Reisjes in Zuid-Vlaanderen

Chapter 2

Chapter 23,646 wordsPublic domain

De IJzeren-Weglaan, links, loopt over den ouden Neveldriesch. Rechts wuift het hoog geboomte van het Sint-Jorispark. Dit gedeelte van den Neveldriesch noemde men, na 1302, den Bloedmeersch. Nog vloeit de Bloedbeek door het park naar den ouden stadswal.

Op het einde der Sint-Janslaan blijven wij staan. Over de huizen zoeken wij de spits en het kruis van den toren der hoofdkerk. Voor ons hebben wij dus de westelijke grens van het slagveld.

Nu kijken wij over de Veemarkt naar het torentje van Sint-Antoniuskerk. Zoo bepalen wij nagenoeg de zuidelijke grens of den loop der Sint-Jansbeek, gedempt in 1444. De Sint-Jansbeek, komende uit de Groeningebeek, diende om den wal der stad te spijzen. Op hare oevers hadden de drie stormloopen plaats, waarvan de kroniekschrijvers gewag maken.

De Veemarkt is ongeveer twee hectaren groot. Wij slaan de Veldstraat in en merken weldra, rechts, eene hofstede en eenen lusttuin. Daar vloeit de Groeningebeek; daar is de oostelijke grens van het slagveld.

De tegenwoordige Groeningelaan, ter linkerhand, ligt derhalve in den zuid-oostelijken hoek.

Tusschen de Lei, de Groeningebeek en den Gentschen weg rees de abdij van Groeninge, gebouwd voor 1268.

Een groote weg doorsneed de aangeduide vlakte: de Harelbeeksche straat, nu de Voorstraat en de Gentsche baan uitmakende. Hij had eene vertakking: de Lange-Merestraat, thans de Molenstraat geheeten. De Oudenaardsche baan, verlegd in 1571, was de voortzetting der Merestraat.

Hedendaags is het grootste gedeelte van Groeninge bebouwd. Buiten de reeds genoemde straten, vindt men er de volgende wegen en pleinen: de Groeningestraat, de Houtmarkt, de Lambrechtstraat, den Kring, de Sint-Jansstraat, den Stompaardshoek, de Potterijstraat, de Esplanade, de Kanaalstraat.

De meergenoemde Groeningelaan is eene schoone wandelplaats. Zij is 375 meters lang en 40 meters breed. Hooge boomen, bloeiende heesters, golvende graspleinen en lieve bloemperken volgen op elkander. Maar fluisteren de olmen geene sagen uit den voortijd, geene lessen voor de toekomst?

De zonne rijst... Ik wandel den ouden Kouter rond. Waar, leunend op zijn wapens, het Vlaamsche leger stond,

De vogel neurt zijn liedje, het loover knikt en trilt... Ik hoor gebriesch van paarden en kreten, woest en wild.

Zij komen trotsch en tergend, vol waan en overmoed; Zij gaan hun lansen ploffen in slecht en hondsch gebroed!

Zij komen trotsch en talrijk; maar de onzen springen recht, En beuken met hun knodsen op edelman en knecht.

Wat kerven, kneuzen, moorden met bijl en goedendag! En boven barmen lijken ontrolt men Vlaandrens vlag...

De zonne straalt... Ik wandel den ouden Kouter rond, Waar, steunend op zijne armen, het Vlaamsche leger stond.

Daar schudt een boom zijn takken: "Hier vocht men Vlaandren vrij; Doch moet het eeuwen duren, eer Vlaandren dankbaar zij?"

Bij het nieuw gedeelte van het oude-mannenhuis vormt de Groeningelaan eenen kleinen elleboog.

Eene nieuwe laan, van verscheidene meters breedte, vertrekt naar de Esplanade, en bakent de plaats af, waar het gedenkteeken zal oprijzen, dat het Dietsche volk in 1902 ter eere van zijne voorvaderen wil onthullen.

