Reis door Noord Amerika

Part 8

Chapter 84,136 wordsPublic domain

Omtrent het laatste van September zaide men de Weit en de Rogge, en deze granen worden gemeenlyk ryp omtrent het einde van Juli. Somtyds gebeurt het wel dat men ze al in ’t midden van Juni maijen kan, zelfs zyn ’er voorbeelden dat dit in ’t begin dier maand geschiedde. De [Garst en Haver.] Garst en Haver wordt in April gezaid; en zy beginnen gemeenlyk tegens ’t einde van Juli. [Boekweit.] De Boekweit wordt gezaid in ’t midden of op ’t einde van Juli, en is omtrent het einde van September, of iets later, in staat van ingeoogst te worden. Indien men ze vroeger zait geeft zy wel bloemen, dog weinig of geen koorn.

[Vee.]

De Heer Bartram en anderen verzekerden my, dat het meeste rundvee dat de Engelschen hebben afkomstig is van beesten die zy de Zweden gekoft hebben, toen die nog in ’t bezit van het land waren. De Engelschen zelven, wil men, dat ’er maar weinig hebben overgebragt. De Zweden bragten hun vee herwaards uit hun Land, of koften het van de Hollanders, die toen hier gevestigd waren.

[Klimop.]

Digt by de Stad zag ik een Klimop of Hedera Helix tegens den muur van een stenen huis staan, het welk geheel onder het groen der bladeren onzigtbaar was. Deze plant is zekerlyk uit Europa overgebragt, want ik heb ’er nergens anders ene van in Amerika gezien. Maar in plaats van dit gewas zag ik dikwyls wilde Wyngaarden die tegens de muren opklommen.

[Of de bomen en planten verbasteren als zy het noorden naderen.]

Ik vroeg den Heer Bartram of hy ook opgemerkt had, dat de bomen en planten verbasteren naar mate ze meer noordwaards gevoerd worden, gelyk Catesby beweert. Hy antwoordde, dat deze mening waar was, indien men ze met onderscheid voorstelde. Daar zyn sommige bomen die beter in de zuidelyke landen voortkomen, en die verminderen naar mate men het noorden nadert. Wanneer hunne zaden door de vogels by andere toevallen naar kouder lugtstreken worden overgebragt, worden de bomen hoe langer hoe kleinder, tot dat zy op ’t laatst in ’t geheel niet meer voortwillen. Maar daar zyn ook bomen en planten, welken de wyze Schepper voor de noordelyke landen geschikt heeft, en die daar tot ene verbazende hoogte wassen. Hoe meer dezen het zuiden naderen zo veel te meer nemen zy af, tot dat zy op ’t laatst in ’t geheel ophouden te groeyen. Andere planten eischen ene gematigde lugtstreek; en wanneer zy meer noord- of zuidwaards gevoerd worden, willen zy niet voort, maar nemen af. Dus zyn ’er, by voorbeeld, in Pensylvanie bomen die uitermate wel wassen, dog altyd afnemen naar mate zy verder naar het noorden of naar het zuiden gevoerd worden.

Ik heb dit naderhand op myne reizen dikwyls bekragtigd gevonden. De Sassafras, die in Pensylvanie op 40. gr. N. een tamelyk hoge en zware boom wordt, wast by Oswego en Fort Nicholson, tusschen de 43. en 44. gr. nauwlyks drie of vier voet hoog, en had nauwlyks de dikte van een pink. Het zelve had plaats omtrent den Tulpeboom. Deze wordt in Pensylvanie zo zwaar als onze grootste Eiken, maar by Oswego is hy niet meer dan twaalf voet hoog en enen arm dik. De Suikerahorn [56] is een der gemeenste bomen in de bosschen van Kanada, en wordt daar zeer zwaar. Maar in de zuidelyke Landschappen, als New Jersey en Pensylvanie, wast hy alleen maar op de noordelyke zyden van de Blauwe Bergen, en op de steile heuvelen langs de rivieren, welken tegens ’t noorden gekeerd zyn. Dog hier komen ze niet tot een derde of vierde van de hoogte die zy in Kanada bereiken. Meer voorbeelden wil ik hier niet bydoen.

