Chapter 4
Den 4 October 1572 wierpen eenige schurken, aangevoerd door den kapitein Blommaert, zes priesters in de Schelde: Paulus van Coye, Pieter van den Hende, Jan van Bracle, Jacob de Deckere, Jan van Opstalle en Jacob van Anvaing. In den avond leidde men hen uit het kasteel van Pamele, waar zij sedert den 7 September gevangen zaten, naar het nieuw kasteel. Hier werden zij "ontcleet tot op huerlieder hemde;" en nadat men hun de handen en de beenen gebonden had, schoot men hen "met den hoofde voren, door de veijnsters" in den stroom. Jacob van Anvaing werd nochtans "wonderlijck verlost." Dit verrichtten de verdedigers van de "gewetensvrijheid," de "verdraagzame" geuzen!
Het stadhuis, een toonbeeld van den praalzuchtigen stijl der derde Gothiek, en bovendien een echt juweel, is van 1525-1580. HENDRIK VAN PEDE, van Brussel, werd gelast met het vervaardigen van de teekeningen, alsook met het besturen en bewaken van de werken. WILLEM DE RONDE zorgde voor de bouwstoffen en het beeldhouwen der steenen.
De eventijdige rekeningen der stad noemen nog andere kunstenaars: ADRIAAN VAN HOORICK, PAUL VAN DER SCHELDE, JORIS DE LA POTELLERIE, MICHIEL PIETERS, GILLIS SPIERINCK, JOZEF DE CLERCQ.
P. VAN DER SCHELDE sneed het merkwaardig portaal in eikenhout, dat de raadzaal verrijkt. Dit gewrocht behoort tot den Renaissancestijl.
Te Kortrijk liet men "den patroen maecken van de caven, staende binnen den scepenhuuse." Deze werden nochtans niet nagebootst.
De volkszaal, in den laatsten tijd hersteld en versierd door VERHAEGEN, BLANCHARD, BRESSERS en HENDRICKX, is schoon te noemen. Op de schouw leest men het jaartal 1545. De beeltenissen van Karel den Groote, Liederik de Buck, Robrecht van Bethune en Karel V versieren de muren.
Het museum van oudheden en de bibliotheek zijn niet van belang ontbloot. In het museum bewaart men oude wapens, zegels, bogen en sporen, wijnkannen uit de XVe eeuw. Daar is ook de boekerij van wijlen Karel Liedts.
De toren van het stadhuis of het Belfort is almede een meesterstuk van smaak en zwierigheid. Het Belfort is 40 meters hoog, en draagt op zijn toppunt een verguld koperen beeld van twee meters: _Jantje van Oostenrijk_, zegt eene oorkonde. Jantje staat daar te prijken sedert 1580.
Oudenaarde bezit nog andere gebouwen, die een bezoek verdienen: het oude huis van Burgondie, langs de Schelde, nu tot vredegerecht ingericht, en het voormalige klooster van Maagdendale, niet verre van de kerk van Pamele, nu ene kazerne.
Een paar gekende rederijkkamers: _Pax vobis_ en _de Kersowieren_ hielden tooneelwedstrijden en woonden vreemde landjuweelen bij. In hunne stad stelden zij prijzen op in 1462 en in 1564. _Pax vobis_ ging naar Kortrijk in 1512. Men wil ten andere, dat de gezellen dier twee steden altijd "in vrinscepe" leefden. Zelfs schonk het magistraat van Oudenaarde, in 1559, "aen die van Curtrijcke in dancbaerheden een vriendelic banket," dat ruim 567 pond parisis kostte.
Op het landjuweel van Gent, in 1440, verschenen de Oudenaardsche genootschappen met 88 gezellen zonder boog, 365 met boog, eenen speelwagen, 339 ruiters en eenen koning, omringd door 79 poorters.
Het landjuweel van 1497 overtrof al de voorgaande kunstfeesten in pracht en luister. Nu zond Oudenaarde 132 wagens, overdekt met wit laken, 88 paren ruiters en meer dan 200 gezellen te voet.