Eenige schreden verder, tegen den Gentschen weg, staat, half verscholen in den gevel der huizen, het oude kapelleken van Groeninge, over weinige jaren versierd en voorzien van een toepasselijk opschrift:

IN : T : JAER : ONS : HEREN : 1302 : OP : SENTE : BENEDICTUS : DACH : IN : HOYMAENT : WAS : DE : STRYT : TE : CURTRYCKE : ER : ZYN : DOOD : GEBLEVEN : OMTRENT : 21000 : MN : WAERONDER : 63 : HERTOGEN : GRAVEN : EN : 1800 : BAENDERHEREN : EN : EDELEN : R : I : P :

* * * * *

Het veld kennende, moeten wij ook den slag en zijne gevolgen herdenken.

Uit de staten van Karel den Groote ontstonden twee machtige rijken: Frankrijk en Duitschland. Tusschen beide streken lag Nederland, met eene eigen beschaving en eene eigen bestemming. En het duurde niet lang, of Vlaanderen stond aan het hoofd der Nederlandsche gewesten.

In den beginne was de Duitsche invloed ten onzent groot, ja overwegend. Maar de keizer bezweek in de velden van Bouvines, in 1214, en nu ontwaakte de Fransche invloed, krachtig en altoos dreigend.

Ten laatste besloot Philip de Schoone het rijke graafschap te veroveren. De klauwen van Vlaanderens Leeuw verstoorden zijn plan.

Vlaanderen redde zijn bestaan. Met zijne zelfstandigheid bewaarde ons volk zijne moedertaal, alsmede het natuurlijk recht, die taal in alle omstandigheden des levens te spreken. Met zijne taal redde ons volk zijne voorouderlijke zeden en zijne godsdienstigheid, al de deugden van den edelen Germaanschen stam.

Er zijn, in den loop der volgende eeuwen, heldere en donkere dagen aangebroken. Het Huis van Burgondie is opgekomen; Oostenrijk, Spanje en Frankrijk hebben ons overheerscht.

Het kon niet baten. Vlaanderen had zijne bestemming; en Belgie is eindelijk ontstaan, vrij en onafhankelijk.

Daarom zij ons aller kreet:

Heil Groeninge!

Heil Belgie!

V.

De omstreken van Kortrijk.

Kortrijk ligt op de scheiding van de zandachtige en de kleiachtige streek van Belgie. Van daar een merkbaar verschil in de omgeving der stad. In het Noord-Oosten zijn de velden licht en vlak; in het Zuid-Westen zijn ze integendeel zwaar en golvend, schilderachtig.

De vlasnijverheid is buiten kijf de grootste bron van rijkdom voor Kortrijk en zijne omstreken.

Welke beweging, welk leven langs de zacht vloeiende Lei gedurende de heete zomermaanden! Op het grondgebied der stad alleen gebruikt men 375 hekken of houten bakken om het vlas te roten. De bevolking van ruim vijftig gemeenten, tusschen Neder-Waasten en Deinze gelegen, houdt zich schier uitsluitend met de verschillende bewerkingen van het vlas bezig. En al die gemeenten groeien aan, bloeien. In 1820 had Bissegem 568, Marke 1289, Lauwe 1727, Kuurne 2192 en Moorsele 3896 inwoners. Zeventig jaren nadien telden dezelfde gemeenten 1117, 2006, 3159, 3818 en 4813 zielen. Niet te onrecht noemen de Engelschen onze Lei de "golden river."

De oudste oorkonde, waarin men van het Kortrijksch linnen gewag maakt, is van 1290. Twee poorters beweerden recht te hebben op den tol, geheven op de "nappes, tueles en keuverkins," welke men in de stad verkocht.

Nochtans schijnt deze nijverheid hier niet gebloeid te hebben zoolang de lakenweverij eene zekere hoogte behield. Het was bepaaldelijk in 1573, dat men middelen beraamde om den lijnwaadhandel op te beuren. Dit zelfde jaar kwamen er reeds kooplieden van Gent, Oudenaarde, Tielt, Roeselare, Meenen, Izegem "ende andere omliggende plaetsen." De schepenen betaalden deswege eene som van 167 pond parisis, "ter cause van cost van maeltyden."

