Reisindrukken in het Oosten

Part 6

Chapter 63,799 wordsPublic domain

Den volgenden dag wordt halt gehouden te Sanur onder eenige prachtige vijgeboomen, de eenige die wij in Palestina aantroffen met rijpe vruchten en waaraan men zich naar hartelust kon te goed doen, natuurlijk alweer voor de noodige bakschisch, zonder welke men in het Oosten niet kan leven. Van hier sloeg het grootste gedeelte van ons gezelschap, dat den tocht reeds lang genoeg vond, den korteren weg in naar Nabulus; terwijl enkelen zich met mij een omweg getroosten om een bezoek te brengen aan het oude Samaria, welke moeite ruimschoots beloond werd door hetgeen wij hier zagen.

Deze voormalige hoofdstad van Israël levert thans een zeer droevig schouwspel op. Een klein dorpje Sebastieje herinnert aan de plaats, waar het gelegen heeft. Toch is het dorpje een bezoek overwaardig, omdat men daardoor een indruk krijgt van de sterke en schoone ligging der machtige hoofdstad van het Rijk der tien stammen. Zij lag terrasgewijs deels op, deels tegen een hoogte aan, door hooge muren omringd, waarvan nog een gedeelte te zien is. Boven van de hoogte ontwaart men in het verre Westen de Middellandsche Zee en rondom zich heen eene breede vlakte door bergen begrensd, waarvan de Ebal en Gerizim tegen het Oosten den cirkel sluiten. Waarlijk, het beeld van Jesaja (XXVIII: 1), die haar vergelijkt bij een „kroon, die daar is op het hoofd eener zeer vette vallei” is bijzonder treffend.

[Illustratie: SEBASTIEJE (SAMARIA).]

Hier resideerden de Koningen, die over het Rijk van Israël regeerden na Omri, den stichter der stad, die hij Samaria, _Wachtburcht_ noemde. Inderdaad zij ligt als een wachter op een hoogte, eenige honderden meters boven de breede vlakte daaromheen. Hier had koning ACHAB zijn elpenbeenen paleis; hier stonden de tempels, welke hij bouwde ten gerieve van zijne vrouw IZÉBEL, die gewijd waren aan Baäl en Astarte (II Kon. XXII: 39); hier, ging het oordeel in vervulling, dat de profeet ELIA had aangekondigd over hem en over zijn huis.

Wat moet dat Samaria schoon geweest zijn in de dagen van HERODES den Groote, die om de kruin van den berg een straat liet aanleggen, die 1700 meter lang was met dubbele rijen hooge zuilen, waarvan er nog vele zijn staande gebleven. Overal waar men den voet zet, ziet men slanke pilaren bij menigte ter aarde liggen, zoodat men de lijn der oude zuilenstraat nog duidelijk kan volgen.

Welk een verrukkelijk vergezicht geniet men van deze hoogte over de gansche vlakte, die hier voor ons ligt! Hoe rijk is deze omgeving aan historische herinneringen! Niet ver van hier ligt het kleine Dothan, waar eens JOZEF werd verkocht; daar woonde later ELISA, toen de Syriërs hem omringden, die hij binnen Samaria bracht. In die vlakte lag het leger van den Koning van Syrië, dat de Heer des nachts verdreef op het woord van den profeet. Van welke teekenen en wonderen waren deze bergen eenmaal getuigen in de dagen der oudheid!

En thans! Niets is er overgebleven van al die grootheid uit vroeger dagen. Hoe is deze kroon van EFRAÏM naar het woord van JESAJA met voeten getreden! Ja, wanneer men hier staat en slaat Jesaja XXVIII op, hoe bevestigt dan de aanschouwing van dit alles de vastheid van zijn woord omtrent Dengene, van Wien hij daar profeteert: „dat Hij ten oordeel zit en tot een Geest des oordeels is.”

Het is inderdaad, alsof men te doen heeft met eene heilige ironie, wanneer men er wandelt door dat armoedige dorpje met schamele hutten, dat nog den naam Sebastieje „de heerlijke” draagt, een naam, dien HERODES aan het door hem herbouwde Samaria gaf ter eere van Keizer AUGUSTUS.

