Reisindrukken in het Oosten

Part 5

Chapter 53,902 wordsPublic domain

Deze plaats is een der weinige, omtrent wier ligging geen verschil van meening bestaat. Ook de tegenwoordige naam Tell Hum bevestigt het vermoeden, dat hier Capernaüm lag. Capernaüm of Kafr Nahum beteekent toch dorp van Nahum; sedert de plaats echter als zoodanig verdween, noemde men haar Tell d. w. z. heuvel, hoop (ruïnes) van Hum, eene verkorting van Nahum.

Wij landden aan een Franciscaner klooster, dat door twee monniken bewoond wordt en treden door een hof een ruim vertrek binnen, waar men kan uitrusten en zich verkwikken aan het water, dat men om niet krijgt en aan den proviand, dien men zelf heeft meêgebracht. Van de bouwvallen der stad, zeide men ons, was weinig meer te zien. Eenige brokstukken van zuilen zouden volgens sommigen nog het overblijfsel zijn van eene oude Christelijke kerk, volgens anderen van eene Joodsche synagoge, misschien die welke de hoofdman liet bouwen, wiens dienstknecht krank lag en door JEZUS werd genezen. (Luc. VII: 5).

Daar evenwel buiten in de zon een warmte heerschte als van een oven, een hitte ongekend voor dien tijd van het jaar (19 Oct.), wachtten wij totdat de middaggloed een weinig was getemperd om terug te varen langs de kust naar de overblijfselen van Bethsaïda, die men ongeveer een half uur ten Westen van Capernaüm aanwijst. Anderen zoeken de plaats, waar Bethsaïda lag, ten Oosten aan gindsche zijde van den Jordaan en eveneens die, waar de spijziging der 5000 zou plaats gehad hebben. Wij kunnen op dit verschil van meening hier niet ingaan en bepalen ons bij hetgeen wij gezien hebben. Hiertoe behooren de overblijfselen van muren, die inderdaad doen denken aan een oude stad; onmiddellijk daarnaast, nog meer ten Westen, ontplooit zich eene breede grasvlakte, die Ettabgera heet, eene Arabische verbastering van het Grieksche woord Heptapygai, dat 7 bronnen beteekent. Deze bronnen, die nog een watermolen drijven, bevochtigen de landstreek, de eenige aan het meer waar altijd gras groeit en die men daarom houdt voor de plaats der spijziging der 5000 en waarvan in Joh. VI: 10 gezegd wordt: „Er was veel gras in die plaats.”

Iets verder langs den oever valt ons een nieuwerwetsche woning op, eene stichting van de Duitsche R. K. Vereeniging voor Palestina, waarin Pater Biever woont, een man van indrukwekkende gestalte, die ons zeer vriendelijk en gastvrij onthaalt. Hij heeft zich hier gevestigd om de bevolking den land- en tuinbouw te leeren en wijst ons prachtige producten van den bodem, die hij, zoodra de zaaitijd daar is, onder de bewoners des lands verdeelt. Hij is dezelfde, die ons van zijne reizen onder de Bedouïnen vertelde, en die ons allerlei bijzonderheden verhaalde van het visschersleven aan het meer.

Zoo vernamen wij, dat gedurende den vischtijd de bocht, waarin wij nu zijn, een pachtsom opbrengt van ƒ2000, evenzooveel als het geheele overige gedeelte van het meer, omdat het hier zoo bij uitstek vischrijk is. De gansche oever is dan overdekt met tenten. Vaak gebeurt het, dat men dan dagen achtereen vischt zonder iets te vangen, totdat men op eens een geheel net vol heeft, inderdaad eene merkwaardige bevestiging niet alleen, maar ook een duidelijke verklaring van de wondervolle vischvangst in Joh. XXI ons beschreven. Het wondervolle toch in deze gebeurtenis is, dat zij geschiedt in de schemering van den morgen, terwijl de vischtijd voorbij is en dat, juist op het woord van den Heer: „Werpt het net aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden,” de vangst zoo groot is, dat de discipelen „het net niet meer konden trekken vanwege de menigte der visschen.” Maar om dit als een wonder te kunnen waardeeren, daarvoor is het oog noodig van JOHANNES, den discipel welken JEZUS liefhad, een oog dat dieper ziet, dan dat der overigen en in het gebeurde de hand des Heeren opmerkt, zooals blijkt uit zijn woord tot PETRUS: „Het is de Heer.”