Het Kortrijksch tafellinnen verwierf spoedig eene groote vermaardheid. Men weefde, verhaalt SANDERUS, in het doek de afbeelding van bloemen en dieren, van jachten en gevechten, van landschappen met weiden, bosschen, hoven, heuvelen en kasteelen, alles zoo nauwkeurig, als het een schilder zou hebben gedaan; met zooveel verscheidenheid, als de weelderige natuur er aanbiedt, en zoo fijn, dat het oog zich vermoeide, als het al die beelden in een meer van glinsterende witheid bezichtigde.

De overheden der gemeente verzuimden geene gelegenheden om de groote nijverheid vooruit te helpen. Op het einde van 1576 was "de nering sober." De schepenen beslisten voor 10,000 gulden "ammelaken ende andere goederen af te coopen," en dan "dezelve voort te vercoopen tot winning van de stede."

Toen Albert en Izabella in 1600 hunne plechtige intrede deden, werden zij begiftigd met gedamaste tafellakens, die 2,497 pond parisis kostten.

Bezocht een vorst de stad, zoo liet men in het stadhuis weefgetouwen oprechten, ten einde "de fabrique der gemeente te doen zien."

In 1761 opende men de Teekenschool. "Dit was," schreven de wethouders, "om nieuwe desseinen voor de fabrique van het serveetwerk" te krijgen.

In den loop der XIXe eeuw waren de rijkste vlasoogsten die van 1803, 1805, 1808, 1813, 1820, 1824, 1834, 1839, 1840, 1851, 1855, 1860, 1864, 1866, 1872, 1874, 1877, 1881, 1883 en 1895. Niet zelden gold de hectare 1000, ja 1400 fr.

* * * * *

Buiten het Doorniksch voorgeborchte is de grond zeer vruchtbaar en heel schilderachtig. Daar vindt men den Pottelberg, den Marionettenberg, het Hooge, den Spoelberg. Het zijn verhevenheden van dertig, veertig meters.

Op den Pottelberg legerden de Franschen in 1302, eer zij de Vlamingen aantastten. Aan den voet des heuvels lag de heerlijkheid van Hoog-Mosscher, reeds genoemd in oorkonden uit de XIIe eeuw. In 1293 had Gwijde van Dampierre den heer van Mosscher en zijne familie veroordeeld tot het betalen van eene boete en eene jaarlijksche rente aan de abdis van Groeninge. Was het misschien om zich te wreken, dat de snoodaard den 11 Juli 1302 als gids der overweldigers optrad?

Hedendaags is het kasteel van Hoog-Mosscher een lief zomerverblijf. In de nabijheid rijst de Kapel ten Bloede. Men wil, dat Dirk van Elzas in het adellijke slot vernachtte, toen hij met het H. Bloed van Christus uit Palestina terugkeerde, en dat men, ter gedachtenis van dit bezoek, het genoemde kapelleken oprichtte. In alle geval bestond het reeds in 1441.

Op het Hooge vindt men het kasteel der familie Goethals, met bosschen, vijvers en lusttuinen.

Een binnenweg loopt naar den Spoelberg, het hoogste punt op het grondgebied van Kortrijk.

Aan den voet staat een groot kruisbeeld, op de kruin eene landelijke herberg. Als de wandelaar zich naar het Zuiden keert, zoo gaat zijn oog over eene groote vallei, in de verte begrensd door de heuvelen van Sint-Denijs en Knokke. Aan den anderen kant vindt hij het Hooge met zijn kasteel, Kortrijk met zijne torens en schouwen. Rechts, in de richting van Zwevegem, beperkt eene andere hoogte het gezicht.

In de vallei schuilen hier en daar eenvoudige huisjes, te midden van vruchtbare akkers, gescheiden door hagen en grachten.

Weinige geluiden treffen het oor: het tierelieren van eenen opstijgenden leeuwerik; het juichen van een spelend kind, blootsvoets weg en weer loopend; het tiktakken van een weefgetouw, of het schokken van eenen naderenden boerenwagen.

