Part 9
Van Chichester reisde ik voort naar Philadelphia. De Eiken waren de talrykste van alle de bomen in de bosschen. Dog daar waren ’er verscheiden soorten van, allen verschillende van de Europischen. De varkens liepen nu in grote troepen in de eikebosschen, om de eikels te zoeken. Elk varken heeft een driekantig houten juk om den hals, om het te beletten door de tuinen en heiningen te dringen. Dit is de reden dat men de heiningen zeer ligt en gemakkelyk om op te nemen maakt, zo dat ’er ook weinig hout toe nodig is. In de eikebosschen ziet men ene menigte van Eekhoorns, ten dele op den grond lopende, en ten dele van den enen tak op den anderen springende. Om dezen tyd azen zy meest op de Eikels.
Beuken zag ik zeer weinig, dog die ’er waren zyn juist de zelven als de Europischen.
[Mieren.]
Ik weet niet enige andere dan de Zwarte Mier in Amerika gezien te hebben. Zy waren zo zwart als kolen en van twederlei soort, sommigen zeer klein, gelyk de kleinsten by ons, en anderen van de grootte van onze gemene Roodbruinen. Ik had tot nog toe gene hoogtens ontdekt die haar tot nesten dienden, maar alleen ’er enigen zien lopen. In andere oorden van Amerika heb ik andere soorten van Mieren gezien, gelyk ik op zyn’ plaats zal aantekenen.
[Hagen.]
Het gemene Ligustrum diende op vele plaatsen voor hagen om de akkers en boomgaarden. Ook zag ik op deze reis ’er gene anderen als van Ligustrum, schoon men wel wist dat de doornen daar beter toe zyn. De Ligustrumhagen worden zeer digt; dog by gebrek van doornen keren zy de varkens en het ander vee niet wel. En als ’er eens een gat in is, duurt het ene goede wyl eer dat weer toe is.
[Chester.]
Op den middag kwam ik door Chester, een klein vlek aan de Dellaware, in de welke daar ene kleine rivier, die door het vlek heen loopt, zig uitstort. Over deze was ene kleine brug. De huizen staan hier en daar verstroid. De meesten zyn van steen en twee verdiepingen hoog, enigen ook van hout. Hier is ene kerk en ene marktplaats.
[Weit.]
De Weit was hier al overal in den grond. Op sommige plaatsen was zy al schoon opgekomen, zynde reeds vier weken gezaid geweest. De akkers lagen meest op zyn Engelsch zonder gruppen, maar met watervoren vier of zes voet van malkander. Op de akkers zag men grote stompen van omgehouwen bomen, een teken dat dit land eerst onlangs tot bouwland gemaakt was.
De wortels der bomen liepen hier meest langs den grond, gaande niet diep in. Dit had ik gelegenheid op verscheiden plaatsen optemerken. Zelden vond ik enen wortel die boven enen halven voet in den grond gegaan was, schoon de aarde hier zeer los was.
[Yzer.]
Omtrent twee Eng. mylen van Chester reden wy ene Yzerhut voorby. Zy kwam twee broeders toe. De oer wordt egter hier niet gegraven, maar wel dertig of veertig mylen verder gebroken, gesmolten, en vervolgens herwaards gevoerd. De blaasbalgen waren meest van leder, en, zo wel als de hamer en de vuurplaats, in vergelyking met de onzen, vry klein. Alles ging door middel van ’t water. Het yzer werd hier tot staven gesmeed.
Ik merkte op deze reis, en naderhand zag ik het zelve dikwyls, dat de paarden veel van appelen houden. Zy verkozen ze ver boven het frissche gras, als men ze in enen boomgaard, daar afgevallen appelen lagen, lopen liet. Dog men hieldze hun niet zeer dienstig. En behalven dat, dit voedsel valt wat duur.
[Geboomte.]