Te Oudenaarde stond de wieg van Margareta van Parma, geboren "binnen Pamele, op het Spei," van Joanna van de Gheenst; -- van MATTHIJS DE CASTELEYN (1488-1550), Vlaamschen dichter, behoorende tot de rederijkkamer _Pax vobis_; -- van JAN VAN DEN DRIESSCHE, meer gekend onder den naam van DRUSIUS (1550-1616); -- van den schilder ADRIAAN BROUWER (1608-1640); -- van JAN RAEPSAET (1750-1832), rechtsgeleerde, oudheidkundige en geschiedschrijver; -- van B. DE RANTERE (1775-1831), kroniekschrijver; -- van den reeds genoemden staatsman LIEDTS; -- van den geschiedvorscher A. VAN DER MEERSCH; -- van den geleerden pater VAN TRICHT, S. J. (1842-1897); -- van den dichter en toonkundige G. ANTHEUNIS (1840).
De Casteleyn, "priester en excellent poeet," had eenen grooten dunk van "de conste van rhetorijcke." Ik schreef, zegt hij ergens, 36 esbatementen, 38 tafelspelen, 12 staande spelen "van sinne" en 30 wagenspelen. Het boek, waarin hij zijne voorschriften uiteenzette, verscheen na zijnen dood, en wel in 1555. Het bleef gedurende eene eeuw het wetboek voor allen, die aanspraak wilden maken op den naam van dichter.
Drusius werd leeraar der Oostersche talen te Oxford, te Leiden en te Franeker. Verscheidene gewrochten over het Oude Testament en de heilige Schrift vloeiden uit zijne pen.
Brouwer heeft men "den Rubens van het genre" genoemd. Met voorliefde maalde hij tooneelen uit het woeste leven in de kroegen. Vechtende, rookende, slapende, bedwelmde en onpasselijke boeren en slempers, ziedaar de onderwerpen van zijne tafereeltjes. Maar deze zijn wonderkeurig bewerkt, en tintelen van humor en argelooze waarheid.
B. de Rantere hield zich langen tijd en met onvermoeide volharding bezig met het opsporen van de belangrijke archieven, die ten stadhuize bewaard worden. Ook genoot hij onder zijne medeburgers de eervolle onderscheiding, die alleen den braven en rechtzinnigen man ten deele valt.
Liedts schonk zijne gansche boekerij aan de stad.
Mevrouw Verwee, geboren Maria d'Huygelaere, is ook een kind van Oudenaarde. Zij dichtte de gekende _Meerschbloemen_.
XIV.
Naar Leupegem en Edelare.
Leupegem en Edelare zijn twee kleine, maar vriendelijke gemeenten in de nabijheid van Oudenaarde.
Leupegem heeft 1050, Edelare ongeveer 400 inwoners. Te Leupegem aanschouwde de rederijker J.-B. DE BACKER het levenslicht (1783).
Den steenweg naar Geeraardsbergen volgende, beklimt men den Edelare-berg, die ruim 80 meters hoog is. De helling is nog al steil. Ook zal de wandelaar wel eens poozen, en dan eenen blik werpen op de stad en de vallei der Schelde.
Oudenaarde, met zijne torens, daken en schouwen, ligt daar voor hem, in de diepte, te midden van uitgestrekte, zachtgroene beemden, waar koeien grazen en kinderen spelen. Tusschen Melden en Elzegem kronkelt de Schelde, tintelend in den glans der zomerzon. Aan den anderen kant onderscheidt men het oude Eename, het nijverige Eine, Heurne met zijnen witten kerktoren, en verder de hoogten van Gaver en het Belfort van Gent.
Tusschen Edelare en Oudenaarde zijn de bronnen, die de stad voorzien van goed drinkbaar water.
Edelare heeft een Gothisch kerkje, dat goed hersteld is. Het staat op het hoogste des bergs. Eenige minuten verder rijst de vermaarde kapel van O.-L.-Vrouw van Kerselaar, te midden van eenige eenvoudige huisjes. Langs den weg ontmoet men de veertien tafereelen van het lijden des Zaligmakers. Men waant, dat de koornaren daar weemoediger ruischen dan elders; dat de leeuwerik daar stiller zingt, dan hij pleegt. O die godsdienstige poezij in Vlaanderens heerlijke velden!...
