Part 2
Het was voor ons inderdaad eene verrassing, toen wij hoorden dat de boot dit eiland zou aandoen, dat gedurende de laatste jaren een twistappel was tusschen Griekenland en Turkije en sedert ons bezoek door de groote Mogendheden aan Griekenland werd toegewezen. Ze lagen daar dan toch niet gansch te vergeefs, die groote, machtige oorlogbodems, 15 in getal, die, toen wij er waren, alleen dienden om de macht dier Mogendheden te vertoonen, die zij vertegenwoordigden. Het was nog voor zonsopgang, toen de boot haar anker liet vallen in de haven van Suda midden tusschen die oorlogschepen, die, toen zij achtereenvolgens hun vroolijk volkslied deden hooren, ons onwillekeurig deden denken aan het Europeesch concert. In onzen wensch om van den tijd, dien wij daar stillagen te mogen gebruik maken om voet aan wal te zetten en het eiland Creta te betreden, werden wij teleurgesteld. Niemand werd van of aan boord gelaten en wij moesten ons dus tevreden stellen met een blik op het eiland, dat wij gedurende den ganschen dag in zijn volle lengte voorbij stoomden. De aanblik, dien het uit de verte oplevert, is niet bekoorlijk. Het maakt den indruk van een onbewoond eiland. Ook hier evenals elders in het Oosten hooge bergen, maar kaal en doodsch zonder het frisch en groen geboomte, dat voor ons zooveel bekoorlijks heeft. Of en in hoeverre de aloude beschuldiging, welke de Apostel PAULUS in zijn tijd reeds tegen de Cretensers inbracht, (Tit. II: 12) dat zij „luie buiken” zijn, daarvan de oorzaak is, laat ik in het midden; zeker is het, en wij zullen later nog wel eens de gelegenheid hebben dit nader aan te toonen, dat onder het ellendige Turksche bestuur geen enkel land kan gedijen; of dit onder het Grieksche veel beter zal wezen....? Hoe het zij, de verkregen oplossing is althans eene overwinning van het Christendom op den Islam en hierin liggen de gegevens voor eene betere toekomst voor de bewoners van Creta, waarover wij Christenen ons van harte mogen verblijden.
Het was reeds avond geworden toen wij de kust van Afrika naderden en de haven van Alexandrië binnenstoomden, hetgeen wij echter niet behoefden te betreuren, daar wij haar bij ons vertrek bij dag verlieten en nu konden genieten van den tooverachtigen aanblik, dien de duizenden lichtjes opleverden, die van schepen en kaden flikkerden in het donker van den nacht. Weldra hadden wij ons Hotel bereikt, in welks tuin wij voor het eerst in ons leven de rijzige palmboomen onder den blauwen hemel zagen staan, die ons verzekerden, dat wij waarlijk in het Oosten waren. Het is toch soms als een droom, wanneer men met een snelvarend voertuig binnen korten tijd verplaatst wordt van het eene werelddeel in het andere, waar alles zoozeer verschilt van hetgeen wij thuis gewoon zijn te zien.
Dat ondervonden wij den volgenden morgen, toen wij de merkwaardigheden der stad bezichtigden en kennis maakten met het bont gewemel eener Oostersche stad, die in het ochtenduur nog in een dikken mist gehuld lag, maar nadat deze was opgetrokken prijkte in den vollen gloed eener Oostersche zon, wier schitterend licht haast verblindend weêrkaatste tegen de helderwitte gebouwen, waartusschen zich telkens de slanke minarets verheffen, die de moskeeën versieren.
Alexandrië is een stad van circa 250.000 inwoners, waaronder 50.000 Europeanen, die een afzonderlijk gedeelte der stad bewonen. Zij strekt zich gedeeltelijk uit over een landtong in de zee en omsluit daardoor een groot gedeelte van de Westelijke haven. Langs de smallere en breedere straten en te midden van tallooze bazaars beweegt zich een verscheidenheid van landaard en volksklasse, zooals men ze in onze steden nimmer ziet. Pikzwarte Nubiërs, liefst in geheel witte, en donkerbruine Arabieren in scherp gekleurde kleeding; de fellahs, wier vrouwen bovendien nog getatouëerd zijn, in een lang, blauw gewaad, dat tot de voeten afdaalt; negers, sommige met een tulband, andere met den rooden fez op het hoofd; daartusschendoor Westerlingen in Europeesch kostuum; welk eene eindelooze afwisseling, inderdaad een mundus in nuce, een geheele wereld in een klein bestek! Maar juist door dit gemengd karakter der bevolking gevoelt men zich hier geen vreemdeling, zooals in andere Oostersche steden. Daarvoor is de invloed der Engelschen te groot, die op geheel Egypte bijna de hand gelegd hebben en wier soldaten in grijs tenu en met een kakihelm op het hoofd, overal de aandacht trekken.
