Chapter 7
Het oudste gilde van Ronse is wellicht het Sint-Sebastiaansgenootschap, dat voor 1568 bloeide. Men bewaart nog den halsband, dien de koning droeg, alsmede een paar zilveren schilden, geschonken aan de vereeniging door Frans van Nassau in 1639.
De Busschieters hadden Sint Hermes tot patroon gekozen. Voor de beeldstormerij, in 1562, brachten zij de overblijfselen van hunnen beschermheilige naar Bergen over. Dit genootschap werd in 1892 heringericht. De trommelslager, de fluiter en de standaarddrager komen steeds in hun ouderwetsch gewaad voor den dag.
Ook de St-Martensvereeniging, heringericht omtrent het midden der XVIIIe eeuw, is nog niet in kwijning gevallen.
De _Harmonij_, die den 29 Juni 1794 tot stand kwam, vierde in 1894 haar eerste eeuwfeest. Op onze dagen is zulke zeldzaamheid het aanstippen waard.
Ronse wordt besproeid door de Molenbeek, komende van den Muziekberg. De Molenbeek valt te Watripont in de Ronne. Over eenige jaren bracht zij acht molens in beweging: den IJsmolen, den Braamboschmolen, den molen ter Beke, den molen te Queere, den Broelmolen, den Kapittelmolen, den Blokmolen en den Kapelmolen.
Ronse bezit een bisschoppelijk College, eene Middelbare school van den Staat, eene aangenomen Normaalschool voor onderwijzeressen, twee lagere Gemeentescholen, eene Weezenschool, eene Teekenschool, eene Muziekschool en eene Weefschool.
Het letterkundig leven schijnt er nochtans weinig ontwikkeld te zijn.
Over eenige jaren heeft een bevoegd man de oorkonden der gemeente onderzocht en gerangschikt. De oudste stadsrekening loopt over 1648. Verder telt de verzameling "wettelicke chyrographien, wettelicke passeeringhen, staten van goederen, rechterlijke acten, kerkrekeningen en wijkboeken."
Ronse is de geboorteplaats van HERMES VAN WYNGHENE en van PIETER-JAN VAN DER HAGHEN.
H. van Wynghene werd hoogleeraar te Leuven, en vervolgens lid van den geheimen Raad onder Karel V. Hij stierf in 1573.
Van der Haghen kampte met de pen en met het woord tegen de ketters van zijnen tijd. De Jonghe getuigt van hem: "Een predikheer, P. Joannes van der Haghen of Dumoeus, een ieverige religieus, welke tegen de ketters een jaar lang dagelijks, en dan nog een jaar over ander dag heeft gepredikt, was zeer hatelijk aan de sectarissen. Dikwijls hebben zij getracht, zoo door vergift als met openbaar geweld, maar te vergeefs, hem ter dood te brengen."
De geleerde kloosterling bezweek in zijne geboortestad den 14 April 1573.
XXIV.
Naar het bosch-Joly.
Ja, Ronse heeft eene heerlijke omgeving.
In de stad slenterend, kan men ze hier en daar, door eene zacht klimmende straat, reeds bewonderen.
Den Broel voorbij gaande, bereikt men het bosch-Joly, een half uurtje buiten de stad, op het hoogste van Hoogerlucht, tusschen de Kruisen en den Muziekberg.
Eene statige eikenlaan loopt naar den ingang.
De boomen ruischen in den zoelen wind en toonen, door de openingen tusschen hunne stammen, een prachtig landschap in de verte, beheerscht door den zwaren toren der St-Hermeskerk.
De heer Joly heeft het bosch als warande ingericht. Het meet ten minste twintig hectaren.
Overal kreupelhout en varens; overal schoone, krachtige boomen: eiken en esschen, olmen en beuken, berken en dennen, overal dalende en klimmende wegen.
Rechts is de geliefkoosde verblijfplaats der konijnen. Nu en dan wipt er een van die bevallige knagertjes in of uit zijne pijp.
