Schetsen, Eerste bundel

Part 11

Chapter 114,113 wordsPublic domain

"Maar Hen ben je nou gek! Neem die spijkers uit je mond... als je er een inslikt is het te laat."

"De behangers doen het ook."

"Praat nou niet! Praat nou niet! Toe doe ze er uit!"

Hij lei het natte hoopje spijkers naast zich en gilde van 't lachen toen ze met haar stoffigen wijsvinger in z'n mond voelde om te zien of hij ze er allemaal uit gedaan had.

Zingend, opgewekt hing ze een paar portretten op, pakte de kist met boeken uit, speldde prenten tegen het behangsel en hing een snoezige baby van vloeipapier aan de lamp.

't Begon er gezellig uit te zien. Toen ze geen kleinigheden meer uit te pakken vond, ging ze naast hem op den grond zitten om hem de spijkertjes an te geven.

"Klop toch zoo hard niet, Hen. Je slaat al de koppen door het zeil heen."

"Dat doe ik met opzet."

"Waarom?"

"Dan valt de kalk van het plafond, beneden."

"Hè, jazzus, nou doe je me weer an die moord denken!"

"Zoo snuitje!"

"Nee, schei uit met dat zoenen, akeligheid!"

Het zeil was klaar. Nu stond hij op een keukenstoel en hing de gordijnen op.

"Ze zijn te kort, Hen."

"Da's niks. Dat kun je van buiten niet zien."

"Wat een gezellige kamer, als-ie angekleed is, hè?"

"Zoo, nou doe ik niks meer."

Ze zaten samen bij de tafel. Pop had koffie gezet. Hen las de krant, die hij aan een kiosk gekocht had.

Doodmoe leunde ze tegen hem aan. Van 's morgens zes uur waren ze in de weer geweest. Maar ze wou hem niet storen. De heele krant las hij uit. Soms las hij iets voor en luisterde ze slaperig.

"Hen!"

"Ja."

"Hen!"

"Ja, kind."

"Ik val om."

"Ja, snoetje."

Hij wond z'n horloge op. Dat was het signaal.

"Heb je de deur goed gesloten, Hen?"

"Ja."

"Op het nachtslot?"

"Nee. Bij ons breken ze niet in."

"Toe, doe het, Hen. 't Is hier nog zoo vreemd."

Hij ging. Ze hoorde hem beneden. Zou ze nou? Eventjes? Eventjes maar? ... Nee, Hen zou kwaad worden... Nou, maar éventjes....

Ze trok de alkoofdeuren open, streek zenuwachtig-snel 'n lucifer af, lichtte onder het bed. De lucifer ging uit. Nóg een, gauw.

... O God!...

"Wat kijk je daar?... Pop, je bent werkelijk kinderachtig!"

... "Ze is weer opgekomen! Ze is d'r weer! 't Is bloed, bloed!"

"Kom, wees nou kalm."

"Nee, nee, nee! Voor geen goud slaap ik daar."

"Ik ben toch bij je!"

"Voor geen goud!"

"'k Zal zelf is kijken."

Hij bukte, keek met de lamp onder het bed.

"Je hebt gelijk."

En zij keken elkander an, zonder spreken, met 't gevoel dat ze niet meer alleen in de kamer waren.

ENGAGEMENT.

Toen ze nu geleefd had vijf-en-twintig jaar, kwam er een zeer groote gebeurtenis in haar leven.

Er geschiedde niets anders dan dat de schel overging, dat zuster Riek van haar borduurwerk opvloog, de trap àf bonsde, boven kwam met een brief, de rhumatieke moeder het couvert openscheurde én Jo een paar zoenen gaf.

Jo prikte zich bijna in de hand bij het borduren. Er moest wel iets heel krankzinnigs in den brief staan, als moeder an 't zoenen ging.

"O Jo, o Jo, wat 'n nieuws! Riek! Riek, wat 'n nieuws!" ...

"Wàt dan toch," zei Jo nieuwsgierig.

"Hij vraagt om je hand!"

"Wie?"

"Wie zou je nou denken, zeg? Mensch, doe nou niet zoo verwonderd?"

Jo had den brief al te pakken. Riek las over haar schouder mee.

