Salome en Een Florentijnsch Treurspel

Chapter 3

Chapter 34,029 wordsPublic domain

HERODES: En ik heb nooit mijn woord gebroken. Ik behoor niet tot hen die hun woord breken. Ik weet niet wat liegen is. Ik ben de slaaf van mijn woord, en mijn woord is het woord eens konings. De koning van Kappadokia liegt altijd, maar hij is geen waarachtig koning. Hij is een lafaard. Ook is hij mij geld schuldig, dat hij mij niet wil terugbetalen. Hij heeft zelfs mijn afgezanten gehoond. Hij heeft beleedigende woorden gezegd. Maar Caesar zal hem kruisigen wanneer hij te Rome komt. Ik weet zeker dat Caesar hem zal kruisigen. Of anders zal hij sterven gegeten door de wormen. De profeet heeft het voorspeld ... Nu, Salome, waarop wacht gij?

SALOME: Ik wacht dat mijn slavinnen mij reukwateren brengen en de zeven sluiers, en mijne sandalen ontbinden. (_Slavinnen brengen reukwateren en de zeven sluiers en ontbinden de sandalen van Salome._)

HERODES: Ha, gij gaat dansen op bloote voeten! Dat is goed! Dat is goed! Uw voetjes zullen als witte duiven zijn. Zij zullen gelijken op kleine witte bloemen die wiegen op den boom ... Maar neen. Zij gaat dansen in bloed. Daar ligt bloed op den grond. Ik wil niet dat zij danst in bloed. Het zoû een zeer slecht voorteeken zijn.

HERODIAS: Wat gaat dat u aan of zij danst in bloed? Gij hebt wel in bloed gewaad ...

HERODES: Wat doet dat er toe voor mij? O zie de maan! Zij is plotseling rood geworden. Zij is zoo rood geworden als bloed. O de profeet heeft het wel voorspeld. Hij heeft voorspeld dat de maan rood zoû worden als bloed. Niet-waar, hij heeft het voorspeld? Gij allen hebt het gehoord. De maan is rood geworden als bloed. Ziet gij niet?

HERODIAS: O ja, ik zie het zeer wel, en de sterren vallen als onrijpe vijgen, niet-waar? En de zon wordt zwart als een haren zak, en de koningen der aarde zijn bevreesd. Dat tenminste kan men zien. Voor eenmaal in zijn leven heeft de profeet de waarheid gezegd. De koningen der aarde zijn bevreesd ... Laten wij nu naar binnen gaan. Gij zijt ziek. Men zal te Rome vertellen dat gij waanzinnig zijt. Laten wij naar binnen gaan, zeg ik.

DE STEM VAN JOKANAÄN: Wie is deze die komt van Edom, die komt van Bozra met zijn kleed geverfd in purper; die straalt in de schoonheid van zijn gewaad, die voorttrekt in zijn groote kracht? Waarom is uw gewaad geverfd in scharlaken?

HERODIAS: Laten wij naar binnen gaan. De stem van dezen mensch is mij ondragelijk. Ik wil niet dat mijn dochter danst terwijl hij telkens zoo roept. Ik wil niet dat zij danst terwijl gij haar op deze wijze aanziet. In éen woord, ik wil niet dat zij danst.

HERODES: Rijs niet op, mijn gemalin, mijn koningin, het zoû niet baten. Ik zal niet naar binnen gaan vóor zij gedanst heeft. Dans, Salome, dans voor mij.

HERODIAS: Dans niet, mijne dochter.

SALOME: Ik ben gereed, Tetrarch. (_Salome danst den dans der zeven sluiers._)

HERODES: Wonder, wonderschoon! Gij ziet, uw dochter heeft gedanst voor mij. Kom nader, Salome, kom nader en ik zal u uw loon geven. O, ik betaal mijne danseressen goed. U zal ik goed betalen. Ik zal u geven al wat gij wilt. Wat wilt gij, zeg het mij?

SALOME (_knielt neder_): Ik wil dat men mij terstond hier brengt op een zilveren schotel ...