Edelare was voorheen eene wijk van Volkegem. Een pastoor dier plaats, Rogier van Brakel, bezat een houten beeldje van de Moeder Gods. Toen de brave man zijn einde voelde naderen, schonk hij het beeld aan zijne bloedverwante Katharina van Brakel. Deze bracht het, in de maand October 1452, naar Edelare, en hechtte het aan eenen kerseboom.
Korten tijd nadien bouwde men eene kleine kapel. Den 5 Juli 1459 verslonden de vlammen dit heiligdom.
Dank aan de milddadigheid van den toenmaligen heer van Oudenaarde, Odoward Blondeel de Joigny, legde men reeds den 21 Juli daaropvolgende den eersten steen van eene grootere en schoonere bedeplaats. De bisschop van Kamerijk wijdde ze den 3 Mei 1460, op den feestdag der Kruisvinding.
Na de beeldstormerij deed Jacob de Joigny de kapel herstellen en vergrooten. De Jacobijnen verkochten ze, in 1798, aan zekeren Thomas Lepape. Drie jaren nadien nam M. Martroye, van Oudenaarde, het gebouw in bezit. Hij verkocht het op zijne beurt, in 1831, en den 30 April 1833 stelde de bisschop van Gent de hedendaagsche bestuurwijze vast.
Voor de Fransche omwenteling bezat de kapel van Kerselaar eenige vaste goederen, alsook kostbare juweelen en altaargewaden.
Aan het gewelf hangt, sedert 1860, een houten krokodil, gesneden door VAN BIESBROUCK. Men verhaalt, dat Joost de Joigny, heer van Pamele, in 1555 op zijnen tocht langs den Nijl door eenen krokodil werd bedreigd. De ridder beloofde, bij zijne terugkomst in het vaderland, het monster in de kapel van Kerselaar dankbaar op te hangen, indien hij het gevaar mocht ontkomen. Hij ontsnapte inderdaad aan den dood, en bracht zijne belofte onverwijld ten uitvoer.
De Franschen zonden het geraamte naar de natuurkundige verzameling eener Gentsche school.
Meer dan eens kwamen 's lands vorsten voor het altaar der Moeder Goris nederknielen: Maria van Burgondie in 1480, Maximiliaan van Oostenrijk in 1513, Karel V in 1521, Philip II in 1557, Izabella in 1625.
De wijding der kapel wordt jaarlijks gevierd op den eersten Zondag na Kruisvinding, in de bloeiende Meimaand.
De bedevaarders van het Westen, die met het krieken van den dag te Oudenaarde toekomen, bidden onderwege luidop den Rozenkrans, en keeren later met kransen en vaantjes terug. De kinderen koopen "lekkie."
Den 2 Mei 1711 keurde het vicariaat van Doornik de plaatsing goed van een beeldje van O.-L.-Vrouw van Kerselaar, op het altaar der H. Drievuldigheid, in de kapittelkerk van Kortrijk. Tevens stichtte men eene broederschap, wier leden alle jaren, op den Zaterdag der novene, te Edelare plechtig werden ingehaald.
De huidige kapel van Kerselaar is tamelijk groot, en heeft een slank torentje. Zij bezit twee altaren. Maria heeft haar Kindeken op den rechterarm. Verder leest men dit jaarschrift:
UW GEKROOND WONDERBEELD BLIJVE ALLER TOEVLUCHT.
Wij kennen eene oude plaat van DU TIELT, voorstellende den heuvel van Kerselaar, met den boom, de kapel en het lachende landschap rond Oudenaarde. Op eene wapperende banier prijkt een vers uit het Hooglied: "Hare vrucht is zoet; dus Maria groet!"