[Muggen.]

De Muggen, die ons des nagts zeer plaagden, worden hier Musquetoes genoemd. Zy zyn volkomen gelyk aan de Muggen in Zweden, alleenlyk wat kleinder, en de beschryving, die ’er de Ridder Linnæus van, in zyn Systema Naturæ en zyne Fauna Suecica, geeft, past ook zeer wel op de Amerikaanschen. Zy komen by dag of by nagt in de huizen, en wanneer men te bed is beginnen zy haar onaangenaam gebrom, naderen de menschen hoe langer hoe meer, en zuigen hun op ’t laatst zo veel bloeds af als zy kunnen. Haar beet veroorzaakt bulten by menschen van een teder gestel. Als het weder enige dagen koel is geweest verdwynen zy; maar als het verandert, en vooral na enen regen, vergaderen zy dikwyls in zulk ene menigte rondom de huizen, dat het verbazend is. De schoorstenen der Engelschen, die gene klappen hebben, geven den Muggen vryen ingang. By hete avonden begeleiden zy het vee met grote zwermen van de bosschen naar de huizen of naar de Stad, en vliegen in de huizen in, als ze maar kunnen. In ’t heetste van den zomer zyn zy zo menigvuldig op sommige plaatsen, dat de lugt ’er vol van schynt, vooral omtrent poelen en staande wateren, gelyk de Rivier Morris in New Jersey. Om die onaangename gasten door den rook te verdryven, leggen de Inwoonders vuren voor hunne huizen aan. De oude Zweden, die hier waren, zeiden dat de Muggen voorheen hier nog veel menigvuldiger geweest waren; dat zy nog zeer menigvuldig langs het strand zyn, en die van Philadelphia van een vergiftiger soort zyn dan de anderen. Dit laatste bleek uit de bulten die zy maakten. In Zweden gevoelde ik noit ander ongemak van haren beet dan een weinig jeukte terwyl zy nog zogen. Maar als zy my hier des nagts staken wierd myn aangezigt zodanig met rode vlakken en bulten toegesteld, dat ik ’er zelf over beschaamd was.

[Betuiningen.]

Ik heb alreeds iets van de Tuinen hier te lande gebruikelyk gezegd, ik voeg ’er nu by, dat de meeste planken die overdwars gesteld worden, en waaruit de schuttingen rondom Philadelphia voornamelyk bestaan, van rood Cederhout zyn, dat hier voor duurzamer dan enig ander gehouden wordt. Maar wanneer men dat niet vinden kan, neemt men wit of zwart Eikenhout. Men houdt ook veel van de palen van rood Cederhout te hebben, of anders gebruikt men wit Eiken- of Kastanjenhout. Dog het schynt dat dit soort van hout hier niet lang goed in de aarde blyft. Ik zag palen van Kastanjenhout gemaakt, die pas een jaar oud waren, reeds van onderen grotendeels vergaan.

[Sassafras.]