Onder hetgeen in en om Alexandrië te zien is, is er slechts weinig, dat aan de eeuwenoude wereldstad herinnert; hiertoe behoort de zuil van Pompejus, even buiten de stad gelegen, waarbij men juist opgravingen deed, in de hoop nog een en ander te vinden uit den ouden tijd. Onze weg leidde ons ook langs een der kanalen van den Nijl, waar zich de buitenverblijven bevinden van den Bey's en Pacha's, en waarvan de getraliede vensters de bewoneressen der harems voor het oog van den voorbijganger verbergen. Van een dezer buitenverblijven, het eigendom van een rijken Griek, dat tijdelijk onbewoond was, stond de tuin voor ons open. Daar zagen wij de Oostersche natuur in haar volle pracht, geheele bosschen van palmen, allerlei heesters en struikgewas, die de welriekendste geuren verspreidden. Te midden van dat alles bevond zich nog een oud Romeinsch grafgewelf, waarschijnlijk de rustplaats van een der bewoners van dit bekoorlijk paradijs uit de dagen der eerste eeuwen. De grafkelder was echter geheel vervallen en de plaats, waar eenmaal het stoffelijk overschot was bijgezet, onherkenbaar geworden. De schendende hand van den mensch had ook deze rustplaats der dooden niet ongerept gelaten en uit die ledige grafgewelven klonk ons de ernstige waarheid tegen, die men nergens zoo diep gevoelt als in Egypte, dat de wereld voorbijgaat en hare grootheid. Want in grootheid en luister stond eenmaal Egypte aan het hoofd der volkeren, getuige de eeuwenoude monumenten in de omstreken van Caïro. En wat is er geworden of gebleven van al die grootheid van weleer? Zij ging voorbij!
Zoo is het met alles, wat de wereld oplevert. Alleen het Woord onzes Gods bestaat in eeuwigheid. Gode zij dank! ook in Egypte wordt de klank van dat Woord gehoord maar helaas al te zeer als een vox clamans in deserto!
CAÏRO.
De spoorweg, die het Delta gebied in verschillende richtingen doorkruist, verbindt ook de beide hoofdsteden van dit wonderland aan den Nijl: Alexandrië, dat zich door haar wereldverkeer onderscheidt en Caïro, dat zich kenmerkt door de vele vreemdelingen, die er gaarne vertoeven. Inderdaad dat Egypte, dat zich op de kaart als een groene waaier voor ons uitspreidt, die bij Caïro begint en zich in zijn volle breedte ontplooit langs de Middellandsche zee en ter eener zijde wordt ingesloten door de woestijn van Lybië en ter andere door die van Arabië, dat Egypte is een wonderland. Of was het niet reeds in overoude tijden een voorraadschuur voor geheel het Oosten, ofschoon het er maar enkele dagen in het jaar regent, dank zij de wonderdoende vruchtbaarheid, die de Nijl er aanbrengt. Wanneer men ziet hoe de twee armen dezer rivier, die zich bij Caïro van elkander scheiden, verder zich splitsen in ontelbare riviertjes en kanaaltjes, die zich als een net over het gansche land uitbreiden en het herscheppen in eene vruchtbare oase, dan kan men er in komen, dat de oude Egyptenaar dien Nijl als een godheid vereerde. Wij hadden vaak gehoord van de overstroomingen van den Nijl, en dachten dan aan een strook lands langs de rivier evenals onze uiterwaarden, maar wanneer men het land doorreist, dan ziet men aan de dammen en dijken, die de kanalen insluiten en aan de kameelen en buffels, die op sommige plaatsen tot aan hun buik in den drassigen bodem staan, dat dit geheele land leeft niet bij den regen des hemels, maar bij de gunst van een godheid over wien de mensch vrijmachtig kan beschikken en wij kunnen het ons zoo goed begrijpen, hoe de trotsche Pharaos, die dat alles in hunne hand hadden er toe kwamen zich zelven voor een God te houden.