HERODES (_lachend_): Op een zilveren schotel? Zeker, zeker, op een zilveren schotel. Zij is allerbekoorlijkst, niet-waar? Wat wilt gij dat men u brengt op een zilveren schotel, lieve en schoone Salome, gij die de schoonste zijt van al de dochteren van Judaia? Wat wilt gij dat men u brengen zal op een zilveren schotel? Zeg het mij. Wat het ook moge zijn, men zal het u geven. Mijn schatten behooren u. Wat wilt gij, Salome?

SALOME (_rijst op_): Het hoofd van Jokanaän.

HERODIAS: Ah! dat is wel gezegd, mijne dochter.

HERODES: Neen, neen!

HERODIAS: Wel gezegd, mijne dochter.

HERODES: Neen, neen, Salome. Dat vraagt gij mij niet. Luister niet naar uwe moeder. Zij geeft u altijd verkeerden raad. Gij moet niet naar haar luisteren.

SALOME: Ik luister niet naar mijn moeder. Voor mijn eigen genoegen vraag ik het hoofd van Jokanaän op een zilveren schotel. Gij hebt gezworen, Herodes. Vergeet niet dat gij gezworen hebt.

HERODES: Ik weet wel. Ik heb gezworen bij mijne goden. Ik weet het zeer wel. Maar ik smeek u, Salome, mij een ander ding te vragen. Vraag mij mijn halve koninkrijk, en ik zal het u geven. Maar vraag mij niet wat gij hebt gevraagd.

SALOME: Ik vraag u het hoofd van Jokanaän.

HERODES: Neen, neen. Ik wil niet.

SALOME: Gij hebt gezworen, Herodes.

HERODIAS: Ja, gij hebt gezworen. Iedereen heeft u hooren zweren. Gij hebt gezworen in 't openbaar.

HERODES: Houd u stil. Tot u spreek ik niet.

HERODIAS: Mijn dochter heeft wel gedaan u het hoofd van dezen mensch te vragen. Hij heeft niet opgehouden mij te smaden. Hij zegt afgrijselijke dingen tegen mij. Men ziet dat zij veel houdt van hare moeder. Geef niet toe, mijne dochter. Hij heeft gezworen, hij heeft gezworen.

HERODES: Houd u stil. Spreek niet tot mij ... Kom, Salome, luister naar rede. Niet-waar, men moet altijd naar rede luisteren? Ik ben nooit hard voor u geweest. Ik heb altijd veel van u gehouden. Mogelijk heb ik te veel van u gehouden. Daarom vraag mij dat niet. Het is afgrijselijk, het is afschuwelijk mij dat te vragen. Ook geloof ik eigenlijk niet dat gij in ernst zijt. Het hoofd van een onthalsden man is weêrzinwekkend om te zien, niet-waar? Het is geen ding dat een maagd behoort aan te zien. Welk genoegen kan dat u geven? Geen enkel. Neen, neen, gij kunt dat niet willen ... Luister een oogenblik naar mij. Ik heb een smaragd, een grooten ronden smaragd, dien de gunsteling van Caesar mij gezonden heeft. Als gij door dezen smaragd kijkt, kunt gij dingen zien, die op grooten afstand gebeuren. Caesar heeft een volmaakt gelijken smaragd bij zich wanneer hij naar den circus gaat. Maar de mijne is grooter. Het is de grootste smaragd ter wereld. Dien wilt gij hebben, niet-waar? Vraag mij dien, en ik zal hem u geven.

SALOME: Ik vraag het hoofd van Jokanaän.

HERODES: Gij luistert niet naar mij, gij luistert niet. Laat mij dan toch spreken, Salome.

SALOME: Het hoofd van Jokanaän.