De Sassafrasboom [57] groeit hier tamelyk veel, en staat hier en daar in de bosschen, by de hagen en de tuinen. Op oude akkers, die men onbebouwd laat leggen, is hy een van de eersten die opkomen, en is zo menigvuldig als de Berkebomen in Zweden op de gronden van afgebrande bosschen. [58] De Sassafras wast in ene droge losse aarde van ene bleke steenkleur, die grotendeels uit zand bestaat, vermengd met een weinig klei. Die gronden schenen vry mager te zyn. De bergen rondom Gothenburg zouden op vele plaatsen goed voor dien boom wezen, zo zy nog niet te vet zyn. Ik zag hem hier in de bosschen onder andere bomen, maar nog meer op zig zelven langs de heiningen staan. Op beide plaatsen schynt hy evenwel te tieren. Noit heb ik hem gezien op lage of natte plaatsen. Men verzamelt hier zyn bladeren, en gebruikt ze als thee. Maar het hout deugt nergens toe, want het kraakt te sterk in ’t vuur en brandt niet wel. De boom spreidt zyne wortels zeer ver uit, en uit dezelven schieten nieuwe spruiten op; dog deze scheuten zyn niet goed om te verplanten, om dat zy zo weinig vezelen buiten den stamwortel hebben, dat zy zig in de aarde niet regt vastzetten kunnen. Om den Sassafrasbomen te planten moet men de bessen gebruiken, dat egter ongemakkelyk is, om dat ze de vogels al op hebben eer zy half ryp zyn. De koeyen zyn zeer gesteld op de nieuwe tedere uitspruitsels van dezen boom, en zoeken ze overal op.

De Vrouwen gebruiken den bast van dezen boom om de wol ene schone oranjekleur te geven, welke in de zon niet verschiet. Zy gebruiken pis in plaats van ajuin in ’t verwen; koken de verw in enen koperen ketel, omdat zy in enen yzeren gekookt zynde zo schoon ene kleur niet geeft. Ene Vrouw in Virginie had de bessen van den Sassafras gebruikt tegens ene pyn in enen harer voeten, die zy drie jaar lang zo sterk had gehad dat ze niet gaan kon. Men raadde haar de bessen in ene pan te braden, en de pynelyke plaatsen met de daar uit komende olie te stryken. Zy deed het, dog het deed haar braken. Egter hield zy met het middel aan, schoon zy, zo dikwyls zy het deed, ’er de zelve uitwerking van gewaar wierd. De pyn verdween op ’t laatst geheel, en zy wierd volkomen hersteld.

[Spegten.]

Een zwarte Spegt, met enen roden kop, [59] is menigvuldig in de bosschen van Pensylvanie, en blyft ’er den winter over, gelyk ik zelf ondervonden heb. Hy wordt gerekend onder het gevogelte dat de Mais vernielt, omdat hy zig op de rype airen zet, en ze doorbyt. De Zweden noemen hem Tillkroka; maar alle andere Spegten, alleen die uitgenomen die goudgele vleugels hebben, heten zy Hackspikar. Ik zal ze allen te zamen nauwkeuriger in een byzonder werk beschryven. Alleen merk ik hier aan, dat byna al de soorten van Spegten zeer nadelig voor de Mais zyn, wanneer zy begint te rypen. Zy pikken gaten rondom de airen, waardoor de regen indringt, en het koorn doet rotten.

[Reis naar Wilmington.]

Ik vertrok den 3 October ’s morgens vroeg naar Wilmington, voorheen by de Zweden Christina genoemd, dertig Eng. mylen zuidwest van Philadelphia. Drie mylen van Philadelphia wierden wy over de Skulkill gezet. Het land begint hier onophoudelyk uit heuvelen en dalen te bestaan. De bergen zyn van alle kanten gloyend, en de dalen worden gedurig doorsneden van kristallyne beekjes. Het veld is grotendeels bedekt met geboomte dat ’s winters zyne bladeren laat vallen, want ik zag nauwlyks enen enkelden boom uit het geslagt der Dennen, uitgenomen enige weinige rode Ceders. Het hout was hoog, dog van onderen kaal, zo dat het een frai doorzigt aan het oog verschafte; ook kon men vry tusschen de bomen doorryden, zelfs op vele plaatsen met wagens, te meer daar de grond zeer effen was. Op sommige plaatsen zag men kleine vlakke velden, waar men weiden, en koornlanden had aangelegd. Van de laatsten waren sommigen bebouwd, anderen niet. Op enige plaatsen stonden verscheiden huizen digt by malkander, maar de meesten stonden alleen. Een deel der landen was alreeds met Weit bezaid, op zyn Engelsch, zonder gruppen, maar met watervoren digt by malkander. Op anderen zag ik het volk wakker bezig om de Rogge in den grond te brengen. Digt by ieder huis was een klein veld met Turksch koorn. De Inwoonders in deze streek waren of Engelschen of Zweden.