* * * * *
Niet verre van Kerselaar, tusschen Oudenaarde en Volkegem, op de helling van den berg, ligt eene wijd gekende herberg: _Tivoli_. Onder de linden, voor het huis, kan men een half uurtje rusten en... genieten. In den zomer wordt de Tivoli door de bevolking van Oudenaarde druk bezocht.
Achter de heuvelen van Volkegem schuilen Mater en Ste-Maria-Hoorebeke. Het schijnt, dat deze dorpen in de XVIe eeuw bewoond werden "door scaemele lieden, legghewerckers en tapijtwevers." De meesters bewoonden Oudenaarde.
Al die handwerkers, "dagelijcx ommegaende met Fransche en Duitsche kooplieden in wolle, wierden door hen allengskens besmet met de leering van Luther en Calvin." De dorpen, gelegen op den anderen oever der Schelde, "bleven van de nieuwe leering bevrijd, als weinig uitstaans hebbende met vreemdelingen."
De menschen "der voornoemde parochien, meest de leer van Calvin toegenegen," waren de eerste, "die ten jare 1566 de beelden braken, zoo binnen als buiten de stede."
Gedurende het daaropvolgende bestuur van den hertog van Alva moesten velen het land verlaten. Zij vertrokken "met vrouwen en kinderen naar Duitschland, Engeland en Frankrijk." Doch na de Bevrediging van Gent, in 1577, keerden zij naar hunne haardsteden terug.
Later vestigden zich de meesten te Maria-Hoorebeke. De tempel, "waer zij hunnen godsdienst uitoefenden, lag op het gehucht Grysbeke."
Ste-Maria-Hoorebeke is inderdaad, te midden van het katholieke Vlaanderen, eene protestantsche gemeente gebleven. Het handschrift, waaraan wij deze bijzonderheden ontleenen, voegt er bij, dat "die gereformeerden zich zeer gerustelijck houden."
Elzegem, tusschen de Schelde en de grens van West-Vlaanderen gelegen, heeft een fraai kasteel.
Te Elzegem stichtte Bernaard van Bracle, in 1416, eene priorij. Langen tijd hielden de kloosterlingen zich bezig met het schrijven en binden van boeken. Wij weten althans, dat het bestuur van Sint-Martenskerk, te Kortrijk, in 1462 aldaar "twee vulle zouters met vigelien" bestelde, alsmede "eenen hantifenere." Ten jare 1466 maakte men van dit laatste boek een nieuw afschrift.
Etikhove, met 2,500 inwoners, ligt oostwaarts, op de Markebeek. Daar vond men in 1869 eene zekere hoeveelheid gouden geldstukken, dagteekenende van 1469 tot 1598, met de beeltenissen van Ferdinand V, Karel V, Frans I, Sebastiaan I en Philip II. De schat, eene waarde hebbende van ongeveer 500 fr., werd opgedolven in eene weide van L. Blommaert, op het gehucht Grootendriesch.
XV.
Naar Gaver.
Benoorden Oudenaarde kronkelt de Schelde voorbij Eename, Eine en Heurne; dan richt zij zich oostwaarts naar Welden, Hermelgem, Meilegem en Dikkelvenne, en vloeit vervolgens weer het Noorden in, wijkende voor den heuvel van Gaver.
Eine is eene schoone, nijverige gemeente, met ongeveer 3,000 inwoners. Men vindt er sedert eenige jaren eene spinnerij en eene weverij, die ieder tweehonderd werklieden bezig houden.
Boven de deur eener herberg leest men deze eigenaardige rijmen:
Komt in den Belg En neemt een zwelg, Want 't beste nat Is nog in 't vat.
De dorpskerk bestaat uit oude en nieuwere deelen. Groote herstellingen werden gedaan in 1601 en 1623.
Als eene plaatselijke eigenaardigheid noemen wij "den koddigen fittel," op den laatsten dag der jaarlijksche kermis. Alle gebeurtenissen, die gedurende de verloopen maanden de aandacht des volks boeiden, worden door de jonge lieden zinnebeeldig voorgesteld. Met het vallen van den avond trekt de stoet zingend en spelend door de voornaamste straten der gemeente, hier en daar stilhoudende om de toegestroomde menigte door allerlei bokkesprongen te verlustigen.
