Reisjes in Zuid-Vlaanderen

Chapter 5

Chapter 53,667 wordsPublic domain

Een boer, die hen in de Broodstraat ontmoette, stortte almede levenloos ten gronde.

In de Kasteelstraat troffen de republikeinen H. Gyselinck, oud 21 jaren.

Komende in de abdij van Maagdendale, doodden zij al de Ronsenaren, die daar eene schuilplaats hadden gezocht. Verder, in de Hoogstraat, kwetsten zij J. de Langhe, van Ooike. De martelaar sukkelde voort tot in de Kattestraat, waar men hem den genadeslag toebracht.

Bij de Baarpoort trof een kogel G. de Vos, herbergier in _de Kroon_, te Leupegem. De Vos was zeer oud en hoorde bijna niet meer.

De registers van den burgerlijken stand der stad Oudenaarde bewaarheden het grootste gedeelte van de Rantere's verhaal.

XVII.

Naar Zottegem.

Achttien kilometers scheiden Oudenaarde van Zottegem. Tusschen beide plaatsen liggen Eename, Welden, Munkzwalm en Rooborst.

Eename was zeer vroeg eene villa, met een versterkt kasteel.

Boudewijn van Rijsel stichtte er, in 1063, eene abdij, toegewijd aan Sint-Salvator. De bisschop van Kamerijk bevestigde de stichting in den loop van het volgende jaar. De kerkvoogd noemde Eename eene bloeiende plaats met drij bedehuizen.

CH. PIOT heeft het cartularium der abdij uitgegeven. Zoo weten wij, dat het jonge klooster spoedig mild begiftigd werd. Het bekwam de altaren van Kortemark en Handzame, in 1085; -- het altaar van Opbrakel, in 1096; -- dat van Welden, in 1110; -- de altaren van Semmerzake en Melsen, in 1117; -- die van Moorsele en Lemberge, in 1126. Voorts bezat het gesticht tienden en goederen te Mater, te Welden, te Leupegem, te Schoorisse, te Eine, te Avelgem, te Bosuit, te Moen, te Werken, te Handzame, te Oost-Roosbeke, te Deurne, te Kluizen, te Marke, te Oosterzele, te Everbeke en te Hoorebeke. Eene oorkonde van 1187 noemt gronden, ingenomen door het kanaal de Yser.

Tijdens de Fransche omwenteling, op het einde der XVIIIe eeuw, zochten de Kortrijksche nonnen van Groeninge eene schuilplaats in de abdij van Eename, waar zij twee maanden verbleven. Zuster Carolina de Witte heeft dit alles in haar dagboek aangeteekend.

Den 26 April 1794 -- zegt zij -- zijn wij vertrokken met het beeld van O.-L.-Vrouw, en hebben vernacht te Waregem.

Den 27 's avonds zijn wij te Oudenaarde aangekomen, en hebben verbleven in de abdij van Maagdendale tot den 29 's morgens, wanneer wij gegaan zijn tot de abdij van Eename, alwaar wij bleven tot den 23 Juni.

Den 18 Mei, dag van het gevecht tusschen Kortrijk en Doornik, werd het beeld op het altaar gesteld gedurende de hoogmis.

Den 23 Juni zijn wij vertrokken naar Velzeke, met nog vijftien andere kloosterzusters.

Den 2 Juli heeft men het heilig beeld op het altaar gesteld in het klooster van Velzeke.

Wij zijn daar gebleven tot den 6 Juli, wanneer wij naar Kortrijk zijn teruggekeerd, slapende te Oudenaarde in de abdij van Maagdendale.

Den 8 zijn wij in ons klooster toegekomen, aldaar alles "in groote troubels vindende."

Eename telt hedendaags 890 inwoners.

Op het dorpsplein staat eene steenen kolom: de kaak of de schandpaal, waartegen men vroeger zekere booswichten ten toon stelde.

Bij het aanleggen van de spoorbaan naar Zottegem, in 1867, vond men, op het grondgebied van Erwetegem, vele Romeinsche muntstukken, bewaard in een bruinachtig kruikje.