Verder ontmoet de wandelaar eenen vijver, tintelend in den glans der zonne.
Rondom dien vijver vindt men ruwe rustbanken, verscheidene rotsen en bronnen. Groen mos bedekt de rotswanden.
Midden in den vijver staat de Menhir, eenzaam, maar fier en pal. Zijne voeten steken in het slijk, maar zijn kop glanst in het zonnelicht. Een beeld van den denkenden, maar ondeugenden mensch...
Twee bronnen versierde men met bouwstoffen van het voormalige slot der stad, weshalve zij eenen historischen naam kregen: de bron van Nassau en de Kasteelbron.
Zuidwaarts springt de bron der Reuzen tusschen verscheidene groote rotsblokken.
Een murmelend beekje leidt het overtollige water weg.
Niet verre van de bron der Reuzen kan men, in een allerliefst prieeltje, eenige oogenblikken uitrusten.
Onder het rooken van eene lekkere pijp en het beschouwen van den weelderigen plantengroei hoort men den koekoek roepen: "Koekoek! hier is het goed!"
Opklimmende, komt men voor het eigenlijke park. Daar vindt men een fraai paviljoen, eene schilderachtige grot, eenige kleinere bronnen en een donkergroen mastbosch. O die smakelijke lucht!
Een zeer merkwaardig voorwerp is een "dolmen," door den heer Joly op de kruin van den Muziekberg ontdekt. Twintig paarden trokken dien reusachtigen steen naar de plaats, die hij thans bekleedt. Hij is inderdaad omtrent 0m,70 dik, en 1m,80 lang en breed. Kon hij maar vertellen uit den voortijd, toen onze vaderen nog omdoolden in de duisternissen van het heidendom!
Men heeft het Joly-bosch weleens met het woud van Fontainebleau vergeleken. In alle geval kan men er eenen halven dag heel genoeglijk overbrengen. Een onzer vrienden, die ons derwaarts vergezelde, zong gedurig met zijne helderklinkende stem het Duitsche lied:
In het woud daar wou ik leven Bij heeten zonneschijn.
En vraagt de maag eenige verversching of versterking -- want de mensch leeft toch ook niet van poezie alleen! -- zoo kan men in de eene of andere herberg het verlangde bekomen.
Een blik op de stad en het omliggende landschap zal tevens de oogen verzadigen.
Bij de poort leest men in groote letters en in onze twee landtalen:
Verboden ingang! Entree interdite!
Maar de heer Joly is een vriendelijk man, en verschaft den nieuwsgierigen wandelaar gaarne eene toegangskaart.
* * * * *
Terugkeerende naar de stad, maakten wij de bemerking, dat wij in Zuid-Vlaanderen, voor weinig geld en in korten tijd, toch zoo schoone uitstapjes kunnen doen met onze familie. En wij voegden er bij, dat de mensch, die goed ziet en goed hoort, een bevoorrechte sterveling is.
Toen wij bij onzen vriend te huis kwamen, wachtte ons een smakelijk avondmaal.
En de lieve huisvrouw speelde eene prachtige sonate van Beethoven; en de vriend vergastte ons op het prachtige lied van KAREL MESTDAGH:
Door de Nederlanden, Naar de wijde, diepe zee, Stroomt de schoone Schelde...
XXV.
Naar den Hootond en de Kruisen.
Wij verlaten Ronse door de Zonnestraat en volgen klimmende voetwegen.
Een trouwe vriend, een bewonderaar der schoone natuur en tevens een liefhebber van eigen taal en kunst, vergezelt ons als gids.
Sprekende over het wel en wee, dat vroegere jaren ons aanbrachten, naderen wij de nieuwe kapel "ten witten Tak," een sierlijk, Gothisch gebouwtje met tien kleine vensters.
Waar het oude kapelleken stond, vinden wij nu eene landelijke herberg.
SANDERUS verhaalt, dat hier in lang vervlogen tijden een groote, breede eik groeide. Onder de looverrijke takken school een beeldje van O.-L.-Vrouw.
