hij het pak van z'n schouders op het matras. Dadelijk waren ze om hem. Hij praatte, gesticuleerend, met een betoogende beweging van z'n handen. Het mooie kind stond slaperig te luisteren. De wijven praatten allemaal, met driftige, harde schokking der bovenlijven, hoofden en armen.

Op eens was de aandacht afgeleid, sloop een man met bruine overjas en bruinen fantasiehoed de trap af.

Het dikke wijf, dat zich in 't begin zoo druk had gemaakt, schoot op hem toe, hield hem tegen, dreigde met haar rooie vuist bij z'n neus. De andere kwamen er bij, redeneerend, schreeuwend, tierend.

"Die krijgt op z'n facie!" zei Peter, philosofisch.

Maar er kwam een agent. De wijven begonnen opnieuw te redeneeren, te schreeuwen. De agent liep kalm heen en weer, soms lachend, soms pratend. De man met de bruine overjas en den bruinen fantasiehoed liep er vandoor. De wijven liepen hem een eindje na, gilden en krijschten.

Boven het lawaai uit kon je door de ruiten heen schelle, doordringende scheldwoorden hooren... "Huissiesmelleker! Huissiesmelleker!... Vuile afzetter!... Afzetter!! Afzetter!"

De vrouwen hokten op een hoopje bij de tafel, de stoelen, het bed, het beddegoed, die op de stoep in de modder stonden. Ze bleven babbelend, gebarenmakend, met de armen onder de hangende borsten, drentelend en duwend rondom het goed.

De man en het meisje liepen de trap op en af. Het was een schunnig boeltje dat ze aandroegen, dat ze bij elkaar zetten op de stoep, in de modder. Er kwam een ijzeren pot en een braadpan, een oude ketel en een kleine verbogen hanglamp. Er kwam een lange, bruine, vale kist, die aan twee ooren van touw gedragen werd. Er kwam een kapotte gekruisigde Jezus op een zwart kruis en twee stolpjes met beelden. Er kwam een gedeukte blikken tijl, toegedekt met een geruiten doek. Er kwam nog een stoof, zwart gebrand, met een test. Dan nog een emmer en twee opgerolde vuile gordijnen.

Toen het sterker ging regenen, droeg een der kijkende vrouwen een oud zeil aan en lei 't op het beddegoed.

Ze dropen langzamerhand allemaal af.

Op straat, op de stoep, in de modder, natgeregend stond het beetje huisraad.

De man liep heen. Het meisje bleef schuilen in de deurpost.

Na een half uur--'t kan ook langer geweest zijn; Peter was ingedut--kwam de sjofele man terug met een handwagen en een kruier.

Samen leien ze 't goed in den wagen. Het ging er gemakkelijk op.

Toen gingen de man en het meisje naar boven. Ze kwamen terug met een wieg, een wieg met een warm-ingepakte zuigeling. Tusschen de matten stoelen en de tafel kwam de wieg op den wagen te staan.

De man haalde een papieren zak uit z'n boeseroen, nam een pruim in den mond en stak den zak aan den kruier toe, die zich bediende.

De deur werd dichtgetrokken.

De man en de kruier duwden den handwagen.

Het mooie meisje liep er naast, sloffend in de modder, hield met haar eene hand de wieg vast, die wat schommelde.

DROGE VROUWTJE.

Droge vrouwtje met haar vinnig spitsneusje zat naar adem te happen in den hoogen leunstoel.

In de keuken zong de meid, larmoyant, opzettelijk schel, een sarrend, drensend geluid.

Droge vrouwtje luisterde met de magere vingers tegen elkander.

"Mina."

Geen antwoord. De meid galmde met harde inzettingen: ..."Soete,...lieve...swartkop...voel...is... hoe... me... hart... klop"...

"Mina... a... a!"

"Ja, ik kom!"

Nog wat gerommel van vaatwerk.

"Ik wou da-je ophiel met je gezang."

"O mag d'r hier ook niet gesonge worre!"

"Meissie--als dat zoo doorgaat hou je 't hier niet lang uit... Ik wil geen vrijers an me deur en geen gezang."

"Best juffrouw."

De deur ging dicht.

In de voorkamer bleef droge vrouwtje met het vinnig spitsneusje. Droge vrouwtje was dik in de vijftig, klein, mager, verdord. Ze was altijd zoo, klein, mager, met datzelfde ouwelijk gezichtje, met datzelfde onaangenaam spits neusje. Ze was jong geweest én oud geworden. 't Leven had haar droog, dor gelaten, omdat ze gevegeteerd had binnen de zes wanden van een kist, die als een lichaam bewustloos blijft, den bijzonderen naam van doodkist krijgt, maar vóór dien tijd kamer heet. De kamer van droge vrouwtje, was de cocon waarin ze veilig bij kopjes thee en kommetjes koffie te spinnen lag, terwijl in de wereld buiten zooveel ijselijke dingen gebeurden, volgens het "Nieuws" dat de krant der verschrikkingen en wereldgebeurtenissen is voor droge vrouwtjes met spitsneuzen. Voor vrouwtje was jeugd gelijk aan ouderdom. Haar vader had een fatsoenlijk pensioentje nagelaten. Het is heel gelukkig, wanneer er zoo'n vader is. Z'n kinderen kunnen dan gerust inslapen in binnenkamertjes. Vrouwtje had vader opgepast tot hij kalm en gelukkig aan drie beroertes stierf.

