Part 8
Nu is men er in geslaagd de fondamenten te vinden van den stadsmuur, die weleer de beide heuvels afsloot en heeft diens loop nauwkeurig kunnen bepalen; maar omtrent de grenzen der Noordelijke stad heeft men tot nog toe geen stellige zekerheid kunnen verkrijgen. Dit laat zich te beter begrijpen, wanneer men bedenkt, dat ten deze elke aanwijzing onder den grond moet gezocht worden, en daar deze grootendeels bebouwd is, dient men de gelegenheid af te wachten, dat er een herbouw plaats vindt, waardoor de grondslagen worden blootgelegd om dan op goed geluk af opgravingen te doen. Wanneer men nu hierbij in aanmerking neemt, dat Jerusalem in den loop der eeuwen zoo dikwijls herbouwd is en men hier dus te doen heeft met brokstukken van misschien zeven over elkander gebouwde steden, zal men eenigszins kunnen beseffen, hoe moeilijk het voor oudheidkundigen is om tot vaststaande resultaten te komen. Ik herinner mij, om een voorbeeld te noemen, op eene wandeling door een der straten midden in de stad, in een muur een boog gezien te hebben van een poort ter hoogte van een halven meter boven den beganen grond; een bewijs dus, dat de tegenwoordige straat verscheidene meters hooger ligt dan die, waartoe die boog toegang verleende. In een Russisch gebouw, grenzende aan de kerk van het Heilige Graf, ziet men, na eerst eenige trappen te zijn afgedaald, dus meters diep onder den beganen grond, muren en poorten van oude gebouwen, die men uitgegraven heeft. Zooals wij reeds opmerkten moest men ook de fondamenten der Verlosserskerk, die daar vlak tegenover ligt, 16 meters diep uitdelven, alvorens vasten grondslag te krijgen voor den bouw.
Bij de gesteldheid van zulk een bodem, die het eenige punt van uitgang is voor den oudheidkundige bij zijn in te stellen onderzoek, kan men zich dus begrijpen, hoezeer de meeningen der geleerden moeten uiteenloopen over de ligging van Golgotha. De overlevering wijst daarvoor, zooals wij reeds hoorden, de plaats aan in de kerk van het Heilige Graf. Daar zoude Keizerin HELENA, de moeder van CONSTANTIJN den Groote, het hout van het kruis gevonden hebben. Anderen zoeken Golgotha niet binnen, maar buiten de muren der tegenwoordige stad, omdat, gelijk wij vroeger zeiden, de kerk van het Heilige Graf binnen de stad ligt en men het onmogelijk acht, dat deze plaats eertijds er buiten zou gelegen hebben. Natuurlijk hangt hiervan wederom af welke der beide wegen men houdt voor de eigenlijke „Via dolorosa”.
Evenzoo bestaat er verschil van gevoelen omtrent de ligging van Zion. Volgens sommigen zou daarmede de lagere, Oostelijke heuvel bedoeld zijn, ten Zuiden van de tempelplaats, volgens anderen is de hoogere, Westelijke heuvel de berg Zion geweest, die nog tot op den huidigen dag dien naam draagt. Wanneer men echter die beide heuvels van de hoogte Hakeldama, aan de overzijde van het dal Hinnom ziet liggen, dan beteekent dat Oostelijke heuveltje niets vergeleken bij zijn Westelijken nabuur. Leest men daarbij de beschrijving van de sterkte van den burcht Zion in II Sam. V, dan krijgt men den indruk, dat die hoogte een onneembare vesting was, die als zoodanig voor DAVID veel waarde had. Welnu, wanneer men daar staat en ziet rechts dat onaanzienlijk bultje en links die verheven hoogte, dan schijnt alles te pleiten tegen de bewering, hoezeer ook met degelijk wetenschappelijke gronden gestaafd, dat op die onaanzienlijke hoogte de burcht Zion zoû gelegen hebben, dien DAVID innam, omdat hij zich door zijne natuurlijke sterkte als vesting aanbeval en dien hij dan ook slechts door de stoutmoedige overrompeling van JOAB overmeesterde.
Meer en meer is men thans echter de overtuiging toegedaan, dat de naam Zion, die aanvankelijk den oorspronkelijken Davidsburcht gold, later ook voor de tempelplaats en eindelijk voor de geheele stad werd gebezigd, waarvan het hoogst gelegen gedeelte hem tot op den huidigen dag heeft behouden.