[Bomen.]

Ik zag den gehelen dag verscheiden soorten van bomen, Walnootbomen van meer dan een soort vol van noten, kastanjebomen geheel bedekt met vrugten; Moerbezie-, Sassafras-, Liquidambar-, Tulp- en andere bomen.

[Wyngaarden.]

Verscheiden’ soorten van wyngaarden groeiden welig, en klommen op tot in toppen van de bomen, bedekkende de stammen met hunne druiftrossen en bladeren. Ik zag zelfs enige jonge Eiken, vyf of zes vadem hoog, om de welken zy zig gewonden hadden. De grond is hier, gelyk meest in deze streek, een mengsel van zand en klei, bedekt met ene ryke bovenkorst. De Wyngaarden ziet men meest op bomen, die alleen op de koornvelden staan, en daar de bosschen ophouden, en de weiden of akkers beginnen; ook langs de heiningen, waar zy hunne ranken om de bomen slaan die daar groeyen. Het bovenste droeg zelden vrugten, dewyl de winden dit verhinderen; maar het onderste is vol van trossen, die onder de bladen uithangen, en nu byna ryp waren. Zy hadden een aangenaam zuur. De Boeren verzamelen ze in menigte en verkopen ze in de Steden. Men eet ze rauw, en zet ze gemeenlyk voor wanneer men bezoek krygt.

[De zwarte vette aarde.]

De vette aarde scheen hier niet zeer diep te zyn, want zy had niet veel meer dan twee duimen diepte. Ik had gelegenheid dit te zien zo wel op zulke plaatsen daar gegraven was, als op anderen, waar de regenvlagen scheuren gemaakt hadden, het welk zeer gemeen hier omtrent was. De opperste aarde was donker van kleur, en die daarop volgde was bleek, Ik heb overal, waar ik in Amerika geweest ben, gevonden, dat de dikte der bovenste vette aarde op ver na niet zo groot is als sommigen rekenen. En nogthans kan men verzekerd zyn dat zy sedert den zondvloed op sommige plaatsen niet geroerd is. Ik zal hier van in ’t vervolg nader spreken [60]. De Datura Stramonium wast omtrent alle de dorpen in overvloed. Hy wordt groter naar dat de gronden zyn. In ene vette aarde komt hy tot agt of tien voeten, maar in ene magere zal hy pas zes duim hoog worden. De Datura nevens de Amerikaansche Nagtschaduw wast hier op die plaatsen digt by de tuinen, de huizen, en de wegen, waar in Zweden de Brandnetels en de Ganzevoet groeyen, welke Europische gewassen zeldzaam in Amerika zyn. Maar de Datura en de Nagtschaduw zyn hier het grootste onkruid, van de welken men geen nut ter wereld weet te trekken.

[Rapen.]

Hier en daar zag men een veld met rapen bezaid. Op het midden van den groten weg wierd ik ene dode zwarte slang gewaar, die vier voet en zes duim lang, en anderhalven duim dik was. Zy behoorde tot het geslagt der Adders.

[Kring om de Maan.]

’s Avonds laat verscheen ’er een kring om de Maan. Het volk voorspelde ’er storm of regen, ofwel beiden te gelyk, uit. Hoe kleinder de kring is des te eer verwagt men slegt weder. Dog niets van dit alles volgde ’er op; maar de kring had koude voorspeld.

[Chermes alni.]

Ik zag dien dag op de Elzebomen in menigte de Chermes alni op de takken zitten, welken daar door geheel wit, en op enigen afstand geheel beschimmeld schenen.

[De Landsdouwe.]

