Salome en Een Florentijnsch Treurspel
Chapter 4
SIMONE: Mijn edelmoedge Prins! Ik kus uw handen. Nu bedenk ik mij: Een andren schat nog houdt mijn huis verborgen, Dien gij zien moet. Het is een gala-kleed: De stof geschoren Venetiaansch fluweel, Granaatappels 't patroon, iedere pit Is uit één paarl, de kraag is louter parels Dicht als in zomeravondstraat de muggen, En blanker dan de manen die des morgens Gekken door traliën zien. Een keur-robijn Gloedt op den haak gelijk een vuren kool. Zijn Heiligheid bezit niet zulk een steen, En Indië kan zijn tweelingbroêr niet toonen. De gesp zelf is een allerzeldzaamst kunststuk, Met schooner werk bekoorde nooit Cellini Grooten Lorenzo. Nu moet gij hem dragen. Niemand in stad hier is hem waardiger. Hij zal u goed staan. Aan den éenen kant Jaagt slank, in gouden sprongen, een gehoornde Satyr een nymf van zilver. Aan den andren Staat Stilte, en in haar hand beurt ze een kristal: Zij is zoo klein en smal als nietige aar Die siddert als een vogel overstrijkt, Toch met zoo'n kunst gesneden dat men denkt, Zij poost in 't aadmen, ze aêmt.--Waardge Bianca, Zoû niet dit edel en meest kostbaar kleed Heer Guido's jeugd goed staan? ... Zeg ook een woord: U kan hij vast niets weigren, of de prijs al Eens prinsen losgeld zij. En in de winst Deelt gij gelijk met mij.
BIANCA: Ben 'k uw leerjongen? Dat ik om uw fluweelen kleed zoû kwanslen?
GUIDO: Schoone Bianca, wees gerust: ik koop Zijn kleed en alles wat de eerzame koopman Nog meer kwijt wil. Een prins betaalt zijn losgeld, En een geluk is 't als een hoog heer valt In zulk een eedlen vijands blanke handen.
SIMONE: Ik sta beschaamd. Maar, dus de koop gaat door? De koop gaat door, niet? Vijftig duizend kronen Is nauwlijks eigen geld. Maar gij, Heer, geeft Slechts veertig duizend. Is die som te hoog? Noem dan uw prijs. Het is eenmaal mijn gril Om u te zien in dit geweven wonder, Omkranst door de edelvrouwen van het hof, Als een bloem tusschen bloemen... 'k Hoor, Heer, dat Die hooge dames zoo op u vermald zijn Dat zij zich om uw Hoogheids gunst verdringen Als vliegen waar gij gaat. Ook praat men van Heeren met horens die zij kranig dragen, Een zonderlinge modegril ...
GUIDO: Simone, Uw roekelooze tong roept om den breidel. En dan vergeet gij 't bijzijn van Mevrouw hier Wier teedere ooren zeker niet gestemd zijn Op zoo platte muziek.
SIMONE: 't Is waar, 'k vergat het. Het zal niet meer gebeuren. Maar gij koopt dus, Mijn goede Heer, het gala-kleed. Niet-waar? Maar veertig duizend kronen. 'n Bagatel Voor iemand die Giovanni Bardi's erf is.
GUIDO: Regel dat morgen met mijn rentmeester Antonio Costi. 'k Zal hem bij u sturen. En honderd duizend kronen zult gij hebben Als dat u dienen kan.
SIMONE: Wat! Honderd duizend! Versta 'k goed? Honderd duizend? Op mijn woord, Dat maakt voor eeuwig en in ieder opzicht Me uw schuldenaar. Voorwaar, van nu af is Mijn huis en alles wat mijn huis bevat, Van u en niemand anders. Honderd duizend? Mijn hoofd loopt om. Ik zal veel rijker zijn Dan de andre koopluî samen. Ik zal koopen Landrijen, gaarden, tuinen. Elk getouw Zal mijn zijn van Milaan tot in Sicilië En mijn de paarlen die Arabiës zeeën Bergen in stille grotten ... Eedle Prins, Deze avond luidt voorgoed mijn liefde in, die Zoo groot zal blijken dat wat gij me ook vraagt, U niet geweigerd wordt.
