Reisjes in Zuid-Vlaanderen

Chapter 3

Chapter 33,651 wordsPublic domain

Het Banhout maakte in vroegere eeuwen deel van het Ronsevalsche of de heerlijkheid van Nevele. Het was "eene vrije foreest," zeventig bunder groot. Niemand kon door het bosch gaan, want het was "besloten met diversche barrieren en rontom met eenen gracht van tien, twaelf voeten breet." Gansch het woud was "verdeeld in negen hauwen, waervan ieder jaer eenen hauw werd vercocht."

Het stuk, dat wij hier volgen, spreekt van "vyf, zes duysent opgaende eekeboomen, waervan den meerderen deel omtrent de veertig jaren oud conden zyn." In het midden van het bosch " wasser eene redelieke fraije woonste" voor den "prater of boschwagter." Er was almede "eene vangenisse," en de wachter mocht "alle personen vangen," die hij in het bosch zoude vinden.

Knokke is een eenvoudig gehucht, deels aan Zwevegem, deels aan Heestert en deels aan Moen toebehoorende.

Wij bezichtigden den tunnel en wandelden vervolgens naar den Keiberg, die 66 meters hoog is.

Eene bejaarde vrouw, ons den weg wijzende, vertelde ons vertrouwelijk haar lief en leed: hoe gelukkig zij was, toen haar man nog leefde; hoe deze op zekeren dag buitenshuis bezweek, en hoe zij met vier kleine schapen van kindertjes bleef zitten; hoe zij toen moest zorgen en zoeken om door de wereld te tobben; hoe de meisjes, opgroeiende, bij vreemden gingen wonen om een stuivertje te verdienen; hoe de eene dochter nu in Frankrijk woonde en de andere in het land -- bij eenen herbergier; hoe de laatste over weinige jaren onbezonnen een voordeelig huwelijk afsloeg; hoe zij, moeder, op haren ouden dag nu weer alleen was, en stillekens haren weg naar het kerkhof vervorderde...

Wij troostten de arme weduwe en wandelden voort.

Een lief panorama omringt den Keiberg: hier eene vlakte in de richting van Tiegem; daar het dal van Heestert en Avelgem; ginds de blauwe bergen van Sint-Denijs, met den Perremolen op de hoogste kruin. Moen schuilt tusschen Heestert en Sint-Denijs.

De oppervlakte van Moen beslaat 1,042 hectaren. De grootste lengte bedraagt zes, de grootste breedte drie kilometers. In 1694 telde de gemeente 264 zielen; in 1874 waren er 2,150; in 1890 nog 2,098.

De oude heerlijkheid was vrij belangrijk. Het kasteel, omgeven van hoven, dreven en wallen, stond tegen de dorpplaats. Volgens een denombrement van 1612 had de heer het recht "den costere, de kerckmeesters en de armmeesters te stellene." Op zijn leen hield men jaarlijks twee markten, "telcken S. Eloysdaghe," van laken, garen en andere goederen.

Sint Elooi is inderdaad de patroon van Moen. Den 25 Juni kwamen vroeger de landbouwers, te voet en te paard, den heilige vereeren. De herder der parochie, in feestgewaad, zegende de lastdieren een voor een aan de deur der kerk, en gaf hun een klopje met eenen zilveren hamer.

Er slopen misbruiken in deze plechtigheid. Een brief van 10 Juni 1778 spreekt van "drie tot vierhonderd boeren met peerden, komende van vijf, zes uren in het ronde. Zij waren gewapend met schietgeweren, die zij losbrandden gedurende de processie. Maar zij bleven niet allen even nuchter, en veroorzaakten dan wanorde, zelfs ongelukken."

Karel van Lorreinen beval den 17 Mei 1778 "geene geweerschoten meer af te lossen, op boete van 50 gulden voor iedere overtreding." Het oude gebruik bleef nochtans in voege tot in 1806, wanneer de bisschop van Gent het andermaal verbood.

De parochiale kerk van Moen is van 1875 en kostte ongeveer 80,000 fr.