Na eenige verpoozing hernemen wij onze plaatsen in de scheepjes ten einde langs den westelijken oever van het meer naar Tiberias terug te keeren. Met dit landschap voor oogen, is er niet veel verbeelding toe noodig om zich voor te stellen, hoe het er uitzag in de dagen des Heeren. Eerst Capernaüm, dan Bethsaïda; onmiddellijk daarachter, maar iets hooger tegen het gebergte, Chorazin; langs de zee de oude karavanenweg, die van Damascus langs het voormalige Magdala naar Tiberias leidt. Nog heden vertoonen zich in die vlakte van Gennesar terrassen van wijnbergen en akkervelden, die besproeit worden door bronnen frisch water, dat daaruit opborrelt. Hoog daarboven ligt de stad Safed, evenals zoovele steden in Palestina, boven op een berg.

Inderdaad het is niet moeielijk, zeg ik, om met dit tafereel voor oogen zich den Heer voor te stellen van een scheepken de schare leerende in gelijkenissen. Hier een vischnet, dat wordt opgetrokken; daar de voorbijtrekkende koopman in schoone paarlen; elders een zaaier, die uitging om te zaaien; ginds een weide met een herder en zijne schapen; daarboven een stad op een berg, beschenen door het licht der ondergaande zon. Was het ons niet, alsof alles wat de Heer weleer in beeld en gelijkenis sprak voor onze verbeelding begon te leven!

Het sterkst werden wij dit gewaar, toen wij met ons scheepken ongeveer ter hoogte van Magdala waren. De zon was reeds ondergegaan en de schemering ingevallen. Op eens leggen de roeiers hun roeispanen uit de hand en zetten het zeil op. Niemand van ons bespeurde nog iets van wind. Toch was het aan het zeil te zien, dat het spande. Het duurde niet lang, of de wind verhief zich. Witte kammen vertoonden zich op de golven en ons scheepken werd door een stevige bries voortgestuwd naar de haven van Tiberias. De verbeelding was werkelijkheid geworden, gelukkig maar van korten duur, doch voldoende om zich voor te stellen, hoe het den discipelen weleer te moede was bij den storm op zee.

Doch genoeg over dezen schoonen dag, dien wij doorbrachten op de zee van Gennesareth. Alles wat men hier ziet, ook hetgeen men niet meer ziet, bevestigt de waarheid van het Evangelie. Of zijn dat Chorazin en Bethsaïda, waarvan men nauwelijks de standplaats kent, geen stille getuigen van het „Wee u!” dat de Heer er eenmaal over uitsprak? En dat Capernaüm dat tot den hemel toe verhoogd was, is het niet tot de hel toe nedergestooten geworden?

Inderdaad, wanneer men in enkele woorden den indruk van zulk een dag zou willen samenvatten, dan kunnen wij dien niet beter weêrgeven, dan met eenvoudig te zeggen: hetgeen de Bijbel ons leert is _waar_.

HET TURKSCH BESTUUR.

Wij zetten thans onze reis voort door Galilea over Cana naar Nazareth. In groote, slingerende bochten stijgt de rijweg naar boven, totdat men op de waterscheiding is van het gebergte Hattin. Achter ons ligt de zee van Gennesareth, die al dieper en dieper wegzinkt; terwijl de bergen rondom zich al hooger en hooger verheffen, naarmate wij stijgen. Het landschap wordt daardoor steeds grootscher en de gezichtskring ruimer, zoodat het inderdaad moeite kost er afscheid van te nemen, wellicht voor altijd! Hoe gaarne hadden wij hier, waar ook onze Heiland stellig meermalen vertoefde, eenigen tijd gerust en in stil gepeins onze gedachten bepaald bij al hetgeen men aanschouwde; maar onze dragoman dreef ons voort. Nog een laatste blik op dat Tiberias daar beneden in de diepte en het gebergte Gaulanitis aan de overzijde van het schoone, groene meer en de bergrug, dien wij overschrijden, onttrekt voorgoed aan ons oog het onvergetelijk landschap, waarvan wij zoo noode scheidden.

Aan deze zijde van den berg breidt zich een breed dal voor ons uit. Onze dragoman verzoekt ons een oogenblik naar hem te luisteren. Hij wijst ons naar rechts op de breede kruin van den berg Hattin, die zich toespitst in twee horens. Hier zou de plaats geweest zijn, waar de Heer de bergrede hield; daar ter linkerzijde, zoo voegt hij er in eenen adem aan toe, werden de laatste Kruisridders in 1187 door SALADIN overwonnen in een veldslag, die zóó hevig was, dat het bloed der gesneuvelden stroomde door de bedding der vallei.

