Reisindrukken in het Oosten

Part 4

Chapter 43,984 wordsPublic domain

Deze bedrijvigheid ziet men het best in de bazaars. Deze bazaars zijn hier met een koepeldak overdekt en doen ons denken aan de passages in onze groote steden alleen met dit verschil, dat de bekapping van hout en de vloer van aarde is. Daardoor zijn ze somber, stoffig en benauwd. Hierbij komt nog, dat er zich niet enkel de bevolking beweegt, die er iets komt koopen, maar alles er door elkaar krioelt: karren en wagens, kameelen en ezels, menschen en dieren, kinderen en honden, de laatsten om dienst te doen als gezondheidspolitie en straatreiniging. Alle afval toch wordt eenvoudig op straat geworpen en door hen verslonden. Gelukkig zijn ze niet gevaarlijk; ze slapen den ganschen dag en storen zich niet aan den voorbijganger; voor karren of rijtuigen staan ze alleen dan op, wanneer de koetsier zijn schelle stem laat hooren.

Een en ander maakt een verblijf in de bazaars niet aangenaam, zoodat vreemdelingen als wij er niet licht toe komen er wat te koopen. Trouwens is dit ook niet gemakkelijk, daar de Arabier gewoonlijk begint 4 maal meer te vragen dan de waarde van een voorwerp, zoodat het lang kan duren eer de koop gesloten is. Het eenige, waaraan ik mij gewaagd heb, waren eenige fleschjes rozenolie, waarvoor Damascus beroemd is, als eene herinnering aan de rozenvelden, die het omringen, en als een gewenscht tegengift tegen de onfrissche lucht, die men in de bazaars inademt.

Het doet dan ook weldadig aan, wanneer men daarna een toer doet om de stad. Daar ziet men o.a. het huis, waarin NAÄMAN de Syriër zou gewoond hebben, en de poort aan den ingang van de straat de Rechte, waardoor PAULUS de stad zou zijn binnengekomen. Het treft alleen ongelukkig, dat deze aan de Oost- en niet aan de Westzijde is gelegen, zooals men verwachten zou; maar daar zij de eenige poort is, die nog bestaat, schiet er niets anders over dan zich zonder verdere kritiek eenvoudig neer te leggen bij overleveringen als deze, iets, waaraan men zich spoedig leert gewennen in het Oosten.

In de buitenwijken zijn de straten niet overdekt en veel smaller, zoodat ze hoogstens aan een rijtuig toegang verleenen. Ware het niet, dat de bovenverdiepingen der huizen aan beide zijden over de straat waren gebouwd, zoodat ze een soort van arcades vormden, dan zou de hitte hier ondraaglijk wezen. In deze minder drukke gedeelten zijn de aanzienlijken gehuisvest. Uitwendig vertoonen hun huizen niets weelderigs; daarentegen zijn ze van binnen te rijker getooid en dragen ze de sporen van een tijd, toen er groote welvaart heerschte. Het is dan ook inderdaad verrassend ze van binnen te zien, hetgeen gaarne wordt toegestaan.

Een wijde poort verleent toegang tot het binnenplein, waar de woonvertrekken op uitzien, gewoonlijk van een veranda voorzien om het schelle licht te temperen. De helft van het vertrek, waarin men wordt ontvangen, is een meter verhoogd; hier staan eenige divans, waarop men plaats neemt. De atmosfeer, door marmeren vloeren en zijwanden reeds verkoeld, wordt nog bovendien aangenaam verfrischt door een fontein van helder water uit de Barada. Een klein kopje drabbige mokka, dat men Turksche koffie noemt, en een cigaret, die men wellevendheidshalve niet mag weigeren, bekronen de gastvrijheid van den bewoner, een Turk, een Israëliet en een Christen, die ons achtereenvolgens toelieten een blik te slaan in hunne woningen.

Na getracht te hebben eenigszins een denkbeeld te geven van het leven in deze echt Oostersche stad bestijgen wij nog een der omliggende bergen om haar in haar geheel te kunnen overzien. Een vooruitspringend gedeelte van het Kasjun-gebergte biedt daarvoor eene schoone gelegenheid. Van hier toch overziet men gansch Damascus, met de voorstad Meidan, met haar ruim 200.000 inwoners. Het juiste cijfer schijnt men niet te kunnen opgeven. Wanneer men hier staat, kan men begrijpen, waarom Damascus als „de parel van het Oosten” wordt geroemd, want het doet inderdaad denken aan een parel, wel niet in goud, maar in het groen gevat. Een breede gordel toch van groen geboomte omzoomt de stad, die daar voor ons ligt en waarachter zich het Hauran-gebergte ter eener en de eindelooze vlakten der woestijn ter anderer zijde uitstrekken.