* * * * *

Zottegem, met ruim 3,000 inwoners, ligt eigenlijk benoorden de Vlaamsche Ardennen. Doch het is een schoon, nijverig vlek, en verdient om meer dan eene reden een bezoek.

Zottegem is de hoofdplaats van een kanton. Vijf ijzeren wegen loopen hier samen.

In de XIVe eeuw bloeide er het lakenweven. Op zekeren dag, in 1314, kwam Ketele, de toenmalige onderbaljuw van Gent, met eenige naijverige mannen herwaarts. De rekening vermeldt, dat zij twee dagen "ute waren," en dat zij met twee wagens de gebroken getouwen wegvoerden. Dergelijke baldadigheden gebeurden ook te Assenede.

Wij kennen eene rederijkkamer, welke te Zottegem de tooneelkunst beoefende: _Die bloeit door liefde en eendracht, groeit_. In 1784 vertoonde zij te Kortrijk het treurspel _Mahomet_; in 1788 schreef zij eenen prijskamp uit.

De parochiale kerk is goed hersteld en geschilderd. In den zijmuur langs de Markt wijst eene ijzeren deur den grafkelder van Egmond en zijne vrouw aan.

Twintig schreden verder rijst een klein standbeeld van den held van St-Quintijn en Grevelingen. Het werd vervaardigd door CALLOIGNE, van Brugge, en plechtig onthuld in den zomer van 1872.

Lamoraal, graaf van Egmond, bleef den godsdienst zijner vaderen getrouw; hij beminde zijnen koning, en droeg zijne vrouw en kinderen eene onbegrensde liefde toe. Op het slagveld was hij manhaftig; doch in het gewone verkeer des levens scheen hij buigzaam en zonder de noodige wilskracht.

Zoomin als Willem van Oranje en den graaf van Hoorn, kon Egmond het over zijn hart krijgen, dat Granvelle in den Staatsraad eenen zekeren voorrang had en naast de Landvoogdes de eerste plaats innam.

Zoo raakte hij in onmin met Granvelle, om meer en meer den Zwijger aan te hangen, die koud, listig en vooral heerschzuchtig was. Ook schertst VAN VAERNEWYCK, in zijne _Beroerlicke tijden_, niet weinig met den gewestvoogd, als hij zegt: "Het was goed te merken, wat faveur de graef de consistorianten droeg, daer hy hun niet en wilde verbieden hunne manier van doen, verstaende nochtans, dat zy hem geobedieert zouden hebben; waerom by sommigen een gemeen spreekwoord van hem ging, dat hij op twee peerden reed: op een geusch en een katholiek peerd, maer dat hij het meest het geusche peerd beschreed."

Toen de hertog van Alva in de Nederlanden kwam, vertrok de Zwijger naar Duitschland, om vreemde krijgsknechten aan te werven. De graven van Egmond en Hoorn werden gevangen en den 10 September 1567 gekerkerd. Hun proces duurde lang. Er bleek uit het gerechtelijk onderzoek en uit de afgelegde getuigenissen, dat beide edellieden het eens waren met de oproerige Geuzen. DE BAVAY, die de gansche rechtspleging liet verschijnen, drukt zich uit als volgt: "Le comte d'Egmont etait coupable de rebellion et de lese-majeste, a cause des mauvais offices qu'il avait faits avec les sectaires seditieux et rebelles a la sainte eglise; et pour avoir en outre favorise la ligue et abominable conjuration du prince d'Orange et d'autres seigneurs."

Den 5 Juni 1568, op Sinksenavond, legden beide graven het hoofd onder het mes van den beul.

Als men te Zottegem de breede Neerstraat volgt, ontwaart men, aan 't einde links, de overblijfselen van Egmonds kasteel. Het biedt niets merkwaardigs aan.

Zottegem is de geboorteplaats van den geneesheer LAURENS DE METS. In 1639 liet hij eene _Zalige remedie tegen de besmetting der pest_ verschijnen.

XVIII.

De omstreken van Zottegem.