Achter de kerk vindt men den Olieberg. Dezen naam ontmoeten wij in een heksenproces uit de XVIIe eeuw. Moen is inderdaad de geboorteplaats van verscheidene tooveressen. Wij noemen er drie: Antonia de Scheemaecker, Gellijne de Pratere en Jozijne Labins. Men beweerde, dat de arme sukkelaarsters op den Olieberg met den booze omgingen. De bewaarde vonnissen zijn belangrijk voor de kennis van het oude strafrecht in Vlaanderen. Zij spreken van den halsband, van het "scerp examen," van het "duyvelsteeken," van het "duyvelspoeder."

De straat, die van Moen naar Heestert leidt, heet nog altijd de Tooveresstraat.

Heestert, in oude stukken Hestrud genaamd, heeft eene fraaie kerk. Achter eenen marmeren steen rust het hert van Jan-Jozef Raepsaet, overleden te Oudenaarde den 19 Februari 1832. Vroeger kwamen de Moensche schutters alle jaren met trommel en fluit naar Heestert, om aldaar op den 15 Augustus de processie ter eere van O.-L.-Vrouw te vereeren. De wethouders betaalden "het bospoer, dat de schotters" noodig hadden, alsmede "de teercosten van den tambour en den fluyter."

Dit wil niet zeggen, dat de twee dorpen nooit vijandelijk opstonden. Den 11 April 1790, tijdens de Brabantsche omwenteling, trokken "de landwagten" van Moen naar Heestert, waar zij twee boeren dood schoten. 's Anderendaags wilden "die van Heestert het naburige dorp in brand steken." De tusschenkomst der Kortrijksche vrijwilligers en soldaten verhinderde echter deze ramp.

Sint-Denijs is eene bloeiende gemeente met ongeveer 3,500 inwoners. Tusschen dit dorp en Kooigem ligt eene ruime delling, door het volk "de caveie" of "la cavee" geheeten. Nagenoeg in het midden der caveie staat het hof "de la Broye." Zou die naam geene verbastering zijn van "brouille," broel of bruul, dat _gemeene weide_ kan beteekenen?

X.

Naar Tiegem.

Vacantie!

Dat woord klinkt aangenaam in de ooren der schooljeugd, die een jaar lang, van half negen 's morgens tot half vijf 's avonds, moest stil zitten, en luisteren en leeren; aangenaam ook in de ooren der onderwijzers, die dag aan dag hun hoofd moeten breken om het jonge volkje, aan hunne zorgen toevertrouwd, de eerste beginselen van allerhande wetenschappen in te planten.

Vacantie, tijd van ontspanning en verzet voor velen, tijd van nieuwe bezigheden voor anderen, wees gegroet!

Wij hadden Lier bezocht, waar wij over dertig jaren studeerden, en daar eenen geliefden oud-leeraar -- M. Troch -- de hand gedrukt; wij hadden den hooggeleerden patroon van het Davids-Fonds op zijn arduinen voetstuk zien staan; wij hadden een paar dagen overgebracht in de tentoonstelling van Brussel, en besloten nu onze uitstapjes in de Vlaamsche Ardennen te hernemen.

Den 9 September 1897, in den voormiddag, stoomden wij naar Ansegem, om van daar naar Tiegem te wandelen.

Ansegem heeft drie spoorhallen: aan den Sterhoek, bij het dorp en langs den ouden Heirweg, in de richting van Waregem.

Het koor, de kruisbeuk en de toren der kerk zijn zeer oud; de beuken dagteekenen van 1828. Benoorden de kerk rijst het aloude kasteel van Hemsrode.

Een klimmende weg loopt naar Kaster. De spits van den toren steekt boven eenen heuvel uit.

Bij de kerk van Kaster -- een werk van L. Vuylsteke, uit Geluwe -- blikt men op Kerkhove in de diepte, op den Kluisberg over de Schelde.

Aan het gemeentehuis van Kaster loopt een zijweg naar Tiegem, een dorp van nagenoeg 2,000 zielen.