De tak, die het beeldje droeg, was witter dan de andere. Dit maakte de aandacht der landzaten gaande, weshalve de geloovigen in het begin der lente naar den heuvel stroomden, om de Moedermaagd te vereeren en te aanroepen.
Ten jare 1636 heerschte eene besmettelijke ziekte in vele gemeenten van Vlaanderen, onder andere te Kortrijk en te Ronse. In de eerste stad vroegen de wethouders eene plechtige processie met het wonderdadig beeld van O.-L.-Vrouw van Groeninge; in de tweede beloofde men eene kapel te bouwen ter eere van de machtige Troosteres der bedrukten.
De kwaal verminderde, en in de eerste maanden van 1639 voltooide men de eenvoudige bidplaats. Sedertdien beginnen de "kapellekensdagen" ieder jaar den 2 Juli.
Wij zetten onze wandeling voort, gaan het schoone kasteel van M. Cambier voorbij, en bewonderen de omliggende hoven en parken met hunne weelderige en veelkleurige gewassen. Weldra bereiken wij den Hootond, die 150 meters hoog is.
Bij den molen, op de kruin, blijven wij staan.
Westwaarts, boven den Kluisberg, glinstert de zon, haren glans verspreidende over een landschap, dat ongemeen groot en schoon is.
De molenaar -- een vriendelijk man -- komt bij en wijst ons aan den blauwen gezichteinder de torens van Maria-Horebeke, Merelbeke, Gent, Evergem, Drongen, Vosselare en Deinze; -- die van Ruiselede, Brugge, Tielt, Pittem, Ardooie, Ingelmunster, Hooglede, Roeselare, Passchendale en Kortrijk; -- benevens die van Toerkonje, Robaais, Rijsel, Templeuve, Doornik, Antoing en Peruwelz. In het geheel kan men de kerken van 108 steden en dorpen onderscheiden. Tusschen Brugge en Peruwelz is er een rechte afstand van 80 kilometers of 16 mijlen. Evergem en Rijsel zijn 70 kilometers of 14 mijlen van elkander verwijderd.
Welk eene verscheidenheid in dat overgroote panorama! Ginds, tusschen Ansegem en Mooregem, is het Bouveloobosch; bij Tiegem daagt het Kapelbosch. Naderbij poost het oog op de wouden van Quaremont en den Kluisberg. Links blauwt de Drievuldigheidsberg, in het Doorniksche. Heinde en verre steekt de roode kleur der daken aangenaam af bij het donkere groen der gewassen.
Terugkeerende naar den steenweg, blikken wij op de stad, in de diepte, en verderop de reeks heuvelen, die langs Ellezele en Vloesberge naar Lessen loopen. Aan den gezichteinder onderscheiden wij den "Kattemolen" en van den Daele's bosch.
Op de hoogte der Kruisen groeien weelderige boomen, onder wier toppen eenige lusthuizen schuilen. Daar kan men in den zomer, bij het op- en ondergaan der zon, de ontwakende of insluimerende natuur bespieden en... frisch ademhalen.
Van de Kruisen trekt de stad heur water. Langs den steenweg, in eenen grooten kelder, hoort men het klare vocht onverpoosd ruischen.
Onze vriend wijst ons eenen grooten treuresch, die nu en dan schijnt te trillen onder den adem des winds. Denkt hij misschien aan de rijke en de arme lieden, die hij ziet voorbijslenteren? Aan den snellen loop der jaargetijden? Aan de vluchtigheid der aardsche genoegens?
XXVI.
Naar den Muziekberg.
Ten Noord-Oosten van Ronse rijst de Muziekberg. Daar gaan wij heden omdolen en eene frissche lucht inademen.
Wij verlaten de Groote Markt en volgen de Gasthuisstraat, de Biezenstraat en de Beekstraat. Verder loopt een kronkelende binnenweg naar de hoogte.
De Muziekberg is, evenals de Hootond, 150 meters hoog. Een woud bedekt het grootste gedeelte zijner kruin.
