Reis door Noord Amerika

Part 7

Chapter 74,097 wordsPublic domain

De Heer Bartram verzekerde my dat de Amerikaansche Eiken op ver na zo duurzaam niet zyn als de Europischen. Om die reden worden de Schuiten, die langs de Hudson Rivier de waren van de bovenlanden afvoeren, van twederlei hout gemaakt. Voor het deel dat altyd onder het water is neemt men den zwarten Eik; voor het andere dat nu onder dan boven ’t water is, en des te meer voor het vergaan bloot staat, gebruikt men den zogenaamden Roden Ceder, [41] welks hout van byna alle de bomen des lands voor het duurzaamste gehouden wordt. De kiel maakt men deswegens van zwarten Eik, dewyl dit een tai hout is. Want daar de stroom zeer vol van stenen is, en de vaartuigen dikwyls stoten, geeft het eikenhout mede, en bekomt dus zo ligt geen scheuren. De Ceder zou daartoe niet deugen, om dat hy te hard is en ligt in stukken springen zou. Ook vergaat het eikenhout zo ligt niet als het altyd onder water blyft.

[Peren.]

Men kan hier in den herfst goede Peren kopen; dog men zeide overal dat die vrugt in dit Land niet wel slagen wilde.

[De Ratelslang.]

Al wat ik aangaande de Ratelslang by myn verblyf in Amerika heb opgemerkt, staat in de Verhandelingen van de Koninglyke Zweedsche Maatschappy der Wetenschappen voor de jaren 1752. en 1753. werwaards ik den Lezer wyze.

[Beren.]

Beren worden ’er hoger op in het Land in tamelyke menigte gevonden, en doen dikwyls schade. De Heer Bartram verhaalde my, dat als een Beer enen Os gevangen heeft, hy hem een gat in de huid byt, en daar zo lang met al zyn kragten inblaast, tot dat het beest geheel opzwelt en sterft, want de lugt zet zig tusschen het vleesch en ’t vel kragtig uit [42]. Een oude Zweed, een man van een en negentig jaren, vertelde dat in zyne kindschheid hier ongemeen veel Beren geweest zyn, dog zy deden het vee zelden schade. Als men ’er enen geschoten had leefde men met zyn vleesch als met dat van een zwyn. Het was zeer goed van smaak. Aan de Rivier Morris maakt men van het Berevleesch hammen. Tegenwoordig vindt men omstreeks Philadelphia en in geheel Pensylvanie weinig Beren, vermits zy allengskens uitgeroeid zyn. In Virginie doodt men ze op verscheidenerlei wyzen; en hun vleesch eten zo wel de Ryken als de Armen, om dat men denkt dat het ruim zo goed is als varkens vleesch. Op vele plaatsen van dat Landschap, waar men gene varkens houden kan, om dat ’er zoo veel Beren zyn, jaagt men op die dieren, om hun vleesch in plaats van varkens vleesch te gebruiken. Men wil dat de Amerikaansche Beren zo boosaardig en gevaarlyk niet zyn als de Europischen.

[Weegbree.]

Den 26. Sept. zagen wy het Weegbree [43] in overvloed op de wegen, in de weiden en in de boomgaarden wassen. De Heer Bartram had deze plant op zyn reizen dikwyls aangetroffen. Egter wist hy niet of zy tot de Amerikaansche gewassen behoorde, dan of ze uit Europa overgebragt was. Deze twyffeling was daaruit by hem ontstaan, dat de Wilden, die van oudsher grote kennis hadden gehad van de gewassen des lands, beweerden, dat voor de komst der Europeanen deze plant in ’t land niet wies. Zy noemen haar daarom ook den Engelschmans voet; want daar de Europers heen gingen, zeggen zy, daar wies deze plant in zyne voetstappen.

[Andere gewassen.]