Jo las stil door. Riek begon na het eerste velletje als een idioot te dansen door de kamer, brullend: "We gaan allemaal mee naar Indië, we gaan allemaal mee!"

"Nou, wat zeg je d'r van?"

Jo zat ineengehurkt, het borduurwerk slap-neerhangend in haar schoot. De strengen rood, groen, geel hingen als dikke haren over haar bruine japon.

"Laat d'r even denken," zei Riek.

"Wat heit ze te denken!" knorde moeder nijdig, "wat heit ze te denken, hè? Denk je dat d'r ooit 'n tweede om d'r komt?"

"Mót ik naar Indië gaan als ik 'm neem?"

... "Als je 'm neemt... Dènk-ie daar dan nog over?"

"Hij is zoo ... leelik."

"Niet waar," zei Riek: "als-ie lacht heit-ie wat 'n mooie tanden."

"Al had-ie geen tand in z'n mond, zou-die 'n partij voor je wezen! Over een paar jaar is-ie controleur of azzistent, over twintig komt-ie met 'n rijkeluispensioen terug. Wou je liever je heele leven borduren? Kijk maar is naar de kringen onder je oogen!"

"Ik had d'r heelemaal geen idee in dat-ie me vragen zou" ...

"Hij zal toch wel wat tegen je gezeid hebben, toen-ie nog hier was?"

"Nee... Hij keek me nooit an... Hij sprak altijd met Riek."

"Dat heit je ouwe 'm anders gelapt. Zit nou niet zoo stil en geef asem! Ga dadelijk met Riek naar 't telegraafkantoor en telegrafeer 'm "ja" zooas-ie gevraagd heeft."

"'t Heeft zoo'n haast niet. 't Kan morgen ook gebeuren!"

"Nee! Ben je heelemaal getikt, zeg? Je gaat nóú!"

"Ik ben nog jong genoeg... Ik heb zoo'n haast niet te maken."

"Je zèl, zeg ik, versta je!"

"Wie trouwt d'r, jij of ik?"

"Je bent 'n mispunt! Je bent 'n niksnut! Zel je gaan telegrafeeren?"

"Nee, morgen! Ik wil d'r over slapen."

"Vandaag zèl je, zèl je!"

Ze keven in tegen elkander met scherpe, driftige stemmen, krakeelden tot het donker werd in het heete, benauwde kamertje.

Ze lag in het alkoof naast Riek. Achter het houten beschot hoorde ze moeder kreunen, die in het keukentje sliep. Het wekkertje, dat om zes uur moest afloopen, tikte kwaadaardig. Het was benauwd in de kamer, benauwd van het stoken, benauwd van de lamp, die den heelen avond gebrand had. De gordijnen waren neergelaten. Het licht van een gaslantaarn scheen aan tegen de witte stof, teekende het kruis af, waarin de ruiten gevat stonden.

Ze lag met de oogen wijd-open, zóo dof en moe van de ruzie, dat ze niet denken kon.

Het wekkertje hinderde schrikkelijk. Ze dorst den slinger niet tegenhouen, omdat ze op moest voor het werk van "Tesselschade".

Aan de andere zijde van het beschot kreunde moeder, die het rhumatieke lichaam wilde omdraaien, sterker.

"Lekker," dacht ze. Ze had 'r pleizier in. Maar toen 't kreunen harder werd, kreeg ze meelij, kwam 't bed uit, liep met de bloote voeten over het zeil, de gang door, de keuken in en hielp het dikkertje.

"Ga maar weg! Laat me met rust! Jullie vermoorden me, beesten, jullie vermoorden me!"

Ze liep weer terug, tastte, tastte verkeerd, stootte den voet tegen den dorpel. De nagel snee in haar voet. Ze kreeg de tranen in haar oogen van pijn, ging zitten, trok het been op, nam den voet in de handen, beet zich op de lippen. In die houding begon ze te huilen, niet omdat ze zich gestooten had--dat dee wel pijn--dat was minder--om de ellende van 't leven--om die man die d'r gevraagd had--om de ruzie van vanavond--om al de beroerdigheid--om 't béést d'rnaast... Ze liet zich afglijen van den stoel, lag met het hoofd op d'r rokken en kousen.