Tiegem is maar 769 hectaren groot. Het ligt op twee heuvels, waarvan de voornaamste eene hoogte van 70 meters bereikt.

Hedendaags is Tiegem een lief, eigenaardig dorp, met schoone steenwegen, met fraaie kasteelen en lusthuizen. De meeste oude woningen zijn hersteld geworden en prijken met bevallige puntgeveltjes.

De kerk is een klein juweel, over weinige jaren hersteld en herbouwd door AUG. VAN ASSCHE, uit Gent. GOETHALS schilderde den tempel; BOURDON verrijkte hem met een merkwaardig altaar.

De voormalige burcht stond tusschen Tiegem, Avelgem en Waarmaarde. Op dezelfde plaats vindt men thans de "S. Aernoutscapelle," herbouwd in 1854, en den "S. Aernoutswal."

In de tweede helft der XVIe eeuw plunderden "de Waelen de prochie ende heerlichede." In 1581 kon men niet meer dan "het zesde of het zevende deel der landen" bezaaien.

Tiegem is de geboorteplaats van S. Arnold, den beschermheilige der gemeente. Zijn vader behoorde tot het adellijk geslacht der heeren van Pamele en Oudenaarde; zijne moeder sproot uit het huis der graven van Leuven.

Als ridder en krijgsman verwierf de jonge Arnold eenen grooten roem. Later begaf hij zich naar de abdij van den H. Medardus, te Soissons, en trok daar het kloosterkleed aan.

Het duurde niet lang, of men benoemde den nederigen man tot bisschop in dezelfde stad. Hij vroeg echter zijn ontslag, en kwam naar Vlaanderen terug. Hij predikte te Torhout, te Gistel en te Veurne, bouwde een klooster te Oudenburg, in het Brugsche, en stierf aldaar in 1087, in den ouderdom van 47 jaren.

De kerk van Tiegem bezit een bovenarmbeen van Vlaanderens grooten apostel.

XI.

Naar het Kapelbosch.

De heer VITAL MOREELS-VERHAEGHE, de groote en verlichte weldoener van Tiegem, vergezelde ons in den namiddag naar het Kapelbosch, op de zuidelijke helling der hoogvlakte.

Het Kapelbosch is hedendaags zeven hectaren groot en heeft eene waarde van 150,000 fr.

Alwat de oogen kan streelen, alwat den bezoeker tot vrome gedachten kan stemmen, vindt men daar vereenigd. De natuur en de kunst wrochten zusterlijk samen om een der prachtigste panorama's van heel ons land voor het oog der reizigers te ontvouwen.

Op den Pottelsberg, op den Muziekberg staat men veel hooger, te midden van eene wilde natuur; te Tiegem is het rondzicht groot, het tafereel vol kleur en beweging, vol leven.

In het bosch vindt men lommerrijke wandeldreven, rotsen en onderaardsche gangen, vijvers en brugjes, glooiingen met weelderig gras en bloemen, aquariums met kleine, blinkende vischjes. Twee villa's verheffen hunne torens boven het geboomte.

Midden in het bosch staat eene nieuwe kapel, toegewijd aan den H. Arnoldus (1865). Zij is achthoekig en lief geschilderd. Door zeven venstertjes speelt het daglicht in het heiligdom.

Uit de kapel komende, heeft men rechts de grot van S. Arnold. Hooger, te midden van struiken en boomen, schuilt een groot kruisbeeld; lager spruit dag en nacht de Arnoldusbron, eenen vijver spijzende, waarop eenige zwanen gaggelend rondzwemmen.

Uit dien vijver vloeit de Arnoldusbeek, die naar Avelgem loopt en vroeger den wal van het kasteel vulde.

Alles wekt den wandelaar tot ingetogenheid op: het tintelen der zon door de bladeren, het kweelen der vogelen in de heesters, het ruischen van het loover, het murmelen der bron, het fluisteren der bedevaarders. O ja, dus zong de dichter TOLLENS, ik reik hem broederlijk de hand,

Die mijmren kan in de eenzaamheid van 't woud, En droomend doolt, en de aarde kan vergeten, En, peinzende op een tronk gezeten, Somtijds de handen vouwt.