Het eenige, wat nog voor enkele jaren de bewondering van den bezoeker trok, was de ruïne eener Christelijke kerk, aan JOHANNES den Dooper gewijd. Maar helaas! de schendende hand van den Muzelman heeft deze oude basilica in een moskee veranderd en daardoor ook dit laatste spoor van een Christelijk tijdvak vernietigd. Het eenige, wat hij ongerept liet, zijn de graven in de krypt van de moskee, een onderaardsch gewelf, waarin men langs een smalle trap afdaalt en waar weleer OBADJA, ELIA en JOHANNES de Dooper zouden begraven geweest zijn.

Het is slechts weinig, wat men hier nog ziet; maar juist dit weinige predikt te luider en welsprekender de vergankelijkheid van alle aardsche grootheid en van alle heerlijkheid dezer wereld.

NABULUS.

Op een Zaterdagavond kwamen wij te Nabulus, het voormalige Sichem aan. Wij hadden juist 6 dagen te paard gezeten en de gedachte den volgenden dag eens uit te mogen rusten was al eene verademing op zichzelf. Reeds vroeger heb ik medegedeeld, hoezeer wij het nut van den rustdag waardeerden. Onze tenten waren buiten de stad opgeslagen onder eenige hooge olijfboomen, die fel heen en weer werden bewogen door een hevigen, maar niet verfrisschenden wind, want nog steeds woei dezelfde verzengende Sirokko der woestijn. Zelfs des nachts hoorde men hem gieren door de boomen en voelde men hem blazen door de tenten, maar zonder den dampkring ook maar eenigszins af te koelen.

Den volgenden morgen sloeg ik mijn Bijbel op om de geschiedenissen eens na te lezen waarin Sichem eertijds zulk een gewichtige rol speelde. Wellicht zouden wij straks op onze wandeling aan belangrijke historische plaatsen komen, als b.v. die, waar JOTHAM stond, toen hij die schoone fabel sprak van de boomen, die heengingen om eenen koning over zich te zalven. Ik wil niet beweren, dat ik de juiste plek op den berg Gerizim gezien heb, waar hij toen stond, maar ik ontdekte er verscheidene, waar een hooge rotswand een veilige schuilplaats bood om zijne zoo van fijne ironie tintelende strafpredikatie te houden tot „alle burgeren van Sichem” als JOTHAM deed en van waar hij nog gelegenheid had om tijdig te vluchten, indien zijn woord rechtmatigen toorn mocht verwekken. (Richt. IX: 21).

Het eerste, wat op onze morgenwandeling onze aandacht trok, was een opgewekt kerkgezang, dat ons reeds van verre in de ooren klonk. Toen wij naderbij kwamen, zagen wij een net gebouw van twee verdiepingen, waar juist godsdienstoefening werd gehouden, hetgeen ons natuurlijk tot een bezoek uitlokte. Het was het kerkje der Protestantsche gemeente, die hier 150 leden telt, waarvan minstens ⅔ aanwezig waren. Wij troffen het dus bijzonder gelukkig, waar ons de gelegenheid ontbrak om op te gaan naar het huis des gebeds, dat wij juist aan dit kerkje voorbij kwamen, terwijl er dienst was. Wij wisten niet, dat dit een samenkomst was van geloofsgenooten, maar leidden dit af uit de inrichting van den dienst, de groote inschikkelijkheid, waarmede men ons terstond zitplaatsen inruimde en de vriendelijkheid, waarmede men ons de gelegenheid bood om mee te zingen uit het gezangboek, dat men ons gaf. Nietwaar, zulke kleine oplettendheden zijn wij immers gewoon den vreemdeling te bewijzen, die onze kerk binnentreedt, wanneer er dienst is? Des te meer betreurden wij het, dat wij van de zoo vriendelijk aangeboden gelegenheid geen gebruik konden maken, omdat de geheele godsdienstoefening in het Arabisch werd gehouden. Daardoor konden wij ook den voorganger niet volgen, hetgeen ons te meer speet, omdat hij, blijkens de aandacht waarmede zijn gehoor naar hem luisterde, zeer boeiend sprak.