GUIDO: En als 'k eens vroeg Om blanke Bianca hier?
SIMONE: Gij spreekt in scherts, Heer. Zij is zoo groot een prins als u niet waardig. Ze is enkel goed voor huishoudwerk en spinnen. Niet-waar, vrouw-lief? Het is zoo. Zie maar hier. Uw rokken wacht u. Zet u neêr en spin. Een vrouw moet altijd bezig zijn in huis, Want leedge handen maken 't hart lichtzinnig. Ga zitten, zeg ik.
BIANCA: Wat moet 'k spinnen?
SIMONE: Spin Een kleed en verf het purper, dat Verdriet Mag dragen tot haar troost--een sprei met franjen Waaronder een onwelkom zuigeling Onbemerkt kreunen kan--een keurig laken Kostlijk doorgeurd met reukig kruid, waarin men Een dood man wikklen kan ... Spin wat gij wilt: Mij goed.
BIANCA: De brosse draad is afgeknapt, Het loome wiel is 't eindloos draaien moede, Het loomer rokken is zijn kluwen zat; Vanavond spin ik niet.
SIMONE: Zooals gij wilt, Maar morgen zult gij spinnen: elke dag Vindt u voortaan aan 't wiel. Zoo vond Tarquinius Lucretia. Mooglijk wachtte zoo Lucretia Tarquinius. Wie zal 't zeggen? Vreemde dingen Verneem 'k van meenge huisvrouw ... Doch, mijn Heer, Wat nieuws van buiten? 'k Hoor vandaag in Pisa Dat enkle koopluî daar uit Engeland Hun wollewaar goedkooper wilden slijten Dan wet en recht toestaat, en om gehoor De Signoria drongen. Is dit reedlijk? Hoort de éene koopman d'ander te verslinden? De vreemdling die in ons land hier zijn brood vindt, Door afgedwongen voorrecht of door list ons Te brengen om ons winst?
GUIDO: Moet ik me afgeven Met koopluî en hun winst? Gij wilt dat ik Ga twisten voor u met de Signoria? En 't kleed draag, waarin gij van dwazen koopt Voor nog onnoozler klanten? Vriend Simone, Wol inslaan en verkoopen is uw ambt. Mijn geest speurt ander wild.
BIANCA: Mijn eedle Heer, Vergeef mijn goeden man hier, bid ik u. Zijn ziel staat altijd op de markt, zijn hart Klopt enkel voor den beursprijs van de wol. Toch is hij braaf voor zijn gewone doen.
(_tot Simone:_)
En gij, hebt gij geen schaamte? Een hooge prins Komt hier aan huis, en met misplaatste boudheid Verveelt ge en ergert hem. Vraag hem vergeving.
SIMONE: Dat doe 'k ootmoedig. Praten wij vanavond Van andre dingen! 'k Hoor, Zijn Heiligheid Schreef aan den Franschen koning met verzoek Om over 't sneeuwen schild der Alpen hier Een vreê te komen stichten, die zal wezen Erger dan broederkrijg en bloediger Dan burgerroof en binnenlandsche veeten.
GUIDO: Bah! wie maalt om dien Franschen koning nog, Die nimmer komt en altijd praat van komen? Wat gaat dat mij aan? Ik weet andre dingen Belangrijker en dichter bij, Simone.