Onder het vriendelijk geleide van onzen gastheer Pater SCHMIDT zetten wij onze wandeling langs Hakeldama voort en maken van de ons aangeboden gelegenheid gebruik om de woning te bezichtigen van een Griekschen monnik, die gelegen is tegen den Zuidelijken rotswand van het dal Hinnom. De bezichtiging van zulk een huis was voor ons om verschillende redenen zeer belangwekkend. De voor- en zijgevel zijn meestal open en vormen een soort van veranda, waar men zeer aangenaam zit, wanneer de zon er niet op schijnt. Daarachter bevinden zich de voornaamste woonvertrekken, die tevens als werkplaatsen dienen. Zij zijn gewoonlijk in de rotsen uitgehouwen en daardoor uitermate koel. Hun licht ontvangen zij door eene kleine opening van boven in de rots. Achter deze vertrekken bevinden zich nog andere kamers, eveneens in de rotsen uitgehouwen, waar men de plaats aanwijst, waar men weleer zijne dooden begroef en waarin thans de monnik en zijn knecht hunne slaapstede hebben. Hij had zelfs de voorzorg genomen om hier ook zijn eigen begraafplaats in te richten.
Alle woningen rondom, ook in het kleine dorpje Siloa, dat rechts van ons ligt tegen de Westelijke helling van den Olijfberg boven het Kidrondal zijn evenzoo ingericht. Daardoor begrijpt men, hoe het mogelijk is bij eene tropische hitte als daar heerscht te kunnen leven en werken zonder eenigen overlast te hebben van de warmte. Ook het vertrek van den beroemden kerkvader HIERONYMUS te Bethlehem was geheel onder den grond uitgegraven in de rots en verlicht door een soort luchtkoker, waardoor licht en lucht naar binnen stroomden.
[Illustratie: HET KIDRONDAL EN ABSALOM'S GRAF.]
Zulk eene leefwijze werpt ook een eigenaardig licht op het leven in de graven, waarvan men onwillekeurig een rilling krijgt, wanneer er in de Evangeliën van wordt gesproken. Maar wanneer men iemand daar ziet wonen en leven, ja zelfs slapen bij de en in de graven als onze monnik, terwijl men daar zit onder zijn vriendelijke veranda onder het genot van een glas wijn met het uitzicht op den berg Scopus, die recht voor ons ligt en beschenen wordt door de laatste stralen der ondergaande zon, dan is de afschuw van zulk een leven in de graven waarlijk niet groot meer.
Een geheel ander karakter draagt het zoogenoemde graf van ABSALOM in het Kidrondal. Het is met nog twee andere graven, die er naast zijn, uitgehouwen uit de rots en maakt geheel den indruk van een monument uit lateren tijd. Hoe het zij, de overlevering heeft er den naam aan verbonden van den wederspannigen zoon, die zijn hand ophief tegen zijnen vader en zijn zondige daad met den dood moest bekoopen. Het dient daarom thans ook tot een waarschuwing voor kinderen, die hun ouders niet onderdanig zijn en die men hier een steen laat werpen tegen dit graf ten teeken van berouw over en afkeer van hun zonde tegen het vijfde gebod.
Hoogst belangrijk waren ook nog andere begraafplaatsen, die wij zagen aan de Noordzijde van de stad. Hier liggen de bekende graven der Richteren en Koningen, die een bezoek overwaard zijn, omdat zij een helder licht werpen over verschillende Bijbelsche uitdrukkingen en het Israëlietisch geloof aan het Doodenrijk.
Langs een breeden trap van 24 treden in de rots daalt men af tot een groot vierkant plein 8 meter beneden den beganen grond. Het is omstreeks 28 meter lang en 25 meter breed en van boven geheel open. Aan eene zijde ziet men een gewelf, waarboven nog eene eenigszins geschondene inscriptie prijkt, waar wij binnen treden. Aan onze linkerhand bevindt zich eene vierkante opening ongeveer een meter hoog, welke kan worden afgesloten door een rolsteen, die er naast staat in een gleuf en ongeveer zoo groot is als een molensteen. Is men met veel moeite er in geslaagd om al bukkende door deze opening heen te kruipen, dan komt men in een donker vertrek, van waaruit verschillende zijgangen geleiden naar de eigenlijke grafkamers. Hier zijn in de zijwanden de rustbanken uitgehouwen, waarop de dooden werden bijgezet. In elk dezer kamers is plaats voor 6–12 dooden, die hier „vergaderd of verzameld worden tot hunne vaderen.” Deze eigenaardige uitdrukking verstaat men volkomen, wanneer men zulk een begraafplaats ziet. Immers in zulk eene grafkamer werden alle dooden van hetzelfde gezin, of van eenzelfde geslacht verzameld en zoo er plaatsruimte ontbrak behoefde men er slechts een nieuwe kamer aan toetevoegen.
