Part 7
Na 2½ uur rijdens bereikt men het hoogst punt van den weg, waar den paarden eenige rusttijd wordt gegund. Hoewel aan deze plaats geen historische herinnering is verbonden, verlevendigt zij toch voor onzen geest een der schoonste tafereelen uit het Evangelie. Hier ziet men een van die Oostersche herbergen, waarop de Heer doelde in de bekende gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan (Luc. X: 34), die tegenwoordig den naam karavansera dragen Zij bestaat uit een breed voorhuis, waarin twee lange gelagkamers zijn, met breede divans langs den muur, die des nachts tot rustbed dienen; daarachter bevindt zich een ruime vierkante plaats, door een hoogen muur omringd, waar kameelen, paarden en ezels vrij kunnen rondloopen. Daar deze plaats, juist op de helft van den weg van Jerusalem naar Jericho ligt en de eenige is, die zich tot zulk een pleisterplaats leent, is de veronderstelling gewettigd, dat zich hier reeds voor eeuwen een herberg bevond, waaraan de Heer dacht, toen Hij de schoone gelijkenis sprak van een zeker mensch, die onder de moordenaars viel, toen hij afkwam van Jeruzalem naar Jericho. Men ziet zelfs, enkele minuten van de tegenwoordige karavansera, nog de ruïnes van een oud gebouw.
Van hier daalt de weg af tot aan Jericho en in gestrekten draf wordt de reis voortgezet tot op eens het rijtuig ophoudt en onze dragoman ons verzoekt uit te stappen. Hij wijst ons een voetpad, dat om de kruin van een heuvel heenleidt en wij staan voor een diep ravijn, dat aan onze voeten gaapt. Daar beneden in de diepte stroomt de beek Krith en aan het groen geboomte is duidelijk te zien, dat zij ondanks de langdurige droogte nog water houdt. Aan den linkeroever van de beek ligt een klooster ter gedachtenis aan den profeet ELIA, die hier tijdens den hongersnood zijn verblijf hield en door de raven werd gespijzigd. Het is als een zwaluwnest tegen een steilen muur genesteld en steekt door zijn groen geverfde vensters en deuren scherp af tegen de vale rotsen er om heen. Hoe gaarne waren wij in de diepte afgedaald om het van nabij te kunnen bezien en de plaats te bezoeken, waar de profeet drie jaren leefde uit de hand zijns Heeren, maar de tijd liet het niet toe, daar wij nog eenige uren te rijden hadden, voor wij aan de Doode Zee en den Jordaan waren.
Jericho zelf, de van ouds beroemde Palmenstad, is thans slechts een schamel dorp, dat uit eenige Bedouïenen-tenten bestaat. Van de oude stad wijst men nog eenige bouwvallen, waaraan echter niets te zien is. Enkele spichtige populieren hebben de plaats ingenomen der voormalige palmen.
Belangrijker is de bron, die geheel Jericho van drinkwater voorziet en volgens de overlevering dezelfde is, waarvan de profeet ELISA het water, dat ondrinkbaar was, gezond maakte door er zout in te werpen. (II Kon. II: 19).
De vlakte rondom Jericho, geeft geenszins een denkbeeld van de vruchtbaarheid dezer landstreek, behoudens een klein gedeelte, waar de Krith doorstroomt, alvorens zich te storten in de Doode Zee. De eenige plant die er groeit doet denken aan onze erica, maar hoe dichter men de Zee nadert, hoe doodscher alles wordt. Eindelijk zijn wij aan het strand der Zee, die te recht een zee wordt genoemd, omdat zij zoo groot is, dat men haar in hare lengte onmogelijk kan overzien. Ter linkerzijde verheft zich de hoogte Machaerus, waar HERODES een burcht had gebouwd en JOHANNES de Dooper zou onthoofd zijn; meer noordelijk het gebergte Nebo, van welks top MOZES het beloofde land overzag; ter rechterzijde de bergen van Juda en Engedi. Het water is donkergroen en sterk bewogen door den zuidenwind; het strand bestaat uit louter steenen zonder schelpen, want geen enkel levend dier, zelfs geen schelpdier kan in dit water leven. Het is veel zouter dan dat van den Oceaan en daarenboven zoo bitter, dat men den nasmaak er van nog langen tijd behoudt. Een bad is weinig verfrisschend, daar het water lauw is; men drijft er als een kurk boven op en wanneer men zich heeft gekleed en in de handen wrijft, voelt men nog kleine korreltjes zout als zand tusschen de vingers. Gelukkig zijn wij spoedig aan den Jordaan, waar een frisch zoetwaterbad ons bevrijdt van de zoutlaag, die ons lichaam overdekt.