De Ganzevoet met uitgesneden bladeren [44] stond rykelyk in de tuinen, dog zy was zeldzaam by de huizen, op de wegen, en koornvelden. Dit schynt te bewyzen, dat zy ook niet oorspronglyk uit Amerika is, maar met andere zaden uit Europa is overgevoerd. Het zelve denkt men van het Tanacetum vulgare, ’t welk hier en daar aan de hagen, op de wegen, en om de huizen wies.

Het gemene Yzerkruid met blauwe bloemen [45] wierd my door den Heer Bartram getoond, staande niet ver van zyn huis op ene vlakte by Philadelphia. Dit was de enige plaats waar het in Amerika te vinden is. En dus moet het te gelyk met andere zaden uit Europa zyn overgekomen.

[Beddingen van aarde.]

De Heer Bartram was voornemens een huis te Philadelphia te doen bouwen. Men was bezig met een kelder te graven. Ik bemerkte daar de volgende beddingen. De bovenste lugtige aarde was ene tuinaarde, maar enen halven voet dik, en donker bruin. Daar onder lag ene klei, sterk met een zeker zand vermengd, zo dat het meest zand was, ter diepte van agt voeten. Dit zag ’er steenkleur uit. Daarop volgden kleine keizelsteentjes, zo groot als een vingerlid, vermengd met grof zand. De stenen bestonden uit een deel donkeren en uit een deel helderen quarts, [46] waren van buiten geheel glad en rond, en lagen een halve el hoog. Eindelyk kwam de met zand vermengde steenkleurige klei weer boven. Hoe diep deze reikte, kon men niet bepalen. Zoude ook de Rivier zig voorheen tot hier toe uitgestrekt en de beddingen gemaakt hebben?

[Zeeschelpen in de aarde.]

De Heer Bartram had niet alleen oesterschelpen in menigte op het veld gevonden, maar had ook mosselschalen en andere schelpen die ongetwyffeld tot de zee behoren, meer dan honderd Eng. mylen ver van de zee af aangetroffen. Zelfs had hy ze op de bergen waargenomen, die de Engelsche planteryen van de woonplaatsen der Wilden afscheiden.

[De Blauwe Bergen.]

Dit gebergte, by de Engelschen de Blauwe Bergen genoemd, is vry hoog en strekt zig in ene keten uit van het Noorden naar het Zuiden, of van Kanada naar Karolina. Op sommige plaatsen zyn openingen, die met voordagt schynen gemaakt te zyn, om aan de grote stromen uit de hoger landen enen doortogt te geven. De Heer Bartram verzekerde dat de lugt op deze bergen genoegzaam altyd kouder was dan in de dalen.

De Cassia Chamæcrista wies op de paden door de bosschen, en somtyds ook op onbebouwde akkers, vooral als zy met klein hout bezet waren. Haar blad gelykt veel naar die van sensitiva [47], en heeft de zelve eigenschap, van zig op ’t aanroeren t’zamen te trekken.

De Krayen zyn hier weinig van de Zweedschen onderscheiden; dog haar geschreuw is zo grof niet, maar wat meer kirrende.

[Reuzepotten.]

