Reis door Noord Amerika

Part 6

Chapter 63,997 wordsPublic domain

De Amerikaansche Nagtschaduw [34] wast by de landhoeven, op de wegen, in de hagen, de bosschen, en in ’t open veld hier en daar, in overvloed. Overal door ’t gehele Land vindt men ze rykelyk. De meesten hadden zeer schone beziën, die aan trossen groeiden, en ’er zeer wel uitzagen, schoon zy niet eetbaar zyn. Dog sommigen waren nog eerst in bloei. Op sommige plaatsen, als in de hagen en by de huizen, klimmen zy tot twee vadem hoogte. Maar in ’t veld blyven ze altyd laag; dog ik kon nergens merken dat ’er het vee van gegeten had. Een Duitscher, zynde een suikerbakker, verhaalde my, dat de verwers de wortelen ’er van vergaderden, en ’er ene rode verw uit trokken.

[Eekhoorns.]

Men vindt hier verscheiden’ soorten van Eekhoorns. De kleinen [35] worden veel in koijen gezet, om dat ze zeer aardig zyn, dog zy worden noit geheel mak. De groten [36] doen den landlieden veel schade op de akkers, voornamelyk in de mais. Zy klouteren tegen de stelen der mais op, byten de airen aan stukken, en eten maar alleen de losse en zoete kern, die in het midden zit. Dikwyls komen zy met enige honderden op zulk een veld, en dan kunnen zy in enen nagt den gantschen oogst vernielen. Om deze reden is ieder in Maryland verpligt ’s jaars vier eekhoorns te brengen, die men den kop afsnydt, welken de Opzigter behoudt, om bedrog voor te komen. Op andere plaatsen krygt men voor elken geschoten eekhoorn twee pence. Hun vleesch wordt gegeten en voor lekkerny gehouden. De huid wordt verkoft, dog niet veel geagt. De eekhoorns zyn hier de voornaamste spys der ratel- en andere slangen. Ook was het een algemeen gevoelen hier te lande, dat wanneer de ratelslang, op den grond leggende, hare ogen op enen eekhoorn gevestigd hield, deze daardoor als betoverd wierd, en, schoon hy op de bovenste takken van enen boom zat, langzamerhand naar beneden komen en der slange in den mond springen zou. Dan likt de slang het diertje ’t gehele lyf, en maakt het door haar speeksel geheel nat, op dat het haar des te gemaklyker door de keel glijen mogt. Dit gedaan zynde zwelgt zy in eens den gehelen eekhoorn door. Na zulk een maal legt de slang als dood te rusten.

[De Rakkoon of Hespan.]

Het viervoetige dier, dat de Heer Linnæus in de Verhandelingen der Koninglyke Maatschappy der Wetenschappen onder den naam van Langgestaarten Beer [37] beschreven heeft, noemt men hier Rakkoon. Het wordt veel gevonden, en vernielt veel hoenders. Men jaagt het met honden, wanneer het op enen boom gewoon is te klouteren; in welk geval iemant het na klimt, en het van de takken afschudt, zo dat het van de honden wordt doodgebeten. Het vleesch wordt, als ene goede spys, gegeten. Het been der roede gebruikt men voor tabaksstoppers. De hoedemakers maken hoeden van het hair, welken byna zo goed zyn als de beverhoeden. Den staart draagt men ’s winters om den hals, en is dus ook iets waard. De Rakkoon wordt ook veel van de slangen gegeten.

[Hopen van Schelpen.]

Enige Engelschen verzekerden dat by de Rivier Potemack in Virginie ene grote menigte van Oesterschelpen gevonden wordt, en dat zy ’er zelfs gantsche bergen van gezien hadden. De plaats zou twee Eng. mylen van zee af zyn. De eigenaar der zelver brandt ’er kalk uit. De beddingen dezer schelpen zyn twee vadem en meer diep. Zulke hopen van schelpen heeft men ook op andere plaatsen, byzonderlyk in New York, by ’t graven gevonden; en op ene zekere plaats, vele mylen van zee, was men op ene schrikkelyke menigte van schelpen, ten dele van oesters, ten dele van andere zeedieren, gekomen. Sommigen waren van oordeel, dat de Wilden daar voorheen gewoond, en de schelpen der oesters, die ze gebruikt hadden, op zulke hopen hadden gesmeten. Dog anderen konden niet begrypen, waarom die in ene zo verbazende menigte alleen op ene plaats zouden weggeworpen wezen.

[De Wilden.]