Onderwijl wij daar stonden, sloeg ik mijn reisboek eens op om na te zien, of er niets bijzonders werd vermeld; ik las toen, dat deze plaats den Muzelman heilig is, omdat hier weleer ABRAHAM zou gestaan hebben en gekomen zou zijn tot de kennis van den Eénen waarachtigen God. Onwillekeurig kwamen mij nogmaals de oude gestalten, waarvan ik in den aanvang sprak, voor den geest. Ik dacht aan de geschiedenis der goddelijke heilsopenbaring, welke waarlijk ook aan een Damascus niet is voorbijgegaan, maar zonder vrucht is gebleven. Want daar lag zij voor ons, de stad van voor duizenden jaren, schier onveranderd, beschaduwd door bergen, waarachter de zon was neergedaald. Zij deed mij denken aan het sprookje van Doornroosje, de schoone slaapster in het bosch, de Koningsdochter, die door de jaloersche toovergodin betooverd werd, zoodat zij honderd jaren lang moest slapen, terwijl alles, wat haar omgaf of met haar in aanraking kwam, met haar indommelde. Honderd jaren gaan voorbij, niets verandert, alles slaapt en slaapt maar door, totdat eindelijk een koningszoon Doornroosje vindt, haar wekt uit den slaap en zich met haar verbindt.

O stad en land van zooveel sprookjes, van „Duizend en een nacht”, zoo dacht ik onwillekeurig, wanneer zal ook voor u de dag aanbreken, wanneer zult gij ontwaken uit uw droom, wanneer zal de stem van den grooten Koningszoon ook tot u doordringen, die stem, die daar roept: „Ontwaakt gij, die slaapt en sta op uit de dooden en Christus zal over u lichten!”?

EEN WOESTIJNREIS.

De reis van Damascus naar Palestina nam voorheen verscheidene dagen in beslag. Thans, sedert er een spoorweg ligt van Damascus naar El-Moezerib, een dorp ten westen van de zee van Tiberias, doet men haar in vier uren.

De eindelooze vlakten, die de trein doorloopt, zijn geen woestijnen in den eigenlijken zin van het woord. Deze ziet men in Egypte. Zij bestaan uit louter zand, waarop niets kan groeien, omdat het voortdurend verstuift door den wind. Zulke woestijnen zijn deze niet, want zij worden bewoond door Bedouïnen en bebouwd door de Hauran-boeren.

Het verblijf der Bedouïnen, die er bij menigte wonen, herkent men aan hun zwarte tenten, vervaardigd uit een stof, die den regen niet doorlaat en die de vrouwen uit geitenhaar weven. Zij zijn vierkant van vorm, meestal door een tusschengordijn in twee afdeelingen gescheiden, de eene voor de mannen, de andere voor de vrouwen en staan aan de voorzijde bijna altijd open, zoodat men zonder onbescheiden te wezen het sobere leven dezer menschen kan gadeslaan. Zij leven daar geheel afgezonderd van de wereld te midden van hunne talrijke kudden kameelen, schapen en geiten, die hun een bestaan opleveren en die men bij honderden zag vluchten voor het „zwarte paard”, zoo als men den locomotief noemt, die ze al fluitende, zuchtende en blazende voor zich uitjoeg van de baan, die hier nergens is afgesloten.

Hoe deze arme dieren hier kunnen leven, waar het oog, zoover het reikt, geen groen sprietje ontdekt, was mij een raadsel. Later hoorden wij van een pastoor nabij Capernaüm, dat deze Bedouïnen toen hun beesten gebrek aan voedsel hadden, van de Turksche Regeering vergunning hadden verkregen om het vee gedurende eenige weken rondom de zee van Galilea te laten grazen. Deze vertelde ons een en ander van zijne reizen door het gebied dezer Bedouïnen, waarvan de eene Schêch hem telkens aan den anderen aanbeval, zoodat hij zonder eenig gevaar tot aan Bagdad was gekomen en waarbij hij van hen de grootste voorkomendheid en gastvrijheid had genoten.

