Reisindrukken in het Oosten

Part 3

Chapter 33,818 wordsPublic domain

Ja peinzend ligt zij daar, met die wonderbare uitdrukking van weemoed en hoop op haar gelaat, van weemoed over het raadsel des doods en van hoop op de opstanding der dooden.

Moge het licht der Opstanding, dat eenmaal in het Oosten daagde, ook nog eens over Egypte schijnen!

PORT-SAÏD EN BEYROET.

Van Alexandrië vertrok de boot, ditmaal een zeer onzeewaardige, maar dit zouden wij eerst later ervaren, bij dag naar Port-Saïd. Wij hadden dus de gelegenheid om thans de haven in haar geheel te zien. Recht tegenover haren ingang aan het water ligt het breede paleis van den Chedive, die het echter slechts zelden bewoont, daar hij in Caïro resideert. Eene menigte schepen, die de haven vullen, bewijzen, dat Alexandrië een stad is van veel handel en scheepvaart en de voorname stapelplaats voor het vervoer van goederen uit Egypte naar Europa.

De verdere reis langs de Afrikaansche kust biedt weinig bezienswaardigheden, omdat het geheel Delta-land van Egypte vlak is. Het was dus voor ons geen schade, dat wij dit gedeelte bij nacht aflegden. Toen wij den volgenden morgen ontwaakten, lagen wij voor anker te Port-Saïd aan den ingang van het Suez-kanaal.

Men doet in het Oosten alles op zijn gemak en een reis met een boot, die onderscheidene havenplaatsen aanloopt, verwijlt hier gewoonlijk een ganschen dag om te lossen en te laden, ten einde dan gedurende den nacht weer verder te kunnen stoomen. Door deze omstandigheid waren wij gedwongen gedurende een geheelen dag te Port-Saïd te verblijven, van welke gelegenheid werd gebruikt gemaakt om aan wal te stappen en het weinige, dat er te zien is, in oogenschouw te nemen. Hiertoe behoorde de waterleiding uit een der zijkanalen van den Nijl, die de stad van drinkwater voorziet en een gedeelte van het kanaal van Suez, langs een weg die echter, tengevolge van het mulle zand der woestijn, nauwelijks te berijden was. Maar juist op dien weg hadden wij gelegenheid om de wreedheid gade te slaan van den Arabier tegenover het onnoozele dier, eene wreedaardigheid, zooals men ze gelukkig in Christenlanden niet ziet. Ofschoon de meesten onzer den wagen verlieten om het laatste gedeelte te voet af te leggen en den koetsiers beduidden, dat zij konden wachten, dreven zij hun dieren toch voort, wellicht uit vrees, dat ze anders niet betaald zouden krijgen en sloegen er met de grootste onbarmhartigheid op los, zoodat meer dan eene zweep door midden brak. Hoe had ik gewenscht de taal te kennen van dit volk om mijn ergernis te luchten over zulk eene mishandeling! Hoe trof ons in deze schijnbaar nietige zaak het verschil tusschen een land, waar de geest der humaniteit, die mede ook een der zegeningen is van het Evangelie, niet en waar die wel heerscht. Terwijl bij ons zulke gruwelen strafbaar zijn, worden ze dáár toegelaten en het verwondert ons niet, dat menschen, die zoo omgaan met dieren, even onmenschelijk handelen met hunne medemenschen. Maar wij waren immers in Afrika, het land van den Arabier, het donkere werelddeel, waarvan de Zending ons gruwelen weet te vertellen, die de haren te bergen doen rijzen, gruwelen, die zoo ontzettend zijn, dat een LIVINGSTONE, die ze zag, ze niet eens vertelde, omdat men ze toch niet zou gelooven.

Ik zal daarom ook maar niet verhalen, wat verder in die havenplaats onze ergernis wekte, waar men op straat telkens de bewijzen te zien kreeg van de liederlijkheid, die er heerscht. Zij bevestigden het feit, waar de Zending zoo dikwerf op wijst, dat overal waar de zoogenoemde Westersche beschaving in aanraking komt met Oostersche toestanden, zonder het Evangelie, dat daar de gruwelen der zonde, die alle gedachten te boven gaan, de volkeren niet alleen zedelijk, maar ook lichamelijk te gronde richten. Verblijdend was het daarom, eenigen tijd later in onze dagbladen te lezen, dat de Turksche Regeering—en dat zegt wat, wanneer zulk eene Regeering meent er zich mede te moeten inlaten—maatregelen heeft genomen om een einde te maken aan de meest ergerlijke tooneelen, die daar in het openbaar en verborgen plaats vinden. Het is althans iets. Maar den eigenlijken strijd tegen de zonde kan alleen het Christendom voeren. Daarom is het zeer te hopen, dat de oogen der zendingsvrienden meer en meer geopend zullen worden voor de wenschelijkheid, ja de noodzakelijkheid om hier te arbeiden, waar, voor zooverre mij bekend is, niets geschiedt op het gebied der Zending, zelf geen Christelijk bedehuis te vinden is, dat men gelukkig in andere steden van Egypte niet te vergeefs zoekt.