Heer Bartram verhaalde, dat hy, op zyne reizen naar de noordelyke Volkplantingen, by de Rivieren zekere holen in de bergen ontdekt had, welken, volgens zyne beschryving diergelyke Reuzepotten moeten geweest zyn, gelyk men in Zweden vindt, en ik ’er enigen van in de Verhandelingen der Koninglyke Maatschappy beschreven heb. [48] Hy had over dit onderwerp enige brieven aan de Koninglyke Maatschappy geschreven. Enigen beweerden dat deze holen door de Wilden gemaakt waren, om in tyd van oorlog hun koorn en andere goederen te bergen. Dog dit gevoelen zogt hy te wederleggen. Volgens hem waren zy op deze wys ontstaan. Wanneer zig des winters het ys vastzet, blyven ’er vele keizelsteentjes inzitten. Als dan in de lente de sneuw smelt, zo zwelt het water in de Rivieren zo sterk, dat het hoger komt dan de plaatsen daar nu deze gaten gevonden worden. Het ys moet gevolgelyk ook zo hoog komen; en dan gebeurt het dikwyls dat enigen der keizelstenen, die in het ys vastgevroren waren, uit het ys zelve op den berg vallen, en daarna door het water in ene kloof of kleine ongelykheid van den grond gevoerd worden. Het water drait deze steentjes vervolgens in die kloven rond, en holt ze dus, allengskens hoe meer, uit. Het water slypt te gelyk, door zyne kringswyze beweging, den steen glad, en helpt het hol rond maken. ’T is zeker, dat door dit drayen en stoten de steen hiertoe op het laatst onbekwaam wordt; dog de stroom werpt alle voorjaren weder andere stenen in derzelver plaats, die even op de zelve weder rond gedraid worden. Het gene dus van de bergen of de stenen afgeslepen wordt is een meer of min grof zand, ’t welk door het water, wanneer het hoog staat, en zyne golven in de holen staat, weg gevoerd wordt. Dit waren de gedagten van den Heer Bartram. De Londensche Maatschappy had dezelve goedgekeurd. [49] De aanmerkingen, die ik by myn verblyf te Landfort in ’t jaar 1743. gemaakt heb, tonen dat ik toen van ’t zelve gevoelen was. Ik heb het zelve in enen brief aan de Koninglyke Maatschappy, die onder hare ongedrukte schriften bewaard wordt, verder ontwikkeld. Evenwel is ’er grote reden om te twyffelen of alle de holtens van dit soort op deze wys wel ontstaan zyn.

[Moerbeziebomen.]

Van de Moerbeziebomen treft men hier verscheiden soorten aan, die in Noord en Zuid Amerika in de bosschen wassen. Hier zyn de roden zeer menigvuldig. De Heer Bartram verzekerde egter dat hy de witten ook in ’t veld gezien had, schoon zy zeldzamer zyn. Ik vroeg, waarom men hier gene zydefabrieken aanlag, daar hier de moerbeziebomen zo wel tierden; dog het antwoord was dat de daglonen ’er te duur toe waren. Een manspersoon wint dagelyks drie Eng. schellingen en meer, en de vrouwlieden winnen naar evenredigheid. Dus dagt men dat het telen van allerlei koorn, hennip en vlas, beter betaald werd, en zo veel oppassens niet vorderde als het kweken van zydewormen. Dat evenwel de zydewormen hier wel voort willen, en dat deze moerbeziebomen zeer goed voor hun zyn, bleek uit de proeven door enen Gouverneur van Konnektikut, dat nog noordelyker dan New York legt, genomen. Deze fokte zo vele zydewormen aan, dat zy hem met zyn huisgezin van hunne zyde kleedden.

[Wyngaarden.]

Verscheiden soorten van Wyngaarden wassen hier ook. Zy omwinden op zeer vele plaatsen de bomen, zo dat zy ze byna geheel bedekken, en ’er aan de zyden by neer hangen. Dit maakt omtrent de zelve vertoning als wanneer by ons de hopranken tegens de bomen opklimmen. Ik vroeg ook, waarom men hier gene wynbergen aanleide en uit de wilde druiven wyn maakte, dog ik kreeg het zelve antwoord, als omtrent de zydefabrieken. De menschen willen te duur betaald zyn. Dus was het voordeliger zig op den akkerbouw boven al toeteleggen. Dog de voornaamste oorzaak is wel deze, dat de wyn, die uit de Amerikaansche druiven geperst wordt, zuur en scherp is, en in lang zo aangenaam niet smaakt als de Europische.

[Het Arum.]

De Virginische Kalfsvoet [50] wast op natte plaatsen. De Heer Bartram verhaalde, dat de Wilden den steel der bloem en de bessen kookten, en als iets lekkers aten. Zo lang de bessen nog rood zyn zyn zy scherp en wreed, dog dit gaat ’er in het koken af.

[Sarothra.]