Allen stemden daarin over een, dat de Wilden van dit land goedaardige menschen zyn, indien zy niet worden beledigd. Niemant houdt getrouwer zyn woord dan zy. Wanneer vreemdelingen, die hunne bondgenoten zyn, onder hen komen, betonen zy hun meer goedheid en grotere dienstvaardigheid, dan zy van hunne eigene landsgenoten verwagten kunnen. De Heer Kock verhaalde my, ten bewyze hunner opregtheid, het volgende geval. Een Engelsch Koopman voor twee jaar onder de Wilden reizende, om handel te dryven, wierd daar dood geslagen, zonder dat men wist van wien. Maar byna een geheel jaar daarna ontdekten de Wilden wie het uit hun gedaan had. Ten eersten grepen zy den moordenaar; bonden hem de handen op den rug, en zonden hem onder een geleide naar Philadelphia aan den Gouverneur. Zy hadden, lieten zy zeggen, enen booswigt, die zulk een stuk aan enen Engelschman begaan had, niet langer voor hunnen Landsman kunnen erkennen, en wilden ook niets meer met hem te doen hebben; dog gaven hem den Gouverneur over, om hem volgens de Engelsche wetten naar verdienste te straffen. De moordenaar werd daarop te Philadelphia gehangen.

[Hunne natuurlyke vermogens.]

Hunne natuurlyke scherpzinnigheid blykt uit het volgende, het welk my vele menschen verzekerd hebben waar te zyn. Wanneer zy afgevaardigden naar de Engelsche Volkplantingen zenden, om over zaken van gewigt met den Gouverneur te handelen, gaan zy, zo dra zy tot zyn gehoor gekomen zyn, op den grond zitten, en horen zyne voorslagen met aandagt aan, die somtyds een tamelyk groot getal uitmaken. Zy hebben maar een stokje in de hand, en maken daar met een mes enige tekens op, zonder verder iets opteschryven. Maar wanneer zy den volgenden dag wederkomen, om hun antwoord op de gedane voorslagen te geven, beantwoorden zy den Gouverneur ieder punt, in die order waarin hy ze hun voorgesteld heeft, zonder ’er een overteslaan, of van de order aftewyken, en dat alles zo nauwkeurig, als of zy ’er een schriftelyk opstel van gehad hadden.

De Heer Sleidorn verhaalde my nog een voorval, dat my zeer veel genoegen gaf. Hy had te New York onder andere Wilden een eerwaardig oud man in ene herberg gevonden. Deze een weinig door den drank verheugd liet zig in een gesprek met Sleidorn in, en beroemde zig Engelsch te kunnen spreken en lezen. Sleidorn vroeg hem daarop verlof hem ene vraag te doen, het welk de oude man geredelyk toestond. Hy vroeg hem toen of hy wel wist wie zig het eerst had laten besnyden. De gryzaard antwoordde ten eersten, Vader Abraham. Toen verzogt hy ook ene vraag te mogen doen. Sleidorn bewilligde, en de vraag was, “wie de eerste Quaker geweest was.” Sleidorn antwoordde dat de een dezen, en de ander genen daarvoor hielden. “Neen,” zeide de oude slimme gast, “Mordechai was de eerste Quaker, want hy wilde den hoed voor Haman niet afnemen.” Velen van de nog Heidensche Wilden worden gezegd ene verwarde kennis van den zondvloed te hebben, dog men vindt ze by allen niet, gelyk ik zelf ondervonden heb.

[Reuzen.]

Daar waren hier menschen die zig voor vast overtuigd hielden, dat ’er eertyds Reuzen in deze landen moesten gewoond hebben, en zy gaven deze redenen op voor dat gevoelen. Voor enige jaren had men in ’t delven een graf gevonden, waarin menschebeenderen van ene ontzaglyke grootte lagen. Het scheenbeen alleen zou omtrent viertien, en het dybeen ook zo veel voeten lang geweest zyn De tanden waren naar evenredigheid geweest. Dog meerder wierden ’er niet gevonden. [Beenderen.] Lieden, die de Ontleedkunde verstonden en die benen gezien hadden, verzekerden dat ze van menschen waren. Een van de tanden wierd naar Hamburg aan enen Verzamelaar van natuurlyke zeldzaamheden gezonden. Onder de Wilden, die in de nabuurschap, daar deze gebeentens gevonden zyn, wonen, was een oud zeggen, dat daar omstreeks aan ene Rivier een zeer groot en sterk man in overoude tyden zig opgehouden had, die de menschen, die over den stroom wilden, op zynen rug door het water plegt te dragen, en, schoon het zeer diep was, het door waadde. Elk gaf hem voor dezen dienst wat Mais of enige vellen. Op deze wys won hy den kost, en speelde voor veerman van dezen stroom.