Wij waren zeer dankbaar, dat wij aan het einde van een langen en snikheeten dag, dien wij grootendeels doorbrachten in de veranda van een Hôtel, ons weder konden inschepen. Het was de eerste dag, waarop de verzengende Sirokko woei, waarbij de thermometer een uur na zonsondergang nog 96° Fahrenheit aanwees, een woestijnwind, die gedurende de volgende weken onafgebroken bleef waaien en ons nog menige zweetdroppel kosten zou.

Den volgenden morgen zagen wij in de verte voor het eerst iets van de kust en van het daarachter liggend gebergte van het Heilige Land. Weldra naderden wij Jaffa, waar de boot het anker liet vallen en, omdat er geen haven is, tot den namiddag op stroom bleef liggen. De passagiers, die er willen landen, moeten dus per roeiboot afgehaald worden van het schip. Gelukkig zijn de bootslieden uitermate vaardig om bij een onstuimige zee, zooals wij die nu kregen, op het juiste oogenblik gebruik te maken van een hoogen golf om de passagiers op te vangen in hun stevige armen. Wij waren dankbaar, dat wij aan boord konden blijven, maar die dankbaarheid was van korten duur, omdat de wind weldra begon op te steken en wij toen gewaar werden hoe onze boot, de „Odessa,” rolde en tolde als een visscherspink zonder kiel.

Gelukkig lagen wij toch den volgenden morgen behouden voor anker in de haven van Beyroet, de voornaamste havenstad van Syrië. De ligging is zeldzaam schoon. Helderwitte huizen verheffen zich van de zee al hooger en hooger tegen de helling van het Libanongebergte, dat daarachter ligt. De gebouwen en inwoners der stad maken een zeer gemengden indruk, tengevolge van het groot getal Europeanen, die hier wonen om de handelsbelangen van hun land te behartigen. Men hoort er allerlei talen spreken, het meest van alles Fransch, dat evenwel in den laatsten tijd meer en meer verdrongen wordt door het Duitsch en het Engelsch. Men krijgt dan ook den indruk, dat deze drie Mogendheden er op uit zijn haren invloed in Beyroet en vooral in het geheele gebied van den Libanon te versterken, vooral ook door allerlei arbeid op Christelijk-philanthropisch gebied, die zijn centrum heeft in de stad en zijn arbeidsveld buiten in de dorpen op het Libanon-gebergte.

Zoo werkt hier de Duitsche zending met diakonessen van Kaiserswerth, onder wier leiding het hospitaal van de orde van St. Jan, een weeshuis en een jongedamesschool staan, die wij met groote belangstelling zagen onder geleide der directrice. De school was nog niet geopend, daar zij gemeenlijk eerst begint, wanneer de rijke kooplieden, die des zomers in de bergen wonen, op hun villa's in de stad teruggekeerd zijn. In het weeshuis waren 130 kinderen, waaronder 40 Armenische weezen, die sedert den laatsten Christenmoord hier een toevlucht vonden. Wij zagen ze in de verschillende klassen van onderwijs verdeeld, waar zij onder meer Duitsch en Arabisch leerden. Toen de directrices SOPHIE GRÄF en LOUISE KAISER ons rondleidden en hoorden, dat wij Nederlanders waren, spraken zij met veel waardeering van hetgeen weleer Mej. A. BERGENDAHL uit Amsterdam voor deze arme weezen deed. Zij vertelden ons van de vreugde der kinderen, wanneer de kisten werden uitgepakt, die uit Nederland aankwamen, en ik beloofde dit aan onze landgenooten te zullen mededeelen, zoodra ik daartoe gelegenheid had. Mocht iemand dit lezen en lust hebben om iets te doen voor deze Syrische weezen, dan zal die hulp dankbaar gewaardeerd worden en wèl besteed zijn.