BIANCA: Gij put 't geduld van onzen hoogen gast uit. Wat raakt ons Frankrijks koning? Evenveel Als uw koopluî uit England met hun wol. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
SIMONE: O staat het zóo? Is heel dees machtge wereld Verengd binnen de grenzen dezer kamer Met maar drie poovre zielen voor bewoners? Ja, daar zijn oogenblikken dat 't heelal, Als 't doek in kuip van onbedreven verver, Tot een handbreed ineenkrimpt, mooglijk is 't Nu zulk een uur! Goed, laat het zoo'n uur zijn! Laat dit gering vertrek het hoog tooneel zijn, Waar koon'ngen sterven en ons schamel leven De inzet wordt waarom God speelt... Ik weet zelf niet Waarom 'k zoo spreek. De rit heeft me uitgeput. En driemaal struikelde mijn paard, een teeken Dat niemand goeds voorspelt.... Eilacy, Heer, Welk een armzaalge koop is 's menschen leven, En op wat rommelmarkt verkoopt men ons! Als wij geboren worden, weent ons moeder, Maar om ons dood weent niemand. Neen, niet een.
(_Hij gaat naar den achtergrond._)
BIANCA: Hoe praat de man als een gemeene kramer! Ik haat hem, ziel en lijf. Haar bloedloos zegel Drukte hem lafheid op 't gelaat. Zijn handen Beven verlamd en bleeker dan het blad van Peppels in voorjaarswind; een leedge woordstroom Gudst uit zijn dwazen stotterenden mond Als water uit een leibuis.
GUIDO: Lieve Bianca, Hij is uw aandacht noch de mijne waard. De man is niets dan een heel brave schurk Vol mooie frasen over levens koopwaar, Die duurst verkoopt wat hij goedkoopst moet achten, Een windrig schreeuwer in een weerld van woorden, Nooit heb 'k zoo'n welbespraakten zot gezien.
BIANCA: 'k Wou dat de dood hem haalde waar hij staat!
SIMONE (_keert zich om_): Wie noemt daar »Dood"? Dood heeft hier niets te maken. Wat zaken heeft Dood in zoo'n vroolijk huis Als dit waar hij alleen een vrouw, een man, Een vriend tezaam vindt? Laat Dood gaan naar huizen Waar echtbreuk en gemeenheid toegaan, waar De vrouw, haar kuischheid en haar man en heer Moede, 't gordijn wegschuift voor 't huwlijksbed En in bezoedelde en onteerde lakens Verboden lusten pleegt. Ja, wel klinkt 't vreemd, Toch gaat het zoo. Gij kent de wereld niet. Daarvoor leeft gij te eerbaar en te afgezonderd. Ik ken haar goed. Ik wou dat 't niet zoo was. Maar wijsheid komt met winters. Mijn haar grijst, Geen jeugd warmt meer mijn koude lijf ... Maar basta. Vanavond is het woord aan Vreugd, en waarlijk, 'k Zoû willen vroolijk zijn als past een gastheer Die zulk een hoogen ongedachten gast Op hem vindt wachten... Doch wat 's dit, mijn Heer? Gij bracht uw luit meê om voor ons te spelen? Ja, speel wat, lieve Prins. Ben ik vrijpostig,-- Vergeef, maar speel.
GUIDO: Vanavond speel ik niet. Een andren keer, Simone. (_tot Bianca:_) Gij en ik Tezamen, en geen luistraars dan de sterren Of de jaloerscher maan.
SIMONE: Toch toch, mijn Heer! Ik smeek u, speel iets. Want ik hoor vertellen Dat door het enkel tokklen eener snaar, Door ademtocht die zucht langs holle rieten Of blaast door koelen mond van vaardig brons Zij die die kunst verstaan, onze arme zielen Verlossen uit haar kerker. Ook verneem ik: Zoo vreemde toover schuilt in dit hol speeltuig Dat onschuld wijnloof vlecht in hare haren En wulpsch wordt als bacchante. Maar 'k dwaal af. Ik weet, uw luit is kuisch. En daarom speel: Verruk met zoete melodie mijne ooren; Mijn ziel is in een kerker, en haar waanzin Vraagt medicijn. Help mij verzoeken, Bianca.
BIANCA: Wees niet bevreesd: ons welbeminde gast Zal zelf zijn plaats en uur weten te kiezen; Nu is 't dat uur niet. Gij ontstemt hem slechts Met uw lomp dringen.