Wie liever eene verversching heeft, ga naar de "Laiterie," niet verre van de kapel. Onder een verheven afdak is het waarlijk schoon en frisch. Men zou zeggen, dat de zon het bedehuisje met welgevallen beschijnt; dat de wind eerbiedig liederen neurt in de kruinen der boomen.

Op het hoogste van den berg, buiten het bosch, staat een houten kijktoren of "belvedere." Voor vijftien centiemen mag men er op klimmen.

Daar is het schoon bij helder weder; daar kan men, met eenen goeden verrekijker, zijne oogen naar hartelust verzadigen.

In het Zuiden beperken de heuvelen van Oost-Vlaanderen met den Kluisberg en de hoogte van Gijzelbrechtegem wel een weinig het gezicht; doch langs de drie andere zijden ziet men uren en uren verre.

De Schelde, tintelend in den gloed der namiddagzon, vloeit van het Zuid-Westen naar het Noord-Oosten, kronkelend door zonken en meerschen.

In het Noorden dagen: Kanegem, Aarsele, Dentergem, Sint-Eloois-Vijve, Tielt, Oost-Roosbeke, Wakken, Sint-Baafs-Vijve, Waregem, Grammene, Ansegem, Kruishoutem en Nokere;

In het Oosten: Huise, Heurne, Wannegem, Eine, Ooike, Mooregem, Wortegem, Gijzelbrechtegem, Kaster, Welden, Eename, Mater, Bevere, Edelare, Oudenaarde, Petegem, Etikhove, Melden, Leupegem, Elzegem, Kerkhove, Schoorisse, Nukerke, Zulzike, Berchem, Quaremont en Waarmaarde;

In het Westen: Evregnies, Dottignies, Kooigem, Sint-Denijs, Bellegem, Moen, Heestert, Luingne, Lauwe, Aalbeke, Rollegem, Wevelgem, Bissegem, Kortrijk, Zwevegem, Ingooigem, Ootegem, Roeselare, Rumbeke, Kachtem, Izegem, Ingelmunster, Sint-Eloois-Winkel, Lendelede, Hulste, Ooigem, Kuurne, Harelbeke, Beveren, Deerlijk en Vichte.

Zelfs in het Zuiden ontdekt men eenige torens, uitstekende boven de heuvelen: die van Ruien, Schalafie, Orroir, Celles, Herne en St-Leger.

Avelgem, Autrijve, Bosuit, Pottes, Helkijn, Spiere en Warcoing schuilen in de vallei der Schelde.

In het geheel een goed tachtigtal steden en dorpen! Tusschen Roeselare, in het Noord-Westen, en Schoorisse, in het Oosten, is er een afstand van ongeveer zeven mijlen. Kanegem, in het Noorden, en Herne, in het Zuid-Westen, zijn vijf mijlen van elkander verwijderd.

En schoon, betooverend schoon ligt dat groote landschap voor den aanschouwer. Overal gewitte huizen met roode daken; overal rookende schouwen en draaiende molens; overal weiden en velden; overal hagen en boomen; overal zwoegende werklieden; overal licht en schaduwe...

Och neen, wij moeten Spanje en Zwitserland niet bezoeken om schoone natuurtafereelen te vinden; de Vlaamsche Ardennen zijn rijk aan schilderachtige hoekjes, aan heerlijke vergezichten.

Den berg afdalende, toefden wij nog eenige oogenblikken aan de kapel.

Eene plechtige stilte, eene kalme avondrust zweefde over het woud. De bron murmelde rusteloos voort, maar de vogelen hadden reeds hun slaapliedje gezongen en scholen nu onder de bladeren der boomen.

Ongaarne verlieten wij het dichterlijk oord.