De Roodbloemige Ahorn [66] is hier overvloedig, vooral in moerassige gronden. Uit zyn hout maakt men borden, spinnewielen, rollen, voeten voor stoelen en ledikanten, en ander huisraad. Met den bast verwt men linnen en wol donker blauw. Ten dien einde kookt men dien in water, en doet wat koperroods, diergelyk de hoede- en schoenmakers gebruiken, in den ketel, voor dat ’er de stof in komt. Ook maakt men ’er enen goeden zwarten inkt van. Als men in ’t voorjaar in den boom hakt, zo loopt ’er een zoet sap uit, gelyk als uit onze Berken. Dit sap gebruikt men hier niet, maar in Kanada kookt men ’er syroop en suiker uit. Hier vindt men ene verscheidenheid van dezen boom welken men den Bonten Ahorn noemt, [67] om dat zyn hout van binnen gespikkeld is. Men gebruikt het veel tot allerlei schrynwerk, en men zoekt het geen ’er van gemaakt is boven al ander werk. Het wordt veel duurder betaald dan het geen uit Walnoten of wilde Kersebomenhout [68] gemaakt is. Dog het kostbaarste huisraad is het geen van Bont Zwart Walnotenhout gemaakt wordt, want dit is over ’t algemeen zeldzaam. De Bonte Ahorn wordt ook niet veel gevonden. Ook vindt men ’er wier buitenste gemarmeld is, dog het binnenste niet. Om die reden hakt men diep in den boom, eer men hem laat vallen, ten einde te ontdekken of hy van binnen wel geaderd is.
[Reis naar New Jersey.]
Des avonds kwam ik te Philadelphia. Den volgenden ogtend, zynde den 7. October, zettede ik de Dellaware in een schuit over. Hier was ik in New Jersey. Men betaalt vier pence voor ’t overvaren van ieder persoon. Het Land is hier geheel anders gesteld als in Pensylvanie. De Insekten en planten, welken ik dezen dag ontdekte, denk ik in een ander werk te beschryven.
[Vrugtbaarheid.]
Men zou misschien denken dat op enen zo mageren grond als die van New Jersey is niets wassen moest. Evenwel stond ’er de Mais ongemeen wel. Wy zagen ’er gantsche velden van. De aarde was van dat soort waarin de Tabak byzonderlyk wel tiert, dog lang zo vet niet. De stelen van de Mais waren gemeenlyk agt voeten hoog. Zy waren vol van bladen. Men had de Mais als naar gewoonte, op ryen in vierkante vakken geplant, zo dat ’er ene opening van vyf voet en zes duim tusschen ieder kleine hoogte was, waarop zy stond, zo wel in de lengte als in de breedte. Uit elke hoogte kwamen drie of vier stelen te voorschyn. Men had ze hier nog niet tot voer van ’t vee gesneden. Elke steel droeg tot vier airen toe, die groot en vol van koorn waren. Noit had men zulk enen zandigen grond beter kunnen gebruiken. Op andere plaatsen was de aarde tusschen de Mais omgeploegd om Rogge te zaijen, zo dat, als het Turksch koorn gemaid is, de Rogge op het veld staan blyft.
[Aspersies.]
Wy zagen veel Aspersies in ene losse aarde en op onbebouwde zandvelden wassen. Zy stonden ook veel tusschen de Mais, en waren vol van bessen. Dog ik kan niet zeggen of de zaden door den wind uit de naburige tuinen derwaards gebragt waren. Maar dit is zeker, dat ik ze op andere plaatsen in Amerika in het wild heb zien wassen.
[Wormkruid.]
Het Wormzaad is ook menigvuldig op de wegen, op enen zandigen grond, gelyk dien vlak over het Veer van Philadelphia. Ik heb gezegd dat men dit den kinderen tegens de wormen ingeeft. Dit geschiedt aldus. Men legt het in brandewyn, neemt het ’er een uur daarna weer uit, laat het drogen, en geeft het dan de kinderen in met wat zoet gemaakt bier, of eenigen anderen drank. Sommigen roemden de uitwerking van dit middel zeer, als dodende de wormen. Dog anderen waren van oordeel dat zy ’er van vermeerderden. Maar by ondervinding weet ik dat het zeer heilzaam geweest is.