Het dal, dat zich rondom den Spoelberg, tusschen Kortrijk, Deerlijk, Zwevegem en Knokke, uitstrekt, was in 1814 het tooneel van eene bloedige schermutseling.

De veldheer Thielmann had te Oudenaarde vernomen, dat de Franschen den 31 Maart uit Gent naar Kortrijk afzakten. Hij snelde met zijne mannen naar Zwevegem, ten einde den vijand van ter zijde te bestoken.

In den beginne kozen de Franschen het hazenpad. Doch zij kregen versterking, en rukten nu dapper voort in de richting van den Spoelberg. Na eenen hardnekkigen wederstand deed Thielmann den aftocht blazen.

Men rekent, dat deze botsing het leven kostte aan 300 wapenknechten.

Hedendaags vindt men te Zwevegem nog ettelijke huizen met eenen kanonbal in den gevel. Daaronder kapte men het jaartal 1814.

VI.

De hofsteden "ten Akker."

De reiziger, die Zuid-Vlaanderen bezoekt, ontmoet links en rechts vele omwalde hofsteden. Daar hadden de middeleeuwsche heerlijkheden hunne zetels.

Op het grondgebied van Kortrijk alleen telde men vier en twintig heerlijkheden: ten Akker, ten Berge, van Bovekerke, van Busschaard, van Clessenare, van Diestveld, van Hoog- en Neder-Mosscher, van Hembijze, van Lerberge, van Monjoie, van Ronseval, van Steenbrugge, van Walle, enz.

De heerlijkheid ten Akker was zeer oud en groot. Nog in 1701 bedroeg hare uitgestrektheid "veertien bunderen lands, luttel min ofte meer, houdende aen elkander."

De huidige hofstede vindt men achter Sint-Rochus-kerk, tusschen de Sint-Denijsstraat en den weg naar Zwevegem.

Op de brug blijven wij staan.

Het eerste voorwerp, dat ons treft, is een beeldje van O. L. Vrouw, schuilende in eene kleine nis, aangebracht in het gemetselde deel der poort. De Vlaamsche landbouwer stelt immers nog altijd zijne have onder de bescherming der Moeder Gods.

De eenden drijven op het donkere water van den wal; de hennen drentelen langs den oever, nu eens toekijkende, dan weer elkander aanblikkende. Men zou haast zeggen, dat zij hunne verwondering uitdrukken over het doen der zwemmers.

Drie groote gebouwen omringen een vierkantig plein: het woonhuis, dat laag is en zonder verdieping; de stallen, voorzien van roode deuren en talrijke luchtgaten; de schuur met hare wijde poort en haar hoog dak.

Het ovenhuis heeft men afgezonderd, evenals het afdak, waaronder men de wagens, de karren, de ploegen en de eggen bergt.

Al de buitenmuren zijn versch gewit.

Van den vroegen morgen tot den laten avond is iedereen hier vlijtig aan den arbeid. Hoort gij de meid niet zingen, die op dit oogenblik het vee verzorgt? Hoort gij den knecht niet fluiten, die met den grooten wagen om hooi rijdt?

Wij treden binnen, en worden door den blozenden pachter en zijne jonge vrouw hartelijk ontvangen.

Het koperen kruisbeeld op het bord der groote schouw; het keukengerief boven den waschsteen; de blinkende banden der boterkern; de geplooide en sneeuwwitte gordijntjes aan het venster; de bloeiende geraniums in hunne roode potten; -- alles spreekt van reinheid, van orde, van welstand.

"Edele menschen!" fluisteren wij bij het heengaan; "God zegene hun huis en hunnen arbeid!"

Door den band nochtans zijn de pachthoven, in dit gedeelte des lands, minder verzorgd dan in het land van Waas, in het Houtland en de Polders. Dit verschil is vooral gevoelig aan de kanten van Geeraardsbergen, waar men nog vele boerenwoningen aantreft, gebouwd van hout en klei.