In de nabijheid van Zottegem liggen verscheidene dorpen, die zeker vroeg bewoond werden. Te Velzeke heeft men eene menigte voorwerpen opgedolven, welke tot het Romeinsch tijdvak behooren. Te Erwetegem ontdekte men in eenen meersch ongeveer 1,600 muntstukken uit het midden der XIe eeuw.

Gedurende de middeleeuwen was het land van Zottegem rijk aan burchten. De heeren van Leeuwergem, Herzele en Steenhuize, zoowel als die van Hofstade en Massemen, Kalken, Zomergem en Landegem, vochten in 1302 op de vlakte van Groeninge tegen de verdrukkers van Vlaanderen. De twee laatsten verloren hun paard in den strijd.

Reeds in de XIVe eeuw had het meer genoemde Velzeke een klooster. In den nacht van den 20 Juli 1728 verslond het vuur niet alleen dit gesticht, maar ook het hospitaal, de kapel, de school, de dorpskerk en negen en twintig woonhuizen. Om voortaan van dergelijke rampen bevrijd te blijven, deed men eene jaarlijksche bedevaart naar Landskouter, bij Gent, alwaar de heilige Agatha als patrones tegen den brand vereerd wordt.

Elene heeft verscheidene bronnen en vijf vijvertjes. De kerk, herbouwd in 1858-1863, prijkt op de helling eens heuvels.

Elene stond vroegertijds onder het gezag der heeren van Leeuwergem. Op de wijk _Nieuwwege_ hield men alle jaren, op den 9, 10 en 11 September, eene vrije jaarmarkt, evenals in de groote steden. In 1457 verbood de heer van Leeuwergem het "dobbelspel," het "caetspel" en andere baldadigheden.

Hillegem ligt meer oostwaarts. Wilt gij weten, lezer, wat men in den omtrek dier gemeente vertelt?

Welige eiloofranken waren, in lang vervlogen tijden, tegen de muren der kerk opgewassen. Zelfs bedekten zij een gedeelte van den toren.

De dorpelingen zagen zulks met leede oogen.

Een hunner stelde voor, met eene katrol en sterke koorden, eene koe op te hijschen. Deze zou de ondeugende planten wel binnenspelen.

Zoo gezegd, zoo gedaan. De koe werd opgetrokken, maar de koord verworgde haar; en eer zij heel dood was, stak zij hare groote tong uit.

Al de bewoners van het dorp, mannen, vrouwen en kinderen, waren toegesneld en riepen:

Kijk, ze lekt al, ze lekt al!

En sedertdien spreekt iedereen in de streek van... de Hillegemsche lekkers.

* * * * *

Bij de spoorhalle van Zottegem bemerkt de reiziger, op eenen kleinen afstand, eene zacht rijzende verhevenheid, waarop eenige huizen. Daar is Grootenberge, eene gemeente, die 1,050 zielen kan tellen.

Verder schuilt St-Lievens-Essche; aan den anderen kant liggen Godveerdegem en Erwetegem.

St-Lievens-Essche is zeker eene der eerste plaatsen van Vlaanderen, waar een kerkje oprees.

De heilige Livinus was een Ierlander.

Weinige jaren na St-Bavo's dood kwam hij te Gent toe, dikwijls predikend in het land van Aalst. Zoo verbleef hij eenen zekeren tijd in het toenmalige Holthem. Den 12 November 657 vond de groote apostel den marteldood te Essche. Zijne leerlingen droegen zijn lijk naar Holthem, waar zij het ter aarde bestelden. Het plaatsje werd naderhand St-Lievens-Houtem geheeten.

Essche kreeg den naam van St-Lievens-Essche. Hier bouwde men een bedehuisje op de plek, waar de zendeling zijn bloed had vergoten.

Door het instellen van eene jaarlijksche bedevaart uit Gent naar Houtem, nam de vereering des heiligen op buitengewone wijze toe.

St-Lievens-Essche ligt in een heuvelachtig gewest. Men vindt er schoone huizen en, op het groote dorpsplein, eene drenkplaats voor koeien en paarden.

Godveerdegem is slechts anderhalven kilometer van Zottegem verwijderd. Het heeft eene bevolking van 900 zielen en eene oppervlakte van ruim 326 hectaren.