[Porselein.]
De Porselein wast hier in ’t wild overvloedig, in de blote lugtige aarde tusschen de Mais in. Zy kruipt daar langs den grond, en hare stelen zyn vry dik en sappig, schoon het kwalyk te begrypen was hoe zy in zo droog ene aarde haar voedsel kreeg. Men ziet ze ook in menigte in dat zelve soort van aarde op andere plaatsen in dit Land wassen.
[Spaansche Netels.]
De Bidens bipinnata, [69] by de Engelschen [70] Spaansche Netels genoemd, wast hier en daar, omtrent de landhuizen, op de wegen, by de tuinen, en langs de hagen. Zy bloeide ten dele nog; dog de meeste planten waren haren bloeisem al kwyt. Als het zaad ryp is wordt het zeer onaangenaam op zulke plaatsen te gaan daar zy staat, vermits het aan de kleren blyft zitten en die zwart maakt, en het is moeilyk die vlakken ’er uit te krygen. Elk zaadtje heeft drie doorns op zyn spits, en elke doorn heeft ook vele kleine omgebogene hoeken, waardoor het aan de klederen kleeft.
In de bosschen, en langs de heggen kropen hier en daar enige enkelde kleine rode Mieren, [71] wier sprieten zo lang waren als hunne lichamen.
[Philadelphia.]
Tegens den avond keerden wy weer naar Philadelphia.
Op de kust van Pensylvanie vindt men zeer veel schone Oesters. Men begon nu ze te Philadelphia te koop te brengen. Zy worden gehouden zo goed te zyn als de New Yorkschen, van de welken ik hierna byzonderlyk spreken zal. My scheen het egter, dat de laatsten groter en lekkerder zyn. Men merkt aan, dat zy goed worden tegens den tyd dat de hete koortsen beginnen optehouden. Daar reden menschen met gantsche karren vol oesters langs de straten, schreuwden die te koop, daar het anders hier iets zeldzaams is waren langs de deuren te koop te zien veilen; dog te Londen is dit gemeen. Men eet hier den meesten tyd de Oesters op gloeijende kolen gebraden, tot dat de schelpen een weinig opengaan, en dan eet men den oester met wit tarwenbrood met boter besmeerd. Voorheen brandde men kalk uit de schelpen, dog thans heeft men ene betere stof daartoe. Men wees my enige huizen in de Stad die met schelpkalk gemetseld waren. De muren hadden de eigenschap van twee of drie dagen voor dat men regenagtig weder krygt, vogtig te worden, zo dat ’er tamelyk grote droppels aan hangen. Dus dienden zy voor Hygrometers. [72] Over het zelve ongemak klaagden vele menschen die in huizen gewoond hadden met schelpkalk gemetseld.
[Erwten.]
Erwten worden ’er in Pensylvanie niet veel gezaid, schoon voorheen, volgens het geen enige bejaarde Zweden ons verhaalden, ieder Boer een veld met erwten plegt te hebben. Even zo is het ook in New Jersey en het zuidelyke van New York. Maar in het noorder gedeelte van New York, of omtrent Albany, en in alle de gedeeltens van Kanada, die door de Franschen bewoond worden, zait men ’er veel van, en zy slagen ongemeen wel. Alleen is men door [Wormen in de Ewrten.] een klein gekorven diertje in de eerstgenoemde Landschappen genoodzaakt geworden, zo nuttig een gewas niet meer te kweken. Voorheen was dit diertje weinig bekend. Het paart in den zomer, omtrent den tyd van het bloeijen der erwten, en legt dan een eitje in byna iedere kleine erwt. Als de erwten ryp zyn, zoude men van buiten niet zeggen dat ’er wormen in zitten, dog men vindt ze als men de erwten doorsnydt. De worm blyft den gehelen winter en een deel van de lente over in de erwt als men hem laat begaan, en eet al het binnenste op, zo dat ’er weinig meer dan de schil overblyft. Ten laatsten verandert de worm in een schaalagtig insekt, kruipt door een gat, dat hy zelf maakt, uit de erwt, en vliegt weg, om naar nieuwe erwtelanden te zoeken, ten einde daar te paren en zyn geslagt voorttezetten.