HERODES: Neen, neen, dat wilt gij niet. Gij zegt dat enkel om mij een oogenblik leed te doen, omdat ik u den geheelen avond heb aangezien. Dat is zoo, ik beken het. Ik heb u den geheelen avond aangezien. Uw schoonheid heeft mij ontroerd. Uw schoonheid heeft mij schrikkelijk ontroerd en ik heb u te veel aangezien. Maar ik zal het niet meer doen. Men moet noch de menschen noch de dingen aanzien. Men moet enkel zien in spiegels. Want spiegels toonen ons slechts maskers... Geeft mij wijn! ik heb dorst... Salome, Salome, laten wij goede vrienden zijn. Zie eens hier ... Wat wilde ik zeggen? Wat was het ook weêr? Ah, ik herinner mij! ... Salome! Neen, kom dichter bij. Ik ben bevreesd dat gij mij weêr niet verstaan zult ... Salome, gij kent mijn witte pauwen, mijn mooie witte pauwen die wandelen in den tuin tusschen de myrten en de hooge cypressen. Hun bekken zijn verguld, en de korrels die zij eten, zijn ook verguld, en hun voeten zijn geverfd met purper. Als zij roepen, komt de regen, en als zij pronken, vertoont de maan zich aan den hemel. Zij gaan twee aan twee tusschen de cypressen en de donkere myrten en elk van hen heeft zijn slaaf om hem te verzorgen. Soms vliegen zij door de boomen, en soms liggen zij op het grasveld en rond den vijver. Daar zijn ter wereld geen andere zoo wonderschoone vogels. Geen koning ter wereld bezit vogels even wonderschoon. Ik weet zeker dat zelfs Caesar zulke mooie vogels niet bezit. Welnu, ik zal u vijftig mijner pauwen geven. Zij zullen u overal volgen, en in hun midden zult gij zijn als de maan in het midden van een groote witte wolk ... Ik zal ze u alle geven. Ik heb er slechts honderd, en daar is geen koning ter wereld, die pauwen als de mijne bezit, maar ik zal ze u alle geven. Gij moet mij enkel ontslaan van mijn woord, en mij niet vragen wat gij mij gevraagd hebt. (_Hij ledigt in éen teug zijn beker._)

SALOME: Geef mij het hoofd van Jokanaän.

HERODIAS: Dat is welgezegd, mijne dochter! Gij, gij zijt belachelijk met uwe pauwen.

HERODES: Houd u stil. Gij doet niet anders dan krijschen. Gij krijscht als een roofvogel. Het gaat niet aan voortdurend zoo te krijschen. Uw stem ergert mij. Houd u stil, zeg ik u ... Salome, bedenk wat gij doet. Deze mensch is wellicht een afgezant van God. Ik weet zeker dat hij een afgezant van God is. Hij is een heilig man. Gods vinger heeft hem beroerd. God heeft schrikkelijke woorden gelegd in zijn mond. In het paleis zoowel als in de woestijn is God altijd met hem ... Tenminste, het is mogelijk. Men kan het niet zeker weten, maar het is mogelijk dat God voor hem en met hem is. Ook zoû mij misschien, als hij stierf, een ongeluk overkomen. In elk geval heeft hij gezegd dat den dag waarop hij stierf, er iemand een ongeluk zoû overkomen. Dat kan niemand anders bedoelen dan mij. Herinner u, ik ben uitgegleden in bloed toen ik hier kwam. Ook heb ik het slaan van vleugelen gehoord in de lucht. Dat zijn zeer slechte voorteekenen. Er waren er nog andere. Ik weet zeker dat er nog andere waren, al heb ik ze niet gezien. Welnu, Salome, gij wilt toch niet dat mij een ongeluk overkomen zal? Dat wilt gij niet. Luister dan toch naar mij.

SALOME: Geef mij het hoofd van Jokanaän.

