Chapter 6
Het oog reikt uren ver. Daar rijzen vriendensteden Aan noord- en oost- en zuiderkim; Hier, van den Vlaamschen grond, blikt men in Henegouwe, En ziet men Lessen aan zijn voet.
Ik staar, geniet, gevoel... Wat is die berg toch heerlijk! Hoe spreidt de stad zich voor mij uit! Daar rijzen, boven haar, de torens van haar kerken; En 't lang bekende klokgelui
Bromt in mijn oor. De markt, waar 'k in mijn kindsheid speelde, Praalt daar, vooraan, met keurgen bouw; De school, waar mijne jeugd aan wetenschap zich voedde, Rijst ginder in 't verschiet... En hier,
Ten top des Ouden bergs, het heilig kruis, het teeken Van 's menschen redding, in welks schauw, Na stillen bedegang, de menigt neer komt knielen In tijd, der godsvrucht toegedacht.
Hier de kapel, waar ik mijn vreugde, leed en kommer Tot Godes Moeder spreken kwam; Waar rijke gift getuigt van dankbaarheid der rijken, En de arme zijne krukken liet.
Kapel, in uw beluik wil ik nog telkens bidden: "o Moeder Gods, zij steeds mijn troost! 'k Vergeet u nooit! Zoo volge uw machtige bescherming Mij op mijn gansche levensbaan!"
XXI.
Eene Geeraardsbergsche sage.
Met zekeren hoogmoed spreekt de bevolking van Geeraardsbergen over de historische sagen en jaarlijksche feesten, welke aan de stad eigen zijn.
Zoo is het feest, dat op den eersten Zondag van den Vasten gevierd wordt, zeker der melding waard.
Geheele hoopen volk komen na den middag de stad binnen en wachten op de Groote Markt de burgerlijke en de geestelijke overheden af.
Daar slaat het twee ure. De beiaard speelt, de klokken luiden, de hoorn schalt, de trommel roffelt.
De gemeenteraad, de geestelijkheid en andere voorname ingezetenen verlaten het stadhuis, met speellieden voorop, die hunne blijde tonen in de huiverige lucht werpen.
Langzaam volgt de stoet de steile Abdijstraat.
Bakkers en winkeliers dragen manden vol krakelingen, koeken en haringen mede.
De menigte groeit gedurig aan; en zij, die het eerst op den berg geraken, hebben zorg eene plaats te kiezen in de kapel, waar de Eerw. Heer Deken de litanie van O.-L.-Vrouw zal lezen, zoodra de overheden het toppunt bereiken.
Dit gedaan zijnde, scharen zich de bijzonderen rondom de arduinen zuil achter de kapel.
Nu biedt men, in eenen historischen, zilveren beker, den eerewijn aan, waarin een klein levend vischje zwemt.
De deken, de burgemeester, de wethouders -- ieder drinkt, naar aartsvaderlijk gebruik, een klein teugje. Wie het vischje binnenslokt, weet men zelden of nooit.
Eindelijk gaat men over tot het werpen van koeken, krakelingen en haringen onder de wachtende menigte.
Welk een gewoel en gekrioel!
De eene loopt rechts, de andere links; deze roept in het Vlaamsch, gene juicht in het Waalsch. De mannen vechten, de vrouwen kijven, de knapen vliegen elkander in het haar. Sommigen rollen den berg af, anderen komen in den kouden vijver te recht; en de bedaarde aanschouwer lacht schokkend om al die zonderlinge tooneelen.
's Avonds om zeven ure, als iedereen vertrokken is, ontsteekt men op het toppunt des bergs, bij het beeld van O.-L.-Vrouw, een tonneken, gevuld met pek. Om deze reden noemt men te Geeraardsbergen den vastenavond "het feest van Tonnekenbrand."
In de omliggende dorpen voert men dien avond brandende bundels stroo rond, gewis om het vuur van Geraardsbergen op zijn middeleeuwsch te beantwoorden.
* * * * *
Men beweert, dat dit feest gevierd wordt ter herinnering aan een ontzet der stad.