Ze wachtte nu ook op wat beroertes om heen te gaan.

Sappigheid van jeugd had ze niet gekend. Ze was ééns gezoend op een partijtje, waar veel slemp gedronken en veel bolletjes gegeten waren. Ze was ééns gezoend door een bleeken neef met sproeten in 'n hoekie van de gang en ze had zich den mond afgeveegd, omdat sproetenneef zoo naar tabak en groc rook. Anders was er nooit iets gebeurd. Want ze was droog, mager, dor, een geposeerd oud wijfje, dat verdriet had, wanneer er iemand vuile voeten op de loopers zette, dat den halven dag met een verharenden kater op den schoot zat, dat 's middags een glaasje morellen met brandewijn dronk en 's avonds onder het bed keek of er geen "man" lag. Ze droeg d'r haar naar links en rechts gepommadeerd en liep bij prachtig weer op zomerschoenen.

Tweemaal in de week was zij liefdadig, gaf kouwe aardappelen, centen en overgeschoten brood aan arme menschen. Zondags ging ze naar de kerk met 't bijbeltje van vader. Ze was zoo heel gelukkig in haar kamer van zes wanden en dutte 's avonds in bij de hoofdartikelen van haar geliefd blad. Maar er was verandering gekomen. Dien, oude meid, die ze wel 20 jaar gehouden had, had rhumatiek gekregen en was ingekocht op een hofje. Voor Dien in de plaats was een jonge, gezonde, frissche meid gekomen.

In de keuken was die bezig aan het wasschen van vaatwerk. Mina was een afgeronde, vleezige meid, opgeschoten, stevig. Ze was negentien, in de volle fleur van vrouwelijke gezondheid. 't Gezicht was mollig, malsch, met rooie koonen, blauwe oogen, witte tanden. Ze stond te wasschen met opgenomen mouwen, toonend de blanke, vette armen, armen waarin schaduwtjes schuilei speelden in pittige kuiltjes. Ze was een robuste, jonge meid, geflatteerd door 't paarse jakje, geflatteerd door de witte muts, jonge meid, jong van leven, begeeren, verlangen, jong in haar bewegingen, jong in haar geluid. Als ze het hooge bordesje boende, wipten de voeten in zwarte pantoffels van onder de rokken. Als de slagersjongen kwam of de bakker of de kruidenier, giegelde ze, had ze pret, stond praatjes te maken, lachte met een smakelijk vertoon van witte tanden. Ze was van het zinnelijke, warme leven, niet denkend, niet suffend, jòng. Op straat liep ze coquet, lachte. Als ze de ramen zeemde, dee ze ijdel, lachte.

Jonger, levenslustiger ding was er niet in de heele straat. Ook was ze geëngageerd. Geëngageerd met een korporaal. Geëngageerd in eer en deugd. Om acht uur 's avonds liep hij op en neer voor de deur--stiekem.

"Juffrouw, mag ik effen bij moeder anloopen?"

"Al wéér uit?"

"Al weer! al weer! Vraag ik dan zoo dikkels?"

"Gister ben je uit geweest... Eergister... Voor-eergister... Dat gaat zoo niet... Je mag niet!"

"Moeder is niet lekker, juffrouw... Ze heit zulke steken in d'r zij."

"'k Geloof d'r niks van"...

"Zel ik nou om me moeder liegen?"

"'t Is de laatste maal, hoor! Hoe lang blijf je weg?"

"'t Is nou acht uur... Om negen uur ben ik thuis."

"Niet later?"

"Nee geen oogenblik juffrouw!"

Oude droge vrouwtje hoorde de buitendeur dichtslaan. Door het spionnetje keek ze de meid na in de lange donkere straat. Bij een lantaarnpaal zag ze haar loopen, frisch in de paarse properheid van haar japonnetje. Ze zag ook den korporaal, die met botte stappen naast het meisje ging.

Vrouwtje werd spichtig van kwaadheid. Toen ging ze wat dutten. In de kleine kamer brandde een spiritusvlam achter de porseleinen plaatjes van het komfoortje. De thee stond behaaglijke prutteltjes te puffen. Vrouwtje lag met de beenige voetjes op een stoof. Het mondje stond scheef-open. Zij snurkte. Er was in de stille kamer alleen het geluid van de klok en van den scheeven mond. Na een half uur werd ze wakker, stak de lamp an, nam haar krant op en begon de advertenties te lezen. Ze slobberde haar thee uit den snorrekop van vader, zaliger nagedachtenis. De klok tikte.

