Salome en Een Florentijnsch Treurspel
Chapter 2
JOKANAÄN: Dochter van echtbreuk, er is slechts éen mensch die u redden kan: hij van wien ik u gesproken heb. Ga hem zoeken. Hij bevindt zich in een schip op de zee van Galilaia en spreekt tot zijne discipelen. Kniel neder aan den zoom der zee en roep hem bij zijn naam. Als hij tot u komt, en hij komt tot allen die hem roepen, buig u ter aarde aan zijne voeten en vraag hem vergeving uwer zonden.
SALOME: Laat mij uwen mond kussen.
JOKANAÄN: Wees vervloekt, dochter eener overspelige moeder, wees vervloekt.
SALOME: Ik zal uwen mond kussen, Jokanaän.
JOKANAÄN: Ik wil u niet aanzien. Ik zal u niet aanzien. Gij zijt vervloekt, Salome, gij zijt vervloekt. (_Hij daalt af in den waterput._)
SALOME: Ik zal uwen mond kussen, Jokanaän, ik zal uwen mond kussen.
EERSTE SOLDAAT: Wij moeten het doode lichaam laten wegbrengen. De Tetrarch ziet niet gaarne lijken behalve de lijken van hen die hij zelf gedood heeft.
DE PAGE VAN HERODIAS: Hij was mijn broeder, hij was mij nader dan een broeder. Ik heb hem een doosje gegeven, dat reukwerk bevatte, en een agaten ring dien hij altijd aan zijn vinger droeg. Des avonds plachten wij te wandelen aan den oever der rivier en tusschen de amandelboomen. Dan verhaalde hij mij van zijn land. Hij sprak altijd zeer zacht. De klank van zijn stem was als de klank van de fluit eens fluitspelers. Ook hield hij er veel van naar zich-zelf te zien in de rivier. Ik heb hem daar nog verwijt van gemaakt.
TWEEDE SOLDAAT: Gij hebt gelijk. Wij moeten het lijk verbergen. Het is beter dat de Tetrarch het niet ziet.
EERSTE SOLDAAT: De Tetrarch zal hier niet komen. Hij komt nooit op het terras. Hij is te bevreesd voor den profeet.
(_Herodes en Herodias komen op met hun gevolg._)
HERODES: Waar is Salome? Waar is de Prinses? Waarom is zij niet teruggekeerd aan het feestmaal zooals ik haar bevolen had?--O, daar is zij.
HERODIAS: Gij moet haar niet aanzien. Gij ziet haar voortdurend aan!
HERODES: De maan ziet zeer vreemd vanavond. Ziet de maan niet zeer vreemd? Zij is als een liefdeskranke vrouw, een liefdeskranke vrouw die overal naar minnaars omzoekt. Ook is zij naakt. Zij is geheel naakt. De wolken trachten haar te bekleeden, maar zij wil niet. Zij waggelt door de wolken als een beschonken vrouw. Ik weet zeker dat zij naar minnaars zoekt. Waggelt zij niet als een beschonken vrouw? Zij gelijkt op een liefdeskranke vrouw, niet-waar?
HERODIAS: Wel neen. De maan lijkt op de maan en op niets anders. Laten wij weêr naar binnen gaan... Gij hebt hier niets te maken.
HERODES: Ik blijf hier! Manasse, spreid tapijten daar. Steekt fakkels aan. Brengt de tafelen van jaspis. De lucht is hier kostelijk. Brengt anderen wijn. Ik wil nog drinken met mijne gasten. Aan de gezanten van Caesar moeten wij alle eer bewijzen.
HERODIAS: Niet ter wille van hen blijft gij hier.
HERODES: Ja, de lucht is kostelijk. Kom, Herodias, onze gasten wachten ons. Wee, mijn voet is uitgegleden! Mijn voet is uitgegleden in bloed! Een slecht voorteeken. Een zeer slecht voorteeken. Hoe komt hier bloed?... En dit lijk? Wat doet dit lijk hier? Denkt gij dat ik ben als de koning van Aigypte, die nooit een feest geeft zonder een lijk te vertoonen aan zijne gasten? Wiens lijk is dit? Ik wil er niet naar zien.
EERSTE SOLDAAT: Het is onze hoofdman, Heer. Het is de jonge Syriër, dien gij pas vóor drie dagen hoofdman gemaakt hebt.