Vrienden, wij zijn al verblijd, Nu met den kermistijd; Wij hebben ons best gedaan, En de fittel blijft bestaan.
Eine vormde in vroegere eeuwen, met het omliggende, de onafhankelijke heerlijkheid van de graven de Landas. Hunne burcht stond tusschen de kerk en de Schelde, op "de Motte."
Het kapittel van Sint-Elooi, te Eine, bezat onder andere "eene seer oude fondatie, wesende van het jaer 1185, ghemaect by Gerardus de Landas."
Arnold de Landas vergezelde den graaf van Vlaanderen ter eerste kruisvaart. Toen hij wederkeerde, haalden de ruiters van Eine en de naburige dorpen hem zegevierend in. De held had een stuk van het waarachtig Kruis des Zaligmakers mede. Van dit stuk maakte men nadien een kruisje, dat men nog in de dorpskerk bewaart.
Alle jaren, op Sint-Pietersdag, herdenkt men dezen tocht door eene ruitersprocessie. Na den ommegang zegent men de ruiters en de paarden, voor de kerkdeur, met het gebeente van Sint Elooi.
Eene dergelijke plechtigheid bestaat ook te Asper, ten Noorden van Eine, maar op den feestdag van Sint-Marten in het begin van Juli. De weg, dien men hier volgt, loopt naar al de uiteinden der gemeente, langs straten en wegels.
De voetgangers komen voor het krieken van den dag, om drie ure 's morgens, aan de kerk bijeen. Nu eens biddende, dan weer zingende, gaan zij voort. Aan ieder kapelleken, dat zij ontmoeten, toeven zij eenige stonden. Rond zes ure is de menigte weer aan de kerk.
De ruiters vertrekken om vijf ure en volgen denzelfden weg, doch houden nergens stil, tenzij aan de kapel van Sint-Marten.
Den volgenden Zondag wordt de ommegang vernieuwd, doch alleen rondom het kerkhof. Al de inwoners van Asper, die kunnen, en honderden vreemdelingen, zijn in de hoogmis tegenwoordig. De processie met het Allerheiligste is schoon, treffend. Eene zee van volk overdekt het kerkhof, eerbiedig biddende; honderden ruiters volgen op stap, doch blijven buiten den muur, die den doodenakker omringt.
Zoodra dan de processie binnen is, verschijnen de ruiters der gemeente met hun vaandel op het kerkhof. Driemaal doen zij den ommegang, eerst op stap, daarna op den draf en eindelijk in de vlucht.
Het teeken is gegeven en beurtelings rijden de boeren van Nazareth, Eeke, Heurne, Mulhem, Zingem, Eine en andere plaatsen den ommegang. De klok luidt, de beiaard speelt, het volk juicht en -- Sint-Martenskermis is volop aan den gang.
Asper heeft 1,860 inwoners.
Tusschen Heurne en Asper beschrijft de Schelde eene bocht. Daar ligt Zingem, in eene vruchtbare vlakte. Het dorp telt 2,400 zielen.
Na de godsdienstige woelingen der XVIe eeuw was de kerk van Zingem heel bouwvallig. De toren stortte neder in 1580. "Dit was de ruine van den tempel, want het koor viel ook in."
De herstelling begon in 1593. Het metselwerk van den toren was in 1613 geheel opgemaakt. In 1635 zette men op den toren "eene spits van 100 voeten, met vier kleyne torentjes, elk 20 voeten hoog." HENDRIK VAN HAEREN, pastoor der parochie van 1696 tot 1712, stelde een verslag over al die werken op. Zijn handschrift is in het archief der kerk.
Onlangs teisterde een brand het sierlijke bedehuis.
Bewesten Zingem daagt Huise, de geboorteplaats van den toondichter GEVAERT.
Gaver, de geboorteplaats van den geleerden AMAND BAUWENS, is eene gemeente van nagenoeg 1,700 zielen.
Daar beginnen de eerste heuvelen, die langs Balegem naar het land van Aalst loopen.