Ze snikte niet lang.

Ze wàs weer in dat doffe gevoel van straks, in de benauwende spanning van het heete kamertje. Ze kreeg wèèr dat gevoel van vroeger, als ze te lang gewerkt had--dat gevoel van nooit meer veerkracht te zullen hebben, nooit meer frissche buitenlucht te zullen inademen, nooit meer te zullen komen tot de kracht om te stoeien als in ver geleefde dagen. Ze voelde de wereld als haar kamer. De wereld was een warme verstikkende kleine ruimte. Zij was er alleen in, alleen en òp. Ze was òp en wachtte niets meer.

Wat zou d'r gebeuren in... in... Indië. Ze zou varen over de groote zee... lekker... luchtig... frisch... zooas ze eens gevaren had naar Marken..., maar ze zou varen met dat altijd-blijvend zwarte loome gevoel... Ze zou dààr wonen, zooas ze hier gewoond had... met hem... met hem... Hij zou liggen waar Riek nou lei... Zij zou wakker worden, met de oogen wijd-open... 't zou even warm, heet, drukkend zijn... ze zou zich den voet stooten... en liggen met het hoofd op de natgehuilde kousen... terwijl hij met z'n rooien snor te slapen lag naast d'r.

Ze verlei het hoofd, keek naar de zwakverlichte gordijnen met de zwarte, doezelige kruizen. Op straat hoorde ze iemand voorbijgaan. Stap voor stap. Nou bonsde z'n voet tegen het ijzeren raster van de waterleiding voor de deur. Nou ging-ie den hoek om, was het weer stil.

Was het niet om het even, waar je te huilen lag op je kousen?

Was het niet om het even, of je leven voor je stond als een braking van zwart, in de stad hier... of dáár... in de binnenlanden?

Maar hier droomde je soms nog van een geluk, van een iets dat niet te zeggen, niet te bepraten is ... hier hield je vast an een wonder, een teeken van God... hier droomde je van geheimzinnige dingen, als de zon in je kamer scheen en de musschen kruimels van 't kozijn pikten...

Zou 't leven daar nét zoo zijn... zoo dof, zoo verstikkend, zoo andrijvend als een plompe mist, zoo benauwend als een kleine heete kamer met een rhumatieke moeder...

Zei 't iets in 't leven, als je je verkocht an 'n man, an 'n vreemde vent, als dat leven nou toch eenmaal zoo was, als 't je liet dóódgaan op je stoel, terwijl de musschen van 't kozijn naar de daken en van de daken in de lucht vlogen...

Wat kon 't haar schelen... wàt kon 't haar schelen... morgen zou ze de zakdoeken af borduren..., als ze moeder gewreven had..., zou ze stokvisch gaan koopen bij Fuente in de van Wou..., waar ze altijd augurkies uit de vaten snoepte..., zou ze telegrafeeren naar Semarang... waar of dat lag... en wat of dat kostte... as ze nou maar genoeg geld bij "Tesselschade" kreeg voor de stokvisch en 't telegram... en dan zou ze de kamer 'n goeie beurt geven... met al dat stoken en niet luchten voor 't ouwe mensch... werd de boel zoo vies om niet an te raken... dan zou ze de brander van de lamp ook 's goed doorblazen... al de gaatjes waren verstopt... en ze zouen samen 't kleed voor elven uitslaan... laatst had ze haast 'n bekeuring gekregen... de stokvisch most lang weeken... anders kwam-ie hard op tafel en d'r most nog mosterd wezen... nee anders niks...

Haast was ze ingedut.

Ze schrikte op door Riek, die snurkte.

Het was niet om uit te houen van de warmte. Zachtjes schoof ze het raam op--heel klein kiertje, ademde de scherpe avondlucht, keek met droge oogen naar de omtrekken der bladerlooze boomen, naar de donkere wolken, die voorbij de maan dreven. De maan was geheel bedekt, begon zich los te werken uit de sponzen van zwart. Een wit wolkentipje kwam al verzilverd uit.

Ze wou 'm er uit zien komen. Maar hij kwam niet. Alleen wat wolkenrandjes stonden gekleurd alsof in de verte zilverbrand was.