HERODES: Ziet gij wel? Gij luistert niet naar mij. Maar wees een oogenblik kalm. Ik ben heel kalm. Ik ben volmaakt kalm. Luister. Ik heb kleinoodiën hier verborgen, die zelfs uw moeder nooit gezien heeft, kleinoodiën geheel en al onvergelijkelijk. Ik heb een halssnoer van vier rijen parelen. Zij zijn als manen geketend aan zilveren stralen. Zij zijn als vijftig manen gevangen in een net van goud. Een koningin heeft het gedragen op het ivoor harer borsten. Wanneer gij het draagt, zult gij even schoon zijn als een koningin. Ik heb amethysten van twee soorten. De éene soort zijn zwart als wijn. De andere zijn rood als wijn dien men getint heeft met water. Ik heb topazen geel als de oogen der tijgers, en topazen rozerood als de oogen der woudduiven, en topazen groen als de oogen der katten. Ik heb opalen die altijd branden met een ijskoude vlam, en opalen die de geesten der menschen bedroeven en bevreesd zijn voor het donker. Ik heb onyxen die gelijken op de oogappelen eener doode vrouw. Ik heb maansteenen die veranderen naarmate de maan verandert, en bleek worden wanneer zij de zon zien. Ik heb saphieren groot als vogeleieren en blauw als blauwe bloemen. De zee vloeit er doorheen, en geen maan komt ooit het blauw harer golven verstoren. Ik heb chrysoliethen en beryllen, ik heb chrysoprasen en robijnen, ik heb sardonyxen en hyacinthen, en chalcedonen, en ik zal ze u alle geven, ja alle, en ik zal er nog andere dingen aan toevoegen. De koning van India heeft mij pas vier waaiers gezonden gemaakt van papegaaieveêren, en de koning van Numidia een kleed vervaardigd van struisvederen. Ik bezit een kristal dat vrouwen niet veroorloofd is te zien, en dat zelfs jonge mannen niet mogen aanzien dan na met roeden te zijn gegeeseld. In een paarlmoeren kistje heb ik drie wonderbaarlijke turkooizen. Wanneer men hen op zijn voorhoofd draagt, kan men dingen zich verbeelden, die niet bestaan, en wanneer men ze in de hand draagt, kan men vrouwen onvruchtbaar maken. Het zijn schatten van groote waarde. Het zijn schatten die met geen prijs zijn te betalen. En dat is niet alles. In een kistje van ebbenhout heb ik twee bekers van amber, die gelijken op gouden appelen. Als een vijand vergif schenkt in die bekers, worden zij gelijk appelen van zilver. In een kistje ingelegd met amber heb ik sandalen ingelegd met glas. Ik heb mantels die komen uit het land der Seren en armbanden bezet met karbonkels en met graveelsteen, die komen uit de stad Euphrates ... Wat wilt gij nog meer, Salome? Zeg mij wat gij verlangt, en ik zal het u geven. Ik zal u geven al wat gij vraagt, op éen ding na. Ik zal u alles geven wat ik bezit, op éen leven na. Ik zal u den mantel van den Hoogepriester geven. Ik zal u het voorhangsel geven van het heilige der heiligen.

DE JODEN: Wee! Wee!

SALOME: Geef mij het hoofd van Jokanaän.

HERODES (_hij zinkt neêr op zijn zetel_): Laat men haar geven wat zij vraagt! Wel is zij de dochter harer moeder! (_De eerste soldaat nadert. Herodias haalt van den vinger van den Tetrarch den ring des doods en geeft hem aan den soldaat die hem onmiddellijk aan den beul brengt. De beul ziet ontsteld._) Wie heeft mijn ring genomen? Daar was een ring aan mijn rechterhand. Wie heeft mijn wijn gedronken? Er was wijn in mijn beker. Hij was vol wijn. Iemand heeft er van gedronken. O, ik ben zeker dat er iemand een ongeluk gaat overkomen. (_De beult daalt af in den waterput._) Wee, waarom heb ik mijn woord gegeven? Koningen moeten nimmer hun woord geven. Als zij het niet houden, is het vreeselijk. Als zij het houden, is het ook vreeselijk.

HERODIAS: In mijn oogen heeft mijn dochter wel gedaan.