[De grond.]

De grond is hier meest zand, hierendaar meer of min met klei vermengd. Het zand en de klei zyn beiden van ene bleke steenkleur. Op ’t uiterlyke schynt de aarde niet zeer vet te zyn. Dit bekragtigen ook de inwoonders. Wanneer een akker drie jaren aan een met het zelve soort van koorn bezaid wordt, brengt het niets van belang op, indien het niet wel gemist wordt of een jaar braak leggen blyft. Dog de mist is hier bezwaarlyk te krygen. Om die reden laat men het liever onbebouwd. In dien tusschentyd bewast het met allerlei planten en kruiden, en de landman bebouwt een veld dat enigen tyd braak gelegen heeft, of kiest van den nog onbebouwd leggenden grond ene nieuwe streek om te bearbeiden. In beide gevallen kan hy zig enen goeden oogst beloven. Deze handelwys slaagt hier zeer wel, want de aarde is lugtig, zo dat ze gemakkelyk kan omgeploegd worden, en ieder landman heeft gemeenlyk ene grote ruimte in eigendom. De gewoonte, die men hier heeft, van het vee de winters over in ’t land te laten lopen, maakt dat men niet veel mist winnen kan.

[Vee.]

Al het vee dat men hier kweekt is oorspronglyk uit Europa. De Wilden hadden noit enig vee; en nog geven zy ’er niet om. Ook veraardt het vee hier allengskens, en wordt kleiner. De ossen, paarden, schapen en varkens zyn in Engeland groter; en ’t zyn dezen evenwel die herwaards zyn overgebragt. Het eerste geslagt neemt een weinig af, en het derde of vierde is reeds van die grootte welke hier het vee gemeenlyk heeft. De lugtsgesteldheid, de grond en het voedzel zullen hier elk het zyne te zamen toe doen.

[Vroegtydigheid der Inboorlingen.]

Het is ook aanmerkelyk, het geen men eenparig van de Inboorlingen des Lands zegt, namelyk dat zy gemeenlyk eerder tot hunne rype jaren komen, eerder verstand krygen, dog ook eerder oud worden, dan in Europa. Het is hier niet zeldzaam kleine kinderen te zien, die op de gedane vragen zo levendige en aardige antwoorden weten te geven, dat men ’er niet genoeg over kan verwonderd staan, ja zo als of zy oude menschen waren. Dog zy komen noit tot de jaren waartoe de Europeanen wel geraken. En ’er is hier geen voorbeeld dat een inboorling tagtig of negentig jaar bereikt heeft. Dog ik spreek alleen van zulken die uit Europa oorspronglyk zyn; want de Wilden, of de eerste inwoonders van het land, worden dikwyls zeer oud. Maar dit is tegenwoordig onder hen ook zeldzamer dan voor dezen. Men kan het sterk brandewyn drinken, dat zy van de Europeanen geleerd hebben, als ene hoofdoorzaak hier van aanmerken. Die in Europa geboren zynde, zig hier nedergezet hebben, bereiken ook gemeenlyk hogere jaren, dan die van Europische Ouders hier te lande geboren zyn. In den laatsten oorlog heeft men ook ondervonden, dat de menschen in Amerika geboren zo wel de ongemakken van den oorlog, by belegeringen en lange togten, niet uithouden als die uit Europa komen, maar in menigte sterven. Zy kunnen zig aan gene vreemde lugtstreek gewennen. De Vrouwen houden hier ook vroeger op te baren als in Europa, na haar veertigste of vyfenveertigste jaar zyn zy gemeenlyk niet meer vrugtbaar, en sommigen reeds na haar dertigste. Ik vernam naar de oorzaak hiervan, dog men wist ’er de ware niet van aantewyzen. Enigen schreven dit toe aan den overvloed dien men hier heeft. Anderen aan de onbestendigheid van het weder, gelovende dat ’er bezwaarlyk een land in de wereld te vinden is daar het weder op denzelven dag zo dikwyls verandert als hier. Op de zwaarste hette volgt somtyds binnen weinige uren ene gevoelige koude. Ja, het weder verandert den zelven dag dikwyls vier, vyf en zesmalen.

[En der bomen.]