Den volgenden morgen lag moeder nog te bed, toen ze terugkwamen. Riek frisch van de wandeling. Jo met kringen onder de oogen.

Moeder stak het hoofd uit de alkoof.

"Wat heit 't gekost?"

"Twee en twintig gulden, twee en zestig cent"...

"Watte?"

"Zes woorden, elk van drie gulden zeven en zeventig cent."...

"'t Is godbeterme 'n geld! Had je dan zes woorden noodig?"

"Natuurlijk... Wolters--Indisch-ambtenaar--Semarang--ja--Jo."

"Ha-je dan Indisch niet weg kenne laten, stommert? Affijn. Laat ik je een zoen geven om je te felisisteeren."

KAMERHOEK.

Even keek hij nog naar den lichtenden hemel, stak den sleutel in het slot, veegde de voeten langzaam op de vloermat, ging de voortreedjes op en opende de kamerdeur. Met het blonde, pluimende haar, dat een groote kuif leek, zat ze bij 't licht. De gasarm hing laag, tot op de tafel. De koffie gaf stootende schokjes boven het olielicht. Er was een aangename warmte, alles sloeg hem gezellig tegen. Het was zijn vriendelijk, gelukkig thuis.

Ze lei het wollen kinderrokje neer dat ze bezig was te breien, stond op, sloeg de armen om zijn hals, zoende hem op zijn mond, op zijn oogen.

"Ben je er eindelijk?"

"Eindelijk?"

"'t Is over twaalf."

"Wel nee."

"Heb je veel te doen gehad?"

"Nee--ik ben opgehouen."

"Ben je niet goed?"

"'n Beetje moe."

"Ga dan gauw zitten--hier zijn je toffels--Trek je je boord niet uit?"

"Zeker kind."

"Wat ben je koel, van avond."

"Hannaatje, doe nou weer geen ontdekkingen! Waar is de chamberloek?"

"Trek je vest ook uit. Je zult het te warm krijgen."

"Dank je, wijfje."

Met de muilen an en warm in zijn chamberloek, zat hij in den leuningstoel.

"Is er nieuws?"

"Niets."

"Heb je de krant?"

"Hier."

Ze schonk een kopje koffie in, lei zijn pijp op tafel, scharrelde rond voor het aschbakje, en lucifers, en voor water op de koffie, plukte wat roode draadjes weg van het tafelkleed en ging over hem zitten, rustig, ijverig hakend aan het wollen rokje en maar niet babbelend omdat hij dan niet lezen kon. Over den gekartelden rand van de krant, zag ze zijn voorhoofd, de inplanting der krullende haren en twee roode oortipjes. Er kwam zoo een volkomen gelukkige rust over haar.

Ze wist dat hij er nu was, dat-ie over haar zat, dat de kleine kamer gevuld was van een niet uit te spreken iets, dat zij 't zoo altijd zou willen houen--de kamerrust, het witte tafelkleed met de stille ruitjes, het koffieservies, het gasvlammetje en hem in zijn stoel, zoo dicht bij haar, zoo vertrouwelijk dichtbij, met zijn knie tegen haar aan en z'n voorhoofd boven de krant.

"Jannie"...

"Ja kind"...

"Er is weer een haartje gegroeid op je oor"...

"Gekke meid"...

"Wil ik 't even afknippen?"...

Ze vroeg 't zoo kinderlijk-mal, met zoo iets in-gelukkigs in haar stem, dat hij lachend knikte.

"Blijf maar zitten... Zit je nagelschaartje in je vest... Nee blijf nou zitten... Ik heb 't al... Jannie wat een dikkert!... 't Lijkt d'r wel een uit je snor... Kijk eens!"

Ze lag op haar knieën, hield het haartje tegen het licht.

... "Jannie wat ben je vreemd!... Is er iets gebeurd"...

"Nee, nee, nee, kind... Sta nou op."

"Is de krant nog niet uit?"

"Nee."

"Lees dan strakjes verder!... Laat me even zoo zitten."

Ze bleef met het blonde, pluimende haar tegen hem aangeleund. Zacht wolde het tegen zijn kin. Hij moest haar toch even zoenen.