[Oorsprong daar van.]
Dit schadelyk gedierte heeft zig uit Pensylvanie naar het Noorden uitgebreid; want New York, waar het nu menigvuldig is, wierd ’er voor twaalf of vyftien jaren niet van geplaagd, en voor dien tyd teelde men erwten in overvloed zonder het minste belet. Maar allengskens wierden deze kleine vyanden zo menigvuldig, dat men van het zaijen van erwten moest afzien. Men klaagde hierover op vele plaatsen. De Boeren rondom Albany hadden thans het genoegen dat hunne erwten nog vry waren van dit Insekt, maar vrezen ’er altyd voor, dewyl het ieder jaar nader aan die streek komt.
Ik weet niet of dit diertje in Europa voortkomen zou; en ik zou denken dat onze Zweedsche winters het doden zouden, hoe diep het ook in de erwt zitte. Maar in New York is het dikwyls al zo koud, en egter vermeerdert het daar ieder jaar, en nadert allengskens hoe meer het Noorden. Ik was op het punt van enigen van dit ongedierte in Europa over te brengen zonder het te weten. Op myn vertrek uit Amerika nam ik enige erwten mede naar Europa in een papier, welken ’er geheel frisch en groen uitzagen. Maar toen ik het papier den 1. Augustus 1751. te Stokholm opende, vond ik al de erwten hol, en zag ’er de koppen der Insekten uitkyken. Sommigen kropen ’er al uit, dog ik haastte my om hen te beletten zig te verspreiden. [73] Ik beken, dat, toen ik ze het eerst zag, ik ’er meer van schrikte dan indien ik enen adder gezien had, want ik besefte op eens al de schade welke myn lieve Vaderland ’er van gehad zou hebben, indien maar twee of drie van deze schadelyke diertjes ontkomen waren. De nakomelingen van verscheiden huisgezinnen, ja zelfs van gehele volken, zouden reden gehad hebben, my te verwenschen, als de oorzaak van zo zwaar enen ramp. Ik zond ’er naderhand enigen, dog wel bewaard, aan den Graaf Tessin en den Ridder Linnæus, tegelyk met een berigt van hunne schadelykheid. De laatste dier twee Heren heeft ’er reeds ene beschryving van gegeven in ene Akademische Verhandeling, onder hem verdedigd. [74] Hy noemt ze daar den Bruchus van Noord Amerika. [75] Het was iets zonderlings dat ’er niet ene erwt in het papier gevonden wierd die niet was opgegeten.
Wanneer men in Pensylvanie erwten zait van buiten in het Land gebragt, zyn die gemeenlyk het eerste jaar van dit gedierte vry, maar het twede komt het ’er al in. Het is zeer te wenschen, dat de schepen uit New York en Pensylvanie dit Insekt niet in Europa zullen overbrengen. Men ziet hier uit wat een veragtelyk gering Insekt vermag, en dat de studie van het Huishoudelyke en van de eigenschappen der Gekorvenen niet moet beschouwd worden als maar enkeld tydverdryf en ene nutteloze bezigheid. [76]
[Rhus radicans.]