VII.

Naar den Lauweberg.

In zes minuten tijds snelt een trein van Kortrijk naar Marke.

Rechts ontwaart de reiziger het Magdalenakerkhof, het kasteel der edele familie Bethune en Bissegem; links den Pottelberg, eene groote, omwalde hofstede en de Markebeek, kronkelend door velden en weilanden.

Het kerkhof is Kortrijks oude Lazarij. Deze bestond reeds in 1233.

Bij het genoemde kasteel is het gehucht "de Markebeek." Hier vond men, op het einde der XVIIIe eeuw, eene stokerij. Tijdens den Boerenkrijg, bepaaldelijk in den morgen van 29 October 1798, brachten eenige hartelooze republikeinen daar drie personen om hals: Jan Carlier, Augustijn Vroman en Jan-Baptist Vroman. Een steen, in den voorgevel van het huis gemetseld, herinnert deze treurige gebeurtenis.

Een lief boschje, toebehoorende aan M. Vandenpeereboom, bezet de helling des Pottelbergs.

De omwalde hofstede, langs den Bruyninkweg, is een overblijfsel van het oude landgoed Roodenburg, bestaande uit een kasteel met boomgaarden, hof, molen en loopende landen.

Op het einde der XIIe eeuw was Roodenburg een eigendom van Wouter, protonotaris van Boudewijn IX.

Wouter had drie kinderen: Joanna, Agnes en Gillis. Toen hun vader stierf, wenschten beide dochters zich van de wereld af te zonderen, weshalve zij de hun toebehoorende goederen opdroegen aan Joanna van Constantinopel, opdat zij daarmede een klooster zoude stichten. De oorkonde voegt er bij, dat het recht van Gillis werd voorbehouden.

Ziedaar in korte woorden den oorsprong der abdij van Marke (1237). Deze werd verplaatst, voor 1284, en nadien de abdij van Groeninge geheeten.

Bissegem en Marke zijn zeer nijverige gemeenten, wier bevolking in de laatste jaren ten minste verdubbelde.

In de nabijheid van Marke's spoorhalle rijst eene groote en prachtige pannenfabriek. Langs dit gesticht voortwandelende, beklimt men den Lauweberg, die wel vijftig meters hoogte heeft.

De Lauweberg vertoont steile verhevenheden en diepe zonken. Een groot gedeelte is begroeid met boomen en kreupelhout: populieren, elzestruiken, brem, dorens, heide.

Westwaarts kronkelt de Lei door een schoon landschap, rijk gestoffeerd met boomen, huizen en molens. De torens van Lauwe, Wevelgem, Rekkem, Meenen en Moorsele verheffen hunne spitsen boven het geboomte.

Lauwe telde, in de XVIe eeuw, nog al eenige ingezetenen, die wegens ketterij veroordeeld werden. Willem de Duutsche moest, "om zyne demeriten," de wijk nemen (1555); Jan van Raes werd in 1566 met vijf andere personen "gejusticieert."

Tussen Lauwe en Wevelgem, langs de Lei, ligt het Kloosterhof, eene der aanzienlijkste hoeven van heel Vlaanderen. De landen en meerschen hebben eene uitgestrektheid van 75 hectaren.

Het Kloosterhof is een overblijfsel van de abdij van Wevelgem, aldaar gesticht omtrent het midden der XIIIe eeuw. De kapel en eenige andere gebouwen zijn verdwenen; de Westpoort, de smis, de huizing, de stallen en de schuren staan nog recht. Het oudste overblijfsel is een steenen duivenhok, gebouwd in 1690. Bij de Westpoort vindt men nog de bank, waarop de arme lieden mochten rusten, als zij hunne aalmoezen kwamen ontvangen.

De voormalige abdij van Wevelgem bezat, sedert 1561, een gedeelte van de kroon des Heilands. Dit heiligdom is nu in de kerk der gemeente. Het is een takje, dat ongeveer negen centimeters lengte heeft en drie ongeschonden doornen draagt.