"Prik je niet aan de haarspelden."

"Nee, snoetje."

Hij vouwde de handen tegen haar achterhoofd, streelde haar zacht en ging zoo kijken in de gasvlam, die in den melkwitten ballon te wuiven stond als een veer.

"Jannie wat ben je stil."

"Ik ben niet stil, kind. Ik zit te denken."

"Waaran denk je?"

"An niks."

"Ik geloof je niet. Er is iets gebeurd."

"Wees nou niet kinderachtig, vrouwtje... Er is niets, er is niets gebeurd... Laat me nou even rustig zitten."

Ze zweeg, aanduwend het blonde hoofd tegen zijn borst. Hij hoorde precies de rustige ademgeluidjes, keek in de kleine gasvlam, die nu weer leek een vlinder met onrustige, gele, vleugels.

--Kwam het dan weer terug.--Was het niet te begraven in de gezonde, eerlijke oogen van een vrouw--niet te vergeten in den kring van geluk, die in alle woningen is.--Was het niet weggekust door twee zoenende jonge lippen, zoo lang, zoo ontzettend lang.--De een had gesproken van melancholie--een ander van te weinig lichaamsbeweging--Frits had het woord Weltschmerz gebruikt.--Wat zei dat?--Hadden zij hem ooit geholpen.--Was hij ze niet ontloopen, om dan maar weggehurkt te zitten in een koffiehuis, waar hij 't niet uithouen kon, waar de menschen hem drukten en het gepraat hem gehinderd had.--Dat waren de zwarte jaren geweest.--Die waren weg, lang weg, vergeten èn gehaat.--Kwamen ze nou terug, terug, terug...

Was hij straks niet opgewekt naar huis gegaan--waarom was hij in ééns zoo anders geworden--had hij de menschen gezien als schimmen, met een bewegen van armen, beenen, lijven in duistere lange straten, waarin tramrails als slangen leien, waarin geelverlichte vakken van huizen stonden--waarom had hij zoo plots de sterkte van zijn eigen leven voelen wegschemeren tot die ouwe, vreeselijke lusteloosheid--waarom zoo vreemd-onverwacht, midden in zijn geluk, had hij de stad gezien als een klein ding, met muren, schrikkelijk veel gore, roode muren,--waarom had hij zoo ruw, scherp de gedachte gehad... de krankzinnige... vermoeiende gedachte... dat... het... toch... zoo... vreemd... was.... dat.... alle ruggegraten.... stonden... rechtstandig op... de ronde aarde... Had hij dat ergens gelezen... Waar? Waar?--Kon hij zichzelf dan niet dwingen tot gezellig, vergetend leven van een man die werkt en thuis zijn toffels aantrekt, zijn chamberloek, gelukkig is bij het kraakwitte tafelkleed, bij de pruttelende koffie... bij... bij... zijn vrouw.--Maar had hij--wanneer was het geweest--gister-eergisternacht, toen hij wakker werd in de donkere kamer, niet verschrikt geluisterd naar haar ademhalen... haar wangen bevoeld... om te weten dat zij er was... haar wakker gemaakt om met haar te... praten...

"Jannie"...

Hij schrikte op.

"Wàt is er?"

"Er is niets, niets. Wat ben je toch kinderachtig."

"Ik voel dat er iets is. Waarom heb je zoo lang--met zulke groote oogen in het gas gekeken?"

"Ach, malle meid!"

"Jannie toe!"

"Dáár, ben je nou tevreden?"

"Nee, ik wil niet gezoend worden, als je geheimen voor me hebt!"

"Er is heusch niks!"

... "Ik heb je oogen nog nooit zoo groot gezien."

"Je bent dwaas... Kom haak het rokje nou af."

Ze geloofde hem niet. Was er iets op het kantoor gebeurd? Een onaangenaamheid. Ze werd ongerust.

"Jannie is er heusch, heusch niets gebeurd... op kantoor?"

"Nee snoetje."

"Geef me een zoen."

Met de handen om zijn hals geslagen, drukte ze zich tegen hem an. Hij boog z'n hoofd wat neer. Vaag voelde ze dat ze hem troosten moest.

"Hartje... vrouwtje... snuitje... wijfje"...