Voorts wonen hier in kleine dorpjes, waarbij de trein meestal stopte, Hauran-boeren, die van den landbouw leven. Hun dorpjes zijn gemeenlijk door een hoogen muur ingesloten. Bij sommigen ziet men nog brokstukken van ruïnes, oude torens of vestingwerken, onder welke er zijn, die dagteekenen uit den tijd der Romeinen. Hoe gaarne hadden wij zulk een dorpje eenigszins van naderbij bezien, maar de trein spoedde voort, totdat wij aan het laatste station El-Moezerib aankwamen.

Dit El-Moezerib ligt aan een klein meer, in welks midden zich een eilandje bevindt, dat met een dam verbonden is aan den oever. Op dat eilandje ziet men nog de ruïnes eener oude vesting, die het bewijs leveren, dat hier voorheen een belangrijke plaats heeft gelegen. Thans is het een nietig plaatsje en wij vroegen elkander af hoe men toch op het denkbeeld is gekomen hier een spoorlijn aan te leggen, waarop aanvankelijk eenmaal per dag en later een- of tweemaal per week een trein liep. Een bevredigend antwoord op die vraag kon ons echter niemand geven. De een beweerde dat de lijn eerlang zou worden doorgetrokken naar Haïfa, volgens een ander langs de Doode Zee naar Jerusalem. Later hoorde ik en dit komt mij het meest aannemelijk voor, dat deze spoorweg met een strategisch doel werd aangelegd en dienen moet om Rusland over land te verbinden met het kanaal van Suez en Egypte, ten einde langs dezen weg vroeg of laat de macht van het gehate Engeland te fnuiken.

Aan het station stond onze dragoman, de gebruikelijke benaming voor een gids in het Oosten, met zijn paarden gereed om ons naar de plaats te brengen, waar voor dien nacht onze tenten waren opgeslagen. Nadat zich het gezelschap een weinig had verkwikt, werden de paarden bestegen en trok de karavaan op, die, met het vervoer der 8 tenten er onder begrepen, bestond uit 36 paarden en muildieren, 7 ezels en 30 man. Dien ganschen dag reden wij nog door het Hauran-gebied, waarin de beruchte Drusen wonen, wier naam de droevige herinnering verlevendigt aan den Christenmoord in het Libanon-gebied in 1860, toen zij ongeveer 14000 Christenen ombrachten, waarvan er 6000 woonden in Damascus. Dit geschiedde dus onder de oogen van het Turksch gouvernement en van het Turksch garnizoen, dat echter niets deed om het te verhinderen, wel een bewijs dat de Regeering zelve er de hand in had. Gelukkig zijn dergelijke gruwelen sedert dien in dit gebied niet meer voorgekomen; anders zou een tocht daardoorheen niet gerekend kunnen worden te behooren tot de genoegens van een reis door Palestina en ook een verblijf in tenten veel van zijne bekoorlijkheid verliezen.

Want er is inderdaad iets bekoorlijks in dat ouderwetsche reizen en in een leven, zooals de aartsvaders dat gewoon waren. Wel is waar mengt er zich nu en dan ook wel eens een wanklank in dat genot en wat proza in die poëzie, maar het zou ondankbaar wezen, wanneer ik vergat, hoe ons ten slotte alles meeliep. Werden wij niet begunstigd door het prachtigste zomerweder, zoo zelfs dat wij de hitte wel eens wat minder gewenscht hadden? Maar wat zou er van ons zijn geworden, wanneer ons b.v. een Oostersche regen ware overvallen, die soms dagen kan aanhouden en waartegen geen tent beschutting verleent en waardoor de rivieren somwijlen in enkele uren tijds zoo zwellen, dat men ze niet zonder gevaar meer kan doorwaden? Zulke tegenspoeden werden ons gelukkig bespaard.

Natuurlijk moet men op zulk een tentenreis niet al te kieskeurig zijn en het voor lief nemen, wanneer de Arabier, die u bedient, de kip, die hij voorzet, voor uw oogen snijdt met zijn handen; wanneer hij de waterkruik, waaruit hij inschenkt, eerst aan zijn mond zet om te proeven of het water nog wel frisch is. Zoo zwijg ik ook van kleine teleurstellingen, die men ondervindt zooals het geval was met enkelen onzer medereizigers, wier koffers doornat werden, doordien het muildier, dat ze droeg, bij het doorwaden van den Jordaan omviel door de sterkte van den stroom en de zwaarte van den last, dien men het te dragen had gegeven. Bij zulke ervaringen troost men zich met de gedachte, dat het nog veel erger had kunnen zijn, b.v. wanneer den reiziger zelf zoo iets ware overkomen.