Gaver is het meest gekend door den veldslag, dien Philip de Goede in 1453 op de Gentenaren won. Men weet, wat er gebeurde.
Gent en Brugge -- merkt David aan -- even bloeiend door nijverheid en koophandel, maar ook even brooddronken in den voorspoed, hadden, sedert ruim eene eeuw, aan den landheer zelden of nooit meer volkomen gehoorzaamd. Beide steden hadden, nu eens met reden, dan weer uit enkelen wrevel, de graven gedwarsboomd, en ja de wapens tegen hen opgevat, om wettiglijk verworven of aangematigde rechten en vrijheden voor te staan.
Zoo ging het weer omtrent het midden der XVe eeuw.
Door de langdurige oorlogen, welke Philip de Goede had moeten voeren, stak deze in groote schulden. Daarom vroeg hij eene tijdelijke belasting van twee stuivers grooten "up elc hoet zouts."
De Gentenaars weigerden, en de hertog verliet de stad met het vast besluit van er geenen voet meer in te zetten, vooraleer zij zich zou hebben onderworpen aan dien eisch.
Nu volgde de eene moeilijkheid op de andere. In den zomer van 1453 riep de Burgondier uit al zijne landen nieuwe manschap op. Hij trok van Rijsel naar Kortrijk, toog Oost-Vlaanderen in, veroverde het kasteel van Schendelbeke, benoorden Geeraardsbergen, maakte zich meester van het slot van Poeke, nabij Nevele, en kwam den 15 Juli voor Gaver.
Het stormde in Gent. Roeland zond zijne zware stem over de stad; jong en oud vloog in de wapens. Volgens LA MARCHE -- een gelijktijdige schrijver -- trokken twee heiren de poorten uit; het eene, 25,000 man sterk, ging langs Merelbeke en Vurste; het andere, dat ongeveer 20,000 man telde, toog oostwaarts over Lembeke.
Den standaard der gemeente rechtte men op het veld van Semmerzake, benoorden Gavere. De opstandelingen gehoorzaamden aan Jacob Meeussone en Diederik van Scaubrouck.
Men vocht den 23 Juli. De Gentenaars verweerden zich als ware helden. Zij wondden den jongen Karel en meenden zelfs zijnen vader, den hertog, in het gras te doen bijten, toen de krijgskans keerde. Nagenoeg 20,000 Vlamingen bleven dood, versmoord in de Schelde, vertrappeld onder de paarden, of neergeveld door de wapenen.
Nu nog draagt een deel van het bloedige slagveld den naam van "Roode Zee."
* * * * *
Voor de liefhebbers onzer folklore zij hier aangestipt, dat zij langs de Schelde eenen rijken oogst kunnen opdoen.
Te Asper vertelt men van Sneeuwwitje, het beminnelijk kind, en den koning van Oosterbant; te Zingem zingt men nog altoos het oude _liedje van de week_:
De Zondag, de Zondag, Dat is de dag des Heeren; Dan doen wij onze schoenen aan, En onze beste kleeren.
Ziehier een raadseltje, dat wij in dezelfde gemeenten hoorden stellen:
Asper en Zingem, En het kerksken van Mullem, In hoeveel staven spelt gij -- dat?
XVI.
Binders of Branders.
EENE BLADZIJDE UIT DE GESCHIEDENIS VAN DEN BOERENKRIJG
Onze lezers weten, dat de Franschen, op het einde der XVIIIe eeuw, millioenen en millioenen uit ons vaderland haalden. Die ontzaglijke sommen noemden zij belastingen, bevoorradingen voor het leger, gedwongen leeningen. Wij voegen er bij: plunderingen van allerlei aard, aftroggelarijen, diefstallen.
In het jaar 1794 mislukte de oogst. De daaropvolgende winter was buitengewoon streng. De prijzen der levensmiddelen stegen overal, eene algemeene ellende stond voor de deur.
Er was meer. De goddeloosheid vermeerderde van dag tot dag; de mindere man dompelde zich in allerhande ondeugden.