Met de bomen is het hier even eens als met de menschen gelegen. De Schepen van Amerikaansch hout gebouwd zyn niet te vergelyken met die welken in Europa getimmerd worden. Dit erkent men eenparig. Een schip hier gebouwd deugt niet veel meer zo dra ’t een jaar of twaalf oud is; en vindt men ’er een ouder dat nog bruikbaar is, zo word het voor een wonder gehouden. Het is niet gemakkelyk de reden hiervan uittevinden. Enigen gaven de schuld hier van aan het hout, anderen aan de manier van bouwen, om dat men zig hier meest van nieuw gehakt hout bedient, dat nog niet volkomen droog is. Ik denk dat beide deze oorzaken t’zamenlopen, want ik vond eikebomen, die op zyn best twaalf jaren gehakt waren geweest, welken met enen harden bast overtrokken waren, onder den welken het hout byna verrot en tot een meel geworden was, zo dat men ’t tusschen de vingers tot poeder wryven kon. Hoe lang daarentegen duren onze eiken stammen niet eer zy vermolmen?

Des avonds keerden wy naar Philadelphia terug.

[Hazen.]

Hazen zyn ’er eigenlyk in dit land niet, maar wel een soort van dieren, die tusschen onze Hazen en de Konynen een middelsoort zyn, en in de kool- en raaplanden ene schrikkelyke verwoesting aanregten.

[Waarom vele planten hier zo laat bloeijen.]

Velen hebben zig verwonderd, dat de planten, die uit Noord Amerika naar Europa gevoerd en daar geplant worden, grotendeels zo laat bloeijen, en zelden rype vrugten voortbrengen voor dat de vorst ze overvalt, daar het uit de Reisbeschryvingen bekend is, dat in Pensylvanie, en nog meer in New York, in Nieuw Engeland en in Kanada, de winters wel zo gestreng als in Zweden, en gestrenger dan in ’t Europisch Engeland zyn. Het wierd my door verscheiden verstandige lieden opgelegd dit te onderzoeken; maar in plaats van te antwoorden, wil ik hier enige aanmerkingen opgeven, die ik over de lugtstreek en de gewassen van Noord Amerika gemaakt heb, en het mynen Lezer overlaten zelf daar gevolgen uittetrekken.

Het is waar, dat de winter in Pensylvanie, en nog meer in de noordelyker Landschappen, al zo gestreng als in Zweden, en bygevolg veel kouder dan in Engeland en de zuidelyker landen van Europa is. Ik vond dat in Pensylvanie, het welk nog meer dan twintig graden zuidelyker legt dan verscheiden landschappen van Zweden, de Thermometer van den Heer Celsius des winters tot op 24. gr. onder het punt van vorst viel; en die winter was, zo als men my verzekerde, niet buitengewoon koud. Dit konde ik daaruit ook opmaken, dat de Dellaware, ten tyde ik daar was, niet zo sterk toevroor dat men ’er te Philadelphia over ryden kon, het welk dikwyls genoeg gebeurt. Als men nu de breedte van de Rivier overweegt, en dat het gewoonlyk verschil van eb en vloed daar agt voeten bedraagt, zal men ligt beseffen, dat ’er een gestrenge vorst vereischt moet worden om de Dellaware met zo sterk een ys te bedekken.

Dog het is te gelyk waar, dat, zo de winters hier somtyds hard zyn, zy niet lang duren. Men kan zeggen dat zy in Pensylvanie zelden meer dan twee maanden, en somtyds niet boven ene maand aanhouden; want het is iets zeer ongewoons als zy drie maanden duren, en dan wordt het in de Koeranten als iets byzonders aangetekend. Digter by den Pool zyn de winters wat langer, en in de Noordelykste delen zullen zy onze Zweedschen in lengte niets toegeven. De waarnemingen aangaande het weder, die ik in myn verblyf in Amerika dagelyks voor alle maanden gemaakt heb, en die ik hier agter zal invoegen, zullen hier meer ligts omtrent geven.