Wanneer men de geschiedenis van het ontstaan dezer gemeente kent, die ik elders beschreven heb[1], zal men kunnen begrijpen, hoe weldadig ons dit bezoek aan deze Protestantsche kerk hier aandeed, eene geschiedenis, waarbij zich bijna woordelijk herhaalde hetgeen plaats vond in de dagen, toen de Heer in de onmiddellijke nabijheid dezer stad zat aan den put van JACOB en sprak van velden wit om te oogsten. (Joh. IV: 35). Daarbij was er iets verheffends in de gedachte, dat wij hier samen waren met mannen en vrouwen, waarmede wij ons verbonden gevoelden door hetzelfde geloof in eenen Heer en dit nog wel in een der meest Mohammedaansche steden van Palestina.

[1] Zie Lichtstralen: Inwendige Zending in Jeruzalem en Palestina, bldz. 13.

Immers, men bemerkt terstond aan alles, dat de bevolking dezer stad, die 24000 inwoners telt, waaronder 700 Christenen, overwegend Mohammedaansch is. Dit blijkt onder meer uit de geheimzinnige horren voor de vensters, waardoor de vrouwen der Muzelmannen zonder zelve gezien te worden naar buiten kunnen kijken, en vooral aan de afzichtelijke kleeding, waarin zij gehuld zijn, waarin men ze op straat ontmoet. Zij gaan dan geheel in het zwart met een sluier, eveneens pikzwart, die meestal door een om het hoofd geslagen witten stofmantel, zóo op het aangezicht is vastgebonden, dat ook dit geheel zwart ziet. Zoo uitgedoscht doen zij onwillekeurig denken aan wandelende mummies. Daarbij hebben zij een wonderbaarlijke voorliefde voor overschoenen, hoewel er maanden lang geen droppel regen was gevallen en waarmede zij onhoorbaar langs de straat schuiven als een zwarte geest, van welken men liefst zijn aangezicht afwendt. Waarlijk, wanneer het lijkkleed des doods, waarin men deze Oostersche vrouw gehuld ziet, een beeld is van haar innerlijk leven, dan is zij wel diep te beklagen vanwege haar somber bestaan.

Te Nabulus is nog eene synagoge der Samaritaansche Joden, die beweren af te stammen van de oude bewoners van Samaria, die daar zouden achtergebleven zijn na den ondergang van het Rijk der tien stammen en na de verwoesting der stad door den Koning der Assyriërs, welke laatsten zich hier als kolonisten vestigden en zich vermengden met de overgeblevene Joodsche bevolking, tengevolge waarvan de Joden uit Jerusalem met hen geene gemeenschap meer hielden, zooals wij weten uit de geschiedenis der Samaritaansche vrouw (Joh. IV). Deze Samaritanen tellen nog slechts dertig huisgezinnen, die meerendeels in armoedige omstandigheden verkeeren. Wij bezochten hunne synagoge, die meer op een onderaardsch gewelf dan op een bedehuis gelijkt, waar de priester ons de oorspronkelijke boekrollen hunner wet liet zien in oud-Hebreeuwsche letters geschreven, bevattende de vijf boeken van MOZES. Driemaal 's jaars doen zij nog een bedevaart naar den berg Gerizim, de plaats waar eenmaal hun tempel stond.

Bij eene omwandeling van de stad langs dezen berg kan men begrijpen, hoe men er toe is gekomen om Nabulus of Neapolis, d. w. z. de nieuwe stad, juist hier tusschen de bergen Gerizim en Ebal te bouwen. Uit 22 bronnen, waarvan meer dan de helft voortdurend water houden, stroomt een helder beekje naar beneden, dat de geheele stad van frisch drinkwater voorziet en de tuinen besproeit, die tegen de helling van den Gerizim zijn gelegen. Het doet het oog weldadig aan, wanneer men hier weer eens wandelt tusschen het frissche groen der boomen; terwijl daarbeneden in de diepte de stad ligt met hare helderwitte huizen, op wier platte daken zich tegen den avond het geheele gezin verzamelt. Behoudens haar echt Oostersch karakter, bezit de stad zelve echter weinig aantrekkelijks, ook tengevolge van hare benauwde, duffe straten, gedeeltelijk overwulfd, overal met trapjes, langs welke men voortdurend op- en afgaat.