Hoor eens, hoe het windje door de bladeren ritselt, hoe de kerfdiertjes gonzen, hoe de vogelen kweelen! Zie eens, hoe de warme stralen der zon door het looverdak der boomen dringen en gouden strepen op den grond tooveren!
o Woud, vol vrede en lommer, Met diepe eerbiedenis Betreden wij uw boorden, Zoo rustig, groen en frisch.
Wij dwalen rond en luisteren... En alles spreekt tot ons: Het lied van vink en lijster, Der bijen stil gegons;
Het wuiven van de twijgen, Der bloemen heerlijkheid... o Woud, wat zijt gij statig, Vol ernst en majesteit!
Talrijke gangen en lanen doorkruisen het bosch. Jammer maar, dat men alle oogenblikken een ondeugend plankje ziet hangen met de vermaning: "Het is streng verboden hier door te gaan."
Van tijd tot tijd vinden wij eene open plaats, waar wij een prachtig uitzicht hebben.
Op zulk eene plaats, in het midden van het bosch, staat een torentje, uit etssteen opgebouwd en met eiloof begroeid.
Hier is het hoogste punt van den berg.
Het torentje is nagenoeg tien meters hoog. Het heeft tien ronde kijkgaten en laat ons, over het struikgewas en geboomte heen, naar alle zijden blikken.
Het panorama, dat wij aanschouwen, is wel zoo schoon als dat van den Hootond. Maar wij beweren, dat het grootscher is, omdat de wilde natuur in hare maagdelijke schoonheid hier een ruimer aandeel heeft.
In het Zuid-Westen ligt Ronse, met zijne torens, schouwen en daken, langs alle kanten met hoogten en bosschen omringd. In het Oosten rijzen de heuvelen, die naar Geeraardsbergen voortloopen. Elders gaat het oog over bergen en dalen, over gehuchten en dorpen, over huizen en molens.
Daar treft het gefluit van eenen naderenden stoomwagen onze ooren. In de diepte snelt hij kuchend voort, weldra verdwijnend in den onderaardschen gang van het nieuwe dorpje Louisa-Maria.
Een gedeelte van den Muziekberg is hedendaags eene warande met bronnen, waterleidingen en vijvers.
Niet verre van het reeds genoemde torentje staat een hooge boom, die een klein kruisbeeld draagt. De christen wandelaar ontdekt eerbiedig het hoofd, en dankt inwendig ons Vlaamsche volk om zijne godsdienstige overtuiging.
Eenige stappen verder vinden wij eene hofstede. Voor het woonhuis ligt eene groote weide.
Ten jare 1821 poogde M. van Hoobrouck, van Mooregem, den wijnbouw te drijven op de zuidelijke helling des bergs.
De oogst van 1827 was nog al bevredigend. Den 10 October kwam M. van Doorn, destijds gouverneur van Oost-Vlaanderen, de teelt in oogenschouw nemen en aanmoedigen. Nadat hij den eersten tros had afgesneden, vielen de werklieden aan den arbeid. De eigenaar oogstte twintig stukken wijn. Nochtans was hij naderhand gedwongen van de onderneming af te zien.
Maar het wordt stillekens avond. Moede geklommen en moede gekeken, rusten wij eenige oogenblikken op het gras, en dalen dan den berg af.
De ondergaande zon werpt heure leste stralen over het landschap; lichte wolkjes zweven in de lucht.
De wind schijnt ook moede te zijn van het spelen en dartelen, en houdt zijnen adem in; de vogelen zingen hun slaapliedje onder de bladeren der boomen.
Daar verdwijnt de zon...
Een dunne nevel drijft boven de velden.
Ginds zingt een klokje: _Ave, Maria!_
Eene geheimnisvolle kalmte heerscht omhoog en omlaag.