Des zomers is de hitte hier doorgaans zwaar en aanhoudend. Ik beken dat ik den Thermometer te Aobo byna zo hoog heb zien ryzen als in Pensylvanie, dog dit onderscheid was ’er in, dat, zo de Thermometer van Celsius in Finland in twee of drie jaren misschien eens tot den 30. gr. boven het vriespunt ryst, dezelve niet alleen in Pensylvanie, maar ook in New York, te Albany, en in een groot deel van Kanada, meest dagelyks, drie maanden lang, tot dien graad, zo nog niet hoger, stygt. Te Philadelphia is hy in de zomers, die ik daar heb doorgebragt, twee- of driemaal tot 36. gr. gestegen. Men kan dan zeggen dat in Pensylvanie een groot deel van April, Mai, en de volgende maanden tot October toe, aan de maanden van Juni en Juli in Zweden gelyk zyn. Ene zo sterke en aanhoudende hette moet noodzakelyk grote uitwerkingen voortbrengen. Aan deze doordringende en langdurige warmte moet men het ook toeschryven dat de gemene meloenen, de watermeloenen, en de pompoenen van velerlei soorten op het open veld gezaid worden, en zonder enige bedekking of glazen in Juli volkomen ryp zyn, dat de kerssen te Philadelphia den 25. Mai reeds goed zyn, en dat men dikwyls in Pensylvanie de weit in ’t midden van Juli mait.

De gantsche maand van September, en de halve maand van October, ofwel geheel October, maken in Pensylvanie het aangenaamste jaargetyde uit. De vroegere zomermaanden zyn al te heet. Dezen zyn gelyk in warmte aan onzen Juli en half Augustus. Ook staan in September de meeste gewassen in den besten bloei, en velen beginnen al diep in die maand eerst te bloeyen. En ik twyffel niet of dit onvergelyke jaargetyde, geholpen door enen helderen hemel en enen matiglyk warmen zonneschyn, doet hier veel toe. Maar schoon de gewassen zo laat eerst beginnen, krygen zy dog hunne volkomenheid voor dat het grootste deel van October verlopen is. Dog waarom ze zo laat in den herfst eerst voortkomen, is iets dat ik niet kan beantwoorden, en vraag veel liever, waarom bloeyen de Centaurea Jacea, de Gentiana, de Amarella en het Centaureum van Linnæus in Zweden eerst op het laatst van den zomer? Waarom vertonen het Leverkruid, [38] de violier, [39] het Daphne Mezereum, en andere planten zig reeds in de lente in allen haren luister? Het heeft den Schepper van alle dingen behaagd de zaak dus vast te stellen. Wat weder het te Philadelphia in die maanden is, kunnen myne waarnemingen aanwyzen. Ik heb omtrent dezelven alle zorgvuldigheid aangewend, en, zoveel ik kon, vermyd, den Thermometer op zulke plaatsen te hangen, waar hem de zonnestralen of lynregt of door weeromkaatsing verwarmen konden.

Daar zyn nog in Pensylvanie onder de wilde gewassen enigen, die niet alle jaren hun zaad tot rypheid brengen voor dat de koude invalt. Hiertoe behoren enige soorten van de Gentiana, van Asteres en anderen. Dog de wysheid des Scheppers heeft het een naar het ander geschikt. Byna alle die gewassen welken de eigenschap hebben van zo laat hunne bloemen voort te brengen zyn overblyvende, [40] of zulken die by gebrek van zaad door uitspruitsels kunnen voortgeplant worden. Veelligt kan men egter van deze vertraging in de planten ene natuurlyke oorzaak opgeven. Voor dat de Europeanen herwaards kwamen werd het Land door wilde volken bewoond, die geen of weinig land bebouwden, dog zig voornamelyk van de jagt en de visschery geneerden. De bosschen wierden dan niet aangeraakt; alleen verteerde het vuur, by toeval in de wouden ontstoken, ’er een gedeelte van. Ook vonden de eerste hier aanlandende Europeanen al het land met zware bosschen bedekt. Hieruit volgt, dat, als men de grote bomen, en de gewassen die in of aan ’t water staan, uitzondert, de overigen merendeels enige duizend jaren lang in de schaduw, onder of tusschen ’t geboomte hebben moeten groeyen, en dit maakt dat zy natuurlyk tot die behoren welken boschryke en schaduwagtige oorden vereischen. Nu laten de bomen hier in den herfst hunne bladeren in zulk ene menigte vallen, dat zy den grond onder zig vier of vyf duim dik bedekken. Dit loof blyft tot diep in den volgenden zomer leggen eer het vergaat. Het moet dan de planten, die onder het zelve wassen, zeer vertragen. Daarby berooft het ze van die weinige zonnestralen, welken ’t geboomte nog doorlaat. Deze omstandigheden t’zamengenomen maken dat de gewassen veel later bloeyen, dan zy anders doen zouden. En zou men niet zeggen konnen, dat zy op deze wys de hebbelykheid aangenomen hebben van zo laat voort te komen, zo dat zy nu enen langen tyd nodig hebben om zig te gewennen spoediger te groeyen?