De opklimmende Sumach of Rhus radicans is een struik of boom, die zeer overvloedig in dit Land voortkomt, en heeft dit met den klimop [77] gemeen, dat hy niet groeit zonder enig steunsel te hebben, het zy enen boom, enen muur, of ene heg. Ik heb hem tot op de hoogsten der grote bomen zien klimmen. Zyne takken schoten overal kleine worteltjes, die zig op den boom hegtten, en, als ware het, ’er indrongen. Als men den stam afhouwt komt ’er een bleek bruin sap uit, van enen onaangenamen reuk. Dit sap is zo scherp, dat, als men ’er mede op lynwaat letters of vlakken maakt, die ’er niet uitgaan, maar des te zwarter worden hoe meer men het linnen wascht. De kinderen plegen met dit sap hunne namen op het linnen te tekenen. Als men ’er mede op papier schryft, zo gaan de letters noit uit, maar worden hoe langer hoe zwarter.
[Vergiftigheid.]
Dit gewas heeft de zelve kwade hoedanigheden als de Vergiftboom, dien ik boven beschreven heb, van schadelyk te zyn voor sommige menschen en niet voor anderen; dog de Vergiftboom heeft een sterker vergift. Evenwel heb ik menschen gezien die al zo sterk opzwellen van dezen boom. Ik weet ook twee Zusters, waarvan de ene dit gewas behandelen kon zonder het minste ongemak, schoon de andere ten eersten de uitwaassemingen ’er van gevoelde, zodra zy omtrent op den afstand van ene el den boom naderde, en zelfs als zy op ene plaats stond waar de wind over den boom henen naar toe woei. Dog op my had dit soort van Sumach noit enige kragt, schoon ik ’er meer als honderd proeven, zelfs met de zwaarste stammen, mede genomen heb, en het sap zelfs eens in myn oog sprong, zonder my enig letsel te doen. De huid van de hand van een ander mensch, welke ik zeer nat met dit sap gemaakt had, wierd weinig uren daarna zo hard als leder, en vervelde de volgende dagen zo sterk, dat het was als of ’er gantsche schalen van afvielen.
[De bosschen en ’t hout.]
Den 10. October des morgens vroeg verzelde ik den Heer Kock naar zyn Landgoed, het welk omtrent negen Eng. mylen noordwaards van Philadelphia legt.
Schoon de bosschen van Pensylvanie vele Eiken leveren, en men ’er meerder soorten van vindt dan meer naar het Noorden, bouwt men hier egter zo veel schepen niet als in de noordelyke Landschappen, byzonderlyk in Nieuw Engeland. De ondervinding heeft geleerd dat hoe meerder het hout naar het Noorden wast het des te duurzamer is, en dat de deugd afneemt naar mate men de warmte nadert. Ook is het zeker dat de bomen in het zuiden schielyker groeijen, en dikker kringen maken dan in het Noorden. Daarenboven, die in ’t Zuiden wassen hebben grover sapbuizen voor den omloop der vogten. Om deze reden bouwt men zo veel schepen in Pensylvanie niet als in Nieuw Engeland, schoon meerder dan in Virginie en Maryland. In Karolina bouwt men ’er geen in ’t geheel, en men laat ze daar uit Nieuw Engeland komen. Die men hier, zelfs uit de beste Eiken timmert, duren nauwlyks meer dan tien of ten hoogsten twaalf jaren, en dan zyn zy zo vergaan dat niemant ’er mede in zee durft steken. Daar komen schippers uit Engeland in Amerika om daar schepen te doen bouwen. De meesten gaan naar Nieuw Engeland, de noordelykste Provincie; en zo zy al met schepen naar Philadelphia geschikt overkomen, gaan zy egter gemeenlyk van daar naar Nieuw Engeland. De Spanjaards in de West Indien, wil men, dat hunne schepen van een byzonder soort van Ceders bouwen, die bestand zyn tegens het water en de verrotting; dog dit soort vindt men niet in de Engelsche Volkplantingen. Hier zyn meer dan negen verschillende soorten van Eiken, dog geen van die is zo goed als het ene soort dat wy in Zweden hebben. Om deze reden kost een schip van Europisch veel meer dan een van Amerikaansch Eikenhout.
[Beet.]