GUIDO: Eerzame Simone, Een andren keer. Vanavond ben 'k tevreden Met de zachte muziek van Bianca's stem, Die, als zij spreekt, de te verliefde lucht Bekoort en aardes wanklen kring rondom Haar schoonheid vastlegt.
SIMONE: Vlei haar niet. Zij heeft Haar deugden als de meeste vrouwen, maar Schoonheid is een kleinood dat zij niet draagt. Misschien is het ook beter. Waarde Heer, Als gij geen wijzen uit uw luit wilt lokken Om mijn ziels sombere onrust te bezweren, Dan drinken we toch saam? Daar staat uw glas nog. Krijg mij een stoel, Bianca. Sluit de luiken. Zet er den grooten bout voor. 'k Wil niet hebben Dat de nieuwsgierge wereld ons genoegen Beloenschen zoû. En nu, mijn Heer, drink ons Een toost uit boordevollen beker toe.... Wat is hier deze vlek op 't laken? 't Ziet Zoo purper als een wond in Christus' zijde. 't Is niets dan wijn? 'k Heb wel eens hooren zeggen: Waar wijn vergoten wordt, wordt bloed vergoten,-- Maar dat's een dwaas verhaal. Mijn Heer, ik hoop, Mijn wijn is naar uw smaak. De druif van Napels Is vurig als zijn bergen. Ons Toscane Kweekt een onschuldger sap.
GUIDO: Mij mondt het goed, Brave Simone, en 'k wil met uw verlof Op schoone Bianca drinken wen haar lippen Eerst langs den kelk als roode rozeblâren Glijdend den dronk verzoeten. Proef, Bianca.
(_Bianca drinkt._)
O al de honing saam van Hybla's bijen Waar' bitter bij dees teug!--Waarde Simone, Gij neemt geen deel aan 't feest.
SIMONE: 't Is vreemd, Heer, 'k kan Vanavond met u eten niet of drinken. Een booze luim, een koortsigheid van 't bloed, Dat anders toch bedaard is, een gedachte Die als een adder rustloos ommekruipt, Als een krankzinnge sluipt van cel naar cel, Vergalt mijn smaak en zet mijn lust tot spijs En drank in walging om. (_Hij gaat terzijde._)
GUIDO: Lieve Bianca, Dees kramer maakt mij met zijn praatjes wreevlig. Ik moet vanhier. Maar morgen kom ik weêr. Zeg mij hoe laat.
BIANCA: Kom met den vroegsten daagraad Tot ik u weêrzie, is mijn leven ijdel.
GUIDO: Laat neêr den middernacht van uwe haren, In uwer oogen sterren laat mij zien Mijn beeltnis als in spiegels. Lieve Bianca, Zij 't slechts een schaduw, o bewaar mij daar, En kijk naar niets dat niet verzinnebeeldt Eenge gelijkenis van me. Ik ben naijvrig Op al wat uw gezicht verlust.
BIANCA: Uw beeld-- O wees gerust--blijft altijd bij mij. Lieve, Liefde verkeert de meest gewone dingen In teekenen van zoete erinnering. Maar kom vóor met zijn schellen zang de leeuwrik Een wereld wekt van droomers. 'k Zal u wachten Op het balkon,...
GUIDO: En langs scharlaken ladder Wier zijden sporten zijn bestikt met paarlen, Daal, blanken voet na blanken voet, als sneeuw Op rozenboom, tot me af.
BIANCA: Zooals gij wenscht. Uw eigen ben 'k in liefde of dood, gij weet het.
GUIDO: Simone, 't wordt mijn tijd. Ik ga naar huis.
SIMONE: Zoo gauw? Waarom? Nog luidde van de Domkerk Niet middernacht. Slaapdronken in hun torens Liggen de wachten, die de bleeke maan Plagen met holle horens. Blijf nog wat. 'k Vrees dat we u hier niet zullen wederzien. En die vrees maakt mijn simpel hart bedroefd.
GUIDO: Wees niet bezorgd, Simone. Meest standvastig Zal 'k blijken in mijn vriendschap. Maar vanavond Ga 'k naar mijn eigen huis, en dat terstond. Tot morgen, Bianca.