Wanneer men echter zulke kleinigheden niet meetelt, is er in een reis in tenten iets poëtisch. Het is als met een zeereis, waarbij men aan boord stapt in de meest opgewekte stemming en aanvankelijk met alles evenzeer is ingenomen, totdat het meer prozaïsche komt.

In zulk eene blijmoedige stemming verkeerden dan ook allen, toen wij aan den avond van den eersten dag te Bet Aras aankwamen. Welk een juichtoon ging er op, toen wij van verre onze tenten zagen! Welk een genot, daar aanstonds te worden onthaald op een warmen kop thee!

Hoe zorgvuldig had onze dragoman aan alles gedacht; hoe netjes werden wij bediend; welk een keur van spijzen op den avonddisch en dat alles nog wel in een woestenij! En dan rondom ons heen al die grappige gezichten van de dorpelingen, ouden en jongen, die ons aangaapten alsof wij STANLEY zelf waren!

Daar is in dat alles iets poëtisch en in dankbare stemming legden wij ons ter _ruste_ neder. Den volgenden dag bleek het, dat het naar waarheid _rusten_ was geweest, want niemand van ons had kunnen slapen. Velen waren in hun slaap gestoord door het gehinnik der paarden, die rondom de tenten stonden, door het geblaf der honden, die elkaar een afgekloven beentje betwistten en door het aanhoudend gebabbel van onze trouwe wachters, die al pratende hun tijd opkortten. Maar, dat zou wel wennen en het wende ook, zoodat men de volgende dagen hoorde, dat men beter en eindelijk zelfs goed had geslapen.

Maar wat niet wende was het paardrijden, vooral voor hen, die het niet geleerd hadden of daaraan niet gewoon waren bij zulk eene brandende hitte. Want al rustte men gedurende de warmste uren van den dag onder een citroen- of vijgeboom, die tochten van 7 à 8 uren te paard waren den meesten toch te machtig.

Gelukkig hadden wij op onze reis rekening gehouden met den rustdag en toen het eindelijk Zaterdag was, juichte elkeen in het blijde vooruitzicht den volgenden dag een rustdag te mogen hebben. Ik geloof niet, dat een onzer reizigers ooit zoo de beteekenis en de waarde van dien dag gevoelde als hier op deze reis.

Wat was dàt een genot voor ons en onze paarden om eens een ganschen dag te mogen uitrusten. Waarlijk, Vader CATS, of wie het ook was, had wel gelijk, toen hij wees op den zegen van den rustdag in zijn vierregelig versje, dat mij vaak te binnen schoot op deze tochten:

„Wat haver geven aan zijn beest „En God te bidden in den geest „Is iets, wat wel wat tijd vereischt, „Maar wat niet hindert, als men reist.”

Na deze uitweiding over de voor- en nadeelen van het tenteleven, keeren wij tot onze reis terug. Wij zijn middelerwijl tot de grenzen van Galilea genaderd en bevinden ons te Ummkês of Mukês, thans een armoedig dorpje, voorheen de stad Gadara, de hoofdstad van Peraea, een der tien steden van het Dekapolisgebied. De ligging en de omgeving zijn prachtig. Het meest treft ons het verrassende uitzicht op de zee van Galilea, die rechts van ons ligt in de diepte, 150 meter beneden ons en wier groen water scherp afsteekt bij de rondom gelegen bergen. Links van ons ontplooit zich voor onzen blik de vlakte van den Jordaan, die wij van hier uit, zoover het oog reikt, in hare volle lengte kunnen overzien. Recht voor ons uit verheffen zich de berg Thabor en de kleine Hermon.

De straten van het oude Gadara zijn nog duidelijk te herkennen aan de wagensporen in het plaveisel der wegen, langs welke aan beide zijden een menigte zuilen van bazaltsteen van vroegere gebouwen verspreid liggen. Men heeft er dan ook de ruïnen opgegraven van twee theaters en van een ouden tempel, die later schijnt opgebouwd te zijn tot eene Christelijke kerk en tal van graftombes. In het dorp zag men nog verscheidene met fijn beeldhouwwerk versierde sarcophagen of doodkisten, die weleer hadden gediend om het stoffelijk overschot te bewaren van de grooten der aarde, die daar woonden en die de bewoners thans bezigden als trog voor veevoeder en dergelijke dingen. Sic transiit gloria mundi!

