Reis door Noord Amerika

Part 5

Chapter 54,162 wordsPublic domain

Men bewaart de persiken op de volgende wys voor den winter. Men snydt de vrugt in vier delen, smyt den steen weg, en rygt de stukken aan enen draad, hangt ze in de zon, tot dat ze droog zyn. Dan legt men ze in een aardenvat. Dog dit is de beste manier niet. Anderen doen het op deze wys, en die is beter. Men snydt, gelyk te voren, de persiken in vier stukken, rygt ze aan enen draad, of legt ze op een bord in de zon te drogen. Droog zynde, en hare sappen zynde kwyt geraakt, worden zy in den oven gezet, na dat ’er zo even het brood is uitgenomen, waar men ze enen korten tyd in laat. Dan neemt men ze ’er uit, en brengt ze in de open lugt. Daar na zet men ze nog eens in den oven, en dit wordt zo dikwyls herhaald, tot dat zy zo droog zyn als zy wezen moeten. Want als ze op eens in den oven gedroogd wierden; zouden ze rimpelen, en een deel van hare aangenaamheid verliezen. Men maakt ’er taarten van, of kookt en maakt ze gereed als de peren en appelen in Europa. Sommige menschen drogen, en bewaren hier hun appelen op de zelve wys als hun persiken.

De Persikeboom is hier, gelyk men my zeide, het eerst door de Europers geplant. Tegenswoordig vereischen zy gene grotere zorg dan een Appel of Peerboom.

[Andere vrugten.]

In de boomgaarden vindt men zelden andere vrugten dan appelen en persiken. Perebomen vindt men hier weinig, en zy, die ze hebben, hebben ze in hunne boomgaarden geplant. Men vindt in de zelven ook Kerssebomen, dog het meest digt by de huizen of langs de heiningen. De moerbeziebomen staan op heuveltjes digt by de huizen. De zwarte Walnoot [23] wast gedeeltelyk op hoogtens en velden digt by de Landhoeven, en gedeeltelyk langs de heiningen, dog het meest in de bosschen. Buiten dezen heeft men hier ook gene anderen van dit soort ten gebruike. De Kastanjebomen had men op de akkers laten staan. Hier en daar stond ’er ook een enkelde op een schraal land of in een bosch.

[De Okra.]

De Hibiscus esculentus of de Okra, [24] ene bloem, wast in de West Indien in ’t wild, dog hier wordt ze in de tuinen gekweekt. De vrugt, die uit ene lange schel bestaat, wordt, terwyl ze nog groen is, in stukken gesneden, en in soepen gekookt, die ’er zo dik van worden als bry. Dit geregt wordt by enigen, en vooral by de zwarte slaven, voor iets lekkers gehouden.

[Spaansche Peper.]

De Spaansche Peper [25] wordt insgelyks in de tuinen geplant. Als de vrugt ryp is ziet zy ’er meest geheel rood uit. Men gebruikt ze by ’t gebraad of by gekookt vleesch, waarop men ’er een weinig van stroit, of in de saus mengt. Men doet ze ook by ingemaakte augurken. Ook snydt en stampt men de schil, terwyl ze nog zagt is, geheel klein; mengt dat met zout, en bewaart het in enen pot. Men bestroit ’er gekookt of gebraden vleesch, of gefruiten visch mede. De vrugt in haar zelve is scherp gelyk de gemene peper.

[Sumach.]

Men vindt hier verscheiden byzondere soorten van de plant, welke Linnæus Rhus noemt. De gemeenste is die met gladde bladeren. [26] De Engelschen noemen ze Sumach. De bessen, of hare vrugten, zyn rood. Men gebruikt ze om rood te verwen. Men ziet hier deze plant aan als een onkruid; want als een akker enige weinige jaren onbebouwd blyft leggen, groeit zy ’er in menigte op, vermits de vogels de bessen overal heen verspreiden. Wanneer men het land dan wil omploegen, hinderen de wortels den ploeg niet weinig. De vrugt blyft den gantschen winter over op den boom zitten, maar de bladen vallen vroeg in den herfst af, nadat zy roodagtig geworden zyn. De takken, met de bessen ’er aan gekookt, geven ene verw als inkt. De kinderen eten de bessen, die zeer zuur, dog niet ongezond zyn. De boom wordt zelden hoger dan vierde halve el. Als men den stam doorsnydt vindt men ’er byna niets in dan merg. Ik heb dit aan velen gedaan, en gevonden dat sommigen meer dan tien, de meesten meer dan een jaar oud waren. Als men ’er insnydt, komt ’er een geel sap van tusschen den bast en het hout voort. Een of twee van de buitenste kringen zyn wit, maar het binnenste is geelagtig groen; ’t is gemakkelyk ze van malkander te onderkennen. Zy hebben een groot merg, welks middellyn dikwyls een halven duim is, en meer. Het is bruin, en zo los, dat het met enen steek uitgestoken kan worden, gelyk in den Vlierboom. Deze Sumach groeit digt by de heiningen rondom de koornvelden, dog vooral op braaklanden. Het hout scheen wel te branden, en geen groot gekraak in ’t vuur te maken.