Caïro is een wereldstad, evenals Alexandrië, maar van een veel weelderiger karakter, vooral door den stroom van vreemdelingen, die er den winter komen doorbrengen. Deze moet inderdaad heerlijk zijn, een winter van louter schoone Meidagen, waarop de zon altijd helder schijnt, zonder ooit door een wolkje versluierd te worden; niet afmattend warm, maar aangenaam verkwikkend en die in vereeniging met den allesbesproeienden Nijl, alles doet groeien en bloeien. Kan het ons verwonderen, dat de oude Egyptenaar, die den Nijl aanbad ook aan de zon een eereplaats gaf onder zijne Goden.
De weelde, die in Caïro heerscht, wordt men aanstonds gewaar, zoodra men het Shepheard's Hotel binnentreedt, dat in de stad of Ghesireh Palace Hotel, dat er buiten aan den oever van den Nijl is gelegen. De inrichting er van is zoo prachtig, dat zij ons soms aan een sprookje doet denken en men zich haast verbeeldt in een vorstelijk paleis te zijn. Trouwens was het laatste oorspronkelijk ook een paleis van den Onderkoning, waarin dikwijls vorsten hun intrek namen. Het Shepheard's Hotel, waar wij logeerden, ligt in het westelijk en tegelijk een zeer westersch gedeelte der stad. Het is niet toevallig, dat het dit karakter draagt. Een der vorige Chediven wenschte de stad uit te breiden en van het nieuwe gedeelte een tweede Parijs te maken. Hij liet breede en rechthoekig op elkander uitloopende straten aanleggen, langs welke de grond gratis werd afgestaan aan elkeen, die er een huis op bouwde, dat aan zekere eischen voldeed. Zoo verrees hier in korten tijd een stad, die een geheel westersch karakter draagt, met het schoone Ezbekiyepark, waarin een vijver met allerlei tropische waterplanten; terwijl het oostersch karakter der stad ongeschonden bewaard bleef in het Muski aan de andere zijde.
Caïro biedt meer dan eenige andere plaats in het Oosten een ongekenden rijkdom van allerlei bijzonderheden.
In de eerste plaats zijn het de tallooze moskeeën, van welke de voornaamste een bezoek overwaard zijn. Het zijn inderdaad kunstwerken van oosterschen bouwtrant, die, ofschoon vierhoekig van vorm toch rond schijnen door den wonderschoonen koepel, die als een blauw hemelgewelf het heiligdom van boven dekt. Bij dit kenmerk, dat zij allen gemeen hebben, heeft elke moskee nog iets bijzonders, dat men u aanwijst. Hier wordt ons oog aangetrokken door de prachtige kleuren der geschilderde glazen, waardoor het zonlicht wordt getemperd, dat het marmer der wanden en pilaren in allerlei tinten beschijnt; elders treft het kunstig uit ebbenhout en ivoor gesneden spreekgestoelte onze aandacht; ginds wijst men u onder honderden marmeren zuilen er een, waarop de geloovige Mohammedaan den naam leest van zijn Profeet, die deze zuil met een zweepslag van Mekka naar Caïro joeg; daar buiten de poort in de graven der Chalifen bewondert men de rijk versierde graftomben, die het stoffelijk overschot bevatten van hen, die hier vroeger regeerden. Jammer alleen, dat het thans levende geslacht geen zorg draagt voor het onderhoud dezer schoone monumenten der scheppende kunst van het voorgeslacht; want, terwijl men voor zich zelf telkens nieuwe bouwt, laat men het onderhoud der oude aan Allah over, die er niets aan doet!
Niet schoon, maar hoogst belangrijk is de Azhar moskee, de groote hoogeschool van Caïro, waaraan ruim 5000 studenten zijn ingeschreven. Daar ziet men ze op oostersche wijze op den vloer zitten met de beenen over elkaar, knapen, jongelingen en mannen met den Koran op de knieën, dien zij bijna geheel uit het hoofd moeten leeren, met een inktpot voor zich en een lei of manuscript in de hand, meestal 10 of 12 te samen met een Professor in het midden. Zoo ongeveer zaten wellicht de knapen, onder welke zich de twaalfjarige JEZUS in den tempel in Jeruzalem bevond, maar zonder die eigenaardige, aanhoudend voor- en achterwaarts schommelende beweging van het bovenlijf, die deed denken aan een golvende zee. Die beweging, zeide men ons, moest dienen om het geleerde gemakkelijk in het geheugen te prenten. 't Is mogelijk, maar dan bevreemdt het mij, dat men dat nergens elders heeft toegepast. Zou het niet veeleer een uiting zijn van eerbiedige erkenning der waarheid, waarvoor men zich buigt of een betooning van Mohammedaansche piëteit, dacht ik later, toen ik de huilende Derwischen had gezien.