SALOME (_buigt zich over den waterput en luistert_): Er is geen gerucht. Ik hoor niets. Waarom schreeuwt deze mensch het niet uit? O, als iemand mij zocht te dooden, zoû ik schreeuwen, ik zoû het niet dulden ... Sla toe, sla toe, Naäman. Sla toe, zeg ik u ... Neen, ik hoor niets. Het is afgrijselijk stil. Ah, daar is iets op den grond gevallen. Ik heb iets hooren vallen. Het was het zwaard van den beul. Hij is bevreesd, de slaaf! Hij heeft zijn zwaard laten vallen. Hij durft hem niet dooden. Hij is een lafaard, de slaaf! Ik zal soldaten sturen. (_Zij ziet den page van Herodias en wendt zich tot hem._) Kom hier. Gij waart de vriend van hem die gestorven is, niet-waar? Welnu, daar zijn nog geen dooden genoeg. Zeg den soldaten dat zij afdalen en mij brengen wat ik vraag, wat de Tetrarch mij beloofd heeft, wat mij toebehoort. (_De page deinst terug. Zij richt zich tot de soldaten._) Komt hier, soldaten. Daalt af in den put en brengt mij het hoofd van dezen mensch. (_De soldaten deinzen terug._) Tetrarch, Tetrarch, geef bevel aan uwe soldaten mij het hoofd van Jokanaän te brengen. (_Een geweldige zwarte arm, de arm van den beul, steekt op uit den put, op zilveren schotel, het hoofd van Jokanaän. Salome vat het aan. Herodes verbergt zijn gelaat achter zijn mantel. Herodias glimlacht en wuift zich koelte toe. De Nazareërs knielen neder en beginnen te bidden._) Ah, gij hebt mij niet willen toestaan uwen mond te kussen, Jokanaän. Zie, ik zal hem nu kussen. Ik zal er in bijten met mijne tanden zooals men bijt in een rijpe vrucht. Ja, ik zal uwen mond kussen, Jokanaän. Ik heb het u gezegd, niet-waar? Ik heb het u gezegd. Zie, ik zal hem nu kussen ... Maar waarom ziet gij mij niet aan, Jokanaän? Uw oogen die zoo schrikkelijk waren, die zoo vol waren van toorn en minachting, zijn gesloten. Open uw oogen! Hef uw oogleden op, Jokanaän. Waarom ziet gij mij niet aan? Zijt gij bevreesd voor mij, Jokanaän, dat gij mij niet wilt aanzien? .... En uw tong die was als een roode slang die gift slingert, beweegt zich niet meer, zij zegt nu niets, Jokanaän, de roode adder die zijn venijn over mij spuwde. Het is wonderlijk, niet-waar? Hoe komt het dat de roode adder niet meer beweegt?... Gij hebt mij niet gewild, Jokanaän. Gij hebt mij verworpen. Gij hebt schandelijke dingen tot mij gezegd. Gij hebt mij behandeld als een boel, als een lichtekooi, mij Salome, de dochter van Herodias, de Prinses van Judaia. Zie nu, Jokanaän, ik leef nog, maar gij zijt dood, en uw hoofd behoort mij toe. Ik kan ermeê doen wat ik wil. Ik kan het aan de honden voorwerpen en aan de vogelen des hemels. Wat de honden overlaten, zullen de vogelen des hemels eten ... O, Jokanaän, Jokanaän, gij zijt de eenige man dien ik heb bemind. Al de overige mannen vervullen mij met afkeer. Maar gij waart schoon. Uw lichaam was als een ivoren zuil op een voetstuk van zilver. Het was een tuin vol duiven en zilveren leliën. Het was een zilveren toren behangen met schilden van ivoor. Niets ter wereld was zoo blank als uw lichaam. Niets ter wereld was zoo zwart als uwe haren. In de gansche wereld was er niets zoo rood als uw mond. Uw stem was een wierookvat dat vreemde geuren verspreidde, en als ik u aanzag, hoorde ik wonderbare muziek! O, waarom hebt gij mij niet aangezien, Jokanaän? Achter uwe handen en uwe vervloekingen hebt gij uw gelaat verborgen. Gij hebt op uw oogen den blinddoek gelegd van hem die zijnen God wil zien. Welnu, gij hebt uwen God gezien, Jokanaän, maar mij, mij ... hebt gij nimmer gezien. Als gij mij gezien hadt, zoudt gij mij bemind hebben. Ik heb u gezien, Jokanaän, en ik heb u bemind. O, hoezeer heb ik u bemind! Ik bemin u nog, Jokanaän. Ik bemin slechts u ... Ik dorst naar uwe schoonheid. Ik honger naar uw lichaam. En geen wijn en geen vruchten kunnen mijn begeerte bevredigen. Wat zal ik nu doen, Jokanaän? Noch de stroomen noch de groote wateren kunnen mijn hartstocht blusschen. Ik was een prinses, en gij hebt mij versmaad. Ik was een maagd, en gij hebt mijn maagdom van mij genomen. Ik was kuisch, en gij hebt mijne aderen gevuld met vuur ... O, o, waarom hebt gij mij niet aangezien, Jokanaän? Als gij mij hadt aangezien, zoudt gij mij bemind hebben. Ik weet dat gij mij zoudt bemind hebben, en de geheimenis der liefde is grooter dan de geheimenis van den dood. Liefde alleen is waard dat men haar aanzie.