Of deze plaats der bergrede de juiste is en of hetgeen hij vertelde omtrent dat bloedig gevecht wel geheel vrij van overdrijving was, laat ik in het midden; maar in elk geval was er iets zeer treffends in die tegenstelling, welke hij maakte, blijkbaar zonder het zelf te beseffen, tusschen dat slagveld—ik schreef haast slachtveld—, waar die edele Kruisridders vielen, en dien berg vlak daartegenover, waar de Heiland het woord sprak: „Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.” Was het niet, alsof die schrille tegenstelling uitdrukte, dat Gods zegen niet kon rusten op hen, die het Heilige Land voor het Evangelie wilden veroveren met onheilige wapenen des vleesches? Riep dat woord van den Heiland ons niet den huidigen, liefderijken kruistocht voor den geest der Inwendige Zending, wier edele riddergestalten strijden met geestelijke wapenen, en die met hun wapenen des vredes reeds menige overwinning behaalden, zooals door mij in het tijdschrift _Lichtstralen_ werd aangetoond.

De vlakten, die wij verder doorrijden, zijn onbeschrijfelijk dor. Heinde noch ver is er een boom te zien. Dit is in geheel Palestina het geval. Daardoor vertoont het land overal een doodsch karakter. Hoe veel liefelijker zou het landschap er uit zien, wanneer de bergen rondom de zee van Gennesareth en elders bedekt waren met bosschen en wouden. Slechts in de onmiddellijke nabijheid der dorpen of steden vindt men kleine boomgaarden van olijven, citroenen en vijgen. De oorzaken van dit droevig verschijnsel liggen in allerlei omstandigheden, die het volkomen verklaren en die mij aanleiding geven om hier een en ander mede te deelen van de Turksche Regeering en van de maatschappelijke wanverhoudingen in een land, dat zucht onder den vloek van haar bestuur. Het bevestigt ten volle het bekende spreekwoord: „Waar de Turk zijn voet heeft gezet, groeit geen gras meer.”

De oorzaak, waarom men geen vruchtboomen aanplant, is hierin gelegen, dat de Regeering van elken boom belasting heft, ook al draagt hij geen vrucht. Deze belastingheffing is bovendien overgelaten aan de willekeur van den beambte, die er mede belast is. Het is dus alleszins verklaarbaar, dat men liever geen boomen aanplant, waarvoor men in de belasting kan worden aangeslagen ook al leveren zij nog niets op, en ze liefst omhakt, zoodra zij niet meer de waarde der belasting kunnen opbrengen. Ten einde nu echter het vellen der boomen te voorkomen, heeft de Regeering daartegen, natuurlijk behoudens uitzonderingen, een verbod uitgevaardigd. Maar omdat de man, die met het toezicht hierover is belast, evenals elk ander Turksch ambtenaar, onmogelijk kan rondkomen van zijne karige bezoldiging, vermeerdert hij zijne inkomsten met de bakschisch of fooien die hij krijgt, wanneer hij toestaat, dat een boom ten doode wordt opgeschreven. Hij leeft dus van het geld, dat hij ontvangt voor de overtreding van een wet, die hij behoort te handhaven! Zietdaar een staaltje van het Turksch bestuur!

Het gevolg hiervan is, dat men binnen eenige jaren zelfs geen hout meer zal hebben om te branden. De directrice van het kinderhuis Talitha Kûmi te Jeruzalem was dan ook zeer bezorgd over de toekomst, daar het brandhout hoe langer hoe schaarscher en duurder werd. Hetgeen men haar tot dusver voor veel geld had geleverd, was afkomstig van boomstammen uit bosschen, die reeds lang waren verdwenen, doch waarvan de wortels nog in den grond zaten en werden uitgegraven. Steenkolen zijn er niet te verkrijgen; de zoogenoemde kolen, die men er brandt, bestaan grootendeels uit aarde. In de bergen rondom de Doode Zee meent men ze te kunnen vinden; maar elk verzoek tot de Regeering om boringen toe te staan, wordt met stilzwijgen beantwoord.

Zoo zou men allerlei kunnen noemen.

De warme baden aan de zee van Tiberias wenschte een vermogend man in exploitatie te brengen. Hij richtte zich te dien einde 19 jaren geleden tot de verheven Porte, maar wacht tevergeefs op een ferman of verlofbrief.