De belegeraars -- Walter van Edingen en zijne wapenlieden -- beletteden reeds eenen geruimen tijd allen invoer van levensmiddelen, ten einde den hongersnood binnen de muren te brengen.
Dagen kwamen en verstreken.
De voorraad verminderde, de ellende naderde...
Toch gaven de belegerden den moed niet op.
Zij hoopten op hoogeren bijstand, en wendden zich vol betrouwen tot O.-L.-Vrouw van den Ouden berg, vereerd als Hulp der christenen.
Hun gebed was niet vruchteloos.
De hopman riep zijne strijdmakkers samen.
"Mannen," zegde hij hun, "onze toestand vraagt een kloek besluit. Indien wij slag leveren, moeten wij voor de overmacht onzer vijanden bukken; indien wij werkeloos blijven, zal de honger ons allen, met onze vrouwen en kinderen, wegmaaien...
"Laat ons dan den vijand verschalken! En valt ons pogen kwalijk uit, zoo nemen wij kloekmoedig de wapens op, en verdedigen onze vaderstad tot den laatsten ademtocht!
"Bakt broodjes van het meel, dat gij nog bezit, en vangt in den Dender zooveel visschen, als gij kunt. Morgen vroeg zult gij alles op de verschansingen brengen; en op een gegeven teeken werpen wij heel den voorraad naar het hoofd der belegeraars..."
Zoo gezegd, zoo gedaan.
Des anderendaags, bij het kiemen van den morgen, snelde jong en oud naar de vestingen.
In den beginne keken de vreemden verbaasd op; maar toen zij, als bij tooverslag, met broodjes en visschen begroet werden, verloren zij den kop.
"Wat baat het," riep de lichtzinnige Walter uit, "dat wij Geeraardsbergen belegeren? God weet, voor hoeveel weken die mannen nog mondkost hebben!" -- "Wij zijn het wachten moede," zegden de anderen, "laat ons den aftocht blazen!"
Dit gebeurde.
Die van Geeraardsbergen lachten niet weinig in hunne vuist, toen zij den vijand zagen wegdruipen.
Zij vierden heel den dag het onverhoopt ontzet hunner stad en ontstaken, bij het vallen van den avond, een groot vreugdevuur op de kruin des bergs.
Het ontsteken van vreugdevuren was in vroegere eeuwen een algemeen gebruik in Vlaanderen. Te Brugge "maecte men een scoon vier," toen "onse princesse" in 1481 "te Bruessele gheleghen was." Te Kortrijk "maecten de pinders een vier voort scepenhuus, toen mevrouwe de princesse van Castille inne quam."
Wij kennen geene enkele oorkonde, pleitende voor de echtheid der Geeraardsbergsche sage; doch wij weten ten stelligste, dat de oorsprong van het feest zeer hoog opklimt.
De stadsrekeningen over 1398 en volgende jaren spreken reeds van "het barnen van een wynvat naer ouder coustume."
Na de plechtigheid zetten zich "de edele heeren borgemeester ende schepenen" vroeger aan de feesttafel. Den 23 Februari 1744 aten en dronken zij voor meer dan 119 gulden. De rekening, in het archief bewaard, spreekt van "witten wyn en Bourgogne-wyn, van snoeken, carpels, aberdaen en salm, van craeckamandels, castaignen, sitroenen, salaey, porseleyn, rosynen, prignolen en craekelingen."
XXII.
De omstreken van Geeraardsbergen.
Vijf en veertig gemeenten, in den omtrek van Geeraardsbergen gelegen, maakten oudtijds deel van Vlaanderen onder het Rijk.
Boelare -- thans gescheiden in Neder- en Over-Boelare -- was eeuwen lang de zetel van eene aanzienlijke baronij. Deze telde twaalf dorpen.
De burcht stond te Neder-Boelare, langs den Dender.