HERODES: Zij is verfoeielijk, uw dochter, zij is allerverfoeielijkst. Wat zij gedaan heeft, is bepaald een zwaar misdrijf. Ik weet zeker dat het een misdrijf is tegen een onbekenden God.

HERODIAS: Ik keur goed wat mijn dochter gedaan heeft. En nu wil ik hier blijven.

HERODES (_staat op_): Ha, hoor de vrouw die gehuwd is in bloedschande! Kom meê! Ik wil niet hier blijven. Kom meê, zeg ik u. Ik ben zeker dat er een ongeluk gaat gebeuren. Manasse, Issaschar, Ozias, dooft de fakkels uit. Ik wil de dingen niet aanzien. Ik wil niet dat de dingen mij aanzien. Bluscht de fakkels uit! Verbergt de maan! Verbergt de sterren! Laten wij ons in ons paleis verschuilen, Herodias. Ik begin bevreesd te worden.

(_De slaven blusschen de fakkels uit. De sterren verdwijnen. Een groote zwarte wolk glijdt voor de maan en bedekt haar volkomen. Het tooneel wordt zeer donker. De Tetrarch begint de trap te bestijgen._)

DE STEM VAN SALOME: Ah, ik heb uwen mond gekust, Jokanaän, ik heb uwen mond gekust. Daar was een wrange smaak op uwe lippen. Was het de smaak van bloed? ... Maar misschien was het de smaak der liefde. Men zegt dat liefde een wrangen smaak heeft ... Maar wat zoû dat? Wat zoû dat? Ik heb uwen mond gekust, Jokanaän, ik heb uwen mond gekust.

(_Een maanstraal valt op Salome en belicht haar fel._)

HERODES (_wendt zich om en ziet Salome_): Doodt die vrouw! (_De soldaten snellen toe en verpletteren onder hunne schilden Salome, dochter van Herodias, prinses van Judaia._)

EINDE

EEN FLORENTIJNSCH TREURSPEL

=PERSONEN:=

SIMONE; BIANCA, Simone's vrouw; GUIDO BARDI.

EEN FLORENTIJNSCH TREURSPEL

SIMONE (_komt op_): Zoo traag, vrouw-lief? Verdient bij zijn tehuiskomst Uw heer geen rapper welkom? Neem mijn mantel. Dit pak eerst. Ja, 't is zwaar. 'k Heb niets verkocht, Dan aan den kardinaal z'n zoon een pels Dien hij wil dragen, en hij hoopt eerlang, Wanneer zijn vader sterft... Maar wie is dit? Ik zie, ge hebt bezoek. Vast een verwant Die, uit den vreemde pas weêrom, ons huis Verraste en vond geen gastheer op den dorpel. 'k Vraag u vergiffnis, mijn verwant. Een huis Zonder den gastheer is maar een leêg ding En loos van eer; een beker zonder wijn, Een scheê die door geen lemmet wordt gestijfd, Een zonverweeûwde tuin en zonder bloemen. Nog eens, wil verontschuldgen, lieve neef.

BIANCA: Hij is geen neef van ons en geen verwant.

SIMONE: Geen neef, en geen verwant? Gij laat mij schrikken. Wie is het dan die met zoo hoofsche gunst Zich wel verwaardt ons gastvrijheid te aanvaarden?