Ze was maar zoo-zoo bij haar avondlectuur. Om de minuut keken haar klein-grijze oogen over den rand van het Nieuws naar de klok. Vijf minuten voor negen. Nou zou ze wel komen. Ze las verder, kribbig, in de rake stemming om met de meid te kijven. Ze zou haar den dienst opzeggen... zoo'n schandaal... met zoo'n gemeene soldaat... Wat was die Dien 'n fatsoenlijke meid geweest... En had zij ooit... had zij ooit... Nou las ze van "burgerhuisjes" die te huur of te koop waren--van dashondjes en smousjes, die tegen rembours verzonden werden--van servetten, tafellakens, nachtjaponnen, luiers, die voor spotprijzen geannonceerd stonden--van een verpleegster, die in een krankzinnigengesticht gevraagd werd--van een baboe, van paarden, van droge minnen..., maar ze had d'r gedachten niet rustigjes bij de advertenties. Voor het eerst sedert jaren "genoot" ze niet. Kwart over negen, halftien... Vrouwtje dee onrustig. De klok tikte. De thee pruttelde. Zij zat voor het raam, turend door het spionnetje, telkens het raam afvegend, het raam, dat parelmoer beslagen werd door het ademhalen.

In de straat was het doodsch. Op een dakgoot kermden katten. Dolly, de zwarte, verharende kater keek zelfs niet op. Bij het geluid van de tikkende klok, de pruttelende thee, was nu weer het gesnurk van vrouwtje gekomen. Ze ging altijd om tien uur naar bed. Ze had slaap.

Toen het twaalf sloeg, schrikte ze op. Twaalf? Had ze de meid laten bellen? Wás 't al zoo laat? Het lichtje onder de thee was uitgegaan. De lamp had gestoomd. Zwarte, vieze draadjes dreven in de benauwde lucht. Ze dee het raam open, stak het hoofd naar buiten. De straat lag altijd lang, zwart, rustig. Het was een zachte herfstavond. Gele blaren ritselden over den grond. Sterren stonden an den hemel.

Had ze Mina laten bellen? Had ze... Boven op haar slaapkamer kraakte iets. Groote God! Was er iemand, was d'r een man!... Ze luisterde met een angstgehamer in haar keel, dat ze niet ademhalen kon. Boven lag veertig gulden in specie achter het stapeltje sokken in haar linnenkast... Als er een man was. Zij dee kordaat de kamerdeur op slot, luisterde nog eens, maar 't was stil. Waar die meid nou bleef! Waar die meid nou zat! Ze was toch 'n vrouw alleen... Ze zou nooit naar boven durven gaan door de donkere gang, de trap op, weer een donkere gang en dan de donkere kamer... Waar de meid nou bleef! Ze lag met het bovenlijf uit het raam, kijkend en kijkend in de straat, soms met een zenuwachtigen angst plotseling in de kamer zoekend of er iemand achter haar was. Ze praatte hardop met den kater. Als er een man was, zou-ie denken, dat ze iemand bij zich had.

Half een sloeg de klok. De lamp begon uit te gaan. Ze draaide haar op, maar er was geen olie meer in en de olie stond in de keuken. In het halfdonker der kamer gloeide het roode kransje, dat opflikkerde als ze zenuwachtig aan het rondseltje plukte. Nog wat stuiptrekkingen en het werd donker.

Vrouwtje huilde.

Tingelingeling.

Beneden stond de meid.

"Ben jij daar Mina?"

"Ja juffrouw!"

Uit het raam werd de huissleutel geworpen. De meid maakte de buitendeur open, veegde de voeten op de mat. In de keuken stak zij haar lamp an, keek in den spiegel. Ze had een hoofd, vuurrood, verhit van het loopen... Wat zou de ouwe binne zegge! Nou!

"Mina!"

"Ja juffrouw."

"Kom eens hier met de olie."

"Ja juffrouw... Gut is uw lamp uitgegaan?"

In het donker vulde zij de lamp. Het glas rinkelde. De lucifer vlamde. De lamp scheen, scheen vol op het jonge rooie, verlegen gezicht van de meid. Zou de juffrouw dan niks zeggen? Was ze nou ziek of gek?

Ouwe, droge vrouwtje zat in haar stoel, stil, wit.

AANTEEKENINGEN

[1] Broer van Samuel.

[2] De Katten.

[3] Gebedenboek.

[4] Sjiwwe-zitten: het gaan zitten op den grond geschiedt in treurdagen als vader, moeder of kind gestorven is.

[5] De dood.

[6] Poel, de kater.