Voor eenige jaren gaf de Regeering tegen hoogen koers een nieuwe munt uit. Bij gebrek aan pasmunt werd zij gretig aangenomen. Nauwelijks was zij echter in omloop, of er volgde een Iráde of bevelschrift van den Sultan, waarbij de waarde tot op de helft verminderde. Sedert dien betaalt men dan ook alles in Fransch geld.

Turksche ambtenaren ontvangen nooit meer dan 10 van de 12 maanden salaris, waarop zij recht hebben. Het ontbrekende moeten zij dus verhalen op hunne ondergeschikten en hun ook 2 maanden minder uitbetalen of op andere wijze. Een postbeambte vindt dit tekort in de postzegels, die hij afscheurt van de briefkaarten en brieven, die hij daarna vernietigt. Vandaar overal in de grootere plaatsen een Oostenrijksche post. Zoo men verzuimt van een telegraafbeambte een ontvangbewijs te verlangen strijkt hij eenvoudig het geld op, zonder het bericht te verzenden.

Zietdaar enkele bijzonderheden, die ik hier vermeld, ten einde zich eenigszins een denkbeeld te kunnen vormen van de ontzettende wanverhoudingen, die belichaamd zijn in het Turksch bestuur, dat een vloek is voor dit land. Het was dan ook een diepe verzuchting, waarmede onze dragoman, die mij deze dingen onderweg vertelde, zijne mededeelingen besloot, toen hij zeide: „de allerslechtste Regeering van eenig ander land in Europa zou nog beter zijn dan de onze.”

In een tijd als die waarin wij leven, in welken zoo vaak wordt geklaagd over Regeeringen, mag men zulke dingen wel eens hooren. 't Is waar, wij wonen niet in een land der belofte, en toch is het hier in menig opzicht nog vrij wat draaglijker dan in _het_ Land der belofte zelf. Laat ons echter hopen en gelooven, dat er ook nog voor dit arme land betere tijden zijn weggelegd, wanneer de beloften van Hem, Die getrouw is, in vervulling zullen gaan.

NAZARETH.

Na eenige uren te hebben gerust in het voormalige stadje Cana, thans een klein, nietig dorpje, waar niets te zien is dan een klooster met eene kerk, ter plaatse, waar de Heer weleer Zijn eerste teeken deed, (Joh. II: 1–11) bereikten wij tegen den avond het stadje Nazareth, dat in een halven cirkel amphitheatersgewijs tegen de hoogte aanligt. Verschillende grootere gebouwen, onder welke vooral die, welke toebehooren aan de Franciscaner-orde, vallen terstond in het oog. Pater Soos, die aan het hoofd daarvan staat, is een landgenoot. Van onze komst verwittigd, bracht hij ons weldra een bezoek en vertelde ons allerlei bijzonderheden omtrent de gebruiken van het land en het volk, waarmede hij ons den geheelen avond onderhield. Tot de merkwaardigste bijzonderheden behoorde het feit, dat in Nazareth, welks bewoners voor het meerendeel Christenen zijn, wel Mohammedanen wonen, die met de Christenen op den besten voet verkeeren, maar geen Joden. Deze hebben er nooit gewoond en worden er tot op den huidigen dag niet geduld. En waarom niet? Eenvoudig omdat weleer Nathanaël de stad en haar inwoners zoodanig beleedigd heeft door zijn vraag: „Kan er uit Nazareth iets goeds zijn?” (Joh. I: 47), dat men er nu geen enkelen Jood toelaat. Pater Soos vertelde ons, dat toen eenigen tijd geleden de rijke bankier ROTHSCHILD uit Parijs de stad bezocht en bij hem overnachtte, deze des avonds bij donker aankwam en vroeg in den morgen weder vertrok uit vrees voor een hagelbui van steenen van de lieve straatjeugd. Op onze vraag, of deze zich dan bewust was van hetgeen zij deed, luidde zijn antwoord: „neen, maar een bewoner van dit land leeft enkel bij overlevering; men doet zoo, omdat de vader en grootvader ook zoo deden en omdat deze van hun vader en grootvader hetzelfde hebben geleerd”. Eene treffende illustratie inderdaad van de bekende overleveringen der ouden, welke de Heer zoo vaak bij Zijn onderwijs geeselde. (Matth. V: 21).

[Illustratie: DE MARIABRON TE NAZARETH.]