Het dorpje bezit eene fraaie kruiskerk uit de XVe eeuw, met eene achthoekigen toren.

Eenige jaren voor de Fransche omwenteling vond men in het kleine Godveerdegem eene rederijkkamer: _De kunstminnende liefhebbers_. In den zomer van 1784 vertoonden zij het historisch stuk: _Keizer Karel VI_.

Erwetegem is een schilderachtig dorp met meer dan 2,000 zielen. Aan het Kapelbosch borrelt eene bron, die een beekje vormt. Zes andere vlieten besproeien het grondgebied der gemeente.

De hedendaagsche kerk van Erwetegem is uit de tweede helft der XVIIIe eeuw. JANSSENS, van Nevele, schilderde de muren van het koor. Verder bezit de tempel eenen ijzeren kroonluchter, die zeer merkwaardig is.

De rederijkkamer: _Opgewekt door ijver_, speelde in 1787 te Tielt, in 1788 te Zottegem.

XIX.

Geeraardsbergen.

Geeraardsbergen -- _Grammont_ -- is een lief steedje, gelegen op de helling van den Ouden-berg. De Dender verdeelt de plaats in eene boven- en eene benedenstad. Het zicht op de bovenstad is waarlijk schoon, prachtig.

Geeraardsbergen ontstond in het jaar 1068, onder de regeering van Boudewijn van Bergen, graaf van Vlaanderen en Henegouw. De stad werd gesticht op eenen vrijen grond, toebehoorende in Hunnegem aan zekeren Geeraard, en mag beschouwd worden als eene eerste allodiale bezitting der Vlaamsche vorsten.

Misschien wilde Boudewijn, op de grenzen zijner twee staten, een bolwerk opwerpen tegen den moedwil zijner Waalsche onderdanen. Hoe het zij, Geeraardsbergen was de eerste Vlaamsche gemeente, die eene keure kreeg. Ziehier enkele bepalingen uit dit oude wetboek:

"Alwie in Geeraardsbergen erf koopt en zich aan de stedelijke wet, volgens het oordeel der schepenen, onderwerpt, wordt vrij, al was hij dat vroeger ook niet.

"Elke burger van Geeraardsbergen heeft het recht de stad te verlaten en zijne woonstede elders te kiezen, mits hij geene schulden nalate.

"Geen burger mag gedwongen worden tot het tweegevecht, noch tot het ondergaan van vuur- of waterproef.

"Wie geene erfgenamen heeft, mag zijne goederen, zoo roerende als onroerende, vermaken aan de kerk of aan den arme.

"Een burger, die weigert zijne schulden te betalen, zal, na uitspraak der schepenen, door 's graven hulp en macht, daartoe gedwongen worden.

"Wie een ander doodt of verminkt, zal, buiten het geval van eigen verwering, hoofd voor hoofd, lid voor lid geven."

Dank aan die keure, zegt Dr MOROY, bezat het ontluikend Geeraardsbergen op korten tijd de drie dingen, die eigenlijk de stedelijke gemeente uitmaakten: eene parochiekerk en een plaatselijk schependom, met muren en vestingen.

Deze waren bijzonder sterk aan den kant van Henegouw, alwaar twee stevige torens, die nog gedeeltelijk bestaan, de Pussemijpoort beheerschten en beschermden. Men noemt ze den _Pijntoren_ en den _Dierenkost_. In de Pussemijstraat, derwaarts leidende, stond de eerste _pusseme_ of woekerbank, de eerste Lombard.

Na de nederlaag der Vlamingen te Kassel, op den 20 Augustus 1328, werden onze vaderen streng gestraft. Te Brugge en te Ieperen alleen koos men 1400 gijzelaars. WILLEM DE DEKEN, oudburgemeester van Brugge, stierf als martelaar den 15 December 1328. Een andere Bruggeling duidde twee mannen van Geeraardsbergen als medeplichtigen aan: HENDRIK VAN KERREGHEM en JAN BLONDEEL. De genaamde JAN LE CLERC, die in vroegere jaren te Geeraardsbergen een openbaar ambt bekleedde, onderteekende zijne onderwerping daags voor St-Michielsdag in 1329. Hij beleed misdaan te hebben "en ces derraines esmeutes."