Van Nabulus naar Jerusalem heeft men nog twee dagen te reizen. In de onmiddellijke nabijheid der stad bevindt zich de beroemde put van JACOB, welbekend door het gesprek, dat de Heer hier met de Samaritaansche vrouw hield. Ik was zeer verlangend dien put eens met eigen oogen te zullen zien, ten einde te kunnen beoordeelen, welke der verschillende photographieën, die ik daarvan had, het best geleek; maar, hoe werd ik teleurgesteld, toen ik bemerkte, dat zij geen van allen geleken. Sedert eenigen tijd toch is deze put in eigendom overgegaan in de handen van Grieksche monniken, die hem volkomen onkenbaar hebben gemaakt, niet alleen door de opening daarvan toe te metselen, maar ook door nog een gewelf daarover heen te bouwen, waaronder het bijna donker is en daaromheen nog een muur te trekken, dit alles uit louter vrees, dat de Turken te eeniger tijd zullen trachten den put wederom in hun bezit te verkrijgen. Kon men voorheen het water in den put zien staan, thans is hij gedeeltelijk met steenen opgevuld. Door eene kleine opening laat men ten gerieve van den bezoeker een kaarsje naar beneden zakken om aan te toonen, dat er onder het toegemetselde gewelf inderdaad een diepte is van 23 meter. Door dit alles heeft dan ook deze plaats alle bekoring van haren oorspronkelijken eenvoud verloren, zoodat een bezoek daaraan nauwelijks meer de moeite beloont. De vlakte toch, waarop des Heeren oog rustte, toen Hij daar zat en sprak van velden wit om te oogsten, ziet men binnen dien hoogen muur in 't geheel niet. Het wordt hier echter zeer duidelijk, dat het niet juist is, wanneer men in Joh. IV: 5 Sichem voor Sichar leest, zooals sommige kerkvaders doen, daar te Sichem, zooals ik reeds opmerkte, overvloedig water is, zoodat de Samaritaansche niet van daar behoefde te komen om hier water te putten. Het overigens onbekende Sichar heeft waarschijnlijk aan den voet van den Ebal gelegen en heet thans Eskar.

Gaf deze put van JACOB ons dus niets te zien van de drukke levendigheid, die gewoonlijk aan zulke bronnen in het Oosten heerscht, waar voortdurend menschen en dieren samenstroomen om hun dorst te lesschen, toch hadden wij de volgende dagen en ook later meer dan eens de gelegenheid om dit eigenaardig schouwspel gade te slaan, zoowel te El Loebban als te El Bire, waar wij eenige uren vertoefden om paard en ruiter wat rust en verkwikking te geven, voor zooverre dit in de brandende hitte eener oostersche zon mogelijk is. Van waar de menschen komen, die bij zulk een bron water halen, was mij een raadsel, want, naar ik mij herinner, waren er in de nabijheid van El Loebban maar drie of vier huisjes te zien. Toch daagden er telkens nieuwe bezoekers op. Reizigers met hun paarden, kooplieden met hun kameelen, jongens met hun ezels, herders met hun schapen, alles dwarrelde hier door elkaar en verdrong zich om het dichtst bij de bron te wezen, waarbij de schapen vooraan stonden, de ezels en paarden er achter en de kameelen eindelijk op den derden rang, vanwaar zij met hun lang uitgerekten hals nog juist bij het water konden komen. Nu en dan ziet men ook wel eens een schaap, dat het al te benauwd krijgt door het gedrang in het water springen, maar gelukkig staat er steeds iemand klaar, blijkbaar op dit voorval bedacht, om het er uit te trekken. Met zulk een tafereeltje voor oogen, verstaat men volkomen het woord van den Heer: „Wiens os of ezel van ulieden zal in een put vallen en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag des Sabbats?” Niet minder levendig gevoelt men ook telkens op een reis in Palestina, waar zulke bronnen zeldzaam zijn, de waarde van een dronk waters en de beteekenis van dat andere woord: „Zoo wie een van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk een beker koud waters in de naam eens discipels, voorwaar zeg ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.”

De andere bron El Bire, dankt hare vermaardheid aan de overlevering, dat MARIA hier het eerst tot de ontdekking zou gekomen zijn, dat de twaalfjarige JEZUS zich niet onder het terugkeerend reisgezelschap bevond. Daar El-Bire een kleine dagreis van Jeruzalem verwijderd ligt en de pelgrims, die huiswaarts gingen, gewoon waren hier te overnachten is het zeer waarschijnlijk, dat deze overlevering juist is. MARIA rekende dan een dag voor de heenreis, een dag om terug te keeren naar de stad, en vond Hem op den derden dag in het huis des Vaders weder.