Het is dan ook gansch natuurlijk, dat het oude Israël zich het Doodenrijk of den Hades dacht beneden in de aarde en niets zoo ontzettend vond, dan wanneer een zijner geliefde dooden niet vergaderd werd met zijne vaderen, maar onbegraven bleef liggen. Ongetwijfeld hangt het Israëlietisch geloof aan de lichamelijke opstanding der dooden, dat een MARTHA zoo stellig en welsprekend beleed tegenover haren Heer, ten nauwste samen met de geheele wijze van begraven, die dan ook op mij een veel aangenamer indruk maakte dan het schoonste praalgraf, dat ik ooit zag op een Westersch kerkhof. Er was iets in dat onwillekeurig verzoende met de gedachte aan den dood. Dat vertrouwelijk verkeer en die voortdurende omgang met de dooden hadden voor mij zoo iets onuitsprekelijk liefelijks.
Zeerzeker, wij Christenen kunnen ons bij deze beschouwing niet losmaken van het heerlijk geloof in de opstanding der dooden, dat wij danken aan de overwinning van Christus onzen Heer op den dood. Maar daarom treft het ons te meer, dat niet alleen de Jood maar zelfs de Mohammedaan den machtigen invloed van dat geloof heeft gevoeld. Behoort het niet tot zijne liefste wenschen begraven te worden bij de muren of in de nabijheid van dat Jerusalem, waar eenmaal die overwinning op den dood werd behaald. Is niet dat Kidrondal, de vallei die Jerusalem van den Olijfberg scheidt, de plaats waar volgens hem de CHRISTUS en MOHAMMED in den dag des oordeels het wereldgericht zullen houden.
Inderdaad, wanneer men daar rondom Jerusalem wandelt te midden van de graven dier duizenden, die hier den jongsten dag tegensluimeren en denkt aan het woord van Hem, die eenmaal sprak: „Ziet Ik ben dood geweest en wederom levend geworden,” dan is het alsof men zelf bij vernieuwing onder den indruk verkeert van en versterkt wordt in de gemeenschappelijke belijdenis aller Christenen, die gelooven in de wederopstanding des vleesches en in een eeuwig leven.
DE WATERWERKEN DER OUDHEID.
Menigeen, die Jerusalem bezocht, zal misschien verzuimen te letten op de kunstige waterwerken, die daar zijn en onze rechtmatige bewondering verdienen, omdat zij dagteekenen uit een tijd, van welken niemand zou gelooven, dat men toen reeds zoo op de hoogte was van de waterbouwkunde en daaraan verwante wetenschappen. Daarom wensch ik hier nog een en ander te vertellen van hetgeen wij daar op dit gebied zagen.
Toen wij op de Tempelplaats rondwandelden, trof het reeds mijne aandacht, dat men op verschillende plaatsen mannen zag, die water putten met emmers, die 10 en 20 meter diep werden neêrgelaten. Hoewel het gedurende meer dan een half jaar niet had geregend, was daar onder den bodem, op welken wij wandelden, toch overvloedig water. Dit verschijnsel is te meer bevreemdend, wanneer men weet, dat de ondergrond van den berg Moria uit louter kalkrots bestaat en vereischt eene nadere verklaring, die mij aanleiding geeft om een en ander mede te deelen omtrent de wijze, waarop men Jerusalem van water heeft voorzien.
Het trok te allen tijde in hooge mate de aandacht, dat de inwoners der stad, zelfs bij de langdurigste belegeringen, zooals bij die van Koning NEBUKADNEZAR, die anderhalf jaar duurde, wel over hongersnood, maar nimmer over gebrek aan water te klagen hadden; terwijl daarentegen de belegeringslegers buiten de stad van dorst dreigden om te komen. Ook in de dagen der kruistochten werden de kruisridders door een hevigen dorst geplaagd en moest het water uren ver gehaald en tot hoogen prijs betaald worden; terwijl men, na de inneming der stad door GODFRIED VAN BOUILLON, daarbinnen overvloedig water vond.