Wat is de kalmte streelend zoet, Dat suizen en in sluimer zijgen, Dat plechtig stil en stiller zwijgen, Die rozenkleurige avondgloed! 't Is of de rust rondom ons henen Een zachter inborst in ons stort; 't Is of ons harte ruimer wordt, En wat er boos was, is verdwenen. Een onbestemd en diep gevoel Ontwaakt en trilt er in onze aren... Wie mocht dien indruk nooit ontwaren? Wien laat dat purprend Westen koel? Nu zweven als op donzen schachten Geliefde beelden om ons heen; Nu wemelt droom aan droom dooreen, En zielsgepeinzen en gedachten. De ontroering grijpt ons in 't gemoed; Haars ondanks wordt de ziel bewogen; Er klopt een heimwee in ons bloed; Soms wisschen wij een traan uit de oogen, Onwetend wat hem drupplen doet.
XXVII.
Nog in het land van Ronse.
In het land van Ronse kan men nog eenige wandeltochten ondernemen, die tevens schoon en leerrijk zijn: naar de Hooge heide en van den Daele's bosch, langs den steenweg van Ellezele; -- naar St-Sauveur, langs de baan van Leuze; -- naar Watripont, langs het kerkhof en het lusthuis van M. Snoeck.
Ellezele -- _Ellezelles_ -- ligt in eene vallei.
Halfweg loopt eene straat naar van den Daele's bosch, met diepe ravijnen, kreupelhout en eeuwenoude boomen. De groei is hier bij uitstek krachtig.
In eene ouderwetsche herberg kan men allerhande versterkingen en ververschingen bekomen. De waard en zijne vrouw zijn ongemeen beleefd en voorkomend, misschien wel omdat de nieuwere beschaving er de voorvaderlijke gewoonten nog niet gansch kon uitroeien. Wij zagen het vuur flakkeren in den breeden haard op eenige steenen.
St-Sauveur is een vriendelijk dorp met ruim 2,000 zielen. Watripont, op de Ronne, telt er slechts 400.
Watripont, oudtijds Waudripont geheeten, was de zetel van eene groote heerlijkheid. De burcht was versterkt. In de gedempte grachten heeft men kanonballen en wapens gevonden, getuigen van vroegere belegeringen. Het huidige kasteel dagteekent van de XVIIIe eeuw.
Tot de heerlijkheid van Waudripont behoorde langen tijd eene vierschaar, die te Ronse het recht van hooge, middelbare en lage justitie uitoefende. In 1240 schonk Geeraard van Waudripont aan de ingezetenen van Ronse eene keure, hen vrij verklarende van lasten en leendiensten.
Veertig jaren nadien werd Ronse eene baronij. Deze hoorde in den loop der tijden aan vijf verschillende geslachten toe: aan het grafelijk huis van Vlaanderen (1280-1402); aan het huis van Hamaide-Roggendorf (1402-1549); aan het huis van Granvelle (1549-1630); aan het huis van Nassau-Siegen (1630-1745); aan het huis de Merode-Westerloo (1745-1830).
Watripont is hedendaags een lachend dorpje, omgeven van uitgestrekte weiden.
In het kerkje vindt men verscheidene oude grafzerken.
XXVIII.
De Fiertere van Ronse.
Het Vlaamsche volk heeft altijd zijne heiligen geliefd en in het openbaar vereerd.
Gent viert den H. Livinus, Mater de H. Amelberga, Tiegem den H. Arnoldus, Ronse den H. Hermes.
Uit dien eerbied sproten de bedevaarten en de ommegangen. Op zekere dagen droeg men de reliquiekas of de fiertere der heiligen plechtig van de eene plaats naar de andere, onder den toeloop van eene groote en biddende menigte.
Zulke ommegangen zijn door den band heel eigenaardig en bij uitstek dichterlijk. Zij spreken in alle geval hoog en luid van den onverschrokken godsdienstzin der vorige geslachten, van het levendig geloof der vervlogen eeuwen.
Sint Hermes -- de patroon van Ronse -- leefde in de tweede eeuw der christelijke jaartelling. Hij stierf den marteldood en werd door zijne zuster Theodora begraven.