HERODES: Ik heb geen bevel gegeven om hem te dooden.
TWEEDE SOLDAAT: Hij heeft zich-zelf gedood, Heer.
HERODES: Om wat reden? Ik had hem hoofdman gemaakt.
TWEEDE SOLDAAT: Wij weten niet, Heer. Maar hij heeft zich-zelf gedood.
HERODES: Dat lijkt mij zonderling. Ik dacht dat alleen Romeinsche wijsgeeren zich-zelf doodden. Niet-waar, Tigellinus, de wijsgeeren te Rome dooden zich-zelf?
TIGELLINUS: Er zijn er die zich dooden, Heer. Dat zijn de Stoïcijnen. Het zijn erg onbeschaafde menschen. Het zijn zeer belachelijke menschen. Ik voor mij vind hen zeer belachelijk.
HERODES: Ik ook. Het is belachelijk zich te dooden.
TIGELLINUS: Iedereen te Rome spot met hen. De Keizer heeft een satire tegen hen geschreven, die overal wordt gedeclameerd.
HERODES: Heeft de Keizer een satire tegen hen geschreven? Caesar is wonderbaarlijk. Daar is niets wat hij niet kan... Het is zonderling dat de jonge Syriër zich heeft gedood. Ik betreur dat dit geschied is. Ik betreur het zeer. Want hij was schoon om te zien. Hij was zelfs zeer schoon. Hij had zeer smachtende oogen. Ik herinner mij hoe ik hem smachtend heb zien kijken naar Salome. In waarheid, ik vond toen dat hij een weinig te veel naar haar zag.
HERODIAS: Daar zijn anderen die te veel naar haar zien.
HERODES: Zijn vader was een koning. Ik heb hem uit zijn koninkrijk verdreven. En van zijn moeder, die een koningin was, hebt gij eene slavin gemaakt, Herodias. Dus was hij hier als het ware mijn gast. Daarom had ik hem hoofdman gemaakt. Ik betreur het dat hij dood is... Maar waarom hebt gij het lijk hier gelaten? Brengt het weg van hier. Ik wil het niet zien.... Brengt het weg.... (_Men draagt het lijk weg._) Het is koud hier. Er is wind hier. Niet-waar, er is wind?
HERODIAS: Neen. Er is geen wind.
HERODES: Zeker, er is wind... En ik hoor in de lucht als het slaan van vleugelen, als het slaan van reusachtige vleugelen. Hoort gij niet?
HERODIAS: Ik hoor niets.
HERODES: Nu hoor ik het zelf ook niet meer. Maar ik heb het gehoord. Het was ongetwijfeld de wind. Nu is het voorbij. Maar neen, ik hoor het weêr. Hoort gij niet? Het is volkomen als het slaan van vleugelen.
HERODIAS: Ik zeg u dat er niets is. Gij zijt onwel. Laten wij naar binnen gaan.
HERODES: Ik ben heel wel. Uw dochter is veeleer onwel. Nooit heb ik haar zoo bleek gezien.
HERODIAS: Gij moet haar niet aanzien, zeg ik u.
HERODES: Geeft mij wijn. (_Men brengt wijn._) Salome, kom en drink een weinig wijn met mij. Ik heb hier een uitgelezen wijn. Caesar zelf heeft hem mij gezonden. Doop er uw roode lipjes in, en dan zal ik den beker ledigen.
SALOME: Ik ben niet dorstig, Tetrarch.
HERODES: Hoort gij hoe uw dochter mij antwoordt?
HERODIAS: Ik vind dat zij groot gelijk heeft. Waarom ziet gij haar voortdurend aan?
HERODES: Brengt mij vruchten. (_Men brengt vruchten._) Salome, kom en eet een vrucht met mij. Ik zie gaarne den beet uwer tandjes in een vrucht. Bijt een klein stukje uit deze vrucht, en dan zal ik eten wat overschiet.
SALOME: Ik ben niet hongerig, Tetrarch.
HERODES: Gij ziet hoe gij uw dochter hebt opgevoed.
HERODIAS: Mijn dochter en ik stammen uit een koninklijk geslacht. Maar uw grootvader hoedde kameelen! Ook was hij een roover!
HERODES: Gij liegt!
HERODIAS: Gij weet zeer wel dat ik de waarheid spreek.
