Reizen En Vechten In Het Zuiden Van De Philippijnen De Aarde En
Chapter 3
Wij stegen in den vroegen morgen te paard en een uur later verlieten we den grooten weg, om een half uur verder naar het oosten een kamp van dwangarbeiders te gaan bezoeken, niet ver van de watervallen der rivier Agus. Die vallen zijn zonder twijfel de hoogste der wereld, want ze stroomen van een verticale hoogte van 200 meter. Ongelukkig is het volume water, vooral in het droge jaargetijde maar gering, zoodat de waterval niet kan vergeleken worden met den Niagaraval of dien van de Zambezi. Toch is het schouwspel van de kloof indrukwekkend; de wanden zijn begroeid met een warreling van klimplanten, bestraald door den regenboog, dien de zon in den waterval te voorschijn toovert.
Na een rit van zes uren, die een aanhoudend stijgen was, kwamen we aan het kamp van Keithley, de voornaamste vestiging van militairen aard op het eiland; een bergbatterij en het geheele 15de infanterieregiment waren er opgesteld. Wij vernamen, toen we afstapten, dat de krijgsverrichtingen tot dien tijd nog geen resultaat hadden opgeleverd; de Moro's bleven ongrijpbaar, en de afdeeling van het 15de, die te hunner vervolging was uitgezonden, was naar den oever van het meer moeten terugkeeren, om zich van proviand te voorzien. Zij zouden versterking ontvangen van een compagnie, die den volgenden dag zou vertrekken en waar ik mij bij zou mogen aansluiten.
De overtocht over het meer werd volbracht met oude kanonneerbooten, die de officieren van den spaanschen generaal Weyler indertijd tot boven op het plateau hadden opgesleept met ongeloofelijke moeite; maar ze hadden hun booten liever laten zinken, dan dat zij ze aan de Amerikanen overlieten, toen het tractaat van Parijs hen noodzaakte de Philippijnen te ontruimen.
Men was er in geslaagd, de booten weer te lichten; en ondanks een verblijf van vier jaren onder water, waren ze nog in zeer goeden staat en konden onmiddellijk weer worden gebruikt. De overtocht duurde een uur; na een bezwaarlijke ontscheping voegden wij ons bij de compagnie, die ons op het strand wachtte en gingen toen dadelijk op weg, afgaande op het kompas naar een punt aan den bovenloop van de rivier Malaig, waar een verzameling gewapende Moro's dicht bij een dorp was gesignaleerd. Niets is lastiger dan een expeditie van dezen aard; om beurten zakten wij tot de knieën in de modder van de rijstvelden, moesten door plaatsen van laag water waden met de golfjes kabbelend tot ons midden, trokken door rietvelden, die als bosschen vier meter hoog waren, om daarna weer een steilen heuvel te beklimmen en op den top een inlandsche versterking of cotta te doorzoeken, die door de Moro's in den steek was gelaten.
Daar werden dan vrij groote hoeveelheden levensmiddelen, als rijst en comotes of zoete aardappelen vernietigd, en vervolgens werd de tocht hervat door de cogone, een dichten plantengroei van doornstruiken, zoo opeengehoopt, dat iedere twintig meter de voorman, die het vermoeiende werk had te doen, om voor de colonne een weg te banen, moest verwisseld worden. Na twee uren worstelens kwamen we uit die wildernis en ontdekten toen gauw de rivier en eenige hutten van inlanders.
De colonne plaatste zich dadelijk in gevechtsstelling; maar men bemerkte, toen men het gevaarlijke punt naderde, dat de Moro's ons niet hadden afgewacht; wij vonden er integendeel een amerikaansch detachement, dat ons hielp de dorpen te verbranden. Wij dachten op die plek ons bivak op te slaan, maar de aanwijzingen van den troep, dien wij zoo juist hadden ontmoet, gaven den chef van onze colonne hoop, de hand te kunnen leggen op een vijandelijke groep en de marsch werd hervat.
Hier verlieten wij de vlakte, om ons in een bergachtig terrein te wagen, dat met kloven was doorsneden en bedekt met bosch. Het pad, dat wij in den aanvang volgden, verdween na korten tijd, en wij moesten ons een weg banen dwars door lianen en struiken. Des avonds waren we eenige kilometers in het binnenland binnengedrongen, en hadden slechts een half dozijn inlanders ontmoet, afzonderlijke menschen, die bij onze nadering de vlucht namen en van wie twee met geweerschoten gedood werden.