Onderwege vertelde ons de vriendelijke heer Moreels, dat de berg in 1852 nog onbebouwd was; dat de kapel haar ontstaan te danken heeft aan MGR MALOU, bisschop van Brugge; dat de jaarlijksche novene, ter eere van den H. Arnoldus, den 16 Augustus begint; dat er 's Zondags eene schoone processie uit de parochiale kerk vertrekt, en dat het gemiddeld getal der bezoekers ieder jaar tot 40,000 stijgt.

XII.

Naar Quaremont en den Kluisberg.

Een uitstapje naar Quaremont en den Kluisberg is, bij zomerweder, een genot voor kinderen en bejaarden, voor alwie behagen schept in het betrachten van Gods heerlijke natuur.

In een uurtje stoomt men van Kortrijk, door een allerschoonste landschap, langs Zwevegem, Heestert, Avelgem en Ruien naar Berchem.

Avelgem en de omliggende dorpen hadden in de XVIe eeuw veel te lijden van de Malcontenten en van de legers der Staten. Het kasteel van Avelgem werd driemaal veroverd; de kerk, vier windmolens en meer dan tweehonderd huizen werden afgebrand; van de duizend ingezetenen bleven er nauwelijks honderd "te lijve." Het dorp Autrijve lag gansch "vaghe," evenals "de splete" van Bosuit en Moen.

Avelgem is de geboorteplaats van C.-F.-A. DUVILLERS (1803-1885), wiens volksliedjes zeer geprezen worden. STIJN STREUVELS schrijft er hedendaags zijne boeiende verhalen.

Ruien gelijkt aan een dorpje uit een bergland. Boven de roode daken der huizen wuiven de boomen van den Kluisberg met hunne donkergroene toppen.

Van Berchem leidt een klimmende weg naar Quaremont, eene gemeente van 1,550 zielen.

Quaremont ligt misschien in het schilderachtigste deel van heel Zuid-Vlaanderen. De kerk staat op eene hoogte. Zij heeft eenen witten gevel en eenen zwaren toren met eene kleine spits.

Een groot gedeelte van Quaremont is overdekt met bosschen. Diepe ravijnen loopen in alle richtingen. Hier en daar borrelt ijzerachtig water op.

De Romeinen hebben deze plaats gekend. Over eenige jaren heeft men er een kerkhof ontdekt, met penningen en andere voorwerpen, welke men in die verwijderde tijden bij de lijken placht te leggen.

Te Quaremont stond de wieg van JAN VAN HECK (1625-1669), die vele kleine landschappen schilderde, welke hij met bloemen en vruchten versierde. Hij verbleef eenige jaren te Rome en overleed te Antwerpen.

Den steenweg naar Ronse volgende, komt men aan _de Klok_, eene voorname, landelijke herberg. Voor het huis heeft men een schoon zicht op Zulzike, Nukerke, Oudenaarde en het omliggende.

Een weinig verder, aan de herberg _de Martiko_, ontrolt zich een dubbel panorama. Noordwaarts, door eene heerlijke vallei, blikt men op Vlaanderen, met de torens van Gent en Oudenaarde aan den gezichteinder; zuidwaarts, langs den Kluisberg, ontwaart men Henegouw, met den Drievuldigheidsberg en de blauwe hoogte van Bon-Secours in het nevelig verschiet.

Toen wij den laatsten keer de plaats bezochten -- in den zomer van 1898 -- dreef een onweder over de streek. Aan den eenen kant glinsterde het zonnelicht; aan den anderen kant viel een dichte regen. Nu en dan vlogen rosse bliksemflitsen door het wolkgevaarte. Nooit zullen wij dien dag vergeten.

Aan den "Martiko" rechts gaande, kan men, langs het schoone kasteel van Mevrouw de Crombrugghe, naar den Kluisberg wandelen.

In het bosch ademt men eene reine, smakelijke lucht in. De wind suist in de boomen; de vogelen zingen in de struiken; de bijen gonzen op de kleine heidebloempjes. Sierlijke varens en groene kraakbeziestruiken groeien in de schaduwe.