[Illustratie: DE DOODE ZEE.]
De Jordaanoevers zijn als een liefelijke oase in de woestijn; langzaam stroomt de rivier, die omstreeks 30 meter breed is, langs donker struikgewas en weelderig geboomte, dat den oever bekleedt. Een kluizenaar, die ergens in de nabijheid zijn eenzaam verblijf heeft, vaart met zijn bootje langs den oever om zijne netten in te halen. Zacht weerkaatst de volle maan haar zilverwit licht in het water en alles te zamen biedt een zeldzaam schouwspel, zoodat wij gerust mogen zeggen: wij hebben den Jordaan op zijn schoonst gezien.
De avond was reeds gevallen en bij maanlicht reden wij naar Jericho terug, de meesten voorzien van een flesch Jordaanwater, dat men als een aandenken medeneemt naar huis. Ik deed het niet. Voor mij waren er aan dezen dag genoeg schoone en blijvende herinneringen verbonden, die waarlijk niet door Jordaanwater behoeven opgefrischt te worden. De natuur zelve om ons heen was een commentaar geweest, die menige bladzijde der H. Schrift voor ons ophelderde en verstaanbaar maakte en wij eindigden dan ook dezen tocht met een gevoel van groote dankbaarheid aan Hem, Die ons zulk een heerlijken en onvergetelijken dag schonk.
DE HEILIGDOMMEN IN HET TEGENWOORDIGE JERUSALEM.
Toen wij van de Doode Zee terugkwamen en Jerusalem naderden kondigde het kanongebulder ons reeds van verre aan, dat de Duitsche Keizer zijn intocht deed. Deze gebeurtenis, die de Duitschers voor de geschiedenis van het Oosten epochemachend noemden, behoort thans reeds, wellicht voor altijd tot het verleden. Wij achten het daarom niet noodig er nog veel van te zeggen, te minder omdat zij in verschillende boeken breedvoerig werd beschreven.
Hierbij komt, dat Jerusalem, als classieke plaats der oudheid door dat bezoek van den Keizer veel van zijn eigenaardigheid had verloren. Men stelle zich voor die stad, dat eerbiedwaardige monument uit het grijs verleden, thans opgesmukt naar den nieuwsten stijl met eerebogen en vlaggen en getooid met lampions voor illuminatie! Welk een schril contrast met den heiligen eenvoud, die daar past. Het was dan ook alsof de maan, die juist vol was en zoo helder scheen alsof het dag was, de heiligschennis eener kunstverlichting niet gedoogde, zoodat hiervan niets te zien was. Bovendien was de stad opgepropt met reizigers van Stangen's en Cook's bureaux, die elkander telkens verdrongen om den Keizer nog eens en voor den zooveelsten keer te zien. Dat alles gaf aan de stad een gansch onnatuurlijk aanzien en karakter. Toch belette het ons niet om een wandeling te maken naar de kerk van het Heilige graf, de Verlosserskerk en de Tempelplaats.
Wij treden de Jaffapoort binnen. Rechts van ons ligt de Davidsburcht, thans een kazerne voor de Turksche wacht. De zware steenblokken, die er den grondslag van vormen, dagteekenen, naar men zegt, nog uit den tijd van Koning DAVID, die in Jerusalem zijn zetel vestigde en den Westelijken en Oostelijken heuvel van een sterken muur voorzag. Eenige schreden verder treden wij een woonhuis binnen en zien uit een venster beneden in de diepte den vijver, die aan HISKIA wordt toegeschreven en den naam draagt van het Patriarchenbad. Op den verderen weg naar de kerk van het Heilige Graf speurt men duidelijk aan de op- en nedergaande straten, dat de stad op twee heuvels is gelegen, waar tusschen een dal ligt. De straten zelve zijn eigenlijk niet meer dan stegen, nauw en donker, verpest door een benauwde, vunzige lucht, die de vrije ademhaling belemmert. Tengevolge van het zeer ongelijke plaveisel ziet men er geen paarden of wagens, maar alleen kameelen en ezels, die met hun last zich met moeite een weg banen door de menigte, welke zich ophoopt bij de bazars om wat te koopen of te verkoopen.