Hetgeen men toch bij de studeerende jongelingschap ziet in het klein, ziet men hier in het groot. Minstens een half uur lang slingeren deze Derwischen het hoofd op en neer, of heen en weer; terwijl zij daarbij de maat houden door aanhoudend, al luider en hartstochtelijker te zuchten: La-il-la-Huh-Hah-Huh! Allah-Huh-Hah-Huh! d.w.z. Hij-Hij- Hij alleen God! Het is een allerakeligste vertooning, waarvan niemand de beteekenis verstaat, dan alleen de Derwisch zelf, die haar als een der vroomste handelingen beschouwt.
Aan de zuid-oostzijde van Caïro bevindt zich de Citadel, eene sterke vesting, die de geheele stad beheerscht. Van het terras naast de Alabasten moskee, die daar staat en zoo genoemd wordt naar de muren en pilaren daar binnen, die alle van alabast zijn, heeft men het schoonste uitzicht over de stad, die beneden ons ligt. Daar wijst men ons ook nog de gevangenis van JOZEF. Het is een vierkante put, terdiepte van 86 meter tot welke men afdaalt langs de zijwanden, waarin een gang is uitgehouwen, die zoo zacht glooiend afloopt, dat de ezels gemakkelijk op dien kunstig uitgedachten weg het water uit de diepte naar boven kunnen dragen.
Behalve deze put, waaraan nog de naam van JOZEF is verbonden, zijn in Caïro nog enkele plaatsen met Bijbelsche herinneringen. Op den weg naar de oude beroemde Zonnestad, waarvan maar een enkele Obelisk is overgebleven, wijst men nog een boom, onder welke MARIA tijdens haar vlucht naar Egypte gerust en in het Koptisch kwartier een spelonk, waarin zij zou gewoond hebben.
Deze Kopten, de oorspronkelijke bewoners des lands, waarvan er in OpperEgypte nog 500.000 wonen, zijn de eenige Christenen, die hier nog getrouw bleven aan hunne belijdenis, ondanks den machtigen tegenstand der Mohammedanen. Zij zijn meerendeels arm en hebben een klein kerkje, waarin zij hunne godsdienstoefeningen houden, waarbij zonderling genoeg althans voor Christenen, de vrouwen onzichtbaar verscholen zijn op een hooge galerij.
Wij kunnen natuurlijk niet bij alles stilstaan, wat men in Caïro te zien krijgt, maar het voornaamste zou ontbreken, wanneer wij zwegen van een tocht naar de Pyramiden van Giseh en Sakkara, die grootsche monumenten, die zoovele eeuwen bestaan en nog steeds aller bewondering wekken.
Ongeveer een uur van Caïro verwijderd op den linkeroever van den Nijl bevindt zich de woestijn van Lybië. Langs den hoogen rand dezer oneindige zee van golvend zand, begint de lange rij pyramiden, die zich naar het zuiden uitstrekt. Wij bezochten enkel die van Giseh en Sakkara.
Gemakkelijke landauers brachten ons over den ijzeren brug, die de beide Nijloevers verbindt voorbij het dorpje Giseh naar de Cheopspyramide. In een uur tijds reden wij over een door hooge boomen beschaduwden weg, die midden door het Nijldal leidt, dat een paar voet was overstroomd, zoodat de buffels er zich lustig in konden baden om zich van den overlast der vliegen te ontdoen, naar den kalen rand van de woestijn, die zich 30 meter boven het Nijldal verheft. Hier, boven op deze hoogte bevindt zich de majestueuse Cheopspyramide, die 147, daarachter een 2e die 138 en een 3e die 66 meter hoog is. Het verschil in hoogte wijst den tijd aan gedurende welken de Koning, die haar bouwde, regeerde. Elke vorst begon reeds bij zijn troonsbestijging met den bouw eener pyramide, die later zijn begraafplaats moest zijn, waaraan jaarlijks een nieuwe laag steenen werd toegevoegd. De Cheopspyramide, wiens ontwerper en bouwmeester dus het langst regeerde, is daardoor de hoogste.