De eerlijke lieden weigerden openbare ambten te aanvaarden; de misdrijven werden weinig of niet beteugeld.
Moet het ons dan verwonderen, dat de aanslagen tegen personen en eigendommen gedurig toenamen; dat vele ongelukkigen in de bosschen samenscholen, levende van roof en plundering.
In Oost-Vlaanderen noemde men die booswichten Binders of Branders.
DE RANTERE teekende aan, dat de omstreken van Oudenaarde op het einde van 1795 zeer onveilig gemaakt werden door eene bende "roovers en vagabonden." Zulke benden, zegt hij, waren in het land zeer vermenigvuldigd, dank aan "de slappe politie."
De roovers gebruikten eenen langen boom, waarmede zij de deuren der hoeven inliepen. De menschen, die zij te bedde vonden, namen zij vast, hen bindende aan armen en beenen. Dan legden zij hen voor een blakend vuur, stekende eene brandende kaars aan hunne voeten, ten einde te vernemen waar hunne gespaarde penningen verborgen waren.
Van zulke misdaden hoorde men schier dagelijks spreken, doch het was voornamelijk in den omtrek van Beveren, dat de roovers den boer schrik aanjoegen. Zoodanig, spot de schrijver, waren "de goede zeden reeds verbasterd door de goede regeering der Franschen."
De kapitein der Binders was N. de Witte, van Beveren. Geholpen door eenige gezellen, vermoordde hij den 2 Mei 1796, bij de herberg _la Belle Hotesse_, eenen landbouwer van Mater: J.-B. de Gezelle.
Twee maanden nadien werd de schurk gevangen genomen door Frans Goeminne en eenige andere boeren. Hij was de tweede van heel het departement, die te Gent onthalsd werd.
In de eerste dagen van Maart 1797 bracht men te Oudenaarde nogmaals vijf Branders in. Deze waren van Ronse. De Rantere noemt er twee: J.-B. de Miel, kapitein, en N. Lefebure. Als bewijsstuk had men eenen boom mede, die twaalf voet lang was.
Al die schavuiten legden naderhand, voor hunne gepleegde gruweldaden, het hoofd onder het mes van den beul.
* * * * *
Een goed jaar nadien borst de Boerenkrijg in onze gewesten uit.
In dien tijd leefde de reeds genoemde B. de Rantere. Deze verhaalt, dat de gendarmen van Ronse den 25 October 1798 naar Oudenaarde kwamen. Uit hunnen mond vernam men, dat de opstand aldaar werkelijk uitgeborsten was.
's Namiddags hoorde men inderdaad op verscheidene dorpen de klok kleppen om het volk bijeen te roepen.
Tegen den avond kreeg men de tijding, dat de Boeren reeds te Leupegem waren. De bezetting der stad vluchtte naar Gent. En de Jongens kwamen binnen, onder het geleide van Masculier, bakker te Ronse, en van de Walle, hoedenmaker.
In den avond van den volgenden dag traden nogmaals eenige opstandelingen de stad in.
Middelerwijl naderde een republikeinsch legertje, afgezonden uit Gent.
Het kostte de Franschen maar weinig moeite om in Oudenaarde te geraken.
De eerste burger, op wien zij hunne wraak koelden, was J. Ryckbos, een arme werkman, die boter was gaan halen voor zijne vrouw en kinderen. Ryckbos was van Beveren en viel aan de Gentsche poort.
Voortstormende, doodden de woestaards Karel Martens recht tegenover de deur van zijn huis. Bij den trap van het stadhuis vermoordden zij Jan de Block en Frans de Contreras.
Eenige soldaten drongen in het huis _de Appel_, op de Markt, en brachten daar zeven personen om, onder anderen Michiel Gevel en twee vreemde kooplieden. De beulen ontkleedden de lijken, en wierpen ze naakt door de bovenvensters op de straat.
Van daar liepen zij over den Burg door de Broodstraat naar Pamel, alwaar zij een jong meisje nedervelden: Sophia van den Hende, die haren broeder was gaan zoeken.