HERODES: Salome, kom hier naast mij zitten. Ik zal u den troon uwer moeder geven.
SALOME: Ik ben niet vermoeid, Tetrarch.
HERODIAS: Gij ziet hoe zij over u denkt.
HERODES: Brengt mij... Wat wil ik ook weêr? Ik weet het niet... O, ik herinner mij...
DE STEM VAN JOKANAÄN: De tijd is gekomen! Wat ik voorzegd heb, is geschied, zegt de Heere God. De dag waarvan ik gesproken heb, is gekomen.
HERODIAS: Beveel hem te zwijgen. Ik wil zijn stem niet hooren. Deze mensch braakt altijd smaadredenen tegen mij uit.
HERODES: Hij heeft niets tegen u gezegd. Bovendien is hij een zeer groot profeet.
HERODIAS: Ik geloof niet aan profeten. Kan een mensch zeggen, wat in de toekomst zal gebeuren? Niemand weet dat. Bovendien hoont hij mij altijd. Maar ik geloof dat gij bevreesd voor hem zijt. Ik weet zeer wel dat gij bevreesd voor hem zijt.
HERODES: Ik ben niet bevreesd voor hem. Daar is niemand voor wien ik bevreesd ben.
HERODIAS: Het is zoo, gij zijt bevreesd voor hem. Indien gij niet bevreesd voor hem waart, waarom levert gij hem niet over aan de Joden die al zes maanden lang hem opeischen?
EEN JOOD: Inderdaad, Heer, het zoû beter zijn hem aan ons over te leveren.
HERODES: Genoeg hierover. Ik heb u reeds mijn antwoord gegeven. Ik wil hem niet aan u overleveren. Hij is een man die God heeft gezien.
EERSTE JOOD: Dat is onmogelijk. Niemand heeft God gezien sinds den profeet Elias. Hij is de laatste die God gezien heeft. In dezen tijd verschijnt God niet meer. God verbergt zich. Dientengevolge komen groote rampen over ons land.
ANDERE JOOD: Eigenlijk weet men niet of de profeet Elias werkelijk God gezien heeft. Het was veeleer maar de schaduw van God, die hij gezien heeft.
DERDE JOOD: God verbergt zich nooit. Hij verschijnt voortdurend en in alle dingen. God is in het booze als in het goede.
VIERDE JOOD: Zeg dat niet. Het is een zeer gevaarlijke leer. Het is een leer die komt uit de scholen van Alexandria, waar men Grieksche wijsbegeerte onderwijst. En de Grieken zijn heidenen. Zij zijn zelfs niet besneden.
VIJFDE JOOD: Men kan niet zeggen hoe God werkt; zijn wegen zijn zeer geheimzinnig. Mogelijk is wat wij het booze noemen, het goede, en wat wij het goede noemen, het booze. Daar is niets dat men zeker weet. Wij moeten ons noodzakelijk aan alles onderwerpen. God is zeer geweldig. Hij breekt de sterken tezamen met de zwakken. Hij kent geen aanzien des persoons.
EERSTE JOOD: Dat is waar. God is schrikkelijk. Hij breekt de zwakken en de sterken zooals een man koren breekt in een mortier. Maar deze mensch heeft God nooit gezien. Niemand heeft God gezien sinds den profeet Elias.
HERODIAS: Gebied hun te zwijgen. Zij vervelen mij.
HERODES: Maar ik heb hooren zeggen dat Jokanaän niemand anders is dan uw profeet Elias.
EERSTE JOOD: Dat is niet mogelijk. Sinds de dagen van den profeet Elias zijn drie honderd jaren.
HERODES: Er zijn er die zeggen dat hij de profeet Elias is.
EEN NAZAREËR: Ik weet zeker dat hij de profeet Elias is.
EERSTE JOOD: Neen, hij is de profeet Elias niet.
DE STEM VAN JOKANAÄN: De dag is gekomen, de dag des Heeren, en ik hoor op de bergen de voeten van hem die de Heiland der wereld wezen zal.
HERODES: Wat beteekent dat? De Heiland der wereld?
TIGELLINUS: Het is een titel dien Caesar zich geeft.
HERODES: Maar Caesar komt niet naar Judaia. Ik heb gisteren brieven uit Rome ontvangen. Er stond niets daarvan in. En gij, Tigellinus, die gedurende den winter te Rome zijt geweest, gij hebt daarvan niets hooren verluiden, niet-waar?