Tijdens de regeering van Lodewijk van Male heerschten er nogmaals groote onlusten in Vlaanderen: een krijg tusschen de burgerij en den adel. De Witte Kaproenen bezetteden in 1380 de vier Ambachten, haalden Ieperen voor hunne zaak over en wonnen bovendien Dendermonde, Aalst, Ninove en Geeraardsbergen.

In de maand Maart van het volgende jaar werd de worsteling met nieuwen drift hernomen. Vijf krijgsbenden trokken uit Gent, zich richtende naar verschillende gewesten, als wilden zij toonen, dat hunne stad machtig genoeg was om over heel het graafschap te heerschen. Die stoutmoedigheid had nochtans jammerlijke gevolgen; want terwijl de eenen voordeel haalden, werden de anderen deerlijk geslagen.

Het was in die omstandigheden, dat de heer van Edingen -- _Enghien_ -- een neef van Vlaanderens graaf, op Zondag 7 Juli 1381 heel Geeraardsbergen verwoestte. De ingezetenen werden om hals gebracht, de huizen en de openbare gebouwen door het vuur verslonden.

Philip de Stoute teekende den 18 December 1385 een vredeverdrag, waarbij alle oude voorrechten en vrijheden niet alleen aan Gent, maar ook aan Kortrijk, Deinze, Rupelmonde, Hulst, Axel, Biervliet, Dendermonde, Oudenaarde, Aalst, Ninove en Geeraardsbergen werden weergegeven en bevestigd.

Ook in 1485 en 1491 werd een groot gedeelte van de stad verwoest.

Na de plunderingen der Geuzen stonden er nog honderd drie en zestig bewoonbare huizen recht.

Geen wonder dan, dat Geeraardsbergen niet rijk is, aan oude gebouwen.

Zeer merkwaardig nochtans is de kerk van Hunnegem, deels in Romaanschen, deels in Gothischen stijl opgebouwd. Zij wordt gebruikt door Benedictijner nonnen, en werd gansch geschilderd door L. BERT-DE L'ARBRE, den geachten voorzitter van het Davids-Fonds aldaar. Boven het altaar bewondert men de vereering der H. Maagd; elders het leven van den insteller der Benedictijnen of, zinnebeeldig, de alledaagsche bezigheden der nonnen: het gebed, het onderwijs en de arbeid.

Op de Markt staat de kerk van Sint-Bartholomeus, een Gothisch gedenkstuk uit de laatste jaren der XVe eeuw. De predikstoel is een schoon gewrocht, gesneden door DEVILLE. Onlangs heeft M. BERT den tempel prachtig versierd. De edelmoedige kunstenaar schilderde eigenhandig, ter eere Gods, het koor en de beuken in 1896.

Den 16 Juli 1515 bracht men, uit "de prochie van sente Martenslierde, zekere reliquien van den heylighen Bertolomeux, om die in de prochiekercke" van Geeraardsbergen te stellen, te verheffen en te eeren. De kas, waarin men die kostbare overblijfselen bewaart, is een zilveren juweel van groote waarde.

Voor de Fransche omwenteling bezat Geeraardsbergen eene vermaarde abdij, toegewijd aan St-Adriaan. Zij dagteekende van het jaar 1081 en stond tusschen de Bergpoort en de poort van Boelare. De monniken besteedden hunnen tijd aan het gebed, aan den arbeid en aan de studie. De kerk was groot en schoon, versierd met prachtige sieraden. In 1519 bezat zij "een stic van den heleghen Cruce, een doren van de dorne croone, een sandael van die heleghe moeder Anna en eenen brief van sent Joannes den Evangelist," benevens eene menigte overblijfselen van heilige mannen en vrouwen. J. VAN COPPENOLLE, prelaat en abt van het klooster, teekende deze bijzonderheden in eene korte "verclaeringhe" aan.

Een pand der abdij is gespaard gebleven.