Op het voorplein van de kerk van het Heilige Graf aangekomen worden ons door den Heer LISONNE met wien wij reisden, uitnemende plaatsen aangewezen, die hij voor ons heeft afgehuurd om de komst af te wachten van den Keizer en de Keizerin, die allereerst een bezoek brachten aan deze gedenkwaardige kerk. Van dien wachttijd maken wij gebruik om een en ander te vertellen van de kerk zelve en hare tegenwoordige eigenaars.
[Illustratie: KERK VAN HET HEILIGE GRAF.]
Zij bestaat uit een zeer onregelmatig geheel, een labyrinth van grootere en kleinere heiligdommen en kapellen, die alle afzonderlijke namen dragen naar de herinneringen, die de overlevering daaraan heeft vastgeknoopt en voornamelijk betrekking hebben op den dood des Heeren. Zij zijn het eigendom van Latijnsche, Grieksche, Armenische, Koptische en andere Christenen, die in gemeenschappelijk overleg elkander vredelievend toestaan om de verschillende heilige plaatsen te vereeren.
Treedt men het voorportaal binnen, dan komt men het eerst aan den steen, waarop de vrouwen den Heer gezalfd hebben na de kruisiging, die het eigendom is der Grieksche Kerk. Daarachter zijn twee heiligdommen met hooge koepels overdekt, ter linkerzijde de eigenlijke kapel van het graf, die het gemeenschappelijk eigendom is van alle vijf genoemde afdeelingen der Christelijke Kerk; recht voor ons uit in het middenschip van het gebouw een Grieksche kerk met nog een afzonderlijk heiligdom. Rechts hiervan daalt men langs twee trappen af naar de kapel, waar HELENA het hout van het kruis zou gevonden hebben. Onmiddellijk rechts van den ingang beklimt men een trap van 20 treden en staat dan op eene hoogte, die geacht wordt de Calvariënberg te zijn geweest, waar het kruis des Heeren stond en die wederom het eigendom is der Grieksche Kerk. Hier wijst men in een rots die gespleten is onder een vergulde plaat eene opening, waar het kruis des Heeren stond. (Matth. XXVII: 51).
Wat zullen wij tot alle deze dingen zeggen? Men heeft deze kerk wel eens bij een Christelijk panopticum vergeleken, eene vergelijking die wel niet verheven, maar helaas al te waar is, want het is ongeloofelijk, wat men hier te zien krijgt. Behalve de bovengenoemde bijzonderheden toch, die betrekking hebben op het lijden en sterven des Heeren, worden er nog tal van kapellen en altaren getoond, die betrekking hebben op bekende Bijbelsche personen en bovendien nog de graven van ADAM en EVA, ABEL en MELCHISEDEK en tal van anderen. Reeds bij de enkele opsomming van dit alles, beseft men hoe weinig historisch deze plaatsen zijn. Het is zelfs zeer de vraag of Golgotha hier kan gelegen hebben; immers, zoo dit het geval is, dan moet de stad buiten wier muren de kruisiging plaats vond, wel uitermate smal geweest zijn, daar zij hier nauwelijks 600 meter breed kon wezen. Wanneer men alles leest, wat voor of tegen de bewering pleit, dat hier Golgotha ligt, komt men tot de slotsom dat daaromtrent niets met stellige zekerheid te zeggen valt.
Na deze algemeene opmerkingen laat het zich denken, dat er allicht moeilijkheden konden ontstaan tusschen de verschillende eigenaars der kerk omtrent den voorrang bij het bezoek van den Keizer. Toch schijnt men dit in der minne te hebben geschikt door de 3 patriarchen der Latijnsche, Grieksche en Armenische kerk in de gelegenheid te stellen hem elk afzonderlijk toe te spreken. Wij zagen ze allen in groot pontificaal de trappen afdalen, die naar het voorplein leiden en hun plaatsen in de kerk innemen. Voor aan den ingang stond de Latijnsche patriarch met zijn gevolg; eenige schreden verder bij den steen der zalving, de Armenische; terwijl de Grieksche zich bevond bij de eigenlijke kapel van het H. Graf, van welke verschillende plaatsen elk hunner hem in zijne eigene taal welkom heette.