Het kamp werd midden in het bosch opgeslagen; de dragers haalden in hun lange bamboekokers water, waarmee wij een frugaal maal van spek en beschuit besproeiden, het gewone rantsoen van den amerikaanschen soldaat te velde. De nacht ging zonder incidenten voorbij, en den volgenden dag begaven we ons weer terug naar het meer, dat door de colonne werd bereikt bij de monding van de rivier Sauir. De kanonneerboot voegde zich daar bij ons; er stapte een officier van den staf uit en vertelde ons, dat daar de andere afdeelingen geen beter resultaten hadden verkregen dan wij, de kolonel, die de troepen in de provincie aanvoerde, het bevel had gegeven, de vervolging te staken en de soldaten naar hun garnizoenen te doen terugkeeren. De krijgsverrichtingen hadden tien dagen geduurd; er waren een twintigtal oproerlingen gedood en bijna al hun dorpen verbrand, terwijl de Amerikanen slechts twee man hadden verloren, van wie één verdronken was.
Ik kwam weer te Keithley met de troepen aan en stak het meer opnieuw over, om mij naar het Vicarskamp te begeven, aan het einde van den weg, die van Malabang komt, de haven op het zuidelijke punt der landengte. Een nieuw escorte en een paard stonden bij de aanlegplaats op mij te wachten; mijn kist met levensmiddelen werd op een pakezel geladen, die in galop voor ons uitging. Na twee uren klimmens in den nacht kwamen we bij den post, die na eerst de voornaamste op de Philippijnen te zijn geweest, thans nog twee compagnieën bevat. Ik bracht er den nacht door. Den overtocht over de Lanaolandengte volbracht ik den volgenden dag in een wagen van den troep, die leeg naar Malabang terugging; de weg, die, tegen de amerikaansche gewoonte, zeer goed was onderhouden, gaat door een prachtig, tropisch woud, dat even weelderig is als de bosschen op Java. Nog dien eigen avond was ik te Malabang, een stadje van ongeveer vier honderd inwoners, half Philippino's, half Moro's.
De gebrekkige inrichting van het scheepvaartverkeer dwong mij hier tot een derde periode van werkeloosheid, in afwachting van een boot voor Manilla, die Malabang aandeed. Ondanks de twee belangwekkende uitstapjes, die ik op het eiland Mindanao kon doen, was het mij een teleurstelling, dat ik geen enkel gevecht had bijgewoond en ik zag zonder geestdrift het oogenblik naderen, waarop ik de provincie Moro zou moeten verlaten, om platzak in de hoofdstad terug te keeren.
Op den dag van mijn vertrek kwamen de officieren van het garnizoen in de club samen, om mij goede reis te wenschen. Wij zaten allen aan tafel, toen de bevelvoerende kolonel buiten adem kwam aanloopen, met een papier zwaaiend. Het was een telegram, dat hij juist van het hoofdkwartier had ontvangen en dat hij ons liet lezen, zoodra een glas whisky hem op zijn verhaal had gebracht. Hem werd bevolen, dienzelfden dag twee compagnieën infanterie en een half escadron onder bevel van kapitein Rivers te laten vertrekken naar het eiland Jolo, waar een gevecht onvermijdelijk was geworden. Een storm van toejuichingen ontving het telegram, en terwijl de getrouwde officieren, die voor den tocht waren aangewezen, gauw verdwenen, om afscheid te nemen van hun gezinnen, ledigden de ongetrouwden de kelders van de club en dronken op hun toekomstige heldendaden.
Des avonds had de inscheping der troepen plaats, en daar men de voorzorg had genomen, het materieel te voren te pakken, ging alles vlug en goed in de volslagen duisternis. Onze boot was een kleine stoomer, de _Busuanga_, van zoo wat 200 tonnen inhoud en kustbewaker gedoopt, zeker omdat er een mitrailleuse aan boord was. Er zijn twaalf schepen van dien aard op de Philippijnen; alle onder het bevel van vredelievende kapiteins van de groote vaart. Ze worden gebruikt voor het vervoer van ambtenaren en reizigers naar de kleine eilanden van den Archipel, waar de geregeld varende booten niet komen.