Een niet onbelangrijk bezoek brachten eenigen onzer nog op den weg tusschen Nabulus en Sindschil, waar wij overnachtten, aan het plaatsje Sélûn, voorheen Silo, waar in de dagen van SAMUEL een steenen huis met den Tabernakel stond. Tegen de hoogte van een heuvel liggen de puinhopen der oude stad, die voor ons te merkwaardiger waren, omdat wij nimmer eene werkelijk verwoeste stad hadden aanschouwd. Meestal toch wordt zij weder door latere bewoners herbouwd, zoodat er weinig meer van eene verwoesting te zien is. Hier was dit echter niet het geval. Men liep er tusschen de muren, die nog staande waren gebleven van huizen en gebouwen en zag overal duidelijk de lijnen der straten, die alle opgevuld waren met steenen. De geheele stad was eigenlijk niet anders dan een groote steenhoop, sedert onheuglijke tijden onbewoond.

Aan de noordzijde bevindt zich tusschen den heuvel waar Silo op lag en een anderen daartegenover een merkwaardig terras, dat men met groote waarschijnlijkheid houdt voor de plaats, waar eertijds de tabernakel stond. In het midden is een hoog vierkant plein; aan de Oost- en Westzijde daarvan bevinden zich twee terrassen het eene telkens eenige meters lager dan het andere. Het laat zich zeer goed denken, wanneer men dit ziet, dat op het hoogste terras de voorhof lag, waarop de tabernakel stond, waartoe men of van beide of van een der beide zijden toegang had.

Voor het overige was er op dit gedeelte onzer reis weinig merkwaardigs te zien. Hoe dichter men Jeruzalem nadert, des te steenachtiger wordt de bodem, zóo zelfs dat deze in letterlijken zin bezaaid is met steenen, waar een klein voetpad doorheen kronkelt, dat het paard zorgvuldig volgt. Op het onverwacht ziet men, ofschoon nog uren verwijderd, Jeruzalem enkele oogenblikken voor zich liggen. Daarna verliest men het weder uit het oog, totdat men van de hoogte van den Scopus, op een half uur afstand van de stad, haar vlak voor zich heeft. Eigenaardige aandoeningen en gewaarwordingen maken zich van iemand meester, die haar voor het eerst ziet, zooals zij daar ligt, boven op de bergen Zion en Moria, de stad, die eene geschiedenis heeft als weinige haars gelijken, de stad, waarin zooveel heeft plaats gegrepen, waardoor het nog heden ten dage de klassieke plaats is van drie godsdiensten, dien der Joden, der Mohammedanen en der Christenen.

Wij waren recht dankbaar, dat wij te Jerusalem ons verblijf in tenten konden verwisselen met een aangenamer logies. Het hospiz of logement der R. K. Vereeniging voor Palestina te Keulen had op ons gerekend en uitnemende vertrekken voor ons in gereedheid gebracht. Het was een flink steenen gebouw, met dikke, zware muren en daardoor heerlijk koel en frisch. Voor sommigen onzer, vooral voor de dames was dit eene ware verademing. De tentenreis en het paardrijden waren haar te machtig geworden en wij waren dankbaar, dat zij in redelijken welstand zoover waren gekomen; een harer echter, die naar wij meenden het minst van de reis had geleden, overleed hier aan een kortstondige ziekte. Het pelgrimshuis, waarin wij logeerden, staat onder leiding van pater SCHMIDT, een zeer beminnelijken grijsaard, die reeds jaren te Jerusalem woont, en volkomen van alles op de hoogte is en onder wiens vriendelijk geleide wij de belangrijkste plaatsen der stad bezochten en die bij nadere kennismaking bleek te zijn een man van groote kennis, degelijke studie en ruimen blik. Waren alle onze Roomsche geloofsgenooten zooals hij, hoe veel dichter zouden wij dan bij elkander staan!

JERICHO EN DE DOODE ZEE.

Voordat wij Jerusalem zelve en de merkwaardigheden in en buiten de stad in oogenschouw namen, bezochten wij eerst de oude palmenstad Jericho, de Doode Zee en den Jordaan.