De Sarothra Gentianoides wast overvloedig buiten Philadelphia op de velden, onder ’t hout, in ene droge zandige aarde. Zy geleek onze blauwbessestruiken zeer wel als zy eerst beginnen groen te worden en de spitsen der bladeren nog rood zyn. De Heer Bartram had deze plant aan Doctor Dillenius gezonden, dog deze wist niet tot welk een soort hy ze brengen moest. Men wil dat zy wondhelend is, en dit heeft de Heer Bartram zelf ondervonden, toen hy, eens van ’t paard gevallen en daarvan geslagen zynde, de beide dyen zwaar gekneusd had. Hy kookte de Sarothra, en lag ze op de gekneusde plaatsen. De pyn, die in ’t eerst zeer heftig geweest was, verdween spoedig, en hy was binnen kort volkomen hersteld.

[Lorkeboom.]

In het Kruidkundig Woordenboek van den Heer Miller gelezen hebbende, dat de Heer Peter Collinson in zynen hof enen Lorkeboom gehad had van een byzonder soort, die hem uit Amerika gezonden was, vroeg ik den Heer Bartram of die boom by hem bekend was. Hy antwoordde my, dat hy zelf dien boom aan den Heer Collinson gezonden had; dog dat hy in ’t oostelyke deel van Jersey in ’t wild groeide; dog dat hy hem anders nergens in de Engelsche Volkplantingen voorgekomen was. Hy is daarin van de andere Lorkebomen onderscheiden dat zyn zaadhuisjes veel kleinder zyn. Dog ik heb naderhand dezen boom in grote menigte in Kanada gezien.

[Appelbomen.]

De Heer Bartram dagt dat de Appelboom uit Europa herwaards overgevoerd was, dog hy hield de Persik voor ene Amerikaansche vrugt, die daar in ’t wild wast. Anderen daarentegen meenden dat de Europeanen ze mede gebragt hadden. Dog de Franschen in Kanada zeiden dat de Persiken in menigte omstreeks de Rivier de Missisippi in ’t wild gevonden wierden.

[De Mispelboom.]

De Persimon der Engelschen, Dyospyrus Virginiana by Linnæus, noemen de Zweden Mispelboom. Hy wast op de meeste vogtige plaatsen. Ik heb reeds boven gezegd dat de vrugten van dezen boom, eer dat ze volkomen ryp zyn, bitter en t’zamentrekkend waren, dog wanneer ze volkomen hare rypte hebben, het geen niet eer geschiedt dan wanneer de vorst ze aangedaan heeft, zyn zy zeer aangenaam om te eten. Men eet ze zeldzaam anders dan rauw. Dog uit een groot boek, behelzende ene beschryving van Virginie, onder het woord Persimon, kan men zien dat de Mispelen op meer dan ene wys bereid worden. De Heer Bartram verhaalde, dat men ze hier tot een schoteltje op het nageregt gebruikte, en dat ’er menschen waren die ’er enen zeer aangenamen wyn uit maakten. By hem waren ’er verscheiden op den grond gevallen, die door de zonnestralen byna ryp geworden waren. Wy proefden ’er enigen van, en ik moet bekennen, dat zy gelyk hebben die zeggen dat zy aangenaam zyn. Zy verdienen onder de smakelykste vrugten van dit land gerekend te worden, wanneer de vorst haar scherpte heeft weggenomen.

[Wolkruid.]

Het Verbascum Thapsus, of grote witte Wolkruid, staat overal in menigte, op de wegen, aan de tuinen, in droge gronden, op hoge weiden, die enen zandigen bodem hebben. De Zweden noemden het Tabak der Wilden; egter erkenden zy niet te weten of de Amerikanen dit kruid als Tabak gebruikten. De Zweden plegten in hete koortsen de bladeren ’er van om de armen en voeten der zieken te binden. Men maakte ook een thee van de bladen tegens den buikloop. Ook zeide my een Zweed, dat men den wortel in water kookte, en het dan in de wonden van het vee spoot, dat vol van wormen was, waardoor de wormen stierven en ’er uit vielen. [51]

[Het gras.]