Op de _Busuanga_ is plaats voor elf passagiers, en wij waren aan boord met 260 man. Het was er niet om uit te houden, en men kon geen vin verroeren. De soldaten lagen mannetje aan mannetje, en enkelen konden zich niet eens flink uitstrekken, en telkens als men zich even wilde verplaatsen, moest men over de slapers heen stappen, met gevaar van iemand te trappen. Wat de officieren aangaat, die waren genoodzaakt, den geheelen nacht op te blijven in de kleine hut, die als salon dienst deed. Den volgenden morgen werd de situatie er niet beter op door een vrij harden wind, die ons aangreep van ter zijde nadat we de Basilanstraat door waren. Wij schepten herhaaldelijk stortzeeën, maar de lastige douches deden geen afbreuk aan de vroolijkheid der soldaten. Zij waren blij met dien eigenaardigen doop, die hen voor het vuur der Moro's zou beveiligen.
Om zes uur in den avond van den 3den Maart kwamen wij in de kleine haven van Jolo en sprongen aan land, gelukkig de beenen eens te kunnen strekken na onze 22 uren van gedwongen stilzitten. Wij werden verdeeld over de verschillende woningen van het dorp; ik werd de gast van den eskadronchef Wilcox, commandant van de plaats, die zich haastte mij op de hoogte te brengen van den stand van zaken en van de gebeurtenissen, die onze expeditie noodig hadden gemaakt.
De Moro's van Jolo zijn de dweepziekste van den geheelen Archipel. Ondanks hun gering aantal van ten hoogste twintig duizend, met inbegrip van de uit Borneo gekomenen, hebben ze altijd den Spanjaarden veel last bezorgd en hun ook wel verliezen berokkend. Toen in 1902 de sultan van Jolo zich aan de Amerikanen onderwierp, lieten hem zijn onderdanen in den steek en weigerden gehoorzaamheid aan iemand, die de slaaf der christenen was geworden en wiens gezag zij dus niet langer konden erkennen. Sedert dien is het eiland nooit volkomen tot rust gebracht. Eenige maanden geleden weigerde een der voornaamste hoofden, de dato Addam, voor zijn stam het hoofdgeld te betalen en versterkte zich op den top van een vulkaan, een uitgedoofden wel te verstaan, den Dajo.
Na vruchtelooze onderhandelingen stond men hem toe, te blijven in zijn fort en hetgeen hij met de betaling achter was niet te storten, op voorwaarde, dat zijn stam zich rustig hield en geen overlast aandeed aan de onderworpen stammen in den omtrek. Alles ging eenigen tijd goed, maar weldra begonnen de bewoners van den Dajo, die de verzoeking niet konden weerstaan, razzia's te houden bij hun buren. Eenige dagen vóór onze aankomst vermoordde een juramentado, dat is iemand, die op den Koran heeft gezworen niet te sterven eer hij een Christen heeft vermoord, met messteken een Philippino en twee soldaten van het amerikaansche leger, die een luchtje schepten voor de poort der stad. De schuldige was niet gevat, maar zijn signalement was bekend en hij werd van den dato opgeëischt. Deze antwoordde, dat hij rondom zijn verblijf onneembare barricaden had opgericht, dat hij lachte om alle Amerikanen der wereld en hen uitnoodigde, zich eens van hun onmacht rekenschap te komen geven.
Terstond werd er besloten, de onbeschaamdheid van het rebellische hoofd te straffen, vooral omdat hij straffeloosheid en een schuilplaats waarborgde aan alle misdadigers van het land. Het garnizoen van Jolo, dat enkel uit een eskadron en een batterij bestaat, was nauwelijks voldoende om de plaats zelve te verdedigen en daarom waren er versterkingen gevraagd aan alle posten in de Moro-provincie, om een marschvaardig corps te vormen onder bevel van kolonel Duncan van het 6de infanterie. Dat corps omvatte een compagnie morosoldaten, vijf compagnieën amerikaansche infanterie, een eskadron cavalerie, vier veldstukken en drie mitrailleuses.