O, 't was dan toch niets, als hij d'r zóo zoende.

Maar toen ze opkeek, zag ze 't weer--zijn oogen, zijn groote oogen, die over haar hoofd heen keken naar een hoek van de kamer. Angstig, hokkend van schrik draaide ze zich om, met éen ruk.

"Waar kijk je naar?" vroeg ze rauw.

"Hè, wat ben je nou opgewonden! Ik keek naar niks!... Je doe me schrikken."

"Jij mij ook," zei ze, terwijl ze begon te huilen, zacht als een kind.

GEMENGD BERICHT.

De agent ligt languit op den grond, werpt een dreg uit. Telkens groote aandacht als het touw binnengehaald wordt.

"Hij heit 'm!... Hij heit 'm!"

Maar een groote mand hangt aan een punt van de dreg.

"Je vangt bot," lacht d'r een.

"Hou je smoel!" schreeuwt een slager: "mot je d'r mee spotten, als zoo'n stumper verzuipt!"

"Ga liever naar je kroeg, beroerling," zegt een vrouw, kwaadaardig, "heb jij een wurm, zeg! 't Zal jou je zorg zijn als je heele familie verzuipt!"

Er komt weer stilte.

De agent haalt voorzichtig het touw op. Het is nou het half vergane kreng van een hond. Een zwarte slijkpoel kringt om het rottend beest.

"Durft d'r nou niemand in te springen!" schreeuwt een heer.

"Je bent hier vlak bij 'n koker!" roept een der mannen in 't bootje: "D'r is 'n zuiging dat je geen vin kan uitslaan!"

De agent gooit de haken weer uit. Drie-, viermaal haalt-ie op. Alleen slijk en stinkende gasbellen. Het water wordt zwart-bruin gekleurd.

"Springt d'r dan in, Gerrit, met een touw om je lijf!"

"Hoera! Hoera!"...

Gerrit heeft zijn jas en zijn schoenen uitgetrokken. Even staat-ie met het touw om zijn middel op den rand van het bootje. Dan floep. Breede, nijdige kringen cirkelen om de plek waar hij verdwenen is. Groote spattende stankbellen borrelen op.

"Vieren! Meer vieren!" schreeuwen ze van den walkant.

Gerrit komt boven, proestend en hijgend. Modder hangt om zijn haar.

Niks.

Hij wordt in het bootje getrokken. Een ander man springt in 't modderwater. Stilte van oprechte belangstelling is over de menigte. De man blijft lang onder, verschijnt spuwend en snuivend, maar met leege handen.

"Jezus, Jezus!" huilt de vrouw naast den slagersknecht: "Zoo'n engel van 'n kind!"

"Ken je de mense?" vraagt de slager.

"'t Is de jongen van Arie op den hoek! Een engel van 'n jongen!"

"Weete de mense d'r van?"

"Ze zijn gewaarschouwd... De man is uit. De vrouw leit van d'r zelve."

Plomp. Gerrit is weer te water. De gracht is goorzwart gekleurd. Alle modder en vuiligheid wordt opgewerkt.

"Het-ie 'm? Het-ie 'm?"

Nee hij heeft 'm niet. Vuurrood van inspanning komt-ie boven. Zijn hemd plakt op z'n bibberend lichaam. De groote vereelte hand wrijft het water uit de oogen.

"Hij zal in den koker gezogen zijn," roepen ze uit het bootje.

"Kan niet!" schreeuwt de agent, "d'r is roosterwerk voor!"

"Dreg dan wat meer bij den koker!"

"Hou je toch stil mense! Met al je gekles komt 't kind d'r niet uit!"

"De agent heit gelijk! Nou douw zoo niet! Bè-jij bedonderd!"

Plomp. De andere is nòg eens te water.

"Verdik-me wat heit-ie 'n aasem!"

"Nou kan je zien wat 'n stinkwater 't is..."

"Je mot je boot wat verhale!"

"Daar heb je 'm!"

De man duikt op. Geen kind. Het volk begint te dringen.