SIMONE: Goed. Uw wensch is wet. 'k Had nog wat langer met u willen praten, Mijn nieuwe vriend, mijn eerbiedwaarde gast, Maar dat gaat niet naar 't schijnt. Daar komt nog bij, 'k Twijfel niet of uw vader wacht op u, Hunkrend naar stem of voetstap. Als 'k het goed heb, Zijt gij zijn eenig kind? Hij heeft geen ander. Gij zijt de sier en pijler van zijn huis, Zijn éene bloem in tuin van louter onkruid. Uw vaders neven zijn zijn minnaars niet. Zoo gaat het praatje in stad hier. 'k Wou maar zeggen: Zij zijn afgunstig op uw erfenis, Hun gretige oogen schelen naar uw wijngaard Als Achab keek naar Naboths vetten akker. Maar dat is enkel 't praatje van een stad Waar 't vrouwvolk te veel klapt. Goênacht, mijn Heer. Haal een pijnfakkel, Bianca. De oude trap Is vol met gaten, en de inhaalge maan Wordt, als een giergaard, karig met haar stralen, En bindt voor haar gezicht een tulen masker Als lichtekooi die uitgaat om een arme Ziel te verstrikken. Wacht, ik zal u krijgen Uw zwaard en mantel. Laat mij, goede Heer, Het is niet meer dan plicht dat'k u bedien, Die mij den armen burger zooveel eer deedt, Mijn wijn dronkt en mijn brood braakt en voor ons Een lieve huisvriend werdt. Mijn vrouw en ik Zullen nog vaak dees schoonen nacht bepraten En zijn groote uitkomst. Kijk, wat kostlijk zwaard! Ferrarisch staal, zoo lenig als een slang, En zeker doodlijker. Met zoo'n zwaard hoeft Men in 't gedrang des levens niets te vreezen. Nooit heb ik zoo'n fijn lemmet aangeraakt. Ook ik bezit een zwaard. 't Is nu wat roestig. Ons, vredemannen, leert men needrigheid En vele lasten op ons schouders dragen En niet te morren tegen werelds onrecht En onrechtmaatge krenkingen verduren. Dat leeren we en wij vinden bij ons lijden Voordeel als de geduldge Jood... Toch, 'k weet nog Hoe eens een roover op den weg naar Padua Mijn pakpaard nemen wilde, ik liet hem achter Met afgesneden keel. Ik kan verdragen Blaam, smaad in 't openbaar, velerlei schande, Vlijmenden hoon en open schimp, maar hij Die van mij iets wil dieven wat het mijne is, Zij 't nog zoo waardeloos, het aarden bord Waarvan 'k mijn honger stil--wee hem, hij waagt Bij 't stelen ziel en lijf, en sterven doet hij Voor 't klein vergrijp. Uit wat vreemd leem zijn wij Menschen gemaakt!
GUIDO: Hoe komt gij zoo te spreken?
SIMONE: Ik ben benieuwd, Heer Guido, of mijn zwaard Beter gehard is dan dit staal van u. Lijkt u de proef? Of is mijn stand te laag Voor u om uw rapier met 't mijn te kruisen, In scherts of ernst?
GUIDO: Niets zoû mij beter lijken Dan met naakt lemmet over u te staan In scherts of ernst. Geef mij mijn eigen zwaard. Haal 't uwe. Dees nacht zal het pleit beslechten Of van den prins of van den koopman 't zwaard Beter gehard is. Was dat niet uw zeggen? Haal slechts uw eigen zwaard. Wat draalt gij, man?
SIMONE: Mijn Heer, van al de hofflijke genaden Die gij geregend hebt op mijn dor huis, Is dit de hoogste... Bianca, haal mijn zwaard. Schuif bank en tafel weg. Wij moeten hebben Een open kring voor onzen wapenkamp. Bianca zal wel den fakkel willen houden Opdat niet wat als scherts bedoeld is, ernst wordt.
BIANCA (_tot Guido_): O dood hem, dood hem!