Als eigenaars noemt men: Steven van Boelare, die Robrecht van Jeruzalem naar Palestina vergezelde; -- Nicolaas van Boelare, gehuwd met Ida van Roeulx, eene nicht van Boudewijn den Moedige; -- de heeren van Liedekerke en van Reingaardsvliet; -- Philip-Willem van Nassau, prins van Oranje; -- Frans de Cassina, echtgenoot van Robertina de Nouailles.
De heeren van Boelare, evenals die van Pamele, van Eine en van Cisoing, voerden den titel van "Beer," de hoogste onderscheiding, welke de graaf van Vlaanderen kon toekennen.
Op het grondgebied van Over-Boelare heeft men verschillende voorwerpen opgedolven, voortkomende van eene Frankische begraafplaats.
Boelare bezat reeds eene kerk in 1070. Het koor van den hedendaagschen tempel schijnt zeer oud te zijn. Men vindt er eene kleine schilderij, die het penseel van eenen meester verraadt: twee lieve kinderkens, een lam, de heilige moeder Anna en O. L. Vrouw. Een meesterstukje, zegt men, van den Antwerpschen kunstenaar G. DE CRAEYER.
In 1525 trokken de rederijkers "van den lande van Boelaer" te paard naar Geeraardsbergen, "om den paeyse te vieren." Dat zij talrijk waren, is meer dan waarschijnlijk. De stad begiftigde hen trouwens "met twee tonnen bier."
Sarlardinge, op de zuidelijke grens van Oost-Vlaanderen, heet _Zaarlinge_ in den mond des volks.
Vele ingezetenen van Sarlardinge arbeiden in de steengroeven van Lessen.
Op den 31 December loopen de behoeftige lieden naar de huizen der welstellende menschen, roepende:
Koekebak, koekebak, Steekt een brood in mijnen zak!
Dit duurt den ganschen dag, want er zijn twee, drie dorpen te bezoeken. Tegen den avond wacht hen de koffietafel.
Niet verre van Sarlardinge, doch in Henegouw, ligt Everbeke -- Everbecq -- dat voorheen eene Vlaamsch-sprekende bevolking had. Wie zulks betwijfelt, vrage maar eens in het dorp naar het _Hoogbosch_ of het _Hemelrijk_.
Goeferdinge, met zijne heuvelen en valleien, is een schilderachtig plaatsje. De kerk, staande op de helling eener hoogte, dagteekent uit de tweede helft der XVIIIe eeuw. Boven de deur kapte men het jaartal 1776.
Goeferdinge heeft geene groote hofsteden; doch men verzekerde ons, dat schier al de ingezetenen een eigen huis bezitten. Zulks bewijst, dat zij de orde en de spaarzaamheid liefhebben.
Benoorden Geeraardsbergen ligt Schendelbeke, met eene uitgestrektheid van ongeveer 590 hectaren. De bodem, die zeer vruchtbaar en heuvelachtig is, bestaat hoofdzakelijk uit klei.
Schendelbeke mag op eene hooge oudheid bogen. In 1850 heeft men er eene geslepen steenen bijl opgedolven.
Het volk van Schendelbeke spreekt van den Godsberg, van den Rooden Driesch, van den Langen meersch en het Jonkheerenveld. Op den Rooden Driesch bouwde men in 1328 een klooster voor Karthuizers, dank aan de milddadigheid van Jan Geylinc, heer des dorps. De Godsberg, die nu een veld is, schijnt behuisd te zijn geweest.
Het slot van Schendelbeke stond weleer niet verre van het kasteel van Boelare. Het werd geslecht in 1458; doch overblijfselen van middeleeuwsche muren, in eene moerassige weide verborgen, spreken tot den reiziger van vroeger wel en wee.
De parochiale kerk, toegewijd aan St. Amand, werd onlangs hersteld. Het hoogaltaar is herkomstig uit de voormalige abdij van Geeraardsbergen.
Bij Idegem kronkelt de Dender het Oosten in, naar Grimmingen. Noordwaarts, over Zandbergen, ligt Pollare, eene zeer oude gemeente, waar men Romeinsche steenen en pannen, stukken van vaatwerk en bronzen lanspunten heeft opgedolven.