TIGELLINUS: Inderdaad, Heer, ik heb er niet van hooren spreken. Ik verklaarde u enkel den titel. Het is een van Caesars titels.
HERODES: Caesar zoû niet kunnen komen. Hij is jichtig. Hij heeft, zegt men, voeten als die van een elephant. Ook zijn er staatsbelangen die het beletten. Hij die Rome verlaat, verliest Rome. Hij zal niet komen. Toch, Caesar is meester. Hij zal komen als hij wil. Maar ik denk niet dat hij komen zal.
EERSTE NAZAREËR: Niet van Caesar heeft de profeet gesproken, Heer.
HERODES: Niet van Caesar?
EERSTE NAZAREËR: Neen, Heer.
HERODES: Van wien heeft hij dan gesproken?
EERSTE NAZAREËR: Van den Messias die gekomen is.
EERSTE JOOD: De Messias is niet gekomen.
EERSTE NAZAREËR: Hij is gekomen, en hij doet overal wonderen.
HERODIAS: Ha! ha! Wonderen! Ik geloof niet aan wonderen. Ik heb er te veel gezien. (_Tot den page:_) Mijn waaier.
EERSTE NAZAREËR: Deze mensch doet waarachtige wonderen. Zoo bij gelegenheid van een huwelijk dat plaats vond in een vlek van Galilaia, een vrij groot vlek, heeft hij water in wijn veranderd. Menschen die er bij waren, hebben het mij verteld. Ook heeft hij twee melaatschen die zaten voor de poort van Capernaüm, genezen enkel door hen aan te raken..
TWEEDE NAZAREËR: Neen, het waren twee blinden die hij genezen heeft te Capernaüm.
EERSTE NAZAREËR: Neen, het waren melaatschen. Maar hij heeft ook blinden genezen, en men heeft hem op een berg zien spreken met engelen.
EEN SADDUCEËR: Engelen bestaan niet.
EEN FARIZEËR: Er bestaan wel engelen, maar ik geloof niet dat deze mensch met hen gesproken heeft.
EERSTE NAZAREËR: Een groote schare heeft hem met engelen zien spreken.
EEN SADDUCEËR: Niet met engelen.
HERODIAS: Hoe deze menschen mij ergeren! Zij zijn stompzinnig. Zij zijn volslagen stompzinnig. (_Tot den page:_) Hier, mijn waaier. (_De page geeft haar den waaier._) Gij staat te droomen. Gij doet beter niet te droomen. Het is ziekelijk om te staan droomen. (_Zij slaat den page met haar waaier._)
TWEEDE NAZAREËR: Ook is er nog het wonder met het dochtertje van Jaïrus.
EERSTE NAZAREËR: Zeker. Dat staat vast. Men kan het niet ontkennen.
HERODIAS: Die menschen zijn krankzinnig. Zij hebben zich aan de maan vergaapt. Zeg hun dat zij zwijgen.
HERODES: Wat is dat, het wonder met het dochtertje van Jaïrus?
EERSTE NAZAREËR: Het dochtertje van Jaïrus was dood. Hij heeft haar opgewekt.
HERODES: Hij wekt de dooden op?
EERSTE NAZAREËR: Ja, Heer, hij wekt de dooden op.
HERODES: Ik wil niet dat hij dat doet. Ik verbied hem dat te doen. Ik sta niemand toe de dooden op te wekken. Zoekt dezen mensch op en zegt hem dat ik hem niet toesta de dooden op te wekken. Waar is deze mensch op het oogenblik?
TWEEDE NAZAREËR: Hij is overal, Heer, maar het is zeer moeilijk hem te vinden.
EERSTE NAZAREËR: Men zegt dat hij op het oogenblik in Samaria is.
EERSTE JOOD: Men ziet licht dat deze de Messias niet is, wanneer hij in Samaria is. Tot de Samaritanen zal de Messias niet komen. De Samaritanen zijn vervloekt. Zij offeren niet in den tempel.
TWEEDE NAZAREËR: Hij heeft vóor enkele dagen Samaria verlaten. Ik geloof dat hij op dit oogenblik in de omstreken van Jerusalem is.
EERSTE NAZAREËR: Neen, daar is hij niet. Ik kom juist terug van Jerusalem. Men heeft daar in twee maanden niets van hem gehoord.