Den 28. Sept. hadden de tusschen de bosschen gelegen, afgemaide weilanden nog een levendig groen gras. In tegendeel op zulke weiden, die tegens de hoogtens, in ’t vlakke veld, en zeer voor de zonne bloot lagen, zag het gras ’er bruin en droog uit. Verscheiden menschen uit Virginie verhaalden my dat daar, wegens de grote hette, de weiden ’er meest altyd bruin en verbrand uit zagen. Dus heeft men daar het vermaak niet, gelyk in Europa, van de weiden met een schoon groen bekleed te zien.

[Nagtschaduw.]

De Amerikaansche Nachtschaduw [52] wast overvloedig onder het geboomte en op kleine heuvelen. Hare zwarte bessen waren reeds ryp. Wy bemerkten dat kleine blauwe vogeltjes, van de grootte als onze Emberiza citrinella uit de bomen op de Nagtschaduw kwamen vliegen en hare bladeren aten.

Tegens den avond ging ik naar het Landgoed van den Heer Bartram.

[Gnaphalium.]

Het Gnaphalium margaritaceum staat in verbazende menigte op alle onbebouwde velden, heuvels, en anders. Men vind deze plant van verschillende langte naar mate van den grond. Somtyds heeft zy veel en somtyds weinig takken. De reuk is sterk dog lieflyk. De Engelschen noemen ze het Euwige leven, [53] om dat hare bloemen, die grotendeels uit droge, glinsterende, zilveragtige blaadjes [54] bestaan, niet veranderen als ze gedroogd worden. Deze plant was thans overal in haren vollen bloei; hoewel ’er waren die al hare bloemen verloren en begonnen hadden haar zaad te stroijen. De Engelsche vrouwen vergaderden veel van deze plant, plukten ze met den steel af, en zetteden ze, met andere schone bloemen, die zy van de velden of uit de tuinen hadden, in potten, tot een sieraad voor de kamers. In ’t algemeen waren zy daar zeer op gesteld van den gehelen zomer over, allerlei zo voor het oog als den reuk aangename bloemen onder of op den schoorsteen, ook wel op de tafel of in de vensterbanken te hebben. Het Gnaphalium hielden zy den winter in hare kamers over, om dat de bloemen ’er van niets veranderen. De Heer Bartram verhaalde my nog een ander gebruik van deze plant; te weten, men bedient zig van een afkooksel van de bloem en den steel, of van de plant zelve in enen zak gebonden, om ’er kneuzingen mede te bestryken.

[Wilde hennip.]

In plaats van vlas gebruiken vele menschen hier een soort van het Apocynum cannabinum van Linnæus. Men bereidde den steel gelyk het hennip en het vlas. Men spint het en weeft ’er allerlei goed van. Men wil dat de Wilden, van overoude tyden af, zakken, vischnetten, en diergelyke dingen ’er van gemaakt hebben.

[Aanwas van het land.]

Ik vroeg den Heer Bartram of hy ook opgemerkt had of de zee lager geworden was, en voorheen plaatsen bedekt had die nu land waren. Hy zeide my, dat naar zyne waarnemingen het grootste deel van dit Land, vele mylen ver, voorheen moest onder water gestaan hebben. De redenen voor dit gevoelen waren dezen.

I. In ’t graven op de Blauwe Bergen, die meer dan drie honderd Eng. mylen van de zee af zyn, had men hier en daar losse mossel-, oester- en andere schelpen gevonden; welken men insgelyks in de vallyen tusschen die bergen ontmoet.

II. Men vind daar ook in kalkstenen, vuurstenen en anderen, ene verbazende menigte van versteende mosselschelpen. Hy verzekerde dat het nauwlyks te geloven was hoe vele duizenden daarvan in de verschillende soorten van stenen, waaruit het gebergte bestond, zaten.