Velen, die zig hier op het tuinieren toeleiden, hadden, verscheiden jaren ondervonden dat die Rode Beet, welke voortkwam uit zaad van New York gekomen, zeer zoet en aangenaam wierd, dog dat zy alle jaar verminderde als zy uit zaad hier gewonnen werd gekweekt. Men moest dan ieder jaar zo veel zaad uit New York doen komen als men van noden had. Ook heeft men opgemerkt, dat gewassen uit Engelsch zaad voortkomende veel beter zyn, dan die uit zaad in Amerika gewonnen worden gekweekt.
[Radys.]
In den tuin van den Heer Kock was ene Radys [78] in de losse aarde zo groot geworden, dat zy zeven duimen middellyns had. Ieder verzekerde dat het iets zeldzaams was ze hier zo dik te zien.
Het gewas, [79] dat gemeenlyk Batatas genoemd wordt, heet men hier Bermudische Potatoes. Aanzienlyken en gemenen planten ze in hunne tuinen. Dit geschiedt op dezelve wys als met de gemene Potatoes. Sommigen zetten ze op bedden. De grond moet een mengsel zyn uit zand en aarde, niet te vet nog te mager. Men snydt, als men ze planten zal, de wortelen, gelyk by de andere Potatoes, in kleine stukken, zo nogthans dat men een uitbotsel of twee aan iedere plant late. Hunne kleur is gemeenlyk rood van buiten, dog van binnen geel. Zy zyn gemeenlyk groter dan de gemene Potatoes. De smaak is zoet en aangenaam, zynde, naar myn gevoelen, de andere Potatoes, de Artisjokken, en zelfs alle andere bekende wortels daarin met hun niet te vergelyken. Zy smelten genoegzaam in den mond. Het is niet lang geleden dat zy hier geplant zyn. Men maakt ze gereed gelyk de andere Potatoes, en eet ze met dezelven of alleen. Zy groeijen hier zeer schielyk en zeer wel; maer het moeilykste is ze den winter over goed te houden, want zy kunnen nog tegens sterke koude, sterke hette, nog vogtigheid. Om die reden bewaart men ze ’s winters in kasten met zand op ene warme plaats. In Pensylvanie, daar men gene klappen in de schoorstenen heeft, zet men ze in ene zandkast op enigen afstand van het vuur, waar zy veilig zyn voor de vorst en te grote hette. ’T is niet genoeg ze in droog zand in den kelder te leggen, gelyk gemeenlyk geschiedt met de gemene Potatoes. De vogtigheid der kelders zou door het zand heen dringen en ze doen rotten. Het zou waarschynlyk in Zweden wel te doen zyn, van ze in warme vertrekken den winter over te houden. Maar de zwarigheid is maar alleen hoe men ze zal overbrengen. By myn vertrek uit Amerika nam ik ’er een goed getal van mede, en droeg ’er alle mogelyke zorg voor. Dog wy hadden enen zwaren storm op zee, waardoor het schip zo beschadigd wierd, dat het sterk water in kreeg, zo dat onze klederen, bedden en ander goed zo nat waren dat wy ze uitwringen konden. Dus was het geen wonder dat myn’ Potatoes verrotteden. Dog dewyl ze nu in Portugal, Spanje, en zelfs in Engeland aangekweekt worden, zal het niet bezwaarlyk zyn ze in Zweden ook te krygen. De drank, welken de Spanjaards in hunne Amerikaansche bezittingen uit het sap dezer Potatoes maken, is niet in gebruik in Pensylvanie [80].
[Papier.]
De Heer Kock heeft enen Papiermolen op een klein beekje, daar allerlei grof papier gemaakt wordt. Zy wordt ’s jaars voor vyftig pond st. Pensylvanisch geld verpagt.
[Schaarschheid van Appelen.]
Dit jaar, wierd my verteld, waren de Appelen schaarscher dan naar gewoonte, het welk door de aanhoudende droogte in de maand van Mai veroorzaakt was, die de bloeisems had doen verwelken. De hitte was zo sterk geweest dat zy de planten en het gras op het veld verbrand had.