HERODES: Het komt er niet op aan! Maar zorgt dat gij hem uitvindt, en zegt hem uit mijn naam dat ik hem niet toesta de dooden op te wekken. Water in wijn veranderen, de melaatschen en de blinden genezen,--dat alles mag hij doen als hij wil. Ik heb daar niets tegen. In waarheid vind ik dat de melaatschen genezen een goed werk is. Maar ik sta hem niet toe de dooden op te wekken... Het zoû schrikkelijk zijn als de dooden terugkwamen.
DE STEM VAN JOKANAÄN: Wee de onkuische, de overspelige vrouw! Wee de dochter van Babel met haar gouden oogen en haar vergulde oogleden. Hoort wat de Heere God zegt. Laat tegen haar opkomen een menigte mannen. Laat het volk steenen opnemen en haar steenigen...
HERODIAS: Gebied hem te zwijgen.
DE STEM VAN JOKANAÄN: Dat de hoofdlieden der krijgsbenden haar doorsteken met hunne zwaarden, dat zij haar verpletteren onder hunne schilden.
HERODIAS: Neen maar het is schandelijk!
DE STEM VAN JOKANAÄN: Zoo zal ik de boosheid wegdoen van het aangezicht der aarde, en alle vrouwen zullen leeren hare verfoeiselen niet na te volgen.
HERODIAS: Hoort gij wat hij tegen mij zegt? Laat gij uwe gemalin honen?
HERODES: Hij heeft uw naam niet genoemd.
HERODIAS: Wat doet dat? Gij weet wel dat hij mij zoekt te honen. En ik ben uw gemalin, niet-waar?
HERODES: Voorzeker, waarde en edele Herodias, gij zijt mijn gemalin, en voordien waart gij de gemalin van mijn broeder.
HERODIAS: Gij hebt mij uit zijn armen weggerukt.
HERODES: Het is waar, ik was de sterkste... maar laten wij daarover niet spreken. Ik wil daarover niet spreken. Om oorzaak daarvan heeft de profeet woorden van verschrikking gesproken. Om oorzaak daarvan zal er nog een ongeluk gebeuren. Laten wij er niet over spreken... Edele Herodias, wij vergeten onze gasten. Vul mijn beker, mijn beminde. Vult met wijn de groote zilveren bekers en de groote glazen bekers. Ik wil drinken op Caesar. Er zijn Romeinen hier, en wij moeten drinken op Caesar.
ALLEN: Caesar! Caesar!
HERODES: Merkt gij niet op hoe bleek uw dochter is?
HERODIAS: Wat hebt gij daarmeê van-doen of zij bleek is of niet?
HERODES: Ik heb haar nooit zoo bleek gezien.
HERODIAS: Gij doet beter haar niet aan te zien.
DE STEM VAN JOKANAÄN: In dien dag zal de zon zwart worden als een haren zak, en de maan zal worden als bloed, en de sterren zullen van den hemel neêrvallen op de aarde als onrijpe vijgen afvallen van een vijgeboom, en de koningen der aarde zullen bevreesd zijn.
HERODIAS: Ha! Ha! Dien dag zoû ik wel eens willen zien, waarvan hij spreekt, wanneer de maan zal worden als bloed en de sterren op de aarde zullen vallen als onrijpe vijgen. Deze profeet spreekt als een beschonken man... Maar ik kan den klank van zijn stem niet uitstaan. Ik verfoei zijn stem. Gebied dat hij zwijge.
HERODES: Neen, neen. Ik begrijp niet wat hij gezegd heeft, maar het is mogelijk een voorspelling.
HERODIAS: Ik geloof niet in voorspellingen. Hij spreekt als een dronken man.
HERODES: Misschien is hij dronken van den wijn van God.
HERODIAS: Wat wijn is dat, de wijn van God? Uit welken wijngaard komt hij? In welken wijnpersbak kan men hem vinden?
HERODES: (_Hij laat geen oog meer af van Salome._) Tigellinus, toen gij laatstelijk te Rome waart, heeft de Keizer u toen gesproken over...?
TIGELLINUS: Waarover, Heer?
HERODES: Waarover? Ah, ik heb een vraag tot u gericht, niet-waar? Ik ben vergeten wat ik wilde vragen.
HERODIAS: Gij ziet weêr mijn dochter aan. Gij moet haar niet aanzien. Dat heb ik u reeds gezegd.