De invloed toch van den zendingsarbeid in Syrië en Palestina is aan alles merkbaar, doch ik zal daarover thans niet meer uitwijden, daar ik het werk der Inwendige Zending in Jeruzalem en Palestina uitvoerig heb beschreven in het Tijdschrift: _Lichtstralen op den akker der wereld_, jaargang 1900 afl. 1 en 2.

Zoodra men de stad Beyroet uitgaat en komt in het Christelijk gebied van den Libanon, is het als of alles meer welvaart vertoont. De akkers zijn bebouwd, de woningen zien er netjes en goed onderhouden uit en de Christelijke bevolking maakt een gunstigen indruk, zoodat uit alles blijkt, dat het Christendom niet alleen de beloften des toekomenden maar ook des tegenwoordigen levens heeft.

BAÄLBEK.

Het was nog vroeg in den morgen, toen wij in den trein stapten van Beyroet naar Damascus. De spoorlijn loopt bijna evenwijdig aan den rijweg, dien de Franschen na 1860 hebben aangelegd. Gedurende de eerste twee uren biedt deze eene gestadige afwisseling en een wonderschoon vergezicht over Beyroet, dat voor ons oog al lager en lager wegzinkt in de diepte en ten laatste nauwelijks nog een kleine witte stip vertoont aan de kust der Middellandsche Zee. Ook rondom zich heen ziet men zulke stippen, alsof het zwaluwnesten waren, die tegen het Libanongebergte aanliggen; het zijn de dorpen en huizen, die glanzen in het vroolijke morgenlicht der zon. De velden zijn allerwegen beplant met vruchtboomen, vooral met den moerbeziënboom, wiens bladeren als voedsel moeten dienen voor de zijdewormen, die een der voornaamste handelsartikelen uit het Libanon-gebied opleveren. Het geheel maakt den indruk van eene welvarende landstreek en eene nijvere bevolking, die, zooals wij reeds opmerkten, overwegend Christelijk is. Gelukkig heeft zij na den beruchten Christenmoord in 1860 door de Drusen uit het Hauran-gebergte niet meer aan dergelijke aanvallen blootgestaan, deels door den invloed van Frankrijk, onder wier bescherming zij stond, deels door de verplichting, sedert dien aan de Turksche Regeering opgelegd, om over dit gebied een Christengouverneur aan te stellen.

Naarmate men hooger stijgt wordt de cultuur minder. Op ongeveer 1500 meter heeft de weg zijn hoogste punt bereikt en ziet men in het Oosten den Anti-Libanon en in het Zuiden den Grooten Hermon opdagen, twee breede bergruggen even kaal en vaal als de Libanon zelf aan de zijde, langs welke men nu afdaalt in het Beka-gebied, de breede vlakte van Coelo-Syrië die tusschen deze drie bergen inligt.

Het was voor ons eene ware teleurstelling, dat wij noch langs den weg, noch op de bergen den beroemden ceder van den Libanon zagen, waarvan men zoo dikwijls in den Bijbel leest. Helaas! zij zijn verdwenen. Men zeide ons echter, dat er nog enkele plaatsen waren, waar ze groeiden, maar die voor een bezoek te ver verwijderd lagen. Daar zou men ze nog kunnen zien in hun volle kracht; er waren er, zeide men, die een omvang van 17 en eene hoogte van 30 meter hadden, wellicht wat overdreven, maar dan nog, wat zijn deze enkelen vergeleken bij den tijd, toen die ceders met hun fluweelen glans die bergen als één woud bedekten, die thans overal even kaal zijn!

Aan het dorpje Maallakah houdt de trein stil en staan onze rijtuigen gereed, die ons in 4 uren door de vlakte van Beka naar het eeuwenoude Baälbek brengen.

De weg geleidt door eene breede vlakte, een hoog plateau tusschen den Libanon en den Anti-Libanon, 1000 meter boven de zee. Slechts hier en daar ontwaart men een groepje huizen, die een dorpje vormen. De lange, rechte weg biedt weinig afwisseling. Het eenige, wat men daarop ziet, zijn karavanen zwaar beladen kameelen, zoodanig achter elkaar gebonden, dat zij één trein vormen, waarvan het eigenaardige is, dat een ezeltje schijnt dienst te doen als locomotief, niet om den trein in beweging te brengen, maar om daaraan de gewenschte snelheid te geven. Het is inderdaad een grappig tooneel, wanneer men ziet, hoe zulk een klein roer al die „schepen der woestijn” bestuurt, vooral voor ons, die nu juist van een ezel geen grooten dunk hebben; maar de Oostersche ezel, ik heb dit reeds vroeger meegedeeld, is de Westersche niet.