Het schijnt, dat reeds SALOMO bij de ophooging van het tempelplateau bedacht geweest is op middelen om de stad, die geheel op kalkrots is gebouwd, van water te voorzien. Hij liet bij de ophooging van het terrein groote waterreservoirs in de rots uithouwen of metselen, waarin het water van het dak van den tempel zich verzamelde. Dit water moest dienen voor de reiniging der vaten en der gereedschappen, die bij den tempel of den offerdienst in gebruik waren. Men is er in geslaagd 35 dezer cisternen of regenbakken te onderzoeken, die deels nog in gebruik, ten deele echter in onbruik zijn. Een daarvan wordt de groote zee genoemd, omdat zij millioenen liters water kan bevatten.
Toen de stad zich meer en meer uitbreidde en de behoefte aan water grooter werd naarmate het aantal inwoners vermeerderde, heeft men hierin voorzien door eene waterleiding. Men houdt dit voor het werk van SALOMO, naar wien de drie groote waterreservoirs nabij Bethlehem, twee uren ten zuiden van Jerusalem, nog de Salomo-vijvers worden genoemd. Een niet onbelangrijk aandeel in dit werk wordt aan Koning HISKIA toegekend, wiens naam nog verbonden is aan het zoogenoemde Patriarchen-bad of den Hiskia-vijver, waarvan wij vroeger melding maakten. Deze vijver, die in de stad is gelegen, is 73 meter lang en 44 meter breed en lag, toen wij er waren, nagenoeg geheel droog. Hij wordt door een afvoerkanaal gevuld uit den Mamilla-vijver, die vijf minuten buiten de stad ligt, een waterreservoir, dat 89 meter lang, 59 meter breed en 6 meter diep en ten deele gemetseld, ten deele in de rots is uitgehouwen. Men houdt dezen voor denzelfden vijver, waarbij de profeet JESAJA Koning ACHAZ ontmoette en die, omdat hij hooger lag dan de andere, de opperste vijver wordt genoemd (Jesaja VII: 3). Aan dezen vijver had ook het gesprek plaats tusschen RABSAKE, den veldoverste der Assyriërs, en de afgezanten van Koning HISKIA (Jes. XXXVI: 2).
Deze Mamilla-vijver, die tijdens ons verblijf te Jerusalem geheel droog was, werd voorheen door de waterleiding van Bethlehem, toen deze nog in behoorlijken staat was, voortdurend van water voorzien. Van hier uit liep het dan verder langs den berg Sion naar den Tempelberg en door onderaardsche kanalen door de geheele stad.
De drie Salomo-vijvers bij Bethlehem vormen het eigenlijke middelpunt der geheele waterleiding. Twee toevoerkanalen uit nog zuidelijker gelegen dalen brengen het water in deze reservoirs, van welke twee andere aquaducten het naar de stad geleiden. Deze Salomo-vijvers liggen tegen de helling van een berg op 50 meters afstand van elkaar, de eene telkens 6 meter hooger dan de andere, zoodat de eene in de andere kan leegloopen. De bovenste is 116, de middenste 129 en de benedenvijver 177 meter lang en 15 meter diep. Elk reservoir kan een paar millioen vierk. meter water bevatten.
De eerste toevoer van water schijnt uit vier kunstig aangelegde bronnen te zijn verkregen, die in de rotsen zijn uitgehouwen en zich in de onmiddellijke nabijheid der vijvers bevinden. Toen echter deze voorraad onvoldoende was, werden twee kanalen uit hooger liggende dalen aangelegd, die heden nog de Salomo-vijvers van water voorzien. Het eene uit het bronrijke Bisardal is kort, maar zeer kunstig aangelegd; het andere, dat veel langer is, komt uit het Arrubdal en splitst zich bij de bron in twee armen, die te samen den eigenlijken ader der vijvers vormen. Dit kanaal maakt op sommige plaatsen zulke bochten, dat een afstand van 25 minuten hemelbreedte een kanaallengte van 3 uren vereischte om zonder kostbare viaducten op dezelfde hoogte te kunnen blijven.