Nadat het bezoek van den Keizer en zijn gevolg was afgeloopen en zij het kerkgebouw onder klokgelui hadden verlaten traden wij het binnen. Voor deze gelegenheid waren alle lampen evenals op groote feesten ontstoken; wij zagen dus de kerk als op een grooten feestdag uitgedoscht, maar zonder het ontzettend gedrang, dat er dan heerscht. Wij waren daar zeer dankbaar voor, want, naar de beschrijvingen, die o. a. van de viering van het Paaschfeest worden gegeven zijn de tooneelen, die men dan ziet, inderdaad weêrzinwekkend. Wij kunnen ons dan ook volkomen begrijpen, dat een vroom man als SAMUEL GOBAT eens tot den Koning van Pruissen zeide, dat hij niet geloofde noch hoopte, sedert hij eenmaal ooggetuige geweest was van zulk eene feestviering, waardoor zij voor hem alle wijding had verloren, dat hier de plaats was, waar men den Heer had gelegd.
Slechts enkele schreden van de kerk van het Heilige Graf ligt het Protestantsche kerkgebouw, dat juist was voltooid en den volgenden dag, den 31sten October, den Hervormingsdag, plechtig zou worden ingewijd.
Het werd gebouwd op de plaats waar het voormalige Muristan stond. De geschiedenis van het Muristan dagteekent van de dagen van KAREL den Groote, die, naar men zegt, hier een klooster zou gesticht hebben. Na verloop van tijd verrezen er een kerk, een hospitaal, en een pelgrimshuis, gesticht door de ordebroeders van St. Jan, die daar hun verblijf hielden. In 1869 werd de geheele plaatsruimte, waarvan nog slechts enkele ruïnes stonden van vroegere gebouwen, door den Sultan aan den toenmaligen kroonprins, den lateren Keizer FREDERIK ten geschenke gegeven. Deze vatte aanstonds het plan op om hier een Duitsche kerk te bouwen op de fondamenten van de oude St. Maria Latina Majorkerk. De oude grondslagen bevonden zich echter 10–15 meter onder den grond en hieruit laat zich eenigszins afleiden, welk een reuzenwerk men te verrichten had, voordat er een vaste grondslag was verkregen voor den nieuwen bouw. Honderdduizenden manden met puin moesten te dien einde eerst weggedragen worden buiten de stadspoort.
Na jarenlangen arbeid is dit werk voltooid en midden tusschen al de Mohammedaansche moskeeën, die boven Jerusalem uitsteken, verheft zich thans ook de sierlijke toren der Protestantsche kerk.
De Verlosserskerk, zooals zij genoemd wordt, is met veel smaak en toch zeer eenvoudig in rondboogstijl gebouwd. Zij heeft ongeveer 200 zitplaatsen; in het midden verheft zich een steenen kansel, aan het einde het altaar, links daarvan een keurig net orgel. Een der ingangen bestaat uit een voormalige poort, die er nog stond en toegang verleende tot het oude Muristan. Boven den anderen ingang bevindt zich een schild, waarop een lam is afgebeeld met een vlag, het symbool der overwinning van het Christelijk geloof, waarin de gemeente, die hier week aan week vergadert, hare kracht vindt.
De derde, tevens de eenige plaats in Jeruzalem, omtrent wier ligging nooit eenige twijfel is gerezen, is het tempelplein, dat thans Haram esch Scherif heet. Hier stond gedurende vijf eeuwen de tempel van SALOMO en later die van HERODES. Thans bevinden er zich nog de Omar-moskee, El-Aksa en een aantal bijgebouwen, die alle toebehooren aan de Mohammedanen.