Pollare heeft eenen "Nekkersput" en eenen "Steenberg." Eene oorkonde van 1596 noemt ook een "Hazelaarbosch," waar de tooveressen der streek met den duivel omgingen.
Tusschen Grimmingen en Geeraardsbergen praalt Onkerzele, een allerliefste plaatsje, met eene bevolking van ongeveer 1,700 zielen.
De kerk prijkt op eenen heuvel. De huizen staan in de diepte, en vormen eenen halven cirkel rondom den tempel.
Deze werd in 1845 herbouwd. Hij bezit eenen lessenaar, die zeker in de eerste helft der XIVe eeuw werd vervaardigd. Het ijzeren blad vertoont een lammeken, klaverbladeren en druiven, benevens een Gothisch opschrift.
Achter de kerk aanschouwt de wandelaar een heerlijk panorama: de uitgestrekte Dendermeerschen; de torens van Schendelbeke, Op-Hasselt, Idegem, Grimmingen, Pollare, Appelterre, Zandbergen en Ninove; het kasteel van Neder-Boelare; eene menigte hofsteden en molens. Elders daagt het donkere Raspaillenbosch. Naderbij, tusschen twee heuvelen, die met boomen en struiken bewassen zijn, daalt de weg naar den Dender. Voor schilders en dichters is Onkerzele een Eden.
Een gehucht der gemeente heet Atenbeke. Daar vindt de wandelaar eenen reusachtigen eik: de _Jonkvrouw_. Door zijnen weligen groei, door zijne ongewone hoogte en dikte, door zijne regelmatige kruin en zijne krachtige takken wekt deze boom de bewondering van landzaten en vreemden. De stam is van onder tot boven gaaf en gezond. Op eene hoogte van twee meters boven den grond heeft hij nog eenen omtrek van nagenoeg vijf meters.
Men wil, dat de "Jonkvrouw" ten minste vijf eeuwen oud zij. Hoort gij niet, dat het loover, door den avondwind bewogen, oude sagen fluistert? Dat het spreekt van vreugde en lijden, van vele beproevingen en oploopen, van vervlogen roem en grootheid?
* * * * *
Wij kennen reeds den oorlog, dien Philip de Goede te voeren had tegen de overmoedige Gentenaars. De Groententers bemachtigden het slot van Schendelbeke. Van daar trokken zij naar Geeraardsbergen, dat zij plunderden; naar Akeren en Lessen, stekende het vuur aan menige hoeven en kasteelen.
Zoodra nu de hertog een leger verzameld had, besloot hij zich meester te maken van al de burchten, door zijne vijanden bezet. In de maand Juni 1453 beschoot hij het kasteeel van Schendelbeke, dat hij na weinige dagen veroverde. Al de belhamers werden aan boomen opgehangen.
Omtrent denzelfden tijd brandde Parike grootendeels af. Het slot van Poeke ging op zijne beurt na negen dagen wederstands over.
In den zomer van 1765 machtigde de regeering een vennootschap om "houillie-aeders" te zoeken binnen de rechtsgebieden van Ninove, Leeuwergem, Gaver, Oudenaarde, Brakel, Over-Boelare, Viane, Windeke en andere omliggende plaatsen. De vergunning meldt, dat men tot dan toe geene diergelijke werken in Vlaanderen ondernomen had.
Den 25 October 1798 vielen de boeren van Moerbeke, Viane en eenige andere dorpen, gewapend met zeisens, vorken en vlegels, in Geeraardsbergen. Zij weken terug, zonder groote schade aan te richten; doch kwamen 's anderendaags weer, kapten nu den vrijheidsboom af en plunderden den tempel der wet.
De aanleider was uit het Kortrijksche. Hij droeg eenen hoed met zwarte pluimen.