SIMONE: Houd den fakkel, Bianca.
(_Zij beginnen te vechten._)
In stand! Let op! Aha! Gij dacht zoo-waar--?
(_Hij wordt gewond door Guido._)
Een schram, niets meer. Het licht scheen in mijn oogen. Kijk niet bedrukt, Bianca. Het is niets. Uw man bloedt. Het is niets. Krijg een stuk linnen En bind het rond mijn arm. Neen, niet zoo stijf. Een beetje losser, vrouw-lief. En ik bid u, Wees niet ontdaan. Neen, haal het er weêr af. Wat let het of ik bloed? (_Hij rukt het verband af._) Van voor af aan!
(_Simone ontwapent Guido._)
Mijn eedle Heer, gij ziet dat ik gelijk had. Mijn zwaard is fijner staal, beter gehard. En nu dolk tegen dolk.
BIANCA (_tot Guido_): O dood hem, dood hem!
SIMONE: Blusch uit den fakkel, Bianca.
(_Bianca bluscht den fakkel uit._)
Nu, mijn Heer, Nu tot den dood van éen van ons, of beiden, Of misschien alle drie. (_Zij vechten._) Ziedaar en daar! Ha! duivel, heb ik je eindlijk in mijn greep?
(_Simone overweldigt Guido en drukt hem neêr op de tafel._)
GUIDO: Dwaas, doe uw wurgersvingers van mijn keel. Ik ben mijn vaders eenge zoon. De staat Heeft maar éen erfgenaam. En 't valsche Frankrijk Wacht op 't uitsterven van mijn vaders lijn Om de stad te overvallen.
SIMONE: Zwijg! Uw vader Kan kinderloos alleen gelukkger zijn. Wat den staat aangaat, 'k denk, Firenze kan Als loods aan 't stuur geen echtbreker gebruiken. Gij zoudt haar leliën smetten.
GUIDO: Weg uw handen! Weg uw verdoemde handen. Laat los, zeg ik.
SIMONE: Neen, in zoo'n handge schroef zijt gij gevangen Dat niets meer u kan redden, en uw leven Tezaamgedrongen in éen stip van schande, Eindt met die schande, en allerschandelijkst.
GUIDO: O laat me een priester hebben vóor ik sterf!
SIMONE: Waarvoor wil jij een priester? Biecht je zonden Aan God dien je vanavond nog zult zien En dan nooit meer. Biecht Hem je zonden, die Is meest rechtvaardig in meêdoogenloosheid En meest meêdoogend in rechtvaardigheid.
GUIDO: O help mij, lieve Bianca, help mij, Bianca, Gij weet dat ik geen kwaad bedreven heb.
SIMONE: Is daar nog leven in die leugenlippen? Sterf als een hond met slappe tong! Sterf! Sterf! De stomme Arno zal straks uw lijk ontvangen En spoelt onopgemerkt het weg naar zee.
GUIDO: Heer Jezus, neem mijn arme ziel tot u!
SIMONE: Amen. En nu komt de andere aan de beurt.
(_Guido sterft. Simone rijst op en ziet om naar Bianca. Zij komt op hem toe met wijdopen armen als verdwaasd._)
BIANCA: Gij waart zoo sterk, en 'k heb het nooit geweten!
SIMONE: Gij waart zoo schoon, en 'k heb het nooit vermoed!
(_Hij kust haar op den mond._)
EINDE
Tot heden verschenen Tooneelspelen.