In het jaar 829 deed Gregorius IV de stoffelijke overblijfselen van den heilige naar de St-Marcuskerk brengen. Talrijke wonderen lokten gedurig nieuwe bedevaarders uit.
Lotharius, een kleinzoon van Karel de Groote, vroeg het lichaam van Sint Hermes voor zijne staten, en bekwam het in 851.
Voorloopig bewaarde men den schat in de abdij van St-Cornelius, bij Aken. De keizer stierf in 856. Zijn zoon en opvolger deed de reliquie naar Ronse overdragen, waar zij den 6 Juli 860 toekwam.
Men stelde ze in de St-Pieterskerk. Later bouwde men, zooals wij reeds weten, de St-Hermeskerk.
De fiertere van Ronse valt alle jaren op den feestdag van de H. Drievuldigheid, anders gezeid op den eersten kermisdag der gemeente.
Voor de Fransche omwenteling was de ommegang bijzonder eigenaardig.
Uit al de omliggende dorpen uit Vlaanderen en Henegouw kwamen, vroeg in den morgen, de beste ruiters naar de stad. De ruitersmis begon om zeven ure.
Na de mis begaf men zich op weg door de Wijnstraat, zich richtende naar Louisa-Maria, den Muziekberg, St-Sauveur, Watripont, Rozenaken, den Hootond en de Kruisen.
Voorop gingen de gildebroeders van St-Sebastiaan, in het rood -- die van St-Marten, in het zwart -- van St-Hermes, in het groen gekleed.
De nering der kleermakers volgde met haren standaard. Dan kwamen de Zwarte Zusters met hunne leerlingen en de Zusters van het gasthuis.
De schoenmakers droegen de fiertere.
Voor hen stapte, traag en statig, een man, die twee groote bellen op maat deed klinken.
Het magistraat en de ruiters sloten den stoet.
De mannen van Rooborst, in Vlaanderen, en van St-Sauveur, in Henegouw, reden altijd voorop, omdat hunne voorzaten in 1724 zich manmoedig verzetteden tegen eene bende struikroovers, die, in de nabijheid van den Muziekberg, de overblijfselen van Sint Hermes wilden onteeren.
Aan de Begijnhofstraat gekomen zijnde, keerde de geestelijkheid naar de kerk terug, terwijl de bedevaarders de Kruisstraat insloegen.
Niet verre van den Muziekberg draafden de ruiters van Rooborst en St-Sauveur, met het pistool in de vuist, driemaal rond de reliquiekas. Men toefde op Schoonboeke, bij Ellezele en bij St-Sauveur.
Op de grenzen van Watripont gebeurde er iets anders. Een van de voornaamste ingezetenen dier gemeente kwam de wethouders van Ronse den eerewijn aanbieden. Die van Ronse schonken den "notabele" eenen grooten koek, ten bewijze van vriendschap. Dezen koek zond men onmiddellijk naar Doornik, en van daar naar Parijs, waar hij, twee dagen nadien, op de tafel van M. den graaf van Bethune moest prijken.
Van waar dit zonderling gebruik?
De legende wil, dat de heeren van Ronse en van Watripont eens eenen grooten twist hadden; dat zij dezen twist inderminne beslechtten, en dat zij het genoemde beschenken tot teeken van hunne verzoening in zwang brachten. Op den koek ziet men althans twee samengeslagen handen.
Wij gissen, met Dr DELGHUST, dat dit gebruik zijn ontstaan te danken hebbe aan de keure van 1240, waardoor de heer van Watripont de Ronsenaren ontsloeg van tollen en leendiensten.
Te Rozenaken, op de hofstede van St-Hermes, toebehoorende aan het kapittel van Ronse, wachtten twee kanunniken de bedevaarders af. Aan allen schonken zij eene gewijde taart en bier of wijn volgens de tijdsomstandigheden.