Den volgenden morgen in de vroegte vertrok de chef der expeditie met een klein gevolg van ruiters, gidsen en enkele inlandsche helpers, om de omgeving van den berg te onderzoeken en een plan van optreden te ontwerpen; hij had mij uitgenoodigd hem te vergezellen. De Moro's zijn niet gewoon, in de vlakte te vechten, en bepalen er zich steeds toe, den vijand af te wachten achter hun verschansingen. Zoo kwam ook onze troep ongestoord aan den voet der hoogte, die op 12 kilometer afstands van de stad was gelegen. De hellingen van den berg Dajo, die buitengewoon steil waren en begroeid waren met een onontwarbaar struikgewas, konden alleen worden bestegen langs drie voetpaden van maar eenige decimeter breedte. Wij bezochten achtervolgens de plaatsen, waar die paadjes in de vlakte uitliepen; er werden bronnen in de buurt gezocht, opdat de troepen er hun kampen konden opslaan, en toen riep de kolonel de drie oudste officieren tot zich. Ieder van hen moest een colonne aanvoeren en zou den volgenden dag met zijn detachement overgaan tot de beklimming van den berg langs het hem aangewezen pad. Voorloopige maatregelen werden genomen, en wij kwamen in den namiddag te Jolo terug.
Den volgenden avond begaven de drie colonnes zich op weg, vroeg genoeg om de tenten te kunnen opslaan en de verkenning van het terrein te kunnen voltooien, eer de zon was opgegaan. De staf, waar ik mij bij bevond, kwam eerst op het terrein tegen het midden van den dag. Het gevecht was al aan den gang tegen de moro'sche voorposten, die over de helling waren verspreid en handgemeen waren met de voorposten der drie afdeelingen, genoemd de colonne Rivers, Bundy en Lawton, naar de namen der aanvoerders.
Wij bezochten eerst den laatsten troep, die reeds twee man buiten gevecht had moeten stellen. Om het oprukken te vergemakkelijken, liet de kolonel het vuur openen uit twee bergstukken, gericht op de versterking van palen, die men duidelijk kon zien op den rand van den krater. Maar het verschil in niveau van ongeveer 600 meter was zeer hinderlijk bij het schieten, dat dan ook weinig uitwerking scheen te hebben.
Ik vroeg en verkreeg verlof, mij bij de colonne Rivers te voegen, die bestond uit mijn vrienden uit Malabang en ik kwam ongeveer een uur later bij hun kamp aan. De krijgsverrichtingen waren hier nog veel minder ver gevorderd; want de verkenning was bemoeilijkt door het vuur van een barricade, die niet was opgemerkt den vorigen avond en die slechts 200 meter boven de vlakte lag. Kapitein Rivers, die zonder achterdocht met zijn mannen van dien kant naderde, werd getroffen door een kogel uit een Remingtongeweer, die hem de knie doorboorde en toen bleef zitten tusschen het been en de slobkous. Ik voegde mij bij hem, toen hij getransporteerd werd naar zijn tent; na een eerste verband steeg hij te paard en keerde naar de stad terug, het bevel over zijn eskadron aan commandant overlatend. Het overige van den dag verliep met kleine schermutselingen zonder veel effect. De wond van kapitein Rivers maakte, dat ik zijn tent kon erven en zijn veldbed, waarin ik een heerlijken nacht doorbracht. Den volgenden morgen in de vroegte werd ons een bergstuk toegevoegd, dat de colonne-chef had gerequireerd en dat hij onder mijn bevelen plaatste, met bevel de eerste barricade te bombardeeren, terwijl twee pelotons zich er van zouden trachten meester te maken door een omtrekkende beweging, die mogelijk was, doordat de helling hier betrekkelijk zwak was. Ik liet het stuk op een heuveltje plaatsen op ongeveer 1200 meter afstands van het doel; een dozijn kogels waren voldoende om de Moro's te verjagen uit hunne verschansing, en wij zagen ze weldra weer den berg opgaan en achter de boomen verdwijnen. De vesting werd intusschen eerst tegen den middag bezet, ten gevolge van de natuurlijke hindernissen, die de infanterie ontmoette bij het stijgen door het struikgewas.