De Franciscaners hebben zich het schier ongelooflijke getroost om langzamerhand die plaatsen in hun bezit te krijgen, waaraan gewijde herinneringen verbonden zijn. Zoo zijn zij na jaren er in geslaagd eigenaar te worden van de _mensa Christi_, een steenen tafel, die weleer buiten, maar nu in de stad ligt en waarvan de overlevering vermeldt, dat zij dikwerf door den Heer en Zijne discipelen werd gebruikt, o. a. ook nog eenmaal, toen Hij na Zijne verrijzenis hier met hen aanzat. (Marc. XVI: 7.)

Zoo zagen wij de plaatsen, waar weleer de woning en de werkplaats van JOZEF zouden geweest zijn; de grot, waarin de Engel aan MARIA de geboorte des Heeren aankondigde, waarvoor evenwel de Grieksche Christenen eene plaats aanwijzen in de benedenstad, en een en ander meer ter herinnering aan de eerste levensjaren des Heeren.

Wat hiervan juist zij, zal men wel nooit met zekerheid kunnen zeggen. De eenige plaats, waarvan men met eenige waarschijnlijkheid kan vermoeden, dat de Heer er meermalen kwam, is de bron in de beneden stad, waar alle bewoners moeten komen om water te halen en die nog heden ten dage den naam Mariabron draagt. Stellig heeft daar de moeder des Heeren wellicht met haar kind, meermalen haar waterkruik gevuld. Maar al kan men ze ook niet met den vinger aanwijzen, zeker is het toch, dat hier in dit Nazareth overal plekken zijn, waar de Heer in de dagen zijner jeugd gewandeld of gestaan, gewerkt en gebeden heeft. Hier staan wij inderdaad op gewijden bodem door de voeten van onzen gezegenden Heiland gedrukt en waar Hij onder de ouderlijke zorgen en de hoede Zijns Hemelschen Vaders opgroeide en rijpte tot den leeftijd, op welken Hij optrad als de Zaligmaker der wereld. Met een gevoel van dankbaarheid denk ik daarom aan het bezoek aan dat stille Nazareth terug, als de plaats waar Hij als kind speelde, als knaap leerde en als jongeling of als man in de kracht Zijns levens werkte voor het gezin, waarvan de vader wellicht vroeg stierf en Hij dus de zorgen des aardschen levens ook moest helpen dragen. Hier heeft Hij de zijnen gediend en al dienende gehoorzaamheid geleerd. Hier heeft Hij als kind of jongeling op denzelfden leeftijd als wij in de jaren onzer jeugd, blootgestaan en weerstand geboden aan alle verzoekingen en nimmer gezondigd. Hier op dit stille, van alle zijden door bergen ingesloten en afgezonderde plekje, leerde Hij de wereld in hare behoeften en nooden kennen, totdat de tijd daar was, dat Hij als het Lam Gods de zonde dier wereld zou dragen.

Merkwaardig vond ik ook dat dit kleine, geheel tusschen het gebergte verscholen Nazareth menigvuldig gelegenheid bood om iets van de wereld in het groot te aanschouwen, want men behoeft slechts een der omringende bergen te bestijgen om naar alle zijden een verrukkelijk schoon vergezicht te genieten. Ten Noorden ziet men dan den grooten Hermon, met den Anti-Libanon; ten Oosten verheft zich de afgeplatte kruin van den Tabor, met het gebergte van Gilead in het verschiet; ten Zuiden ligt de kleine Hermon en het gebergte Gilboa, waar SAUL sneuvelde en ten Westen de in zijn volle lengte zich uitstrekkende Karmel met de vlakte van Jisreël er voor; daar tusschen in tal van grootere en kleinere steden en dorpen, alles te zamen als een landkaart, waaraan alleen de plaatsnamen ontbreken. Wanneer men daar zoo staat, dan is het alsof menige gebeurtenis uit de gewijde geschiedenis voor onze verbeelding herleeft. Inderdaad geen plaats eigende zich beter voor de ontwikkeling van dat kind, van hetwelk wij lezen, dat het Zijnen ouders onderdanig was, tot dat Hij optrad in de wereld als de Zoon des menschen, die gekomen was om des Vaders wil te doen.