Aan de omstandigheid, dat er sedert eenigen tijd een uitnemende rijweg was aangelegd, dankten wij het, dat wij dezen tocht per rijtuig konden doen, hetgeen ons op een langen en stoffigen weg als deze bij een gestadig onbewolkten hemel en brandende hitte hoogst welkom was. Want, al levert Palestina weinig natuurschoon op en mist men, zooals ik reeds vroeger schreef, voortdurend het frissche groen der boomen, dat het oog zoo weldadig aandoet, in Galilea en Samaria zag men althans nog nu en dan in of bij de dorpen boomgaarden van citroenen, vijgen en olijven. Maar tusschen Jerusalem en de Doode zee, een afstand van vijf uur per rijtuig, telde ik langs den geheelen weg slechts 2 boomen. Telkens kwamen mij dan ook de woorden voor den geest van den dichter van den 104den Psalm en van zoo menig ander lied, waarin de schoonheid der natuur wordt bezongen, en het kostte mij moeite om te gelooven, dat die dichters eenmaal woonden in dit land, waar thans alles even kaal en dor is. Gedurig kwam mij ook de droevige klacht van den wijzen Prediker in gedachte (Pred. X: 16): „Wee u land! welks Koning een kind is”, een klacht, die wel een profetie mag heeten, al heeft de dichter daarbij ook niet gedacht aan het tegenwoordig ellendig bestuur van den Sultan, in wien zij helaas! maar al te zeer vervuld is geworden. Intusschen mogen wij, die ook aan de vervulling van zoo menige andere betere profetie gelooven, vertrouwen dat God dit land nog niet heeft vergeten, blijkens den zegen op het werk, dat Protestantsche Christenen er deden en waardoor allengs betere toestanden in het leven geroepen worden.

Wij waren op weg van Jerusalem naar de Doode Zee, een weg, die, zooals ik reeds zeide, wel eentonig is, maar toch voor allen, die de schoone geschiedenissen des Bijbels kennen, in hooge mate belangwekkend blijft. Reeds het eerste plaatsje, waar men aankomt, wanneer men den Olijfberg heeft omgereden, is het welbekende Bethanië, waar de Heer zoo gaarne vertoefde ten huize van MARIA en MARTHA en zijnen vriend LAZARUS, dien Hij uit den dood heeft opgewekt. Diens graf wordt nog getoond, maar heeft, evenals zoovele andere gewijde plaatsen na verloop van eeuwen zoovele veranderingen ondergaan, dat het schier onkenbaar is geworden. Men daalt langs een smalle trap van 25 treden af in een spelonk, waar dan nog eenige meters lager een ruim gewelf als het graf van LAZARUS wordt aangewezen. Dit laatste is geenszins onmogelijk, mits men zich den ingang tot dit gewelf niet zoo diep maar onmiddellijk aan den openbaren weg denke, daar anders des Heeren bevel: „Neemt den steen weg en ontbindt hem” (Joh. XI: 39–44) onuitvoerbaar zou geweest zijn. Wanneer men echter in acht neemt, dat ter plaatse, waar het graf van LAZARUS was, later eene groote Christelijke kerk heeft gestaan; dat door den bouw daarvan de bodem stellig is opgehoogd, ten einde van het graf zelf eene krypt onder die kerk te kunnen maken, en men denkt zich dat alles voor een oogenblik weg, dan wordt de waarschijnlijkheid zeer groot, dat wij hier de juiste plaats voor ons hebben, waar het wonder geschiedde, dat gansch Jerusalem in zulk eene beroering bracht en eene profetie was van het groote wonder, dat in den Paaschmorgen zou plaats grijpen. Hoe het zij, wij staan te Bethanië op gewijden bodem en weten zeker dat ter plaatse, waar volgens zeggen het huis stond van MARIA en MARTHA of enkele schreden er van daan, de Heiland dikwerf vertoefde, toen Hij op aarde was.

Hetzelfde geldt ook van de bron der Apostelen, langs welke de weg naar Jericho ons verder leidt. Ook hiervan kan men met onbetwistbare zekerheid zeggen, dat de Heer er vaak met Zijne discipelen vertoefde om te rusten en zich te laven aan het kostelijke water, dat daaruit opwelt, want zij is de eenige bron tusschen Bethanië en de Jordaanvlakte. Welk een voorrecht zou het wezen, wanneer in dit land meer zulke bronnen waren, die, zooals men nog ten huidigen dage zegt, _levend_ water houden, ter onderscheiding van het stilstaand water der regenbakken.