Onderwijl wij daar wat uitrustten onder de schaduw van een ouden olijfboom, eenling in de gansche omgeving, verzamelde zich rondom ons heen eene menigte fellahs of dorpsbewoners. Wanneer ik de photographieën, die ik van hen nam, er nog eens op nazie, dan waren het echte wilden met angstwekkende tronies. Gelukkig waren ze niet kwaad en konden wij ze overgelukkig maken met een sigaar, een voorwerp dat zij blijkbaar niet kenden, althans niet wisten aan te steken. Toen hun dit echter getoond was, deed zij de rondte van mond tot mond zelfs bij de vrouwen, die wij onderkenden aan hare getatouëerde aangezichten.

Eenige oogenblikken later zag ik een man uit hun midden, die onder den boom, waar wij zaten, zich afzonderde tot het gebed. Met het aangezicht naar het Oosten gekeerd, nijgde hij zijn hoofd eerst driemalen ter aarde, knielde toen neder, richtte zich daarna weder op, herhaalde die buigende beweging telkens weêr en aanbad.... maar wat? Doch hoe het zij, hij toonde, door zich aan niets te storen en voor niemand te schamen, dat hij op zijne wijze den moed had zijnen God te belijden voor de menschen en fluisterde ons Christenen, schoon zwijgend, een ernstige waarheid in het oor, die men op reis zoo licht vergeet.

Toen wij van hier afdaalden naar de Jordaanvlakte, genoten wij nog langen tijd van het overschoone uitzicht op de zee van Galilea. Wij doorwaadden de rivier de Jarmuk, die in den Jordaan vloeit en voorzagen ons van een bloem van den oleander, die hier overal in het wild groeit. Tegen den avond kwamen wij bij het dorpje Samach, waar onze tenten waren opgeslagen aan den oever van de zee van Galilea.

Het was een verrukkelijk schoone avond, dien wij daar doorbrachten. De maan scheen juist in haar eerste kwartier met de geopende zijde van haar blinkende sikkel naar Venus gekeerd, die er vlak naast stond in schitterende pracht. Het was een sterrenbeeld zooals men slechts zelden hier in het Westen aanschouwt. Terstond herkende ik daarin het zinnebeeld, dat de Turk koos om zijn vlag te sieren. Jammer, dat het maar een enkelen avond te zien was; want doordat de maan den volgenden avond later op- en onderging, stond Venus op een veel grooteren afstand.

Toch bleef het mij een onvergetelijk schouwspel en, wanneer ik er aan dacht, kwam mij telkens dat gedeelte van den Koran voor den geest, waarin beschreven wordt op welke wijze ABRAHAM gekomen is tot het bewustzijn, dat er maar een éénig God is. Toen zijn vader, zoo luidt dat verhaal, die een heiden was, nog leefde, liet Koning NIMROD alle pasgeboren kinderen ombrengen (blijkbaar eene verwarring met den kindermoord te Bethlehem). ABRAHAM, die gespaard bleef, werd tot zijn 15de jaar opgevoed in een spelonk. Toen hij daaruit kwam en des avonds aan den hemel een schoone ster zag staan, riep hij uit: „Dat is mijn God”! Maar toen zij weder onderging, sprak hij: „ik bemin niet hetgeen ondergaat.” Toen hij vervolgens de maan zag opkomen, zeide hij wederom: „Dat is mijn God.” Doch toen ook zij onderging, zeide hij: „waarlijk, mijn God heeft mij niet geleid om tot de dwalende menschen te behooren.” En toen hij eindelijk de zon zag opgaan, zeide hij wederom: „Dat is mijn God, deze is grooter.” Maar toen ook zij weêr onderging sprak hij: „menschen, ik wil niets te doen hebben met datgene, wat gij afgodisch aanbidt; ik richt mijn aangezicht onafgewend naar Hem, die den hemel en de aarde uit niet heeft voortgebracht en behoor niet tot degenen, die Hem deelgenoot maken van iets, waarmede Hij Zijne eer zou moeten deelen.”

En toch koos de Mohammedaan, die een ABRAHAM zoo hoog vereert, tot zinnebeeld zijner toekomst iets dat ondergaat!

Was dat een toeval, het noodlot of een profetie?

HET MEER VAN GENNESARETH.

Voordat wij het dorpje Samach verlaten, werpen wij eerst nog een blik in de armoedige woningen, waaruit het bestaat. Zij zijn meerendeels van leem, zonder venster en met platte daken, die uit hout en riet zijn samengesteld en met leem overdekt. De deur bestaat in eene opening in het midden van een der muren en verleent toegang tot het eenige woonvertrek, waarvan het voorste gedeelte dient voor het vee en de andere helft voor het huisgezin. De matten, die overdag zijn opgerold, worden des avonds als bed gespreid.