In den namiddag, tusschen vier en vijf ure, bereikte men weder de stad. De geestelijkheid kwam de fiertere te gemoet tot aan de steenen brug en bracht ze, psalmen zingend, weer naar de kerk.
Hedendaags volgt de processie nog altijd denzelfden langen weg rond het grondgebied der stad.
Te Louisa-Maria en te Rozenaken laat men de reliquiekas eenen zekeren tijd in de kerk rusten. Middelerwijl mogen de bedevaarders hunnen dorst lesschen en hunnen honger stillen.
Op den Hootond en de Kruisen versieren de tochtgenooten hunne paarden en rijtuigen met meien, takken en bloemen, vooral met bloeienden brem.
Ten jare 1898 telden wij meer dan tweehonderd ruiters, die de overblijfselen van Sint Hermes vergezeld hadden.
Bij gebrek aan oorkonden kennen wij den oorsprong van Ronse's ommegang niet. Het is nochtans zeker, dat hij zeer oud is, nademaal men hem in 1453, ter oorzake van de toenmalige onlusten en oorlogen tusschen Philip den Goede en de Gentenaars, niet toeliet.
* * * * *
In de sacristij van St-Hermeskerk bewaart men het zoogenaamde _Zottenboek_. Buiten eenige standregelen en de namen van de leden der broederschap, behelst het namen van krankzinnigen, opklimmende tot het jaar 1670.
Velerhande aanteekeningen zetten dit gedeelte eene zekere belangrijkheid bij. Nu eens bestatigde men, dat de zieke genezen, dan weer, dat hij overleden was gedurende de negendaagsche plechtigheid.
Voor 1597 gebruikten de krankzinnigen alle dagen een koud of een lauw bad. Mgr Hovius, aartsbisschop van Mechelen, schreef alsdan voor, dat men ze enkel besproeien zoude met gewijd water.
XXIX.
Naar den Pottelsberg.
Tusschen Ellezele en Lessen ligt Vloesberge -- _Flobecq_ -- eene groote gemeente van ongeveer 4,500 inwoners.
Onze lezers zullen zich wel herinneren dat JULIUS PLANCQUAERT, de schrijver van _de Franschen in Vlaanderen_, vrederechter was te Vloesberge, en daar in 1888 overleed in den ouderdom van 35 jaren. De begaafde man was van Wortegem.
Benoorden het vlek is het uitgestrekte woud van Vloesberge met twee bergpunten, die 150 meters hoog zijn. De eene verhevenheid is de Pottelsberg, de andere de berg van Rhodes.
De afstand van Ronse bedraagt 8 kilometers. Nochtans zal de weg ons niet lang schijnen, omdat de streek overal zoo schoon, zoo schilderachtig is.
Nauwelijks zijn wij buiten Ronse aan _de Linde_ -- eene gekende herberg -- of de Muziekberg rijst weer voor onze oogen. Aan dezen kant is zijne helling zeer steil.
Daar neemt de Molenbeek haren oorsprong.
Verder bereiken wij het kapelleken van Lorette, gebouwd in 1674 door de zorgen van M. Deletenre, pastoor te Ronse. De vrome herder had ondervonden, dat vele geloovigen, aldaar gehuisvest, hunne godsdienstige plichten maar moeilijk konden vervullen, omdat zij ofwel te verre van de stad woonden, ofwel slechte, onbruikbare wegen moesten volgen. Om die reden richtte hij twee kapellen op: de kapel ter Heide, tusschen Ronse en Ellezele, en de reeds genoemde kapel van Lorette, langs de baan naar Brakel, welke wij volgen.
In de kapel ter Heide las men mis op alle Zon- en heiligdagen des jaars, behalve op Paschen, Sinksen, Allerheiligen en Kerstmis. Ten jare 1819 brak men deze bidplaats af.
De kapel van Lorette bestaat nog, en wordt ieder jaar met den 25 Maart druk bezocht. De landzaten spreken dichterlijk van den "Tijloozen ommegang," omdat de tijloozen of de sneeuwklokjes in die dagen volop bloeien.