_a. in de Nederlandsche Bibliotheek:_
N. B. XXXV INA BOUDIER-BAKKER, ='t Hoogste Recht=, tooneelspel in 4 bedrijven. f 0.20; 0.30; 0.40
N. B. LXXI J. F. E. CELLIERS, =Liefde en Plig=, Zuid-Afrikaans Tooneelspel in 4 bedrijven. Inleiding Dr. Engelenburg. Ingen. f 0.20; geb. 0.40
N. B. XVIII MULTATULI, =Vorstenschool=. Met een Inleiding van Mevr. Douwes Dekker-Schepel en twee portretten. 4e druk, 8e-13e duizend. f 0.20; 0.30; 0.40
N. B. XLVI MULTATULI, =Aleid=. Fragment van een onvoltooid gebleven blijspel. Met Inleiding van Mevr. Douwes Dekker-Schepel. f 0.20; 0.30; 0.40
N. B. LXXXIII* H. ROLAND HOLST-V. D. SCHALK, =De Opstandelingen=. Lyrisch treurspel in 3 bedrijven. f 0.30; 0.40; 0.50
N. B. I J. A. SIMONS-MEES, =De Veroveraar=, Een spel van stemmingen in vijf bedrijven, met afbeelding. (Tweede druk; 7e-9e duizend). f 0.20; 0.30; 0.40
N. B. XXIII J. A. SIMONS-MEES, =Atie's Huwelijk=, Toneelspel in 4 bedrijven. (Tweede druk) f 0.20; 0.30; 0.40 Beide stukken samen in keurband f 1.--
N. B. LXXXI J. A. SIMONS-MEES, =Een Paladijn=. Fantastische comedie in 4 bedrijven. f 0.20; 0.30; 0.40
N. B. LI. JOOST VAN DEN VONDEL, =Adam in Ballingschap=, of aller treurspelen Treurspel. Inleiding en aanteekeningen van L. S. (Derde druk, 8e-11e duizend). f 0.20; 0.30; 0.40
_b. in de Wereld-Bibliotheek:_
W. B. 70 ARISTOPHANES, =De Ridders=. Metrische vertaling van Dr. H. C. Muller. f 0.20; 0.30; 0.40
W. B. 36/37 Bj. BJÖRNSON, =Boven Menschelijke Kracht=. Tooneelspel in twee deelen uit het Noorsch door Marg. Meyboom, met portret en Inleiding door L. S. f 0.40; 0.55; 0.70
W. B. 96 WOLFG. v. GOETHE, =Iphigeneia in Tauris=. In Nederlandsche verzen overgebracht door dr. P. C. Boutens. f 0.20; 0.30; 0.40
W. B. 43 GERHART HAUPTMANN, =De Verdronken Klok=. Sprookjesdrama, vertaald door en met inleiding van Mr. Isidore Hen. f 0.20; 0.30; 0.40
W. B. 19 FRIEDRICH HEBBEL, =Maria Magdalena=. Vertaling van Louis Landry. Met portret. (Ingenaaid en gecart. uitverk.); f 0.40
W. B. 4 HENRIC IBSEN, Steunpilaren der Maatschappij. Vert. F. Kapteyn, Inl. van L. S. (derde druk; 8e-10e duizend.) f 0.20; 0.30; 0.40
W. B. 40 HENRIC IBSEN, =Een Poppenhuis (Nora)=. Tooneelspel in drie bedrijven, vert. Marg. Meyboom. Met portretten en inl. door L. S. (2e druk) (6e-8e duizend) f 0.20; 0.30; 0.40
W. B. 73 HENRIC IBSEN, =Een Vijand van 't Volk=. Vertaling van Marg. Meyboom. Inleiding van L. S. f 0.20; 0.30; 0.40
W. B. 119* HENRIC IBSEN, =Mededingers naar de Kroon=. Vertaald door Marg. Meyboom, inleiding van L. Simons. f 0.30; 0.40; 0.50
W. B. 16 MOLIERE, =De Schelmenstreken van Scapin=. Een klucht in drie bedrijven. Vertaling S. J. Bouberg (Ingenaaid uitverkocht); f 0.30; 0.40
W. B. 67 MOLIERE, =Geleerde Dames=, metrische vertaling W. J. Wendel. f 0.20; 0.30; 0.40
W. B. 112 MOLIERE, =Tartuffe=, metrische vertaling W. J. Wendel. f 0.20; 0.30; 0.40
W. B. 88 PLAUTUS, =De Tweelingbroeders=. Metrische vertaling der »Menaechmi" door Prof. Dr. H. van Herwerden. f 0.20; 0.30; 0.40