Het gasthuis is almede zeer oud. Een steen, in den gevel gemetseld, draagt althans het volgende opschrift: "Aen siecken ende weesen hebben zy hunne erve uytgedeeld. Johanna, gravinne van Vlaenderen (1243); -- Meester Sechere, pbr., en Claus Cheylinc (1244); -- Symoen de Ruwe (1304); -- Jan van Culsbrouc ende Geert syn broedere (1406)..."

Meer dan eene nijverheid heeft Geeraardsbergen verlaten. Nog in de XVIe eeuw telde de stad tapijtwevers, lakenwevers, volders, droogscheerders en linnenwevers. Hun gildehuis stond op den hoek, gevormd door de Begijnhofstraat en de huidige Wijngaardstraat.

Later bloeide de nijverheid der zwarte kanten.

Hedendaags heeft Geeraardsbergen groote werkhuizen, waar men sigaren en zwavelstokjes vervaardigt.

Geeraardsbergen schonk het leven aan GABRIEL DE GRUPELLO, beeldhouwer, van wien men verdienstelijke werken aantreft in Belgie en in Duitschland; -- aan JAN HAUCHIN, aartsbisschop van Mechelen in de tweede helft der XVIe eeuw; -- aan J. SCHOLLAERT, dichter, begraven in de St-Bartholomeueskerk, voor het altaar van St-Elooi; -- aan FRANS RENS en Dr R. MOROY.

Rens (1805-1874) beoefende met voorliefde de ballade, en leverde in dit vak eenige merkwaardige stukken. Wie de herleving der Vlaamsche letteren na 1830 wil nagaan, doorbladere 's mans letterkundig _Jaarboekje_; wie de geschiedenis der Vlaamsche beweging wil kennen, raadplege zijne _Eendracht_.

Dr Moroy, overleden te Moorsel, schreef _J. David's leven_ en belangrijke bijdragen in het _Belfort_. Voor dit werk leverde hij ons bereidwillig eene menigte aanteekeningen. De begaafde man stierf in 1898.

De stad Geeraardsbergen bezit verscheidene volksscholen voor jongens en meisjes; eene muziekschool; eene nijverheidschool; eene kostschool, gehouden door Josephieten in het voormalige klooster der Karmelieten; een bisschoppelijk college, in het oude klooster der Miniemen.

Twee genootschappen beoefenen de tooneelkunde. Het St-Pietersgilde bloeide reeds in de XVe eeuw. Ten jare 1424 reden "de ghesellen, ghewapent en te peerde, by goeden adviese voor het heleghe Sacrament in den ommeganc van der processie." Na den middag "speelden sy up de maerct een spel van batailgen."

Het grondgebied der stad meet 191 hectaren. Hare bevolking is tot ongeveer 10,400 zielen gestegen.

De Groote Markt ligt 33 meters boven den spiegel der zee. Weinige minuten verder rijst, breed en majestatisch, de Oude Berg, wiens hoogste punt, achter de kapel, 113 meters bereikt.

XX.

Op den Ouden berg.

Het is omtrent drie ure namiddag en warm, helder weer.

Wij verlaten de Markt en beklimmen den Ouden Berg langs eenen smallen, steilen weg, beleid met scherpe steenen.

Bijna op de kruin vinden wij eene groote, fraaie herberg, niet te onrecht _het Hemelrijk_ geheeten. Hier zullen wij toeven en nog eens onze oogen verzadigen.

Voor ons blikken wij over heel de stad, over daken en schouwen, over meerschen en velden, verscheidene mijlen ver.

Stroom op, ten Zuiden van Geeraardsbergen, ligt de kleine Gaver, palende aan de korte Lake. In den winter, als de Dender overstroomt en de aanhoudende vorst het water tot ijs verstijft, ziet men daar honderden schaatsenrijders weg- en wedersnellen. Nu grazen er menigvuldige bonte koeien.

Stroom af, beneden de stad, vindt men de groote Gaver op het grondgebied van Onkerzele. Daar speelde men den 29 Mei 1815 als een voorspel van den bloedigen slag van Waterloo.