Eveneens zijn er twee kanalen, die het water van deze reservoirs naar Jeruzalem afvoeren. Het eene, vermoedelijk het oudste, dat van den bovenste vergaarbak uitgaat, loopt bijna lijnrecht naar de stad. Daarbij verdient vermeld te worden, dat dit water in de nabijheid van het graf van RACHEL eerst af en daarna weder oploopt door opzettelijk daartoe vervaardigde steenen buizen, waaruit blijkt, dat men destijds reeds kennis droeg van de wetten van den hevel. Deze leiding, die men tot nabij Jeruzalem kan volgen, liep over den Westelijken heuvel Sion naar den tempel van onder welks drempel EZECHIËL in zijne profetieën (Ezech. XLVII) het water zag stroomen en aanwassen tot een beek, die het geheele land besproeide.
Een tweede leiding, die nog in haar geheel bestaat en volgens bevoegde beoordeelaars van jongeren datum is, voerde het water van alle drie vijvers naar de stad langs een kanaal ter lengte van 7 uren. Daar de afstand slechts 2 uren bedraagt, werd deze meerdere lengte veroorzaakt door tal van krommingen, die noodzakelijk waren ter vermijding van viaducten. Zij vereenigt zich bij de stad met het andere kanaal.
Het was natuurlijk een punt van langdurig onderzoek om te bepalen, wie de ontwerper en bouwmeester dezer grootsche waterwerken is geweest. Volgens eene overlevering, vermoedelijk gegrond op het woord Pred. II: 6: „Ik maakte mij vijvers van wateren”, werden zij aan SALOMO toegeschreven. De waarschijnlijkheid pleit voor deze bewering, omdat het oudste kanaal in verbinding staat met de vergaarbakken op den door SALOMO aangelegden Tempelberg. Een zijner opvolgers, vermoedelijk HISKIA, zou dit werk dan later verbeterd hebben door den aanleg van een nieuw aanvoerkanaal; terwijl men het tweede meer Oostelijk gelegen afvoerkanaal houdt voor het werk van HERODES den Groote. Hiermede staat namelijk nog een zijkanaal in verbinding, dat de sporen draagt van Romeinschen oorsprong en naar het Herodium loopt. Dit Herodium was een burcht met een lusthof op den Frankenberg bij Bethlehem, waarvan nog een ruïne bestaat. Aan den voet van dezen berg vindt men een droogliggend bassin, dat voorheen als vijver gediend heeft, ter lengte van 74 en ter breedte van 45 meter. Men ziet er duidelijk de overblijfsels eener waterleiding, die van de Salomo-vijvers komt. Doordien HERODES dus het water, dat voor zijn lusthof diende, aan de stad onttrok, was hij genoodzaakt een tweede kanaal aan te leggen, dat het water, hetwelk hij voor zijn doel niet van noode had, naar de stad geleidde.
Uit dit alles blijkt duidelijk, dat het volk Israël in zijn tijd op het gebied van waterbouwkunde niet achterstond bij zijn naburen, maar vooral ook uit een werk, dat hier nog bijzondere vermelding verdient en in hooge mate onze bewondering wekt.
Zooals ik zeide, was men er reeds vroegtijdig op bedacht om bij mogelijke belegeringen van Jerusalem het water aan den vijand te onttrekken en binnen de stad te brengen. Nu is er een bron buiten den voormaligen ouden stadsmuur aan de Z.-O.-zijde der stad in het Kidrondal, die de Mariabron heet. Zij ligt geheel verscholen in de kalkrots. Eerst daalt men langs een trap van 16 treden af tot een gewelf en komt dan nog 14 treden lager tot het waterbassin, dat een lengte van 3½ meter en eene breedte van 1½ meter heeft. Deze bron nu heeft men door een geheel in de rotsen uitgehouwen onderaardschen tunnel, die onder den voormaligen stadsmuur doorliep, verbonden met den Siloa-vijver, die binnen de oude stad lag. Wel had het reeds vaak de aandacht getrokken, dat het water zich door dit kanaal op geregelde tijden des winters 3–5 maal en des zomers 2 maal daags met kracht in den vijver uitstortte, maar toch had men het nooit gewaagd naar de oorzaak daarvan een nauwkeurig onderzoek in te stellen, omdat dit nog al gevaar opleverde, doordien de tunnel op sommige plaatsen zeer nauw is. Later heeft men dit echter toch gedaan,—de aanleiding daartoe zal ik straks vermelden—en toen ontdekt, dat deze zich bij de bron verheft tot de hoogte, welke het water bereikt, wanneer het bassin der Mariabron geheel gevuld is. Zoo dikwijls dit het geval is, treedt hier dus de hevelwet in werking; want zoodra, de waterstand in het bassin zoo hoog is, dat het water de bocht van het kanaal bereikt, stroomt het met kracht door het kanaal, totdat het bassin geheel ledig is. Deze sterke doorspoeling moet dienen om eene opstopping in het kanaal te voorkomen, eene methode, die men ook nog bij andere onbekende kanalen in de stad schijnt toegepast te hebben. Somwijlen toch hoort men het water in de diepte onder den grond ruischen, zonder den loop der kanalen te kennen, hetgeen een helder licht werpt op de bekende interpolatie omtrent de beroering van het badwater Bethesda (Joh. V: 4).