HERODES: Gij zegt niets anders.
HERODIAS: Ik zeg het nog eens.
HERODES: En de herstelling van den tempel, waarvan men zooveel gesproken heeft? Zal daar nu iets voor gedaan worden? Men zegt, niet-waar, dat het voorhangsel van het heilige der heiligen verdwenen is?
HERODIAS: Gij zelf hebt het weggenomen. Gij weet niet meer wat gij zegt. Ik wil hier niet langer blijven. Laten wij naar binnen gaan.
HERODES: Salome, dans voor mij.
HERODIAS: Ik wil niet dat zij danst.
SALOME: Ik heb geen lust tot dansen, Tetrarch.
HERODES: Salome, dochter van Herodias, dans voor mij.
HERODIAS: Laat haar met rust.
HERODES: Ik gelast u te dansen, Salome.
SALOME: Ik zal niet dansen, Tetrarch.
HERODIAS (_lachend_): Gij ziet hoe gehoorzaam zij u is.
HERODES: Het is mij om 't even of zij danst of niet. Het is mij om 't even. Ik voel mij gelukkig vanavond. Ik voel mij zeer gelukkig. Ik heb mij nooit zoo gelukkig gevoeld.
EERSTE SOLDAAT: De Tetrarch ziet somber. Niet-waar, hij ziet somber?
TWEEDE SOLDAAT: Ja, hij ziet somber.
HERODES: Hoe zoû ik mij niet gelukkig voelen? Caesar die de meester der wereld is, die meester van alles is, is mij zeer genegen. Hij heeft mij pas geschenken van groote waarde gezonden. Ook heeft hij mij beloofd naar Rome te dagen den koning van Kappadokia, die mijn vijand is. Mogelijk zal hij hem te Rome kruisigen. Caesar kan alles doen wat hij wil. Hij is heer en meester. Dus, gij ziet, ik heb het recht mij gelukkig te voelen. Er is niets ter wereld dat mijn vreugde bederven kan.
DE STEM VAN JOKANAÄN: Hij zal gezeten zijn op zijn troon. Hij zal bekleed zijn met purper en scharlaken. In zijne hand zal hij een gouden beker dragen vol van zijne godslasteringen. En de engel des Heeren zal hem slaan. Hij zal door de wormen gegeten worden.
HERODIAS: Gij hoort wat hij van u zegt. Hij zegt dat gij door de wormen zult gegeten worden.
HERODES: Hij spreekt niet van mij. Hij zegt nooit iets tegen mij. Van den koning van Kappadokia spreekt hij, van den koning van Kappadokia, die mijn vijand is. Die zal door de wormen gegeten worden. Niet ik. Nooit heeft de profeet iets tegen mij gezegd behalve dat ik verkeerd deed de gemalin van mijn broeder tot gemalin te nemen. Mogelijk heeft hij gelijk. Inderdaad zijt gij onvruchtbaar.
HERODIAS: Ik ben onvruchtbaar, ik? En gij zegt dat, gij die voortdurend mijn dochter aanziet, gij die haar zooeven hebt willen doen dansen voor uw genoegen? Het is belachelijk zoo iets te zeggen. Ik heb een kind gebaard. Gij hebt nooit een kind verwekt, zelfs niet bij een uwer slavinnen. Niet ik ben onvruchtbaar, maar gij.
HERODES: Houd u stil. Ik zeg u dat gij onvruchtbaar zijt. Gij hebt mij geen kind geschonken, en de profeet zegt dat ons huwelijk geen waarachtig huwelijk is. Hij zegt dat het een overspelig huwelijk is, dat ongeluk zal aanbrengen ... Ik vrees dat hij gelijk heeft. Ik voel dat hij gelijk heeft. Maar het is nu het oogenblik niet om daarover te spreken. Op het oogenblik wil ik uitsluitend gelukkig zijn. In waarheid ben ik het. Ik ben zeer gelukkig. Er is niets dat mij ontbreekt.
HERODIAS: Ik ben blijde dat gij in zoo goede stemming zijt vanavond. Het is uw gewoonte niet. Maar het wordt laat. Laten wij naar binnen gaan. Bedenk dat wij morgen bij zonsopgang allen op jacht gaan. Aan de gezanten van Caesar moeten wij alle eer bewijzen, niet-waar?