Wevelgem is eene schoone, zindelijke gemeente, met nette huizen, vier breede straten en een kasteel.

De kerk dagteekent van 1880-1882, en behoort tot den Romaanschen stijl.

Wevelgem is de geboorteplaats van MGR DE NECKERE, gewezen bisschop van Nieuw-Orleans, in Amerika. L.-F. NUTTIN, de bevallige dichter der _Nieuwe Vlaamsche fabels_, is ook een zoon van Wevelgem.

Bijna op het hoogste van den Lauweberg schuilt eene hofstede achter het geboomte.

Eenige meters verder gaat het oog over een tweede landschap, met de bergen van Bellegem aan den horizont.

Bellegem is eene oude plaats. Eer het kapittel van O.-L.-Vrouw te Kortrijk bestond, en wel in 1195, aanvaardde Boudewijn IX, voor zijnen kapelaan, eene gift van haver, gedaan door Gommar van Bellegem. In 1302 stonden twee heeren van Bellegem, Daniel en Olivier, met hun gevolg onder het vaandel der Klauwaarts. Beiden verloren hun paard in den strijd.

De kerk van Bellegem heeft eenen merkbaar hellenden toren. Het koor is blijkbaar zeer oud.

De grond der gemeente is zwaar en kiezelachtig. Bij droog weder komen hier en daar eene menigte keitjes te voorschijn. Onder den invloed der warmte breken zij echter gemakkelijk.

Tusschen de Lei en den Lauweberg loopt de ijzeren weg.

Noordwaarts daagt, hoog en statig, de toren der Sint-Martenskerk.

VIII.

Naar Harelbeke.

Een wandeltocht naar Harelbeke, langs den schoonen rijksweg van Gent, is zeker een aangenaam uitstapje. De afstand bedraagt ongeveer vijf kilometers. Vrees echter niet, lezer, dat de zon te heet schijne; hooge linden werpen schier overal hunne koele schaduwe op den weg.

Aan de Gentsche poort is in de laatste jaren eene groote wijk ontstaan, met fraaie huizen, breede straten en belangrijke nijverheidsgestichten.

Links, over de Lei, ligt een afgegraven meersch. Daar heeft men, over een tiental jaren, oude munten, Romeinsche dakpannen en eenen put blootgelegd.

Bij de vaart bemerken wij, tusschen slanke populieren, het lustgoed van Mevrouw Reyntjens. Daar bouwde de gravin Beatrix, weduwe van Willem van Dampierre, de vermaarde abdij van Groeninge. In 1578, na de overrompeling van Kortrijk door de Geuzen, werd het klooster met al zijne afhankelijkheden verwoest en afgebroken.

Weinige boogscheuten verder vinden wij eene ouderwetsche herberg: _de Blaasbalg_. Voor het huis loopt de Groeningebeek onder den steenweg.

Verder komen wij langs het groene dal der Lei, waar honderden werklieden arbeiden. De toren van Kuurne steekt slank in de lucht.

Kuurne is hedendaags eene bloeiende gemeente met meer dan 3,800 inwoners. Over het dorp loopt de Brugsche steenweg naar Ingelmunster. Op Zondag 28 October 1798 tastten daar de Fransche wapenlieden eene bende Boeren aan, er verscheidenen om het leven brengende.

Kuurne is de geboorteplaats van den kunstschilder E. CARPENTIER.

Bij Harelbeke heeft de Lei twee armen, die een eiland vormen. Daar werken een paar aloude watermolens. In 1538 had een Kortrijksche poorter, Willem Bevele, dezelve in huur. Op zekeren dag nam de heer van Heule den molenaar gevangen. Den 25 October veroordeelde men den plichtige om voor het magistraat zijner heerlijkheid te verschijnen, aan God vergiffenis te vragen, en in de kerk een geschilderd venster te doen plaatsen.

Harelbeke is zeer oud. Eene oorkonde van 836, herkomstig uit de Sint-Pietersabdij, te Gent, maakt inderdaad gewag van "Arlebeca."