Geeraardsbergen was eene der weinige steden geweest, die in 1794 de Franschen welwillend ontvingen. Zelfs hadden de wethouders, als goede sullen, een deel van hunne bezoldiging afgestaan, om dansfeesten en dranken te bekostigen ter eere van hunne vreemde meesters. Ondanks dit alles beschuldigde men thans de bevolking van dubbelhartigheid, van medeplichtigheid. "De stad," dus schreef de beruchte Beguinot, "is aangewezen geworden om de eerste gelegenheid tot opstand waar te nemen. De openbare overheden zijn niet meer in veiligheid; zij worden zelfs langs de straat beleedigd..."
Het magistraat wendde voor, dat geen enkele ingezetene aan den opstand der Boeren had deelgenomen. Dit belette niet, dat men de stad veroordeelde tot het betalen van eene schadeloosstelling van 2,057.41 fr.
O die lieve, broederlijke Franschen!
* * * * *
Bewesten Geeraardsbergen liggen Neder-Brakel, Op-Brakel en Schoorisse.
Neder-Brakel, met meer dan 4,200 inwoners, wordt besproeid door de Zwalme, en gelijkt door zijne netheid aan een steedje. Het is de geboorteplaats van den novellenschrijver E. MEGANCK.
Te Op-Brakel stond de wieg van den wijd en zijd gekenden liedjeszanger JOZEF SADONES. De man was geboren den 6 December 1755 en stierf te Geeraardsbergen den 19 October 1816.
Het schijnt, dat de Geuzen aan deze kanten nog al talrijk waren in de XVIe eeuw. De gebroeders VAN CAMPENE teekenden althans aan, "dat die van Bracle, Neerbracle en daer omtrent" naar Geeraardsbergen togen, om verder "het klooster van Beauprees" te plunderen, en dat zij overal den landman "veel molest deden."
Op zekeren dag, in de maand Augustus 1566, ontmoette de heer van Bakerzele, niet heel verre van Geeraardsbergen, eene bende van die roovers. Twaalf hunner werden neergeveld, vijftig anderen gevangen genomen en naderhand gekastijd.
Wij komen te Schoorisse -- Escornaiz -- eene gemeente, die nagenoeg 2,500 zielen telt.
Schoorisse ligt, evenals Marke, in eene bekoorlijke vallei, in de verte begrensd door de wouden van Op-Brakel, Vloesbergen en den Muziekberg. Westwaarts steekt de toren van Nukerke in de lucht.
De vroegere baronij van Schoorisse bestond uit zeven gemeenten. Zij behoorde in den loop der tijden aan de edele geslachten van Schoorisse, van Gaver, van Lalaing, van Berlaimont en van Egmont toe.
In de parochiale kerk vindt de reiziger eenen grafsteen met de namen van Arnold van Gaver, heer van Schoorisse, en zijne echtgenoote Izabella van Gistel. Jan van Luxemburg, een andere heer des dorps, stichtte er een jaargetijde.
Het slot verhief zijne torens bezuiden de kerk, langs den steenweg.
XXIII.
Ronse.
Ronse -- Renaix -- ligt in de Zuid-Westelijken hoek van Oost-Vlaanderen, in het schilderachtigste deel van gansch de provincie. De stad heeft eene uitgestrektheid van 3,173 hectaren, deels bebouwd, deels onbebouwd.
In de laagten is de grond kleiachtig en zeer vruchtbaar; op de heuvelen is hij overal steen- en ijzerachtig.
De landbouwers winnen dan ook alle soorten van graangewassen, van oliegevende en weefbare planten. Verder teelt men er tabak, moeskruiden en uitmuntend fruit. Allerhande boomen vertoonen eenen weelderigen groei.
Er is geen gebrek aan bewijzen, die voor eene hooge oudheid van Ronse, als bewoonde plaats, pleiten.
De heer JOLY vond er bijlen, hamers, messen en andere voorwerpen, behoorende tot het Keltisch tijdperk, voor den inval der Romeinen. Den 8 Juli 1868 ontdekte men in den kelder van het huis der familie van Butsele-Deneufbourg, op den Bergplas, eene Romeinsche lijkbus, hebbende eenen omtrek van 35 centimeters. Elders legde men Romeinsche schrijfstiften, wapens en bouwstoffen bloot.