Na een rit van 4 uren hebben wij Baälbek bereikt, een stadje van een paar duizend inwoners, voor de helft Christelijk, voor de helft Mohammedaansch. Het is echter niet het stadje en zijn bewoners, die ons belang inboezemen, maar het zijn de beroemde ruïnes van de aloude heiligdommen, die wij hier aantreffen en die ons een grootsch denkbeeld geven van Oostersche bouwkunst.

Voor de juiste waardeering ervan dienen enkele historische bijzonderheden hier vooraf te gaan. Volgens overleveringen, die onze gids MICHEL ALOUF in een afzonderlijk boekje over Baälbek heeft samengebracht, zou de voormalige burcht het oudste gebouw der wereld zijn en dagteekenen van het jaar 133 na de schepping. CAÏN zou daarvan de grondlegger zijn geweest en zich daarbij bediend hebben van den mastodon, een voorwereldlijk dier. Na den zondvloed zou NIMROD de bouwvallen van den burcht hersteld en gewijd hebben aan Baäl, den God der Moabieten, die de zon aanbaden. Volgens dat boekje zou Baäl _zon_ en Bek of Beka _stad_ beteekenen en de naam Baälbek, later Heliopolis, dus zonnestad willen zeggen.

Wij weten echter, dat de naam Baäl, d.w.z. Heer, eenvoudig den God aanduidt, dien de bewoners van het land, hier zeer bepaald die van de Beka-vlakte dienden. Baälbek was dus het middenpunt van den Baäldienst, waaraan ook nog de liederlijke vereering van Astarte was verbonden. Dit blijkt o.a. uit den naam van zekeren ETHBAÄL, d.w.z. _Baäl is met hem_,—een voormaligen priester van Astarte, die later Koning werd van Phoenicië. Deze ETHBAÄL was de vader van IZÉBEL, die huwde met ACHAB den bekenden Koning van Israël, die den Baäldienst invoerde. Wij weten hoe IZÉBEL daaraan met haar gansche hart verknocht was en welken strijd de profeet ELIA daartegen voerde op den berg Karmel (1 Kon. XVIII).

In de 2de eeuw na C., toen dit gebied onder de macht der Romeinen kwam en de zonnedienst meer en meer algemeen werd in het Oosten, verrezen hier twee zonnetempels, een groote en twee kleine en verkreeg Baälbek den naam Heliopolis, d. w. z. zonnestad. Beide werden onder de regeering van CONSTANTIJN den Groote gesloten. Onder THEODOSIUS den Groote werd er een Christelijke kerk van gemaakt; doch deze werd later door de Arabieren wederom verwoest, die van de overgebleven gedeelten en brokstukken een vesting bouwden. Dientengevolge is er van het oorspronkelijke, ook tengevolge van onderscheidene aardbevingen, vooral die van 1759, weinig meer overgebleven.

[Illustratie: DE ZONNETEMPEL TE BAÄLBEK.]

In weerwil van dit alles is de aanblik, dien de overgeblevene ruïnes vertoonen, nog ontzaglijk indrukwekkend. Duidelijk zijn de grondslagen nog te zien van de aloude tempelgebouwen op een kunstmatig opgehoogd terras, 300 meter lang en 200 meter breed. Een breede trap aan de oostelijke zijde verleende den toegang tot een voorportaal; dan volgde een ruime voorhof en daarachter de zonnetempel, waarvan nog 6 van 54 zuilen overeind staan, elk 19 meter hoog en 2 meter in doorsnede.

De kleinere tempel van JUPITER, die zich daarnaast bevindt, bestaat nog bijna in zijn geheel. Van de 42 zuilen, welke de 4 muren omringden, zijn er nog 9 op eene rij te zien. Daar deze weinig geschonden zijn, geven zij een grootsch denkbeeld van het oorspronkelijk geheel; de architraves en friezen aan de kroonlijsten, de kapiteelen aan de zuilen, de kunstige beeldhouwwerken aan de plafonds en alle andere onderdeelen zijn zóó schoon, dat men een en al bewondering is voor den smaak der ontwerpers en den kunstzin der bouwlieden.