Statig verheft zich de spits van dit machtig gevaarte ten hemel. De ontzettende steenmassa bestaat uit blokken van 1 tot 2 meter, waaraan volgens berekening 100.000 menschen gedurende 20 jaren moeten gearbeid hebben. De lust bekroop ons niet om de spits te bestijgen, van welke het uitzicht ter nauwernood schooner kon zijn, dan dat, wat wij van beneden genoten, zonder daarbij de inspanning eener moeilijke klimpartij en de gevaren eener duizelingwekkende afdaling te trotseeren. Evenmin waagden wij ons aan een bezoek der voormalige grafkamers binnen in de pyramide, waarin thans de vleermuizen huizen, maar weleer de gebalsemde lijken der koningen werden bijgezet, wier mummiën nu in het museum te Giseh zijn.
Op een kwartier afstand, nog meer naar den rand der woestijn, bevindt zich de beroemde Sphinx, met het aangezicht naar het Nijldal gekeerd. Dag en nacht houdt zij daar de wacht over het koninklijk graf. Het is alsof die geheimzinnige gestalte, samengesteld uit een leeuwenlichaam en een menschenhoofd daar ligt te peinzen over het raadsel van den dood. Ja, wie zal zeggen, wat de kunstenaar, die dat beeld schiep, heeft willen uitdrukken met die wonderbare samenvoeging van dierlijke kracht en menschlijk verstand, zooals zich die aan ons vertoont, in die majestueuse gestalte van den Koning der woestijn met het hoofd van een mensch, waarvan het stemmig gelaat, hoezeer ook geschonden door den Mammeluk, die het gebruikte als schietschijf voor zijne kanonnen, toch nog een zeldzame schoonheid van wonderbare zachtheid en diepen ernst in zich vereenigt.
Van Giseh gaan wij met den trein het Nijldal nog een uur verder in en stappen aan het station Bedraschen uit. Gelukkig zijn wij door een stevig hek gevrijwaard voor de bestorming van een aantal jongens, die hier met hun ezels den reiziger opwachten. Een voor een worden zij binnengelaten met hun Keizer- en Bismark-, Gladstone- en Salisburyezel of hoe ze allen heeten. Maar wat voor naam het grauwtje ook drage, te ontkennen valt het niet, dat het inderdaad een „goed ezel” is, zooals de jongen ons telkens nu eens vragend, dan bevestigend verzekert, een ezel die inderdaad een goed bakschisch verdient van den Baron, zooals de guitige drijver den ruiter noemt; waarlijk onze ezeltjes toonen door den flinken draf, dien zij houden, dat zij hun ministerieele namen met eere dragen.
Zoo draven wij voort over een dijk, die zich tusschen de palmboomen heenslingert, die allen met den voet in het water staan, daar al het land hier door den Nijl is overstroomd. Een zijweg geleidt ons naar een hooger gelegen palmenbosch, waar vroeger de stad Memphis en thans het armzalig dorpje Mitrahine ligt.
Hier staan wij onder de boomen voor een kolos uit harden kalksteen gebeiteld, die lang uitgestrekt ter aarde ligt. Het is het beeld van Koning RAMSES II, dat met den kroon en de beenen, die echter ontbreken, eene lengte van 13 meter heeft. Het oor alleen is een halven meter lang. Het vertoont ons het gelaat van den man, die weleer Israël verdrukte in de dagen van MOZES en diende vroeger tot versiering van het voorportaal van den Ptahtempel, die hier stond, maar met de stad Memphis door den stroom werd weggevoerd. Dit beeld kwam uit het slijk te voorschijn, waarin het eeuwen lang bewaard bleef. Thans ligt het daar met het starre oog ten hemel gericht, alsof het nog zocht naar het licht van de zon, die het weleer aanbad, maar die verduisterde, toen de God des Hemels sprak.
Wij rijden verder den dijk over, die aan beide zijden door het bruine, drassige Nijlwater wordt bespoeld. Hier en daar zijn de slanke fellah dochters, wier lange, blauwe kleed door den frisschen wind bewogen glooiend langs de leden glijdt, bezig met een soort van hark het dorre riet, dat tegen den dijk aandrijft uit het water op te halen. Het is het riet dat nog overal langs den Nijl groeit, waartusschen het biezenkistje dreef, waarin de kleine MOZES lag, toen hij door Pharao's dochter uit het water werd getogen.
[Illustratie: BEELD VAN RAMSES II.]