In de eerste helft der VIIe eeuw kwam Sint Amand, de Frankische geloofszendeling, naar het Zuiden van Vlaanderen, naar Kortrijk en Ronse. In deze stad stichtte de vrome man eene kerk en een klooster, in het jaar 638.
De dichter van _Heer Daneelken_, eene zeer oude romance, kende Ronse:
Hi tooch te Ronsen upt hooghe huys Om drie synder suster kinder...
Daneelken leefde zeven jaren in het gebergte -- op den Muziekberg? -- en ging vervolgens naar de hoofdstad der christenheid.
Hi nam een staf al in syn hant, Ende hi treec te Romen binnen: "Nu biddic Maria, die moeder Gods, Dat ic den paus mach vinden."
Doen quam hi voor den paus ghegaen, Voor onsen eertschen vader: "Here, ic soude mi biechten geern, Ende roepen up Gods ghenade.
"Ic soude mi biechten seer bevreest Met alle minen sinne; Ic heb seven jaer in den berch gheweest..."
Ronse verkreeg zijne eerste keure in 1240, vijftig jaren na Kortrijk. Nu kon de bevolking zich ongestoord aan den arbeid overgeven, op den handel toeleggen.
Gedurende de middeleeuwen bloeide de lakenweverij zoowel te Ronse als te Gent, te Brugge, te Ieperen en te Kortrijk. Nog in de eerste helft der XVIe eeuw kwamen "de goede lieden van Ronse ter Curtricmarct met haren lakenen," weshalve zij van het magistraat een geschenk van "twee cannen wyns" ontvingen. In de halle van Leuven mochten de kooplieden van Ronse hunne waren uitstallen, zonder rechten te betalen.
Op onze dagen is Ronse nog eene zeer nijverige stad, vooral befaamd om de katoenen weefsels, die men er vervaardigt. Ook de spinnerijen erlangen eene groote uitbreiding.
Geen wonder dan, dat de bevolking spoedig aangroeit. In 1856 telde Ronse 12,000 inwoners; in 1878 waren er meer dan 14,600; in 1897 ongeveer 19,000.
Groote rampen teisterden de gemeente, vooral in de XVIe eeuw.
Toen Maximiliaan van Oostenrijk in den echt trad met Maria van Burgondie, poogde Lodewijk XI al de Fransche leenen, die op Maria verstorven waren, aan te slaan. In 1477 kwam hij langs Kamerijk, Bouchain en Avesnes naar het Henegouwsche, waar hij Doornik bemachtigde.
Het volgende jaar begon de krijg opnieuw. De koning rukte met zijn leger naar West-Vlaanderen, denkende daar weinig tegenstand te zullen ontmoeten. Middelerwijl zou zijn hoofdman te Doornik, Maurits van Neufchatel, sprongreizen doen in het Gentsche, ten einde de Oost-Vlamingen bezig te houden.
De Gentenaars, aangevoerd door den heer van Dadizele, togen de Franschen te gemoet, en vochten hardnekkig tusschen Ansegem en Berchem. Nochtans konden zij niet beletten, dat de vreemden Ronse in asch legden.
Ten jare 1519, omtrent den feestdag der H. Drievuldigheid, vernielde een brand, bij toeval ontstaan, ongeveer 700 huizen. Destijds en later ook, tot diep in de XVIIIe eeuw, bouwde men vele houten woningen.
Veertig jaren nadien, in het hart van den zomer, verslond het vuur bijna gansch de stad. Zelfs smolten de klokken in de kerktorens.
Een andere brand, den 31 Maart 1719 ontstaan, legde 330 huizen in asch.
Ter oorzake van de menigvuldigheid dier rampen, stelde men twee "brandprocessies" in: eene op de Vrijdag voor Passiezondag en eene op Paaschdag. Beide plechtigheden werden later afgeschaft.
De Beeldstormers spaarden de stad evenmin.