* * * * *

De Kluisberg is 141 meters hoog, en grootendeels begroeid met mastbosschen. De aanblik op Henegouw en West-Vlaanderen is nochtans niet belemmerd. Bovendien vindt men daar een witgekalkt torentje, dat men voor eenige centiemen mag beklimmen.

Honderden namen van groote mannen en gewone stervelingen staan op den muur, waarmakende dat het plekje veel bezocht wordt.

Aan den voet des bergs ligt het lieve Ruien. Verder rijzen Orroir, Amougies, Rozenaken, Schalafie en Anseroeul; nog verder onderscheidt men Pottes, Celles, Herne en Molenbaix.

Westwaarts kronkelt de Schelde door weiden en meerschen. Over den stroom beginnen de West-Vlaamsche valleien en verhevenheden, met Avelgem, Autrijve, Helkijn, Sint-Denijs en Moen.

Aan den gezichteinder steekt de toren van Mont-St-Aubert, op den Drievuldigheidsberg, in de lucht. Daarachter ontwaart men de reusachtige torens van Doorniks hoofdkerk. En tusschen al die gemeenten staart men op golvende graanvelden, op eenzame huisjes, op draaiende molens, op wiegelende boomen, op slingerende straten en voetpaden, op spelende kinderen, op rondslenterende mannen en vrouwen. En de zonne, langzaam ten Westen neigende, werpt haar fijnste goud over heel het landschap.

Achter het torentje, in de toppen der sparren, zingen de vogelen genoeglijk en tevreden... Ook de wandelaar is tevreden, en neurt den dichter na:

o God, wat is uw schepping schoon, Wat zijn uw werken wonder! Wat is die hooge hemel blauw, Hoe groen het veld er onder!

De grond van den Kluisberg is ijzerachtig. Niet verre van het meergenoemde torentje, westwaarts, vindt men twee rechtstaande rotsblokken van ongelijke grootte: Peetje en Meetje geheeten. De geleerden vermoeden, dat het dolmens zijn, welke vroeger op den top des bergs stonden en later, bij de opkomst van het christendom, als duivelssteenen omvergestooten werden.

* * * * *

Eenige bijzonderheden, rakende de genoemde gemeenten, zullen hier te stade komen.

Benoorden Ruien liggen Berchem en Kerkhove, met eene brug over de Schelde. Berchem is eene levendige plaats; Kerkhove heeft eene Gothische kerk, met smaak versierd naar de eischen der middeleeuwsche kunst.

Orroir, Amougies en Rozenaken of Russignies behooren tot het arrondissement Oudenaarde, doch zij hebben eene Waalschsprekende bevolking. Ons taalgebied is trouwens in het Zuiden van Oost-Vlaanderen door eene reeks verhevenheden, als door eenen natuurlijken dijk, afgesloten.

Rozenaken is de geboorteplaats van HENDRIK DEPELCHIN (1822). Deze onverschrokken geloofszendeling wrocht in Afrika en in Oost-Indie. Hij stichtte een college in het Himalaya-gebergte.

Zuidwestwaarts, in de richting van Robaais, schuilt Dottignies, eene groote gemeente, met ongeveer 4,300 inwoners. Te Dottignies stond de wieg van L.-P.-J. DUBUS DE GISIGNIES (1780-1849), eenen ervaren staatsman. Dubus vertrok in 1825, als commissaris-generaal, naar Oost-Indie. Hij bouwde de katholieke kerk van Batavia, zorgde voor het algemeen welzijn zijner onderdanen, en poogde tevens den Belgischen koophandel uit te breiden.

Ondanks de vruchtbaarheid des gronds, heerscht er door den band meer welstand in het dal der Lei, dan in de vallei der Schelde. Terwijl de bevolking van Harelbeke, Kuurne, Bissegem, Lauwe verdubbelde sedert 1820, is die van Avelgem, Waarmaarde, Heestert, Ansegem en Tiegem merkelijk verminderd.

XIII.

Oudenaarde.