Deze Tempelplaats is uit een oudheidkundig oogpunt allerbelangrijkst. Ten einde het tegenwoordige plateau, dat thans 470–490 meter lang en 280–320 meter breed is, maar oorspronkelijk slechts eene kleine ruimte bood, zoodanig te vergrooten, dat daarop de tempel met zijne bijgebouwen kon verrijzen, moest men òf den kalksteenen heuvel, die in een spits uitliep verlagen, waardoor hij echter gemakkelijker toegankelijk werd voor den vijand en als vesting in sterkte verminderde, òf daaromheen hooge muren optrekken en door opvulling der tusschenruimte de noodige bodem-oppervlakte verkrijgen. DAVID en SALOMO schijnen aan dit laatste de voorkeur te hebben gegeven. Zij lieten aan de Oost-, West- en Zuidzijde muren optrekken ter hoogte van 130 voet uit steenblokken, waarvan er sommige nog zichtbaar zijn en die eene lengte hebben van ruim 30 voet en dus eenig denkbeeld geven van de inspanning, die tot een dergelijk werk vereischt werd. Een gedeelte daarvan bestaat nog aan de Westzijde, de welbekende klaagmuur, dien men houdt voor afkomstig uit den tijd van SALOMO. Daar ziet men altijd, maar vooral op Vrijdagavond de Joden bijeen, die er bidden om herstel van tempel en stad en hoort men hen hun weemoedig klaaglied aanheffen over hun deerniswaardig lot.
[Illustratie: DE OMARMOSKEE.]
Juist in het midden van de tempelplaats verheft zich ongeveer 3 meter daarboven, een vierkant plein, waarheen 8 trappen van 4 zijden toegang verleenen. Dit plein was voorheen de voorhof der Joden, dien de Heidenen in de dagen van HERODES niet mochten betreden op straffe des doods. Men heeft nog een steen gevonden, waarop dat verbod geschreven stond, hetgeen naar men beweerde, de Apostel PAULUS zou overtreden hebben (Hand. XXI: 28).
Midden op dit plein staat thans de prachtige achthoekige Omar-moskee, een der schoonste die ik zag, met een hoogen koepel juist boven den steen es-Sachra dien de Mohammedanen als de heilige rots vereeren, omdat volgens hen MOHAMMED van hier ten hemel zou gevaren zijn. Het is wel opmerkelijk, dat MOHAMMED, hier zoowel als te Mekka, waar zijne volgelingen den steen Kaäba vereeren, zijn nieuwen godsdienst heeft vastgeknoopt aan plaatsen, die om eene of andere reden bijzonder heilig geacht werden, hetgeen ons verklaart, hoe het mogelijk was, dat zijn godsdienst zoo spoedig ingang kon vinden. Immers deze heilige rots was volgens de overlevering der Joden ook de plaats, waar weleer ABRAHAM zijn zoon wilde offeren en waar later het brandofferaltaar voor den tempel van SALOMO stond. Deze rots is echter niet anders dan de spits van den oorspronkelijken kalkberg, waaruit de berg Moria bestaat. Door grondboringen zijn de oudheidkundigen er zelfs in geslaagd, met volkomen juistheid aan te wijzen, waar de grond op verschillende plaatsen is opgehoogd, ten einde de tempelplaats tot een vlak plein te maken.
Terwijl men dus overal elders in het onzekere verkeert omtrent plaatsen, die men aanwijst, staat men hier op echt historischen bodem. Hierheen bracht MARIA haar Kind bij de voorstelling in den tempel; hier ergens was de plaats, waar zij den twaalfjarigen Knaap vond; hier de plaats, waar de Heiland de schare zoo dikwerf leerde; hier de plaats, waar op het Pinksterfeest de discipelen bijeen waren, toen de Heilige Geest over hen werd uitgestort. Maar juist daarom gevoelt men zich bij de gedachte aan alle deze gebeurtenissen, die hier weleer plaats grepen, zoo droevig gestemd, wanneer men op dezen gewijden bodem, waaraan voor den Christen zoovele geheiligde herinneringen zijn verbonden, slechts als vreemdeling toegelaten wordt bij de gunst der Mohammedaansche overheid. Wij, die niet aan plaatsen hechten, misgunnen hun ook deze niet; maar er is toch iets weemoedigs in de gedachte, dat op deze merkwaardige plek zelfs geen Christelijk bedehuis staat en dat de schoone Christelijke kerk, de oudste in Jerusalem, die hier weleer door Keizer JUSTINIANUS werd gebouwd, thans de Mohammedaansche moskee El-Aksa is.
