Reizen En Vechten In Het Zuiden Van De Philippijnen De Aarde En

Chapter 4

Chapter 41,543 wordsPublic domain

De laatste verdedigers van den berg Dajo waren bezweken, toen wij op den bergtop generaal Wood zagen verschijnen, vergezeld door zijn staf, met het plan het gevecht bij te wonen, waarvoor ze met opzet uit Manilla waren gekomen. Hij gaf aan kleine colonnes bevel, den heelen krater te doorzoeken en ook de hutten en schuilplaatsen, die nog niet verbrand waren. Een uur daarna kwamen de soldaten terug, beladen met trofeeën, krissen, lansen, geweren, zijden stoffen, tabaks- en beteldoozen. Daarna daalden wij den berg af, wat een gevaarlijk werkje was voor de zwaar beladen soldaten.

Wij vonden onze paarden in de vlakte terug en sloegen dadelijk den weg naar de stad in. De expeditie was den Amerikanen op het verlies van 90 man te staan gekomen, terwijl buiten gevecht gesteld waren een totaal van 500 man. Bijna al die verliezen waren door de colonne Bundy geleden, daar de twee andere samen maar 20 man uit de gelederen misten. Het zwaarst beproefd was de inlandsche militie, die niet minder dan 30 percent had verloren. Geen der officieren was gedood, maar zeven van hen waren in het hospitaal opgenomen, daar ze meer of minder zwaar gewond waren, onder hen kapitein White, gewond in de kuit. Van den vijand was er niemand ontkomen.

De troepen, die niet thuis behoorden in het garnizoen te Jolo, werden terstond ingescheept voor de posten, waar ze vandaan kwamen. Ook moesten alle gewonden, die vervoerd konden worden, naar Zamboanga worden getransporteerd, want in het hospitaal van Jolo was geen plaats genoeg. Geheel Zamboanga wachtte ons bij aankomst in spanning af, want geen telegraafkabel verbindt die plaats met Jolo en ieder kwam berichten inwinnen van een kameraad of een familielid. Wij konden de familiën der officieren gauw gerust stellen, doordat geen der hunnen in levensgevaar verkeerde. De dokters stonden voor het leven van kapitein White in, daar de bloeding bijtijds gestuit was. De inboorlingen daarentegen klaagden luid en trokken zich de haren uit, naar mohammedaanschen trant.

Generaal Wood scheepte zich met zijn staf dienzelfden avond in naar Manilla; drie dagen later legden wij aan bij dezelfde kade, die ik vijf weken te voren zoo overhaast had verlaten. De tijd, dien ik mij voor de Philippijnen had gegund, was reeds overschreden; ik vertrok dus naar Hongkong, niet zonder leedwezen het mooie land verlatend, waar ik door de vriendelijkheid der autoriteiten zooveel belangwekkends had mogen hooren en waar ik enkele van de meest bewogen uren van mijn leven had doorgebracht.

De Ajita's of Aeta's van de Philippijnen.

Wanneer men de Europeanen en de Chineezen uitzondert, kan men de bewoners van de Philippijnen tot twee rassen brengen, de Maleiers en de Negrito's, de eersten, die uit Malakka en andere zuidelijker streken zijn gekomen, en de Negrito's, wier afkomst nog niet met zekerheid bekend is. Negrito's, dat is kleine negers, werden ze door de Spanjaarden genoemd naar hun kleine gestalte en donkere huidskleur.

Hun eigenlijke naam was op Luzon Ajita's of Aëta's. Ofschoon ze vroeger in groot aantal het eiland bewoonden, treft men ze tegenwoordig enkel aan in de bosschen van het binnenland. Ze zijn klein, gemiddeld 1.40 meter groot, zijn goed gebouwd en over het algemeen niet leelijk, alleen is de neus zeer breed en plat. Hun haar is wollig als dat der Papoea's op Nieuw-Guinea.

De Ajita's leven van de jacht en van wat het bosch hun aan vruchten levert. Aan landbouw doen ze nog niet, en hun wapens bestaan eenvoudig uit pijl en boog en scherpgepunte lansen. Maar de uitwerking dezer wapens weten ze te versterken door planten-vergiften. In vroeger jaren moeten de Ajita's in voortdurenden strijd met de omwonende volken hebben geleefd, wat thans niet meer het geval is. Hooge ambtenaren in Manilla hielden vooral een twintig of dertig jaren geleden wel Ajita-bedienden, die flink en ijverig waren, maar het toch op den duur niet in de beschaafde wereld konden uithouden en naar hun bosschen terug verlangden.

Reizigers achten het noodig, voorzichtig te zijn, als ze met de Ajita's in aanraking komen, maar wat A.B. Piehler in het tijdschrift Globus van hen vertelt, is niet afschrikwekkend. Wanneer men hun vriendelijk tegemoet komt en geschenken meebrengt, zijn ze tot toeschietelijkheid te bewegen. Piehler trok er met een vriend en een tolk op uit, om hun levenswijze te leeren kennen en werd voorkomend ontvangen.