GUIDO: Mijn naam is Guido Bardi.

SIMONE: Hoe! De zoon van Firenze's hoogen heer wiens duistre torens, Als schaadwen door de zilvren maan omdwaald, Ik elken avond uit mijn venstren zie? Heer Guido Bardi, gij zijt welkom hier, En nog eens welkom. 'k Hoop, mijn brave vrouw, Die wel niet mooi voor 't oog is, maar heel braaf, Heeft u niet met haar dom gesnap verveeld, Als vrouwen anders zijn gewoon.

GUIDO: Mevrouwe, Wier schoonheid als een lamp de sterren bluscht En al de stralen rooft uit Luna's koker, Heeft mij verwelkomd met zoo zoete hoofschheid Dat ik, als 't haar en uw behagen is, Nog vaak uw needrig huis bezoeken zal. En als uw zaken u naar buiten roepen, Zal 'k bij haar zitten en haar droefheid troosten, Dat zij niet al te zeer u missen mag. Dat's afgesproken, vriend Simone?

SIMONE: Heer, Gij doet mij zoo hooge eer aan dat mijn tong Als die eens slaafs gebonden niet kan uiten 't Woord dat zij wilde. Toch, u niet te danken Ware al te lomp van mij. En dus ik dank u Uit mijn harts diepten... Zulke dingen zijn het, Die een staat samenvoegen, als een prins Zoo hoog geboren en wel opgebracht De scheiding van 't partijdig lot vergeet En naar een eerzaam burgers eerzaam huis Komt als een eerzaam vriend ... En toch, mijn Heer, 'k Ben te vrijpostig, vrees 'k. Een andren avond, Hopen wij, zult gij als een vriend hier komen-- Vanavond komt gij om mijn waar te koopen. Niet-waar? Wat gij begeert, fluweel of zijde, Ik twijfel niet of 'k heb iets keurigs veil, Dat uw keus winnen kan. 't Is waar, 't is laat. Maar arme koopluî zwoegen dag en nacht Voor schaamle winst. De tollen zijn zoo hoog, En iedre stad heft weêr haar eigen tol, Leerjongens zijn niets waard, zelfs vrouwen missen Verstand en takt, al heeft Bianca hier Me een rijken klant gebracht vanavond. 't Is zoo, Niet-waar, Bianca? Maar 'k verdoe mijn tijd. Waar is mijn pak? Hoort gij? Waar is mijn pak? Maak 't open, vrouw-lief. Maak de koorden los. Kniel liever op den grond. Zóo gaat het beter. Neen, dat is 't niet, het andre. Gauw wat, gauw wat! Wij mogen onze koopers niet doen wachten: Dat maakt hen ongeduldig. Ja, dat is het. Geef het eens hier. Voorzichtig. 't Is héel kostbaar. Vat het voorzichtig aan... Nu, edel Heer, Met uw verlof, 'k heb hier Luccaansch damast, Een weefsel van puur zilver, en de rozen Zoo knap gewerkt dat ze enkel geur behoeven Om 't prat zintuig te paaien. Voel eens, Heer. Is het niet dun als water, sterk als staal? De rozen dan? Zijn zij niet mooi geweven? De heuvelen die meest de roos verwennen, Te Bellosguardo en te Fiesole, Strooien in lentes schoot niet zulke kelken; Of doen zij 't al, hun bloem verwelkt en sterft. Dat 's 't lot van alle teêr en mooi dat danst In wind en regen. De Natuur voert zelf Krijg met haar eigen lieflijkheid en moordt Haar kindren als Medea. Neen maar, Heer, Kijk nog eens nader. Hier in dit damast Is 't altijd zomer, en geen winters tand Zal ooit dees bloemen knauwen. Iedere el Betaalde ik met een goudstuk. Goed rood goud, De vrucht van zuinge zorg.

GUIDO: Brave Simone, Vermoei u niet. Ik ben meer dan voldaan. 'k Zend morgen u mijn dienaar die u uittelt Den dubblen prijs.