Maar nog veel weemoediger moet het den vromen zoon van Gods oude volk Israël stemmen, die deze plaats nimmer durft betreden uit vrees, dat hij misschien zijn voet zal zetten op het voormalige Heilige der Heiligen, en die hier ziet, hoe dit zijn Heiligdom thans wordt ontheiligd door den Mohammedaan, die hem zoo diep veracht. Terwijl de Christenen der Oostersche en Westersche kerken hun gewijde plaats bezitten in de kerk van het Heilige Graf, de Mohammedaan in zijn Omar-moskee, de Protestantsche Christenheid in haar Verlosserskerk is de eenige gewijde plaats, die den zoon van Israël, den oorspronkelijken bewoner en eigenaar der stad werd gelaten daar beneden in de diepte, die oude muur, die door SALOMO werd opgetrokken, die klaagmuur waar hij weent en klaagt en bidt om den vrede van Jerusalem. Wie zal zeggen of en wanneer die bede ooit in verhooring zal gaan? Wij voor ons hopen het van harte en stemmen er gaarne mede in, maar kon het zijn zoo, dat eenmaal de zoon van Israël en de volgeling van Mohammed zich met ons buigen voor den Vredevorst, den grooten Koning van Zion.
DE OUDE STAD EN HARE GRAVEN.
Bij mijne verdere beschouwing van Jerusalem, onthoud ik mij opzettelijk van eene nadere beschrijving der zoogenoemde bezienswaardigheden. Zij is door anderen reeds zoo voortreffelijk gegeven, dat ik slechts in herhalingen zou vervallen, wanneer ik dat nog eens deed. Ik stel mij daarom voor eene wandeling te doen om de stad, ten einde dan hier en daar eens stil te staan bij datgene, wat in het bijzonder mijne aandacht trok, vooral uit een oudheidkundig oogpunt.
Men heeft namelijk op het gebied der oudheid ook in Jerusalem ontdekkingen gedaan, die op velerlei dingen een geheel nieuw licht hebben geworpen en waardoor men tot klaarheid kwam, omtrent velerlei waarover men tot nog toe in het onzekere verkeerde. Aangespoord door de belangrijke uitkomsten, welke men verkreeg bij een ingesteld onderzoek in andere wereldsteden als Ninive en Babel, Thebe en Memphis, Athene en Rome, Herculanum en Pompeï, werden in 1867 eene Engelsche en in 1877 eene Duitsche Vereeniging in het leven geroepen, die zich ten doel stelden alles te onderzoeken, wat in Palestina op het gebied der oudheidkunde van belang geacht kon worden. Ondanks menigerlei bezwaren, die daarbij in den weg stonden, kan men gerust zeggen, dat deze pogingen tamelijk welgeslaagd mogen heeten. Intusschen blijft er toch nog zeer veel over, waaromtrent men in het onzekere verkeert. Hiertoe behoort ook de ligging der oude stad.
Het oude Jerusalem,—eigenlijk zou men hier wel het meervoud kunnen bezigen, want de stad werd in den loop der eeuwen zevenmaal verwoest en herbouwd, waardoor zij natuurlijk allerlei veranderingen onderging,—de oorspronkelijke stad, die DAVID innam, lag op een heuvel en droeg blijkens onlangs gevonden gedenktafels reeds eeuwen te voren den naam Oeroesalim. Na haar te hebben ingenomen, trok hij er een tweeden heuvel bij aan, dien hij verbond door een brug over het Tyropoeon- of Kaasmakersdal, welke dubbele stad daardoor den naam Jeruschalajim kreeg, een benaming, waardoor in de Hebreeuwsche taal nog dat tweeledige wordt uitgedrukt. Deze beide heuvels, waarvan de Oostelijke aanzienlijk lager is dan de Westelijke, vormen het uiteinde van den langwerpigen berg Scopus, die zich van het Noorden naar het Zuiden uitstrekt. Het Kaasmakersdal, waardoor zij van elkander gescheiden waren, liep wederom uit in het dal van Hinnom, dat beide heuvels aan de Zuidzijde insluit. Dit dal vereenigt zich aan de Oostzijde met dat van Josafat, thans het Kidrondal genoemd, dat den lageren heuvel en de daaraangrenzende tempelplaats afscheidt van den Olijfberg, die zich in het Noorden met den berg Scopus vereenigt.
In de dagen van haren grootsten bloei besloeg de stad den ganschen bergrug van den Scopus met de beide heuvels. Thans is zij wederom ingekrompen tot een vierkant, dat slechts vier kilometers in omtrek heeft, aan elke zijde ongeveer een kilometer. De beide heuvels aan de Zuidzijde en een groot gedeelte van den berg Scopus aan de Noordzijde behooren thans niet meer tot het ommuurde gedeelte der stad.