Den 24. Sept. bragten wy door met planten te verzamelen, en de zeldzaamsten in het Kruidboek te leggen.

[Versteend hout.]

Den 25. schonk my de Heer Hesselius een klein stuk versteend hout, dat men hier in den grond gevonden had. Het was vier duimen lang, enen duim breed, en drie lynen dik. Men kon zeer duidelyk zien dat het voorheen hout geweest was, want daar men het glad gemaakt had kon men alle de langwerpige draden onderkennen, zo dat het scheen een glad gesneden stuk eiken hout te wezen. Het was een stuk van enen groteren brok. Men hield het hier voor een stuk Hikory. Ik kreeg naderhand van anderen meer daar van. De Heer Lewis Evans verhaalde my, dat men op de grenzen van Virginie in den grond een groot blok van versteenden Hikory gevonden had, waaraan men de schors nog onderkennen konde, die egter ook steen geworden was.

[De Heer J. Bartram.]

De Heer John Bartram is een Engelschman die omtrent vier Eng. mylen van Philadelphia op het land woont. Hy is zeer ervaren in de Natuurkunde en de Natuurlyke Historie, en schynt voor die wetenschappen regt geboren te zyn. In zyne jeugd heeft hy gene gelegenheid gehad van regelmatig te studeren. Maar door zyne vlyt en enen onvermoeiden arbeid is hy, zonder vreemde wegwyzing, zo ver in het Latyn gekomen, dat hy al de boeken in die taal lezen en verstaan kan, zelfs die waarin men veel kruidkundige konstwoorden vindt. Hy heeft gedurende verscheiden jaren dan naar het ene nu naar het andere gewest van Amerika gereisd, alleen met inzigt om allerlei weinig bekende planten te verzamelen. Hy heeft ’er sommigen van in zynen tuin geplant, en vele zaden of frissche wortels naar Engeland gezonden. Men is hem voor de kennis aan verscheiden’ der zeldzaamste gewassen verpligt, die hy het eerst gevonden heeft. Dog men kan hem van traagheid en nalatigheid beschuldigen, daar hy verzuimd heeft zyne velerhande en aanmerkelyke waarnemingen op ’t papier te brengen. Zyne vrienden te Londen verzogten hem eens hun een kort begrip zyner reizen toe te zenden, en zy waren, ’t is waar, met een goed oogmerk, dog met geen genoegzame omzigtigheid, zeer haastig om het afgedwongene handschrift ter drukpers te bezorgen. Daardoor benadeelden zy den Man merkelyk, want, daar hy niet houdt van het geen hy weet aantetekenen, vond men zyn werk mager in nieuwe ontdekkingen. Dog men zou hem groot ongelyk doen hem hiernaar te beoordelen. Hy heeft in dat werk niet het duizendste deel van het geen hy weet, vooral aangaande Noord Amerika, gezet. Ik ben hem zeer verpligt; want hy bezat de pryslyke eigenschap van het geen hy wist anderen wel te willen mededelen. Ik wilde van hem gewagen, op dat men my niet mogt konden verwyten, dat ik my zelven had willen toeeigenen het geen ik van hem geleerd heb, en zynen naam verzwygen.

[Mosselen.]

In de kleiputten, ten noordwesten der Stad, waaruit men aarde voor de tegelbakkery haalt en die thans vol water stonden, wierden vele Mosselen gevonden. Zy schenen daar door den vloed, langs een beekje dat in de putten komt, heen gevoerd te zyn, want deze putten zyn maar onlangs gemaakt. Somtyds gaan de arme jongens uit de Stad in het water om de mosselen te zoeken, waar voor zy kopers genoeg vinden, alzo zy voor ene lekkerny gehouden worden.

De Cratægus crus galli van Linnæus is een soort van Hagedoorn, en wordt, aan sommige oorden daar men de regte Hagedoorn niet heeft, voor hagen gebruikt. De bessen zyn rood, en hebben de grootte, den smaak en de gedaante als onze hagedoornbessen. Dog deze boom schynt niet de beste hagen te geven, want hy was zyn blad al kwyt, schoon de andere bomen nog allen groen waren. Anders heeft hy ontzaglyk lange doornen, van wel twee of drie duim. Men maakte ’er een gering gebruik van. Iedere bes heeft twee korrels.

[De Eiken.]