Daar zit en droomt gij aan de Schelde, En spiegelt u in 't klare nat. Uw roem en welvaart zijn verzwonden; Toch zal mijn lied uw lof verkonden, o Moedergrond, o vaderstad! Toch blijft gij steeds mijn liefste schat, Mijn dierbaar Oudenaarde!

Dus zingt G. ANTHEUNIS, een zoon van Oudenaarde.

Men weet, dat de keuren, welke 's lands vorsten aan de opkomende gemeenten schonken, de openbare veiligheid waarborgden, de rechten en plichten tusschen de poorters en den landheer bepaalden.

Oudenaarde dankte zijne keure aan Philip van Elzas. De eerste versterkingen der stad waren van 1188.

In den loop der eeuwen werd Oudenaarde dikwijls belegerd: door de Gentenaars in 1382 en in 1452; door de Franschen in 1658, 1667, 1684, 1708 en 1745.

Ten jare 1382 stond Frans Ackerman, een der hardnekkigste voorstanders van Philip van Artevelde, aan het hoofd der belegeraars.

FROISSART wil, dat deze alsdan gebruik maakten van hun groot kanon: _de dulle Griet_. Zeker is het, dat dit moordtuig in 1476 bestond. Dit jaar betaalde men eene "zekere leveringhe van hout," en eenen grooten olm, "daer eene busse, gheheeten de groote Griete" en andere "engienen" in gelegd werden.

Toen de Gentenaars in 1452 de stad innamen, werden vier personen wegens verraderij onthoofd: Jan en Lieven Willems, Lieven Boene en Everaard van Botelaer.

Bij deze belegering verloren de Gentsche bakkers "eenen rebaude ende twee taergen."

In het begin der XVIe eeuw was de stad nog niet groot, maar zeer rijk. Zij telde honderden tapijtwerkers, wier voortbrengselen heinde en verre gezocht werden. De grootste schilders van Antwerpen, Teniers en anderen, leverden teekeningen voor den kunstigen arbeid. In het gasthuis bewondert de reiziger nog twee groote muurtapijten, jachten met valken voorstellende.

Frans I, koning van Frankrijk, stichtte in zijn land de eerste tapijtweverijen. Hendrik IV riep uit Vlaanderen bekwame wevers, aan wie hij bijzondere voorrechten verleende. Mark de Cooman en Frans van der Plancke stonden aan het hoofd der werkzaamheden. Omtrent het jaar 1650 toog Jan Janssens, van Oudenaarde, ook naar Parijs. Vier jaren nadien werd deze op zijne beurt "maitre tapissier du Roy."

Hedendaags telt Oudenaarde ternauwernood 6,000 inwoners. Den Donderdag van elke week houdt men er eene belangrijke markt van landbouwvoortbrengselen. De brouwerij is mede een voorname tak der plaatselijke nijverheid.

Dat Oudenaarde eens rijk was, blijkt uit de pracht zijner openbare gebouwen.

Een zeer merkwaardig gebouw is de kerk van Pamele, tegen de Schelde. Zij is een werk van den bouwmeester ARNOLD VAN BINCHE en dagteekent van 1235-1239. Zij behoort tot den overgangsstijl en is bijna onveranderd bewaard gebleven. Over eenige jaren waren de muren nog beplakt en gewit, maar AUG. VAN ASSCHE herstelde den tempel op meesterlijke wijze, en thans prijkt hij weer in zijne eerste, strenge schoonheid.

De Sinte-Walburgakerk werd begonnen in 1414, voltrokken in 1515. Het koor, over weinige jaren hersteld, is ouder dan het schip. Den toren, die 88 meters hoog is, bouwde Jan van der Eecke in 1478 en volgende jaren. Getroffen door den bliksem, in den zomer van 1803, verloor hij zijne sierlijke naald. Deze had eene hoogte van 78 meters, en was vervaardigd geworden door Thomas Goossens, van Gent, in 1619.

De beeldstormers der XVIe eeuw richtten te Oudenaarde groote verwoestingen aan. Op St-Bartholomeusdag 1566 plunderden zij de kerken, alles verwoestende, wat men niet in veiligheid had kunnen brengen.