Waarlijk, onder de plaatsen, die in het Heilige Land een bezoek overwaard zijn, bekleedt dat stille en eenvoudige Nazareth een eerste plaats. Het bevreemdt ons dan ook niet, dat de Roomsche en Grieksche Christenen alles gedaan hebben voor den pelgrim, die het wil bezoeken om zijn verblijf te veraangenamen. Beiden hebben hier hun pelgrimshuizen; dat der Franciscaners mag een sieraad van Nazareth heeten. Het biedt logies aan voor 150 vreemdelingen, die het daar uitstekend hebben, want de ruime kamers zijn frisch en zindelijk, echt Hollandsch, dank zij de voortreffelijke leiding van onzen vriendelijken landsman, die aan het hoofd staat van de geheele inrichting. Er is een groote eetzaal, een leeskamer en bovendien een corridor in het midden van het gebouw, waar drie lange tafels gedekt staan, elk voor 50 gasten. Daar wordt de moede pelgrim verkwikt en versterkt, onverschillig of hij iets betaalt of niet, louter uit liefde tot Hem, Die hier het eerst de wereld voorging in het werk der barmhartigheid en der dienende liefde. Wij maakten er echter geen gebruik van, maar overnachtten in onze tenten op de markt, waar de kinderen tot laat in den avond speelden. Hoe gaarne hadden wij ze hier hun bruilofts- en begrafenisspel, waarvan de Heer spreekt in Zijne gelijkenis (Matth. XI: 16) zien spelen, waarmede zij volgens SCHNELLERS bekende boek: _Kent gij het land?_ tot laat in den avond bezig kunnen zijn. Maar het kwam ditmaal niet aan de beurt.

Zulke teleurstellingen moet men zich getroosten op een reis door het Heilige Land, waarbij men natuurlijk niet alles ziet wat men gewenscht had te zien of zooals men het zich voorgesteld had. Toch is datgene, wat men ziet, voldoende om zich een voorstelling te maken van het geheel en een blijvende herinnering te bewaren aan die plaatsen, waar de God des heils aan een verloren wereld Zijne liefde geopenbaard heeft. Men ontstichte evenwel zich zelven en anderen niet, zooals sommigen wel eens doen, door een waanwijze critiek op allerlei bijzonderheden, die men u aanwijst en op de overleveringen, die daarop betrekking hebben, maar men bezoeke het met die wijding, welke het uit den aard der zaak bezit voor elken geloovige en bezie het met een oog des geloofs, dat niet bekrompen hecht aan uiterlijke dingen.

Dan blijft er nog genoeg over en tot stichting èn tot leering beide.

SAMARIA.

De reis van Nazareth naar Nabulus, de tegenwoordige hoofdplaats van Samaria, duurt twee dagen. Men overnacht te Dschennin en verpoost onderweg, den eersten dag te Solam en den volgenden dag te Sanur. Het landschap, dat over 't geheel dor is en kaal, is evenwel rijk aan en belangrijk door allerlei historische herinneringen. Al ras ziet men aan den voet van den kleinen Hermon, dien men links laat liggen, het stadje Naïn met een helderwit kerkje, dat scherp afsteekt tegen de vale vlakte. Het kerkje behoort al weder aan de Franciscaners „de wachters der heilige plaatsen”, die voor het terrein, waarop het staat, een millioen guldens hebben betaald en werd gebouwd ter gedachtenis aan de opwekking van den jongeling te Naïn. Daarachter ligt Endor, de woonplaats der tooveres, die SAUL raadpleegde aan den avond voor den veldslag tegen de Filistijnen, waarin hij sneuvelde. Rechts van ons breidt zich de vlakte uit van Jisreël, waarop in vroeger dagen zoo menige bloedige slag werd geleverd. Dan volgt, even voorbij den kleinen Hermon, het dorpje Solam, voorheen Sunem, waar ELISA zoo vaak overnachtte in het bekende profetenkamertje, dat de gastvrije Sunamietische huisvrouw voor hem had ingericht. Het dorp is door een hoogen muur van ondoordringbare cactussen ingesloten, waar men zelfs te paard niet overheen kan zien. Tijdens het warmste gedeelte van den dag rust men hier gewoonlijk eenige uren uit onder citroenboomen, wier rijpe vruchten, die de eigenaar van den boomgaard voor eenige bakschisch vergunt te plukken, heerlijk te pas komen om het lauwe drinkwater te verfrisschen. Weldra heeft men den Kleinen Hermon achter zich, die van de hoogte af gezien vlak voor zijn peetoom den Grooten Hermon ligt. Ik zeg peetoom, want nog nimmer zag ik twee bergen, die zoo sprekend op elkaar gelijken en het wordt dan ook wanneer men ze van hieruit ziet alleszins duidelijk, waarom men den een naar den ander heeft genoemd, ofschoon zij dagen reizens van elkander verwijderd liggen.