Behoedzaam blijft de agent dreggen. Aan de overzij van het water staan evenveel menschen. Het water ligt als een vijandige doodensloot tusschen de hagen van levende menschen. De modderkluiten schuimen op, drijven in het zonlicht als zwarte verstikkingen. In het bootje zitten de twee verkleumde, klappertandende mannen. Nog eens zal Gerrit het probeeren. De slijmrige modderkringen sluiten boven zijn hoofd. De menigte dringt hoe langer hoe sterker. Jongens zijn in de boomen geklauterd. Uit de ramen der woningen hangen vrouwen in witte jakken, boven rekken met drogend goed.

"Heit-ie'm?"

"Heit-ie'm!!!"

"Hij heit 'm!"

"Hoeraa!"

"Verlies 'm niet!"

"Voorzichtig, Gerrit!"

"Hij is in de boot!"

"An wal brengen! Gauw an de wal."

"Jezus, wat ziet het schaap blauw!"

Nu hebben ze ook Gerrit binnengehaald. Ze boomen het bootje naar den wal. De agent pakt de dooie handjes aan. De slagersknecht de dooie voetjes.

"Laat 'm los! Op zij mense! Op zij mense! Op zij!"

Een kleine open ruimte streept door de dringende menigte. De agent draagt het slijkerig, zwarte lichaampje op de armen. Modder druipt langs zijn uniformjas. Achter hem aan joelt het volk. Vrouwen die er niets mee te maken hebben, loopen te huilen. De klompen klotsen op de keien.

"Op zij mense! Op zij dan, godverdomme!"

In een herberg wordt het kind binnengedragen. De deuren gaan dicht. De gordijnen worden neergelaten. Door de kieren kijken ze naar binnen.

"Ze hebben 'm uitgekleed!"

"Zijn tong hangt uit z'n mond!"

"Ze wrijven z'n voeten."

"De agent haalt z'n armen op en neer..."

"Die heit 't meer bij de hand gehad!"

"Op zij mense!... Maak dan plaats! Daar heb-ie de dokter"...

Een paar nemen de petten af. Een jonge dokter met rood puntbaardje wordt binnengelaten. De deuren vallen dicht. Een tweede agent komt.

"Kom mense loop nou deur! Wat heb je d'r an om hier te staan kijke. Deurloope! Deurloope! Oprijje jij daar! Je weet wel, dat je hier niet mag blijven staan!"

Maar in groote groepen hokt het volk rondom de herberg.

Een man komt aanrennen. Hij heeft een dik rood gezicht, draagt een wit wambuis. Opgewonden tikt hij tegen de ruiten der deur. Hij fluistert met den herbergier. De deur gaat open. De deur gaat dicht. Even ziet het volk een wit, klein lichaam.

"Da's de vader!"

"Ach Jezus!"

"Wat 'n verschrikking!"

"Was dat de vader?"

Een kwartier blijft alles zoo. De agent buiten wandelt op en neer. Binnen is het stil. Dan gaan de deuren open. De man met het witte wambuis rood, strak, komt er uit. Niemand durft vragen. De agent draagt een pakje, ingewikkeld in een laken.

"Op zij mense!"...

Achter hem de dokter.

"Is-ie dood?"

"Ja mense."

"Ach God! Ach God!"

Een heele menigte loopt mee met den agent, het grachtje af, een zijstraat in, nog een zijstraat en dan op den hoek.

KUNSTENAARS-EMOTIE.

Hij was een plompe, beenige jongen. Zijn groote neus spaakte op zijn mager gezicht. Een dun vlasbaardje pluimde om de scherpe hoeken van jukbeenderen, spichtig toeloopend naar de kin. Alles was beenig aan hem. De schouders stonden stug, het lichaam was hard, de beenen zwaar en log. Als hij liep waren zijn bewegingen onhandig, ruw als van een jongen hond. In zijn vrijen tijd werkte hij met halters. In een hoek van het atelier lagen ze bij elkaar.

De lust van zijn pootig lichaam was het opheffen, stooten van de gewichten. Hij werd er wakker onder. Hij groeide er in. Als hij rood als een kreeft een moeilijk ding gedaan had, voelde hij zich lekker, floot gemoedelijke deuntjes van het café-chantant, begon weer te werken aan zijn schilderij. Als hij niet schilderde, was hij met de gewichten bezig.