Ik vervolgde den 4. October myne reis in den vroegen morgen, en het land bleef ’er nog al even eens uitzien. Het was een gedurige keten van tamelyk hoge bergen, ligt van alle zyden te beklimmen, en van dalen tusschen dezelven. De grond bestond uit ene steenkleurige tuinaarde, die met klei vermengd was, en hier en daar kleine keizelsteentjes bevattede. Ik reed somtyds door bosschen van allerlei soorten van hout, en somtyds tusschen kleine velden door, daar men het hout vernield had, en die nu tot koornakkers of weiden dienden. De Landhuizen stonden op hun zelven, somtyds digt by de wegen, somtyds ’er wat van daan, zynde dan tusschen dezelven en den weg koornvelden of weiden. Sommige huizen waren van steen, twee verdiepingen hoog, en gedekt met witte cederplanken. De meesten waren egter van hout, en de scheuren gevuld met klei. De schoorstenen hadden nergens klappen, waarvan men hier niet weet. De ovens waren gemeenlyk op enigen afstand van de huizen gemetseld, en waren somtyds overdekt, somtyds niet. De velden stonden ten dele met Boekweit, die nog niet gemaid was, ten dele met Mais, ten dele met Weit, die eerst gezaid was, en ten dele lagen zy braak. De Wyngaarden klommen tot op de toppen van verscheidene bomen, en hingen ’er aan beide zyden af. Anderen waren bedekt van den vyfbladigen klimop, [61] die ook zeer hoog opklom. De Smilax laurifolia was altyd by den klimop, en wond zig met denzelven te gelyk om de bomen. De bladen van den klimop waren ten dezen tyde meest roodagtig, dog die van den Wyngaard waren nog groen. De bomen die met deze gewassen omwonden waren vertoonden zig van verre even gelyk die waarom by ons de Hop wast. Walnoot- en kastanjebomen kwamen overal voor, en waren vol van vrugten. De Persimon was ook menigvuldig langs de wegen en in de bosschen. Zyne vrugten, nog niet bevroren zynde, waren nog niet eetbaar, dog zy waren overvloedig. Op eenigen afstand van Wilmington trok ik over ene brug, die over een klein riviertje legt, het welk zig noordwaards in de Dellaware stort. Voor elken persoon en zyn paard betaalt men hier twee pence. Ik kwam tegens den middag te Wilmington aan.

[Wilmimgton.]

Wilmington is een klein Steedtje omtrent dertig Eng. mylen zuidwest van Philadelphia. Het wierd in ’t jaar 1733. aangelegd. Een deel daarvan staat op den grond van de Zweedsche Kerk, welke jaarlyks daarvoor enige inkomsten trekt, waaruit de Predikant zyn jaargeld heeft, en het overige wordt tot iets anders besteed. De huizen zyn van steen, en zien ’er wel genoeg uit; dog zy staan niet digt by malkander. Tusschen beiden zyn grote open vlekken. De Quakers hebben hier ene Vergaderplaats. De Zweedsche Kerk, waarvan straks nader, staat ene halve Eng. myl buiten de Stad. De Pastory is met de Kerk onder het zelve dak. Ene kleine Rivier, genoemd Christina-kill, loopt voorby de plaats, en valt drie mylen lager in de Dellaware. Men wil dat ze in staat is de zwaarste schepen tot voor de Stad te brengen. Zy is by haren uitloop in de Dellaware het ondiepst, en nogthans heeft ze daar twee en enen halven vadem waters. Dog hoger op is zy tot vier vadem diep. Dus kunnen de grootste schepen met hunne lading by den vloed voor de Stad komen. Voor Wilmington ziet men zeer duidelyk een groot deel der Dellaware en de schepen die ’er op zeilen. Aan beide zyden van de Christina-kill, van de schans af tot haren uitloop in de Dellaware, leggen lage weilanden, die veel hoi opleveren. De Stad dryft enen aanmerkelyken handel, en zou groter wezen, indien Philadelphia en Newcastle, twee Steden die ouder zyn, haar van twee kanten niet zo na waren.