Maar onze bewondering stijgt tot verbazing, wanneer men van het verhoogde terras afdaalt en de hoeksteenen ziet aan de buitenzijde, die den onderbouw vormen. Daaronder zijn er drie aan den Trilithon-muur d. w. z. muur van drie steenen, die een lengte van 19½ meter hebben, bij een breedte en hoogte van 4 meter. Men schat het gewicht van een enkelen steen op 700.000 K.G. Op 20 minuten afstand vindt men de steengroeven, waaruit zij genomen zijn, en daarbij nog een steen, die onafgewerkt bleef. Ons verstand staat hier stil bij de vraag, hoe men zulke gevaarten heeft kunnen verplaatsen en zelfs op elkander leggen. Ik las ergens in een boek, dat iemand er van zegt: „ze zijn gedenkteekens van eene beschaving, die over mechanische hulpmiddelen beschikte, waarvan wij geen begrip hebben,” maar ik voor mij zoû zoo zeggen wanneer ik zulke hoogdravende wijsheid lees, dat ik dan de opvatting van de Arabieren, die geloofden, dat daarbij voorwereldlijke dieren te pas zijn gekomen, nog zoo kwaad niet vind.

Hoe het zij, wij krijgen te Baälbek bij dien Trilithon-tempel, zooals hij naar die drie steenen, eeuwen lang genoemd werd, den indruk van een reuzenwerk. Dat reuzenwerk diende om Baäl, den God des lands, te eeren. En wanneer wij dan de geschiedenis lezen van ACHAB en zijn vrouw IZÉBEL, de dochter van dien voornoemden priester van Baäl, kan het ons dan verwonderen, dat eene vrouw als zij met haar gansche hart hing aan het geloof harer vaderen? Kan ons dan de klacht van een ELIA bevreemden, die meende, dat hij de eenige was, die zijne knieën voor dien Baäl niet had gebogen, terwijl het gansche volk dat wel deed? Werpt alles, wat wij van die vereering van Baäl hier zien, niet een treffend licht op ELIA'S strijd op den Karmel?

En wanneer hij in dien strijd het volksgeloof overwint en het gansche volk als uit eenen mond uitroept: „de Heere is God! Jehova is God!” en daarop alle Baälspriesters doodt, hoe zoû dan zulk een omkeer te verklaren zijn, zonder het Bijbelsch bericht van het wonder, dat daar plaats greep en waardoor openbaar werd, dat Israëls God de meerdere, ja de Eenige was, Dien Israël geroepen was te dienen en te eeren.

Inderdaad, die ruïnes te Baälbek verklaren ons uit Israëls geschiedenis menige bladzijde, die wij, zonder ze te kennen, niet zoo goed zouden verstaan.

DAMASCUS.

Van Maallakah, waar wij uitstapten om Baälbek te bezoeken, vervolgen wij per spoortrein onzen weg, die ons over den Anti-Libanon naar Damascus brengt. Deze weg doorsnijdt eerst de Beka-vlakte, stijgt dan nog circa 400 meter en volgt daarna de slingerende kronkelingen van de Barada-rivier. Deze Barada houdt men voor dezelfde rivier, waarvan NAÄMAN de Syriër (2 Kon. V: 12) reeds het water prees, dat in voortreffelijkheid niet onderdeed voor dat van den Jordaan en heette destijds de Amana. Dien ouden roem handhaaft zij nog steeds met eere, want zij doorstroomt als een groot ververschingskanaal de geheele stad, welke zij in tweeën snijdt, en voorziet tevens de huizen der inwoners en de fonteinen langs de straten van heerlijk drinkwater. Zij ontspringt op den Anti-Libanon, waar zij hier en daar de vallei, die wij afdalen, verfrischt; allengs verbreedt zij zich tot een bergstroom, die aan beide zijden met spichtige populieren is beplant; besproeit vervolgens groene weiden, waarop kudden grazen, en de tuinen van rijke Arabieren, die hier hun buitenverblijf hebben. Eindelijk na 3½ uur heeft de trein ons naar Damascus gebracht, dat als eene oase in de woestijn reeds van oudsher de „parel van het Oosten” en „het Paradijs der Muzelmannen” werd genoemd.