TWEEDE SOLDAAT: Hoe somber ziet de Tetrarch.
EERSTE SOLDAAT: Ja, hij ziet somber.
HERODES: Salome, Salome, dans voor mij. Ik smeek u, dans voor mij. Ik ben droefgestemd vanavond. Ja, ik ben buitengewoon droefgestemd vanavond. Toen ik hier kwam, ben ik uitgegleden in bloed, wat een slecht voorteeken is, en ik heb gehoord, ik weet zeker dat ik gehoord heb het slaan van vleugelen in de lucht, het slaan van reusachtige vleugelen. Ik weet niet wat dat beteekenen moet. Ik ben droefgestemd vanavond. Daarom dans voor mij. Dans voor mij, Salome, ik smeek er u om. Als gij voor mij danst, kunt gij mij vragen wat gij wilt en ik zal het u geven. O dans voor mij, Salome, en ik zal u geven alles wat gij mij vraagt, zelfs tot de helft van mijn koninkrijk.
SALOME (_staat op_): Gij zult mij geven al wat ik vraag, Tetrarch?
HERODIAS: Dans niet, mijne dochter.
HERODES: Alles, tot de helft van mijn koninkrijk.
SALOME: Gij zweert het, Tetrarch?
HERODES: Ik zweer het, Salome.
HERODIAS: Mijn dochter, dans niet.
SALOME: Waarbij zweert gij, Tetrarch?
HERODES: Bij mijn leven, bij mijn kroon, bij mijne goden. Al wat gij wilt zal ik u geven, tot de helft van mijn koninkrijk, als gij voor mij danst. O, Salome, dans voor mij.
SALOME: Gij hebt gezworen, Tetrarch.
HERODES: Ik heb gezworen, Salome.
SALOME: Alles wat ik vraag, tot de helft van uw koninkrijk?
HERODIAS: Dans niet, mijne dochter.
HERODES: Tot de helft van mijn koninkrijk. Gij zoudt bovenmate schoon zijn als koningin, Salome, indien het u behaagde de helft van mijn koninkrijk te vragen. Zoû zij niet bovenmate schoon zijn als koningin?... O, het is koud hier, daar is een ijskoude wind, en ik hoor... Waarom hoor ik in de lucht dat slaan van vleugelen? Het is alsof er een vogel, een groote zwarte vogel is, die omvliegt boven het terras. Waarom kan ik dien vogel niet zien? Het slaan zijner vleugelen is verschrikkelijk. De wind dien zijn vleugelen maken, is verschrikkelijk. Het is een kille wind ... Neen, het is volstrekt niet koud. Integendeel, het is zeer warm. Het is te warm. Ik ben benauwd. Schenkt water op mijn handen. Geeft mij sneeuw te eten. Maakt mijn mantel los. Snel, snel, maakt mijn mantel los ... Neen. Laat wezen. Het is mijn krans die mij hindert, mijn krans van rozen. De bloemen zijn als vuur. Zij nebben mijn voorhoofd verschroeid. (_Hij rukt zich den krans van het hoofd en werpt hem neêr op de tafel._) Ah, ik kom weêr op adem. Hoe rood zijn die bloembladen! Zij zijn als vlekken bloed op het tafellaken. Het is van geen belang. Men moet geen zinnebeelden vinden in al wat men ziet. Dat maakt het leven onmogelijk. Men doet beter te zeggen dat bloedvlekken even schoon zijn als rozebladen. Dat zoû veel beter zijn... Maar laten wij daarvan niet spreken. Nu voel ik mij gelukkig. Ik voel mij zeer gelukkig. Ik heb het recht mij gelukkig te voelen, niet-waar? Uw dochter gaat voor mij dansen. Niet-waar, gij gaat voor mij dansen, Salome? Gij hebt beloofd voor mij te dansen.
HERODIAS: Ik wil niet dat zij danst.
SALOME: Ik zal dansen voor u, Tetrarch.
HERODES: Gij hoort wat uw dochter zegt. Zij zal voor mij dansen. Gij hebt groot gelijk, Salome, dat gij voor mij danst. En wanneer gij hebt gedanst, vergeet niet te vragen al wat gij wilt. Al wat gij wilt zal ik u geven, tot de helft van mijn koninkrijk. Ik heb het gezworen, niet-waar?
SALOME: Gij hebt gezworen, Tetrarch.