De Schans op de Christina-kill wierd dezen zomer eerst opgeworpen, op de tyding dat de Fransche en Spaansche Vrybuiters voornemens waren de Rivier optezeilen, en ene landing te ondernemen. Zy staat op de zelve plaats waar de Zweden hunne Schans hadden. By ’t opwerpen dezer versterking vond men een stuk Zweedsche zilvermunt. Men vereerde het my. Op de ene zyde stonden de wapenen van het huis van Wasa, met het omschrift, Christina D. G. De. Re. Sue. en daarnevens het jaargetal 1633. Op de onderste zyde las men de woorden, Moneta Nova Regni Suec. Ten zelven tyde ontdekte men ook ene menigte van oud yzeren huisraad. De Schans beslaat uit een plankwerk met enen aarden wal van buiten. Het kruidmagazyn is een stenen verwulf. By het opwerpen dezer Schans waren de Quakers, wier beginsels allen kryg afkeuren, even zo yverig aan ’t werk als de overigen. De vrees van zig ieder ogenblik aangetast te zien had alle gemoederen ingenomen. Velen van hun maakten zwarigheid hunne handen aan het werk te slaan, dog bevorderden het door geld te schieten, en bezorgden alles wat ’er nodig was.

[Vertrek.]

Den 5. October was het myn voornemen de Dellaware overtesteken en my naar New Jersey te begeven, om dat gewest te zien. Maar alzo ’er geen veer was keerde ik weer te rug naar Philadelphia. Ik volgde gedeeltelyk den groten weg, en gedeeltelyk dwaalde ik wat bezyden af, om des te beter het land te leren kennen, en waarnemingen te doen.

[Mais.]

Het Turksch koorn was op verscheiden’ plaatsen gezaid. Op sommigen had men de stelen een weinig onder de airen afgesneden, gedroogd en op smalle dog hoge stapels gelegd, om ’s winters tot voer voor het vee te dienen. Het onderste gedeelte van den steel had ook bladeren, maar dewyl die gemeenlyk van zelven drogen, gebruikt men die niet, om dat ’er al de kragt uit is. Dog het bovenste snydt men terwyl het nog groen is.

[Landsdouwe.]

De dalen tusschen de bergen hebben meest allen beekjes, dog die zyn niet breed, en wagens en paarden ryden ’er gemakkelyk door. Het water is zelden meer dan zes duim diep.

[Het loof.]

De bladeren van de meeste bomen waren nog volkomen groen, gelyk die van den Eik, den Kastanjeboom, de zwarte Walnoten, de Hikory, den Tulp- en Sassafrasboom. De twee laatste soorten vond men menigvuldig op de zyden van kleine boschjes op de heuvelen, op de braaklanden, by de hagen en op de wegen. De Persimon had ook nog zyn loof, schoon sommigen het al kwyt waren. De bladen van de Amerikaansche Braam waren thans byna geheel rood, hoewel zy op sommige struiken nog een levendig groen hadden. De Kornoelje had reeds ook al een mengsel van bruine en bleke bladeren. Het blad van den Roden Ahorn was gantsch rood.

[Chichester.]

Ik zettede myne reis voort tot Chichester, een Vlek op de Dellaware, waar een Veer is. Hier worden alle jaren verscheiden kleine vaartuigen op den koop getimmerd. Men laadt hier ook veel yzer in, dat uit een yzerwerk komt wat hoger op gelegen.

[Kanoos.]