Kapitein Köhler zond mij heen, om over dit eerste succes aan den bevelhebber der expeditie rapport te brengen. Ik moest naar het kamp van de colonne Bundy gaan. Na mijn rapport te hebben uitgebracht, gaf de kolonel zijn definitieve instructies. De colonnes Lawton en Bundy zouden den volgenden morgen bij zonsopgang aanvallen; de colonne Rivers zou er zich toe bepalen haar tegenwoordige positie te bewaren. De bevelen van den chef der expeditie deden mij besluiten, mij onverwijld te voegen bij het detachement Bundy, en dadelijk begon ik het steile pad te beklimmen, dat door hem gevolgd was. Met mij ging een afdeeling dragers, die de vechtenden van water en levensmiddelen moest voorzien. De bestijging was zeer bezwaarlijk; men moest bijna voortdurend zijn handen gebruiken en zich aan de wortels vastgrijpen, om naar boven te komen. Hier en daar waren zelfs touwen opgehangen, waar de soldaten zich aan konden optrekken tegen enkele zoo goed als loodrechte einden.
Na twee uur krabbelens voegde ik mij bij den staart van de colonne, die in ganzenmarsch omhoog trok. De voorhoede werd gevormd door inlandsche militie, die met geregelde tusschenpoozen geweerschoten wisselde met de groote afdeeling op den top, die men door het gebladerte kon onderscheiden. Ze vonden daar een groote barricade van een twintigtal meters lengte en een omheining van 2 1/2 meter hoogte. Een minder belangrijke versterking, die iets lager het voetpad versperde, was reeds in de handen der Amerikanen gevallen, maar alle pogingen, om er voorbij te komen, hadden schipbreuk geleden en hadden het leven gekost aan vele soldaten, die door de Moro's waren getroffen uit de hinderlagen en door de bamboesschietgaten in de omheining.
Bij de ontvangst der laatste bevelen verzamelde commandant Bundy al zijn officieren, om de regeling van den aanval te treffen. Het detachement der inlandsche politie zou voorop gaan, gesteund door twee compagnieën amerikaansche infanterie; twee secties infanterie en het peloton cavalerie zouden in reserve blijven. Toen de laatste voorschriften aldus gegeven waren, ging men over tot het nuttigen van den mondvoorraad, dien ieder van ons bij zich had. Dergelijke maaltijden zijn zelden vroolijk; hoe dapper en hoe opgewekt de aanzittenden ook mogen wezen, zij kunnen niet laten, hun gedachten van tijd tot tijd te richten op het gevecht van den volgenden dag en zich af te vragen, of de maaltijd van dien dag hen weer te zamen zal brengen. De nacht ging zonder incidenten voorbij, ondanks de nabijheid van den vijand, die ons nu en dan eenige schoten toezond uit hun kleine kanonnen, met uitdagingen en scheldwoorden er tusschen.
Den volgenden morgen was ieder bij de hand lang voordat de zon opging, ieder op zijn gevechtspost. Eindelijk gaven vijf kanonschoten uit de vlakte het afgesproken teeken. Kapitein White, chef van de inlandsche compagnie, stelde zich aan het hoofd van den troep en begon onder een zeer levendig vuur de bestrijking van de 50 meter terrein, dat open lag tusschen hem en de versterking. De steilheid van de helling meer nog dan het vuur van den vijand maakte de vorderingen uiterst langzaam; gelukkig werd het pad breeder en wij konden dus een paar man in linie opstellen, om het vuur van de moro'sche schutters te beantwoorden.
Die laatsten, niet tevreden met hun tegenstanders dood te schieten door de schietgaten, klommen weldra op de omheining en schoten erover heen. Van onzen kant werden allen neergeschoten, die zich door hun dweepzucht tot onvoorzichtigheid lieten verleiden. De inlandsche militie leed groote verliezen, en spoedig moesten de beide hulpcompagnieën aanrukken tot steun. Op dat oogenblik was kapitein White aangekomen bij de barricade, die hij ging beklimmen met zijn sergeant majoor en een soldaat; alle drie vielen voor ze den top hadden bereikt. Het amerikaansche voetvolk slaagde er ten koste van groote verliezen in, de steilte te bestijgen met de inlandsche soldaten, die even waren teruggeweken, toen hun chef buiten gevecht was gesteld evenals hun onderofficieren; de stoutmoedigsten waren weer aan den voet der versterking gekomen, toen een twintigtal Moro's zich met het blanke wapen in de hand tusschen hen stortten en het gevecht man tegen man begon. De bajonetten en pistolen van de officieren weerden dien tegenaanval af; maar toch werd de toestand kritiek voor de Amerikanen; een onafgebroken reeks gewonden begon het pad af te dalen en veel dooden lagen boven op het plateau.