Inmiddels zijn onze booten reeds aangekomen, die van Tiberias ontboden waren om ons van den zuidelijken naar den noordelijken oever over te brengen. Het is nog vroeg in den morgen; maar wij moeten ons haasten, want alles voorspelt wederom een warmen dag. Geen wolkje aan den hemel, geen zuchtje in de lucht, geen rimpeltje op het water. De heete stralen der brandende zon verdubbelen haar warmte door de weêrkaatsing in het spiegelgladde vlak der zee. 's Middags om 4 uur wijst de thermometer in de schaduw eener koele, steenen veranda nog 94 graden. Zelfs het water der zee was zoo lauw, dat ons noch een bad noch een dronk verfrisschen kon.

Waarlijk op zulk een dag heeft men te doen met de roeiers. Hoe gaarne zou men hun een koeltje gunnen om het zeil te kunnen opzetten; maar eerst tegen den avond stak de wind op, die hun het werk kwam verlichten. De scheepjes, ongeveer half zoo groot als onze kotters, hebben een mast voor een fok, die aan stuurboord wordt bevestigd. In elke boot waren zeven man, die elkander geregeld afwisselden. De rustenden vlijden zich dan een poosje neder in het vooronder van het schip. Het lied, dat aanvankelijk den roeislag begeleidt, houdt gelukkig niet lang aan, want het bestaat uit eentonige, klanklooze geluiden, zonder eenige melodie.

Langs den westelijken oever van het meer varen wij steeds met den grooten Hermon in het verschiet, in 6 uren tijds van Samach naar Tell Hum, het voormalige Capernaüm. Dezen afstand, iets minder dan de lengte der geheele zee, die 20.5 bij 9 kilometer is, legden wij in 6 uur tijds af.

Eerst kwamen wij voorbij de plaats, waar de Jordaan uit de zee stroomt. Zij vormt hier een schiereiland, waarop men nog de overblijfsels kan zien eener oude vesting. Verderop volgen dan de badhuizen der warme bronnen van Hamman Tabarïja, wier water in vroeger eeuwen door buizen naar Tiberias werd geleid. Het bezat reeds in de dagen van FLAVIUS JOSEPHUS zekere vermaardheid als heilzaam middel tegen huidziekten en rheumatiek. Het heeft 62 graden Celsius warmte en is zeer zout en zwavelhoudend. De tegenwoordige badinrichting werd in 1833 gebouwd; zij zag er echter niet uitlokkend uit, zooals ons den volgenden morgen bleek, toen wij haar van naderbij bezagen.

Tiberias, dat nu volgt, ligt schilderachtig. Het kleine stadje, dat nauwelijks 4000 inwoners telt, verheft zich van de zee tegen de glooiing van de bergen. Aan onze zijde is het geheel open en naar de landzijde ingesloten door een hoogen muur, die aan weêrszijde der stad eindigt in twee in de zee vooruitspringende torens. Enkele bootjes liggen in de haven. De tegenwoordige stad is aanmerkelijk kleiner dan het oude Tiberias van HERODES ANTIPAS, waarvan men door opgraving der oude muren den omvang heeft bepaald. Het is thans een armoedig plaatsje, berucht vanwege zijn onreinheid, zoo zelfs dat het in den volksmond de „residentie van den koning der vlooien” heet. Of er voor deze bewering grond is, heeft ons de ondervinding niet geleerd, daar onze dragoman, wellicht uit voorzorg, de tenten, waarin wij overnachtten, buiten de „residentie” had opgeslagen.

Wij zetten onzen roeitocht voort tot aan den noordelijken oever. Daar er geen bewoonde plaatsen meer te zien waren, nam ik mijn Bijbel ter hand en las aan ons gezelschap de bekende geschiedenissen voor van de wonderbare vischvangst, den storm op zee, de spijziging der 5000 e. a., die aan dit gedeelte van het meer hadden plaats gegrepen. De landstreek toch, tegenover welke wij ons nu bevinden, is het gebied van Gennesar of Gennesareth, waar de Heiland het meest vertoefde; tegen den middag zijn wij te Capernaüm, waar wij aan wal stappen en betreden den gewijden bodem, waar Hij woonde in „Zijne stad”. (Matth. IX: 1).

[Illustratie: TIBERIAS.]