Kanoos zyn schuiten uit een enkeld stuk houts gemaakt, en worden het meest van de Landlieden op de Dellaware en kleine rivieren gebruikt. Ten dien einde holt men enen dikken stam uit; de Rode of Witte Ceder, de Kastanje, de Witte Eik en de Tulpboom worden hier toe het meest genomen; maar den Witten en Roden Ceder houdt men voor het best, om dat dat hout ligt dryft en wel twintig jaren duurt. Dog van dezen is de Rode Ceder nog de beste. Kanoos van Kastanjenhout gemaakt duren ook vry lang. Dog die van den Witten Eik zyn nauwlyks langer dan zes jaar goed, en zinken te diep. De Liquidambar [62] is zwaar genoeg, dog niet goed om Kanoos te maken, vermits hy ’t water indrinkt. Die van Tulpebomenhout gemaakt zyn duren nauwlyks zo lang als die van wit Eikenhout. De grootte der Kanoos is verschillend volgens het gebruik dat men ’er van wil maken. Zy kunnen zes menschen voeren, die evenwel heel stil op den grond zitten moeten, om niet om te slaan. De Zweden in Pensylvanie en New Jersey hebben geen andere schuiten om mede naar Philadelphia te gaan, het welk zy gemeenlyk tweemaal ’s weeks op de marktdagen doen, schoon zy verscheiden’ mylen van de Stad afwonen, en somtyds zware stormen ontmoeten. Egter hoort men niet dat ’er zo veel ongelukken gebeuren, als men van zulk een vaartuig verwagten zou. Daar wordt veel voorzigtigheid toe vereischt om ze te regeren als het hard wait, want zy zyn smal, rond van onderen zonder kiel, en slaan dus gemakkelyk om. Om die reden waagt men het niet lang op de Dellaware te blyven als de wind wat sterk opsteekt, maar zoekt het land.

[Tuinkers.]

De gemene Tuinkers [63] wast op vele plaatsen op de wegen naar Chichester, en komt, naar alle gedagten voort, uit de zaden die uit de tuinen hierom heen weg gevoerd worden.

[Braam.]

De Amerikaansche Braam is hier in overvloed. Als men een land onbebouwd laat leggen, is deze plant ene van de eersten die opkomt; zelfs heb ik ze gezien op landen die alle jaren omgeploegd en bezaid wierden. Waar zy eens geworteld heeft, kan men ze niet ligt uitroeyen. Een struik schiet dikwyls vier vadem van den wortel af langs de aarde voort, maakt dan een nieuwen wortel, zo dat, als men enen struik uittrekt, men aan deszelfs beide eindens wortels vindt. Op enige oude akkers, die lang verzuimd zyn, waren zo vele struiken van dit soort, dat het zeer moeilyk en gevaarlyk was ’er op te wandelen. De bessen worden gegeten en zyn goed als ze ryp zyn. Men maakt ’er ook enen wyn van, gelyk ik al gezegd heb. Zy dienen tot niets anders.

[Wormkruid.]

Den 6. October zagen wy veel van het Chenopodium anthelminticum op den groten weg wassen, ook op den oever der Rivier, maar vooral op deze plaatsen in een los zand. De Engelschen noemden het Wormzaad [64] of Jerusalemeik. [65] Het ruikt onaangenaam. In Pensylvanie en New Jersey geeft men het zaad den kinderen tegens de wormen, en het is hiertoe uitmuntend. De plant wast daar in ’t wild.

[Boomgaarden.]

Rondom Chichester vindt men vele tuinen, die vol zyn van Appelbomen, welker takken onder ’t gewigt der vrugten buigen. De meesten zyn winterappelen, en derhalven waren ze nog geheel zuur. Elke Landhoeve en boerdery heeft haren tuin. Zy waren tamelyk uitgestrekt, en verschaften den eigenaar het gehele jaar door groten onderstand in de huishouding. Ik was dikwyls verwonderd over de schrandere behandeling der Inwoonders van dit Land. Zo dra hebben zy niet een stuk gronds gekoft, dat nog woest legt, of zy zorgen jonge Appelbomen te hebben en een tuin te maken. Dan gaan zy aan het bouwen van een huis, en dan bearbeiden zy den grond om dien te bezayen. Zy weten dat de bomen enige jaren van noden hebben voor dat ze vrugt dragen, en daarom planten zy die het eerst. Ik zag naby de huizen molens, raderen en andere werktuigen om de appelen te perssen, om ’er vervolgens Cyder van te maken.

[Weg van Chichester naar Philadelphia.]