Tot een onderzoek vond men aanleiding door eene ontdekking, die een knaap in 1880 deed aan de opening van den tunnel bij den vijver van Siloa. Een der jongens, die daar speelden, toevallig de zoon van den Duitschen ingenieur SCHICK, die op het gebied der oudheidkunde in Palestina zeer groote verdiensten heeft, zag daar tegen den wand, ongeveer 8 meter van den ingang van den tunnel, op eene gepolijste vlakte van circa 60 cm. eenige streepjes en recht daartegenover eene nis voor een lamp. Bij een nader onderzoek, dat zijn vader daarop instelde, bleek het eene inscriptie te zijn van 6 regels, ten deele onleesbaar, maar waarvan het leesbare gedeelte ongeveer luidt als volgt:
... de doorgraving. En deze was de geschiedenis der doorgraving. Toen nog....
... den beitel van den een tegenover den ander. En toen men tot op 3 ellen elkaar genaderd was... toen riep de stem van den eenen
den anderen toe, want er was... (vermoedelijk) water in de rots en aan den dag der doorboring sloegen de mineurs de een tegenover den ander beitel op beitel en vloeiden
de wateren van het uitgangspunt in den vijver door een kanaal van 1200 ellen (533 meter) en
100 el was de rots hoog boven het hoofd der mineurs.
Uit deze inscriptie bleek dus duidelijk, dat de arbeiders aan dezen tunnel gelijktijdig van beide zijden waren begonnen. Deze bijzonderheid spoorde de oudheidkundigen aan terstond hieromtrent een plaatselijk onderzoek in te stellen en het kanaal door te kruipen, totdat men aan eene plaats kwam, waar men aan de holten der ingedreven beitels inderdaad kon zien, dat hier de arbeiders elkaar hadden ontmoet.
Welk eene onderneming dit werk dus geweest is, kan men zich nauwelijks voorstellen. Toen ik aan den ingang van het kanaal bij den Siloa-vijver stond, was ik vol bewondering voor den oudheidkundigen onderzoeker, die de moeite niet ontzag om zich door dat enge kanaal heen te wringen van de eene naar de andere zijde, ten einde dit gedenkwaardige kunstwerk der oudheid nauwkeurig te onderzoeken.
Maar wat is dit in vergelijking met het moeitevolle werk zelf, dat het voorgeslacht zoovele eeuwen geleden tot stand heeft gebracht?
Toen voor eenige jaren de tunnel gemaakt werd door den St. Gothart voor den spoorweg, die Zwitserland en Italië verbindt, werd er telkens met zekeren ophef vermeld, dat men dit werk van twee zijden had aangevangen en elkander in het midden van den tunnel had ontmoet. Men noemde dat toen het wonder der 19de eeuw; men stond verbaasd, men was er over verbijsterd!
En nu ontdekt men in Jerusalem, dat men daar reeds eeuwen voor onze jaartelling hetzelfde deed en onwillekeurig komt ons een glimlach op de lippen, als wij daarbij denken aan de wijze opmerking van den nog zooveel ouderen Koning te Jerusalem: „Hetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden; zoodat er niets nieuws is onder de zon. Is er eenig ding, waarvan men zou kunnen zeggen: ziet dat, het is nieuw? Is het er niet al geweest in de eeuwen, die voor ons geweest zijn?” (Pred. I: 9, 10).
BETHLEHEM.
Welk een schat van herinneringen zijn aan Bethlehem verbonden! Behoef ik te zeggen, dat wij er meer dan eenmaal een bezoek brachten.