Den 19 Augustus 1566 drongen zij in de kerk van St-Hermes, schendende en brekende wat zij konden. Dank aan de krachtdadige tusschenkomst der wethouders, moesten de roovers deze reis de wijk nemen; doch na de plundering der Oudenaardsche bedehuizen keerden zij terug om hun goddeloos werk voort te zetten. Dit blijkt uit een gedicht van J.-D. WAELKENS, pastoor van Edelare:
Als de pillage t'Audenaerde was gedaen, Soo syn sy naer Ronse gegaen... Kerken, kloosters en priesters hebben ze al aengegaen, En keerden naer de stad met IX of X wagens, gelaen Met allerhande goed, geestelick en weerlick...
Wellicht hebben al die rampen de merkwaardige gebouwen doen verdwijnen, die Ronse, net als andere steden, moet bezeten hebben.
In de huidige Kasteelstraat, bij de Middelbare school, bouwde Jan van Nassau, in 1630, het schoonste slot, dat men in die jaren ten onzent kon bewonderen. Men verkocht het in 1823 voor 30,000 fr., waarna de hamer en het breekijzer het gebouw sloopten.
Het eerste bedehuis van Ronse was de St-Pieterskerk, gewijd door den H. Amandus in de VIIe eeuw. Daar zij heel bouwvallig was, verkocht men ze den 2 November 1843 voor de geringe som van 3,300 fr.
In de nabijheid dezer bidplaats bouwde men de St-Hermeskerk, gewijd in 1129. De krocht, in zuiver Romaanschen stijl, heeft den vorm van een Sint-Antoniuskruis. Zij bestaat uit breede gangen, gescheiden door dertig zuilen met ongelijke versieringen. Het gewelf draagt sporen van oude muurschilderingen.
De eigenlijke kerk, die groot en hoog is, werd herbouwd. Zij behoort tot de Gothische kunst, en was voltooid in het begin van 1525. De toren is zwaar en vierkantig.
Den 16 Maart 1878 besloot men de kerk van Sint-Hermes te herstellen. Het gewelf en een deel van het koor werden reeds met kleuren belegd.
In het koor prijkt een koperen arend van 1685. Het tafereel van DELFOSSE, Sint Amand voorstellende, is een opmerkenswaardig doek.
De tweede parochiale kerk van Ronse, aangelegd in 1892, is toegewijd aan St. Marten, bisschop van Tours. Zij is bijna 72 meters lang, ruim 28 meters breed, en behoort tot den stijl der XIIIe eeuw. Deze kerk is het middelpunt van eene nieuwe wijk der bloeiende, aangroeiende stad.
De oude St-Martenskerk, met eenen heel eigenaardigen toren, stond in de nabijheid der hoofdkerk.
Ronse heeft weinige openbare plaatsen. Wij noemen: de Groote Markt, met eene arduinen pomp, die elf meters hoog is en 36,000 fr. kostte; -- den Plas; -- de Veemarkt; -- den Bruul of Broel, bewassen met hoogstammige kastanjeboomen; -- de nieuwe de Malanderplaats; -- de Paardenmarkt, door het volk schertsend het "Martelaarsplein" geheeten, omdat men er... de zwijnen slacht. De Broel wordt in den zomer veel bezocht.
Hier en daar ontmoet de wandelaar een huis in Vlaamschen stijl. De woning van M. de Malander, met een bevallig torentje boven de poort, draagt zeker een eigen kunstmerk. Weinigen weten misschien, dat M. de Malander een allerschoonste museum bezit. Het bevat, om maar enkele stukken te noemen: drie doeken van Quinten Massijs, den edelen, idealistischen vertegenwoordiger der oud-Vlaamsche school in de XVe eeuw; -- vier van Rembrandt van Rijn, den beroemden meester der Hollandsche school, bij wien "licht en bruin" de hoofdzaak is; -- twee van Rubens, eene der glansrijkste verschijningen in de schilderkunst; -- vier van Teniers, den voorlooper van de groote Vlaamsche meesters der XVIIe eeuw. Als bijzondere verzameling is die van M. de Malander zeker eene der rijkste van gansch het land.
De katholieke Kring, die 85 meters lang is, gaat almede voor een merkwaardig gebouw door.