III. Even zulke schelpen graaft men geheel en onveranderd op in Virginie, Maryland, New York en Pensylvanie.

IV. By ’t graven naar wellen, niet alleen te Philadelphia, maar ook op andere plaatsen, ter diepte van agttien voeten, zyn stammen, wortelen van bomen, ja zelfs eikenbladeren, voor ’t groter deel nog onverrot gevonden.

V. De vetste en beste aarde legt hier in de dalen. Dezen worden gemeenlyk door enen kleinen stroom of ene beek doorsneden. Aan derzelver afdalende zyde ryst merendeels een berg, die, waar ’er het water tusschen door vliet, ’er uitziet, als of hy met voordagt zo doorgraven was. De vallyen waren, dagt de Heer Bartram, voorheen allen meren geweest, en het water had allengskens de bergen uitgehold, en ’er zig enen weg door gemaakt. De menigte van modder, dien men in ’t water vindt, en die eertyds op den grond van het meer gelegen had, was, naar zyn oordeel de aarde van de tegenwoordige landen, die zulk ene vrugtbaarheid bezit. Zulke dalen en doorgesneden’ bergen vindt men hier te lande zeer veel. Dusdanig is de zonderlinge opening tusschen twee bergen, door de welke een rivier op de grenzen van Pensylvanie en New York doorstroomt. Men zegt hier schertsgewyze, dat de Duivel die opening gemaakt heeft om uit het ene landschap in het andere te komen.

VI. Men kan aan de Blauwe Bergen duidelyk bespeuren dat zy voorheen ten dele onder water zyn geweest, want velen van dezelven zyn op ene zonderlinge wys afgebroken, dog de hoogsten niet.

VII. Wanneer men de Wilden zegt dat ’er op deze hoge bergen mosselschelpen gevonden worden, en dat men daaruit opmaakt dat de zee voor dezen daarover heen gegaan heeft, antwoorden zy, dat dit hun niet verwonderbaar voorkomt, vermits ’er onder hun ene overlevering is, dat de zee in oude tyden rondom deze bergen gestaan heeft.

VIII. Het water in de Rivieren en de poelen neemt ook af. Molens, die zestien jaar geleden op de Rivieren gebouwd waren, en waters genoeg hadden, hebben nu zo weinig water dat zy niet malen konnen, ten zy na enen zwaren regen, of in ’t voorjaar als de sneuw smelt. Dit afnemen van het water komt daarvan daan, dat ’er thans zo veel land bebouwd wordt, en ’er zo vele bosschen zyn uitgeroeid.

IX. Het strand neemt ook jaarlyks toe. Dit komt van de grote menigte van zand, ’t welk de golven uit den bodem der zee op het strand werpen.

De Heer Bartram agtte dat het opmerking verdiende, dat de schelpen, die op de noordelyke gebergtens versteend gevonden worden, van een soort zyn diergelyken men in de zee op die Poolshoogte vindt, en niet gezien worden voor dat men in Zuid Karolina komt. Hierin meende hy grond te vinden om de mening van Dr. Thomas Burnet te verdedigen, dat namelyk de aarde voor den zondvloed ene andere neiging jegens de zon gehad heeft. Bewyzen dit ook niet, zeide hy, de zware beenderen, die men in Siberie vindt en voor Elefants beenderen houdt? Tegenwoordig kunnen die dieren in zulk een koud land niet in ’t leven blyven. Maar indien volgens Burnets stelling de zon voorheen gantsch anders ten opzigte der verscheiden landen van den aardbodem gestaan heeft, kan men ligt begrypen dat de Elefant in Siberie heeft geleefd. [55] Egter schynt het dat van dit alles verscheiden oorzaken kunnen worden opgegeven. Hiertoe behoort de algemene Zondvloed, de aanwas van land, het welk een zuiver werk van den tyd is, en de veranderingen in den loop der rivieren, die by het smelten der sneuw of in grote overstromingen hare oude beddingen verlaten en zig nieuwe maken.