De lucht was helder, zooals nu, en de zon wierp heure gouden stralen over het groene grastapijt. Twintig duizend ruiters daagden op, en ontwikkelden hunne gelederen voor het oog van zes en dertig veldoversten. Daar waren immers Wellington, Blucher, von Bulow, lord Howard, de hertog van Berry, de prins van Oranje en andere helden.

De legende heeft er bijgevoegd, dat Napoleon-Bonaparte, in koopman verkleed, op den dorpel van de afspanning _de Warmoesput_, het grootsche schouwspel met zijne blikken volgde.

Ten Oosten van de stad daagt een overschot van het oude Raspaillenwoud. Daar gaan de kinderen in den zomer "kozijnen" of blauwe kraakbezien en "rambanzen" of braambessen plukken; -- daar bezong de Gentenaar DANIEL HEINSIUS (1580-1655) de mild spruitende bron; -- daar verschansten zich, in de tweede helft der XIVe eeuw, de laatste Witte Kaproenen, "les pourcelets de la Raspaille," zooals FROISSART ze noemt; -- daar verborg later de beruchte Jan de Lichte zijnen buit.

Het woord _raspaille_ zal wel hetzelfde zijn als _respeel_, door KILIAAN opgegeven in den zin van deugniet, fielt, boef, guit, schelm, schurk. NICOLAAS DESPARS, van Brugge, gewaagt in zijne kroniek van "eeneghe quade ende rouckelooze raspaylgien." Zoodat het Raspaillenwoud eene schuilplaats zal geweest zijn voor al het janhagel uit Brabant, Henegouw en Vlaanderen.

Maar... het is tijd, dat wij eens rondkijken!

Wij onderscheiden Deftinge, Parike en Goeferdinge in de nabijheid; Neder- en Opbrakel in het dal der Zwalm; Lessen in het Henegouwsche. Aan den gezichteinder, boven Goeferdinge, blauwen de wouden van Vloesberge en Brakel, met het bosch te Rijst. De Molenbeek kronkelt door de delling, vloeiende langs Smeerebbe naar den Dender.

Achter "het Hemelrijk" stijgt de berg nog eenige meters.

Hier treffen wij een groot kruisbeeld aan, beschaduwd door drie donkergroene mastboomen. Men zou haast zeggen, dat zij treuren...

Verder staat een groot beeld van de Moeder der smarten -- een gewrocht van G. DE GRUPELLO. Wij lezen op het voetstuk: "Ick groete u, herte van Maria, Moeder van Jesus, doorsteken met het sweert der droefheden; wees my, ermen zondaer genaedich, nu ende in de ure van myne dood!"

Op het hoogste van den berg rijst eene lieve kapel, toegewijd aan de Troosteres der bedrukten. Oorkonden uit de XIIIe eeuw maken er reeds gewag van.

Deze kapel bestaat uit twee deelen, gescheiden door eene traliedeur: een portaal, waar de bedevaarders knielen, en een achthoekig koor, lief geschilderd en versierd. Het licht dringt door een koepeltje binnen.

Bezijden de kapel, doch veel lager, is een vijvertje, altijd goed voorzien van water, en eene arduinen zuil van eenige meters hoogte: het tafeltje van den berg.

Aan deze zijde is het landschap even schoon. Wij zoeken Hemelveerdegem, ten Oosten van Nederbrakel; Schendelbeke en Idegem, twee dorpen op den Dender; Grimmingen, Onkerzele, Moerbeke en Viane, aan den kant van Brabant. Verder steken de torenspitsen van eenige Henegouwsche en Brabantsche gemeenten slank in de wasemige lucht. In het geheel onderscheiden wij de witte gevels van drie steden en de torentjes van een twintigtal dorpskerken.

In het _Jaarboekje_ van Rens, voor 1851, lazen wij eens een dichtstukje van FRANS DE BECK, dat ons gedeeltelijk te binnen schiet...

Hoe lustig zien wij ginds de wijde Dendermeerschen Bezet met welig horenvee! Hoe lieflijk de rivier langs wei en velden kronkelen, Hoe pronkt in 't veld de rijpende oogst!