Aan de woestijn van Sakkara of Sahara, zooals wij gewoonlijk zeggen, stijgen wij af. Daar lagen zij weêr voor ons, die machtíge pyramiden, die ons zwijgend vertellen, dat wij hier zijn op het doodenveld van Memphis, waarin eeuwen her de graven van duizenden werden gedolven. Maar het was ons thans meer te doen om de belangrijke opgravingen, die MARIETTE en andere oudheidkundigen hier deden en die er in slaagden de Apisgraven en dat van den Priester THI te ontdekken, die diep onder het telkens zich verplaatsende zand der woestijn verborgen lagen.
De begraafplaats der eertijds vergoode Apisstieren bestaat uit een langen gang, langs welken zich aan beide zijden de donkere gewelven bevinden, waarin de doode stieren, na gebalsemd te zijn, werden bijgezet in prachtige doodkisten van zwart of rood graniet. Zij zijn thans alle ledig en meerendeels van haren deksel beroofd. Aan de 4 zijwanden der sarcophagen, die elk een gewicht van 65.000 k.g. hebben en 4 meter lang, 3.30 hoog en 2.30 breed zijn, ziet men overal hieroglyphen. Het is mij een raadsel hoe men deze 30 steenen kisten, wier grondstof ver uit het Zuiden of uit het hooge Noorden moet aangevoerd zijn, hierheen heeft kunnen verplaatsen.
Nog belangrijker is de begraafplaats van THI, een priester, die ongeveer 5000 jaren geleden te Memphis leefde, van wege de verschillende tafereelen aan het landelijk leven uit vroeger dagen ontleend, die op de wanden zijner doodenkamers zijn afgebeeld. In deze afbeeldingen, die men bij magnesium licht zeer duidelijk ziet, is iets eentoonigs, omdat zij veel op elkaar gelijken; maar de voorstelling zelve in relief op den wand gebeiteld is uitermate eigenaardig. Immers, hier ziet men het geheele leven uit die dagen voor zich; THI zelf aan het visschen en op de jacht; verder zijne menschen, met de kudden op de weide en de schepen op het water, werkzaam op het land en in de boerderij, bezig met de ganzen, die zij mesten, pillen in den mond te duwen, evenals onze Bredasche kapoenen, daarna ze slachten en braden en dat alles voor 5000 jaren! Het is inderdaad grappig dit alles hier in beeld te zien, wat daarbuiten werkelijkheid is. Wat is er toch weinig veranderd in al die eeuwen! Men kan zich niet voorstellen, dat daar zooveel geslachten over heen gingen, en dit is eene gewaarwording, die men niet enkel hier, maar telkens in Egypte opdoet.
Hier wandelt men rond in de graven van THI en zijne tijdgenooten en wij zien hoe zij leefden. Straks komen wij in het Giseh museum en staan bij de mummie van een RAMSES den Groote, den verdrukker der Israëlieten. Het is alsof wij in de trekken op dat strenge gelaat en in dien scherp gebogen neus nog het onverzettelijk karakter lezen van den man, die zelf voor niemand boog, maar allen voor zich liet bukken.
Daar is iets wonderlijks in het zien van al die dooden, die voor zooveel eeuwen leefden en die nog tot ons spreken. Het is ons alsof door dat alles de gedachte der eeuwigheid, die zoo diep in hun ziel was gelegd, voortdurend zich aan ons opdringt. Zij geloofden aan het leven, dat niet sterft, maar het raadsel van den dood bleef voor hen onopgelost. De dood was als de Sphinx, die niemand kan doorgronden.
Hoe dikwijls komt mij de gestalte der Sphinx nog voor den geest naar de voorstelling eener plaat, die ik eens zag, waarop het kind JEZUS rust tusschen hare klauwen in de armen zijner moeder op de vlucht naar Egypte. Van het aangezicht van het Kind straalt een Hemelsch licht uit; het gelaat van de Sphinx wordt door het matte maanlicht beschenen. Zoo ligt zij daar in de stilte van den nacht, met het sombere gelaat naar het Oosten gekeerd, alsof zij van hier de oplossing van het raadsel des doods verwacht, van dat Oosten, van waar weleer een ABRAHAM, een JOZEF en een JACOB als voorboden van het licht des levens togen naar Egypte, van waar het kind JEZUS zelf kwam en het licht van Zijn Evangelie, dat Egypte voor een wijle bescheen.
Maar van datzelfde Oosten kwam ook het Mohammedanisme, dat nu als het bleeke maanlicht haar menschelijk aangezicht beschijnt, maar het raadsel des doods, waarover zij peinst, niet oplost.