[Reuzepotten.]

Op enigen afstand van het huis van den Heer Bartram loopt een beekje door het bosch, het welk over ene rots henen stroomt. Hier toonde my myne opmerkzame Geleider verscheidene kleine zo genaamde Reuzepotten. En wy konden duidelyk zien dat zy op die wys, welke ik boven beschreven heb, moeten ontstaan zyn. Want als wy de hand in die holen staken, bemerkten wy dat ’er vele keizelsteentjes inzaten, die van buiten zo glad en rond waren als of ze gedraid waren. En diergelyke stenen vonden wy in elk gat.

[Planten.]

De Heer Bartram toonde my ene menigte van planten die hy in zyn kruidboek verzameld had. Onder dezelven waren de volgenden, die ook in de noordelyke delen van Europa wassen, van de welken hy of de gehele plant bewaard had, of alleen de takken.

De Betula alba, of de gemene Berkeboom.

De Betula nana, een soort van Berk, dat op lage plaatsen tegens de hoogtens aan wast.

Het Comarum palustre, of Watervyfvingerkruid, groeijende in de weiden tusschen de heuvelen in New Jersey.

De Gentiana lutea of de Gele Kruiswortel, voortkomende op de velden digt by de bergen. Hy gelykt veel naar den onzen, maar heeft zo veel bloemen niet onder elk blad.

De Linnæa borealis; deze wast op de bergen in Kanada. Zy kruipt langs den grond.

De Myrica Gale; omstreeks de Rivier Susquehanna op natte gronden.

De Potentilla fruticosa, wordende gevonden in moerassige streken en lage weiden tusschen de Dellaware en de Rivier van New York.

De Trientalis Europæa, wassende op de Catshills.

Het Triglochin maritimum, voortkomende by de zoute bronnen naar den kant van ’t Land der Vyf Volken.

[Een Grafzerk ontdekt.]

De Heer Bartram vertoonde my enen brief uit Oost Jersey, behelzenden het volgende verhaal van ene ontdekte Amerikaansche Begraafplaats. In April 1744. was men in het graven eens kelders op enen groten steen, gelyk aan een grafzerk, gekomen, welken men ten laatsten met veel moeite boven gehaald, en vier voeten dieper ene menigte van menschebeenderen en enen gehelen koek van mais gevonden had. De koek was nog onbeschadigd, zo dat verscheidenen der omstanders uit nieuwsgierigheid ’er van proefden. Uit deze omstandigheden besloot men, dat hier een aanzienlyk persoon uit de Wilden moest begraven wezen. Want zy zyn gewoon eetwaren en andere dingen, daar de overledenen zeer veel van gehouden heeft, met hem te begraven. De steen was agt voet lang, vier voet en enige duimen op de dikste plaatsen breed, en vyftien duim aan het ene en twaalf aan het andere einde dik. Hy bestond uit een grof soort van steen, dien men hier vindt. Daar waren gene letters nog karakters op te zien.

[De Mais en Squashes.]

Het graan dat de Wilden het meest bouwen is de Mais. Zy bebouwen ’er kleine velden mede. Buiten dat planten zy ook ene menigte van Squashes, een soort van pompoenen of meloenen, die zy al aangekweekt hebben voor dat de Europeanen in dit Land waren. De Europische Amerikanen hebben ze ook in hunne tuinen geplant, die ’er nu vol van zyn. De vrugt is aangenaam als zy wel klaar gemaakt wordt. Gemeenlyk kookt men ze, stoot ze aan stukken, en doet ’er wat peper en andere speceryen by. De Wilden zaijen ook verscheiden soorten van bonen, die zy meest van de Europeanen gekregen hebben. Maar de erwten, die zy ook bouwen, hebben zy al gekend voor dat de Europers hier waren. De Squashes behoren tot de vroege kawoerden. Zy zyn goed, maar duren niet lang. Egter heb ik ze tot vry diep in den winter zien goed houden.

[Weit en Rogge.]