In het bosch zich tusschen boomen en struiken een weg banend, troffen ze plotseling een groep van ongeveer dertig Ajita's, mannen en vrouwen van verschillenden leeftijd. Zooals ze daar aan den oever van een riviertje om een groot vuur lagen, zagen ze er woest uit. Op aanraden van onzen maleischen tolk traden wij moedig op hen toe, en de tolk wist hen te doen begrijpen, dat we goede bedoelingen hadden. Hij liet hun eenige pakjes sigaren zien, die wij in de hand hielden, om ze te verdeelen. Toen ze dat hadden begrepen, gingen ze op een rij staan en wij verdeelden de begeerde lekkernij op de eerlijkste wijze. Na de verdeeling was de vriendschap gesloten; ze schenen ons te vertrouwen en namen hun plaatsen om het vuur weer in.

In de nabijheid van het vuur hing een gedood hert aan den boom. Het hoofd sneed drie groote stukken er voor ons van af en wierp ze in het vuur, om ze na een oogenblik eruit te halen en ons aan te bieden. Van buiten was het vleesch zeer verbrand en met asch bedekt, terwijl het van binnen nog rauw en bloederig was. Wij vreesden door tegenzin te toonen onze gastheeren te krenken, en daar wij met hen op goeden voet wilden blijven, schikten we ons in het onvermijdelijke en aten ons wildbraad, waarvan per slot van rekening de smaak nog zoo kwaad niet was.

De kleine menschen waren ons nu zeer gunstig gezind en door den tolk vroegen de vreemden naar gebruiken en gewoonten van den stam. Ze leven in groepen van hoogstens vijftig personen onder een hoofd, hebben geen vaste woonplaatsen, maar trekken door de dichte bosschen, waar het wild hen lokt.

Hun hutten zijn uiterst primitief, en steeds brandt er een vuur, waaromheen de ouden en de kinderen zich ophouden, als de anderen op de jacht zijn. De oudste van een schaar Ajita's is het hoofd, en over het geheel worden de oude lieden vereerd. Elke man heeft slechts één vrouw, en beide echtgenooten hechten veel aan de huwelijkstrouw. Zoodra een jonge Ajita trouwen wil, vraagt hij de ouders van zijn uitverkorene om hun toestemming. Dan zenden dezen het meisje op een vooraf bepaalden dag vóór zonsopgang in het bosch, en een uur later gaat de jongeling ook daarheen, om haar te zoeken. Heeft hij het meisje gevonden en keert hij met haar vóór zonsondergang terug, dan stemmen de ouders toe. In het andere geval, als hij dus alleen terug komt, moet hij van het meisje afzien. Hieruit blijkt wel, dat hier de keus een recht van het meisje is, want zij kan zich gemakkelijk verschuilen, dat ze niet gevonden wordt, of weigeren met hem naar haar ouders terug te keeren.

Bij de Ajita's heerscht nog een eigenaardig gebruik, dat ook op Nieuw-Guinea bij eenige volksstammen voorkomt, wat zou kunnen bewijzen, dat de Negrito's aan de Papoea's verwant zijn. Zoodra namelijk iemand sterft, zijn zijn kameraden verplicht, hun wapens op te nemen en het land in te trekken, tot ze een levend wezen ontmoeten, dat ze dan, onverschillig of het een mensch of een dier is, moeten dooden. Als ze op zoo'n vervolgingstocht uit zijn, knakken ze de takken van de boomen op een bijzondere manier en waarschuwen aldus ieder, hen niet in den weg te komen. Zelfs een lid van hun eigen stam zou ontwijfelbaar een kind des doods zijn, als ze hem als eerste ontmoeten na een sterfgeval. Dit gebruik is voor ieder een waarschuwing, voorzichtig te wezen bij het reizen door het gebied der Ajita's.

Tot aan de grenzen van het oerwoud vergezelden de kleine boschbewoners de duitsche reizigers, die tot afscheid nog een paar braadpannen en twee kleine revolvers cadeau gaven, zoodat de wilden overgelukkig afscheid namen. Toen de Europeanen naar Manilla terug keerden, werden ze daar door allen benijd, daar het tegenwoordig aan niet velen vergund is, met deze boschmenschen in aanraking te komen.

Wat de Chineezen eten.

Vaak wordt gezegd, dat rijst het hoofdvoedsel van de Chineezen is, maar dat is slechts tot op zekere hoogte waar. De rijke en welgestelde klassen van de talrijke bevolking verorberen inderdaad veel rijst en misschien kan die graansoort wel voor hen als hoofdvoedsel gelden, maar de massa van het volk en vooral de plattelandsbevolking, die alleen nu en dan rijst eet, zooals in Europa de armere klassen niet geregeld vleesch eten. Het voornaamste voedsel is er gierst, in water gekookt, dan maïsmeel, tarwemeel en sorghomeel, (ook een korensoort) terwijl eveneens veel groenten worden gegeten, rauw of onvoldoende gewasschen.

De Chineezen eten weinig vleesch behalve in den tijd van het Nieuwe Jaar, de periode van smulpartijen. Daarentegen worden in China ook door de armere klassen der bevolking zeer veel eieren genuttigd, die hard en geconserveerd worden gegeten. Bij dat bewaren worden de eieren tusschen geurige planten gelegd in gebluschte kalk gedurende minstens vijf of zes weken. Soms worden ze jaren bewaard en dan in den aanlokkelijken staat, waarin ze gekomen zijn, toch naar binnen gewerkt.