Het zijn eigenaardige gewaarwordingen, die zich van ons meester maken, wanneer men met den spoortrein, het vervoermiddel der 19de eeuw, eene stad nadert, die reeds evenzoovele eeuwen voor onze jaartelling bestond. Onwillekeurig denkt men terug aan den aartsvaderlijken tijd van ABRAHAM, wiens trouwe knecht ELIËZER een Damascener van geboorte was; die met zijn dappere manschappen hier de Koningen achterhaalde en versloeg, die zijn neef LOT gevankelijk hadden weggevoerd. Damascus, de stad, welke een DAVID schatplichtig maakte en waarin hij zijne bezetting legde; de stad, waar later al die Koningen van Syrië zetelden, die zoo dikwijls hun invallen deden in het gebied van Israël; de stad, waar de apostel PAULUS woonde in de straat de Rechte, die nog heden ten dage dienzelfden naam draagt en waar hij na zijne bekeering het eerst het Evangelie predikte, zoodat hij de stad moest ontvluchten langs een muur, dien men nog aanwijst; de stad, waar weleer eene bloeiende Christelijke gemeente bestond, waar—om maar niet meer te noemen—de welsprekende kerkvader JOHANNES DAMASCENUS woonde, die om zijn beroemd werk: „De bron der kennis” geacht wordt de geestelijke vader der Grieksche Kerk te zijn. Inderdaad, het belangrijke dezer stad is niet gelegen in hetgeen zij is, maar in hetgeen zij was, in hare geschiedenis die zoo nauw saamgevlochten is met die van den Bijbel en van de Christelijke Kerk in het Oosten.

Trouwens Damascus zelf is bij andere Oostersche steden vergeleken arm aan monumentale gebouwen. Het eenige, wat men hiertoe kon rekenen, was de prachtige Omajaden-moskee, vooral beroemd om haar mozaïek, maar die in 1893 door een brand totaal werd vernietigd. Zij stond bij de Mohammedanen hoog in aanzien, vooral omdat daarin het hoofd van JOHANNES den Dooper werd bewaard, waarbij de bewoner van Damascus nog tot op den huidigen dag zijne eeden pleegt te zweren. Daaraan dankte ook de Christelijke kerk, die er in het begin onzer jaartelling gestaan heeft en waarvan nog enkele bogen zijn overgebleven, den naam van Johanneskerk.

Van de oude moskee ziet men enkel nog de zijmuren en de plaats, waar zij gestaan heeft; men was druk bezig haar zooveel mogelijk in den oorspronkelijken vorm te herstellen. Het trof ons, dat elk geloovige daarvoor naar zijn vermogen het zijne moest bijdragen, de rijke in geld, de arme door arbeid gedurende een of twee dagen in de week. Het fijne werk, waarvan zoodoende misschien niet veel terecht zou komen, werd door Christenwerklieden uitgevoerd, ook omdat, naar men ons verzekerde, de Mohammedanen daartoe onbekwaam waren.

De overige moskeeën, die wij bezochten—er zijn er 248—gaven weinig belangrijks te zien. Bij een dezer bevonden zich een aantal vertrekken rondom het voorplein, die dienden om armen te huisvesten en ze te voorzien van een dagelijksch middagmaal. Maar, helaas! deze schoone trek der Mohammedaansche barmhartigheid, de eenige trouwens, dien ik op onze reis in het Oosten heb opgemerkt, was door de hebzucht der mannen, die met de uitvoering belast waren, tot een minimum van één portie soep in de week teruggebracht! Voor het overige gelijken alle moskeën op elkaar. Zij worden slecht onderhouden en weinig bezocht, behalve door den vreemdeling, die daarvoor veel moet betalen en zich wel moet ontzien, dat hij de sloffen niet verliest, die hem onder de voeten worden gebonden ten einde de rietmatten niet te ontwijden, die den vloer bedekken. Want zonder die sloffen wordt hem de toegang ontzegd, tenzij hij zich getrooste zijne schoenen uit te trekken.

Terwijl dus Damascus bij andere steden achterstaat in bezienswaardigheden, is er toch genoeg, dat den vreemden bezoeker belang inboezemt. Hiertoe behoort in de eerste plaats het leven der bewoners. Men is hier in eene echt Oostersche stad, die zich kenmerkt doordat men er leeft op straat. Het verst hebben het hierin de bezoekers van de talrijke koffiehuizen gebracht, die op straat rustig op hun divans hun nargile zitten te rooken, of hun tijd dooden met een of ander spel. Zij zitten daar van den morgen tot den avond met de beenen niet op den grond, maar op hun stoel en slaan op hun doode gemak de bedrijvigheid gade, die op straat heerscht.