Het Polytrichum commune, een soort van mos, wast overvloedig in lage en vogtige Weilanden tusschen de bosschen, en bedekt ze op vele plaatsen, gelyk ons mos in Zweden doet. Ook was het gemeen op de hoogtens.
[Landbouw.]
De Landbouw was hieromstreeks in enen slegten toestand. Wanneer iemant een stuk lands koopt, het geen misschien noit is bebouwd geweest, hakt hy een gedeelte van het hout omver, haalt de wortels uit den grond, beploegt dien, zait ’er koorn in, en heeft de eerste reis enen overvloedigen oogst. Dog dat zelve land verscheiden jaren agter een bebouwd wordende, moet het noodzakelyk zyne vrugtbaarheid verliezen. Men laat het dan braak leggen, en ontgint een ander stuk. Op deze wys gaat men voort tot dat men zyne geheele bezitting in koornlanden veranderd heeft, en put dus den grond uit. Dan komt men weer tot het eerste stuk lands, dat zig nu volkomen verhaald heeft, bebouwt het zo lang het iets geven wil, en gaat daarna weder aan een ander.
[Gebrek aan Mist.]
Het is hier onmogelyk veel mist te winnen, om dat men gewoon is het vee, zomer en winter, dag en nagt, altyd in ’t veld te laten. Maar wanneer het land enige jaren braak legt groeit ’er velerhande onkruid op, en dit zet ’er zig zo vast op, dat ’er een geruime tyd vereischt wordt om het uitteroeyen. Dit is ook de reden dat ’er altyd zo veel onkruids tusschen het koorn staat. De grote vrugtbaarheid van den grond, die by de aankomst der Europeanen noit bebouwd geweest was, deed hen den Landbouw op deze wys veronagtzamen, waarin velen nog blyven voortgaan. Maar dezen bedenken niet, dat als de grond geheel en al uitgeput is, ’er een lange tyd en veel arbeids nodig is om dien weder in staat te brengen; vooral in deze gewesten, die alle zomers door de hitte zo worden uitgedroogd. De grond der koornlanden bestond uit ene dunne laag van tuinaarde, zeer vermengd met een soort van steenkleurige klei, en vele deeltjes van gebroken glinsterende aarde. Deze laatste kwam van de stenen, die men hier overal op de diepte van een voet vindt. Deze stukjes deden den grond glinsteren, als ’er de zon op scheen.
[Glinsterende steen.]
Byna alle de huizen hier omtrent waren van dien steen of van gebakken’ steen, dog de eerste was gemeender. In Germantown, dat twee Eng. mylen lang is, zag men geen ander muurwerk dan van dien steen. Maar daar zyn ’er verscheiden soorten van. Somtyds bestond hy uit enen zwarten of gryzen glimmer, lopenden met golvende aderen, die hier en daar tusschen de kromtens met enen gryzen, lossen en fynen kalksteen opgevuld waren, welke ligt kon aan stukken gewreven worden. Sommige doorschynende deeltjes van Quarts waren ’er door verspreid. Dog het glinsterzand maakte het grootste deel van dien steen uit. Hy was vry gemakkelyk te bewerken, en kon met yzeren gereedschap in allerlei gedaantens gehouwen worden. Maar somtyds bestond hy uit enen zwarten glimmer met fyne korrels, enen witten fynen zandsteen, en enige Quartskorrels, zo dat de verscheidene delen wel door malkander gemengd waren. Somtyds vertoonden zig ook brede strepen van den witten kalksteen, zonder enig vermengsel van glimmer, dog meest waren zy sterk vermengd, en van ene gryze kleur. Eindelyk vindt men ’er op enige plaatsen die uit geheel fyne en zwarte glimmerstukken en enen grauwen, lossen en zeer fynen kalksteen t’zamengesteld zyn. Dezen waren ook gemakkelyk te bewerken.