Men wil, dat Harelbeke het gewoon verblijf was van Vlaanderens eerste landvoogden of forestiers. Een hunner, Liederik de Buck, zou er de eerste kapel hebben gesticht, om aldaar met zijne opvolgers begraven te worden.

De oude legende van Liederik en de forestiers is sedert jaren te niet gedaan. 't Was eene fabel.

Na de strooptochten der Noormannen herbouwde Arnold de Oude het verwoeste bedehuis. Omtrent denzelfden tijd schonk de vrome graaf aan de nieuwe kerk de stoffelijke overblijfselen van den H. Bertulphus, een der meest geliefde patronen van Vlaanderen.

Ten jare 1769 bouwde DEWEZ, van Brussel, den tegenwoordigen tempel. Nochtans behield men het metselwerk van den toren met den kruisbeuk der oude, Romaansche kerk. Het gemeentebestuur van Kortrijk kocht 9,091 groote en 23,525 kleine steenen van de "gedemoliseerde kercke."

Onder het koor der voormalige kerk was "de sinte Pieters crypte, zynde achttien voeten vierkante." Op onze dagen is die krocht onder den kruisbeuk.

De predikstoel is een eigenaardig gewrocht van LECREUX, uit Doornik.

Boudewijn met den IJzeren Arm en zijne echtgenoote stichtten te Harelbeke een kapittel, aanvaard door den bisschop van Doornik in 1087. Achter het hoogaltaar, in de parochiale kerk, staan nog altijd de zetels der kanunniken, als stomme getuigen van vroegere gebeden en lofzangen.

Een tak der vroegere nijverheid was het lakenweven. In 1432 schonken de wethouders van Kortrijk "den goeden lieden van Haerlebeke, die ter marct quamen met huerlieder lakenen, twee cannen wijns. " Hedendaags heeft de gemeente steenbakkerijen, brouwerijen en graanmolens. De tabakshandel in het groot bestaat er niet meer.

Harelbeke telt ruim 7,200 zielen. Voor het wethuis, op de Markt, staat eene hooge, arduinen pomp. Daarop prijkt een klein standbeeld van Liederik de Buck. In den kerktoren hangt een welluidend klokkenspel. Alle vijftien minuten werpt het zijne lichte tonen over de gemeente. Te Harelbeke, in een klein huisje, stond de wieg van PETER BENOIT, geboren in 1834 en overleden in 1901.

Benoit, een der grootste toondichters van onze eeuw, is de schepper van _Lucifer, de Schelde, de Oorlog_ en eenige andere oratorio's. Hij schreef prachtige liederen en leverde eene menigte opstellen om het nationalismus in de toonkunde te verdedigen.

Het kunstlievende Antwerpen richt den beroemden man een standbeeld op.

Drie eeuwen vroeger leefde een andere zoon van Harelbeke, ANDREAS PEVERNAGE, die insgelijks de toonkunde beoefende en merkwaardige stukken naliet. Geboren in 1545, overleed Pevernage ook te Antwerpen in 1591.

IX.

Naar Zwevegem, Moen en Heestert.

Het was een heete Julidag. De zon glinsterde aan den helderen hemel en wierp heure stralen over de rijpende graanvelden.

In eenige minuten stoomden wij naar Zwevegem, eene gemeente van 4,900 inwoners.

Tijdens de godsdienstige beroerten verscheen de heer van Zwevegem, Frans van Halewijn, nog al dikwijls op het staatkundig tooneel van Nederland. Als diplomaat ondernam hij verscheidene reizen; als gouverneur van Mechelen en Oudenaarde schreef hij brieven aan Margareta van Parma, aan Granvelle, aan Alva, aan den hertog van Aarschot. De notabelen van Zwevegem noemden hem in 1573 hunnen "seer beminden en specialen vriend."

Als men, Zwevegem verlatende, de vaart van Bosuit volgt, komt men door eene lieve vallei. Links daagt het Banhout; zuidwaarts rijzen de heuvelen van Knokke met hun donkergroen geboomte.