Commandant Bundy liet toen zijn reserve aanrukken, die zich naar de beide hoeken van de gevechtscolonne begaf en den aanval blies. Een kapitein, twee luitenants en een sergeant bereikten het eerst de verschansing; de sergeant werd gedood door een kogel, de beide luitenants vielen ernstig gewond neer; maar kapitein Ryther bleef overeind en schoot zijn revolver op de verdedigers af. De dato Addam, die een kind van enkele maanden op zijn linker arm had, wierp zich op den amerikaanschen kapitein en hief zijn kris op om hem te treffen, toen hij, door vele kogels getroffen, terugviel. De omtrekkende beweging was aan den rechterkant gelukt, en de soldaten, die met hun karabijnen binnendrongen in de versterking, waren er weldra meester van het terrein. Geen van de Moro's dacht erover te vluchten en allen stierven met de wapens in de hand; de gewonden zelfs hieven zich nog op, om een laatste schot te lossen op den overwinnenden vijand. Er werden 175 lijken geteld in de omheinde ruimte en op de helling aan den anderen kant van den krater.
Nauwelijks meesteres van dit deel van den berg, zag de colonne Bundy zich blootgesteld aan een frontaanval, komend uit de versterkingen bij de beide andere voetpaden, waarvan zij gescheiden was door een diepe kloof. De inlandsche militie, die veel geleden had, werd in veiligheid gesteld, terwijl de Amerikanen zich richtten naar de Moro's tegenover de colonne Lawton. Door een onverklaarbaar misverstand had deze geen enkele mededeeling van kolonel Duncan ontvangen en bleef werkeloos op bevelen wachten. Eerst tegen drie uur in den namiddag kwam een triomfgeschreeuw ons berichten, dat zij ook haar werk had verricht. Weldra zagen wij onze wapenmakers op den top, terwijl ze met bajonetsteken de Moro's afmaakten, die ons zooveel last hadden gegeven in de laatst verloopen uren.
Er bleef nu nog slechts een enkele versterking te vermeesteren, namelijk een bastion, het sterkste van alle, op de hoogte van het derde voetpad. Op dat oogenblik werd, ik weet niet hoe, een bergkanon opgeheschen en een mitrailleuse, waarna de artillerie onmiddellijk aan het bombardement van de laatste colta begon, terwijl de rest van onze troepen de gevallen Moro's begroeven of in den afgrond wierpen, want we waren op vier graden afstands van den aequator en de lijken gingen dadelijk tot ontbinding over.
Het artillerievuur had het garnizoen van de Moro-versterking sterk gedund en toen de verdedigers zagen, dat ze overwonnen waren, besloten ze te sterven. Zij kwamen langzaam naar buiten uit hun citadel, schaarden zich duidelijk in het gezicht op den top en hieven toen, zich het hoofd met hun mantels bedekkend, het doodenlied aan. Het vuur van geweren en mitrailleuses velde de ongelukkigen met één slag; in enkele minuten was alles afgeloopen.
De zon ging onder. Op de hoogte, waar we waren, is het des nachts geducht koud, en daar wij allen onze dekens hadden afgestaan, om er draagbaren voor de gewonden van te maken, konden we niet aan slapen denken. Den geheelen nacht trachtten we te vergeefs ons te verwarmen rondom brandende boomstammen, maar de rook verstikte ons bijna, zonder ander gevolg. Bij zonsopgang begaf het detachement Lawton zich op marsch, om den vijand in zijn versterking te overvallen, maar werd door een onverwacht geweervuur ontvangen. Een dertigtal Moro's waren binnen in de vesting gebleven, vastbesloten, om nog eenige christenen te dooden, eer ze zelf stierven. Geen van hen had getracht in den nacht te ontvluchten, wat hun gemakkelijk zou zijn gevallen, door gebruik te maken van een vierde voetpad, dat eerst later ontdekt werd en dat niet bewaakt werd, want onze gidsen wisten niets van zijn bestaan af. De tactiek van den vorigen dag herhalend, verlieten die wanhopigen de citadel, om zich met hun krissen op de aanvallers te storten, maar allen stortten dood neer, eer ze de Amerikanen hadden bereikt.