Den 20. Sept. gingen wy des morgens op de velden en in de bosschen digt by de Stad wandelen, ten dele om zaden, en ten dele om planten voor myn’ verzameling te zoeken, het welk onze grootste bezigheid was. Wy zonden in den herfst dezes jaars een deel onzer verzameling over Engeland naar Zweden.

[Vergiftboom.]

Een soort van Rhus, gemeen in de moerassen hieromstreeks, werd door de Engelschen en Zweden den Vergiftboom genoemd. Ook noemde men hem wel Swamp-sumach [27]. Als men ’er in snydt komt ’er tusschen den bast en het hout een wit geelagtig sap voor den dag, dat enen lelyken reuk geeft. Deze boom is bekend, niet om zyne goede hoedanigheden, maar om zyn vergift, het welk dit zonderlinge heeft, dat, schoon het sommige menschen kwaad doet, het op anderen gene uitwerking in ’t geheel heeft; zo dat de een den boom kan behandelen zo als hy maar wil, ’er in snyden, hem schillen, den bast of het hout tusschen de handen wryven, het sap op de hand storten, het ruiken, en ’er andere proeven mede doen, zonder het minste ongemak; daar integendeel een ander den boom niet durft te behandelen zo lang zyn hout nog frisch is; zelfs kan hy gene hand aanraken die het hout behandeld heeft, of zig aan den rook van het brandende hout bloot stellen, zonder daar ten eersten de kwade uitwerking van gewaar te worden; want zyn aangezigt, zyne handen, en dikwyls zyn gantsche lichaam zwelt schrikkelyk, en wordt zeer pynelyk. Somtyds ontstaan ’er vele blazen, welken ’er den lyder doen uitzien als of hy schurftig was. By sommigen vervelt de opperhuid geheel in weinige dagen, als of men zig gebrand had. Zelfs kunnen sommige menschen de plaats niet naderen daar de boom staat, of zig aan den wind bloot stellen die de uitwaassemingen van den zelven naar hun toejaagt, zonder hun het ongemak van het zwellen te doen ondervinden. Somtyds wordt hun aangezigt zo dik, dat zy twee of drie dagen hunne ogen niet openen kunnen. Ik ken twee broeders, waarvan de een den boom zo veel als hy maar wil behandelen kan, daar de ander ’er niet omtrent kan komen zonder te zwellen. Somtyds weet men niet dat men den boom heeft aangeraakt, of ’er digt by geweest is, voor dat de handen en het aangezigt het door hun zwellen tonen. Ik heb oude menschen gekend die banger voor dezen boom waren dan voor enen adder; en ik weet dat iemant door deze kwade uitwaassemingen zo is gezwollen geweest, dat hy zo styf was als een paal, en men hem in een laken omkeren moest.

Toen ik in den Winter van 1750. mynen Jungstrom de vergiftige eigenschappen van dezen boom verhaalde, lachte hy ’er om, en hield het voor een vertellingje, wordende in zyn gevoelen bevestigd doordien hy den laatsten herfst den boom dikwyls behandeld, ’er takken afgesneden, en die lang, om het zaad te bewaren, in zyn hand gedragen, en ’er vele zaden van in zyn kruidboek gelegd had, zonder het minste ongemak. Hy wilde dan, als een Wysgeer op zyn’ manier, niets voor waar aannemen, waarvan hy gene genoegzame bewyzen had, vooral daar zyne ondervinding voor het tegendeel pleitte. Dog den volgenden Zomer begon zyne Wysgeerte te wankelen. Zyn’ handen zwollen, zyn’ ogen wierden pynlyk en begonnen sterk te jeuken, zo dikwyls hy iets van den boom aantastte. Zelfs had hy dat ongemak niet alleen van dit soort van sumach, maar nog van dat soort dat zig om de stammen slingert, en op verre na zo vergiftig niet is als de eerste. [28] Hier door wierd hy van de kragt des Vergiftbooms zo overtuigd, dat ik op ’t laatst moeite had hem te bewegen my ’er meer zaad van te verzamelen. Hy bespeurde dit ongemak niet alleen des zomers als hy zweette, maar ook des winters als hy en de boom koud waren. Hieruit ziet men dat iemant, schoon hy lang voor dat vergift onaandoenlyk geweest is, ten laatsten, zo wel als een zwakkere, daar van kan worden aangedaan.

Ik heb ook op my zelven allerlei proeven met den Vergiftboom genomen, en niets verzuimd om zelf zyne werking te beproeven. Ik heb my met zyn sap bestreken, de takken ’er van afgebroken of afgesneden, de schel ’er afgeplukt, dezelve tusschen de handen gewreven en ’er aan geroken, de stukken lang in myn’ blote handen gedragen, en dit alles dikwyls herhaald, en ben egter van alle schadelyke gevolgen vry gebleven, schoon ik eens ondervond dat het vergift niet gantsch kragteloos op my was. Ik had namelyk, op enen heten zomerdag, terwyl ik zweette, een takje van den boom afgesneden, het omtrent een half uur in de hand gehouden, en ’er onderwylen aangeroken. Ik gevoelde dien dag geen ongemak, als een weinigje des avonds. Des morgens daar aan bespeurde ik ene sterke jeukte aan myn’ oogleden en daar rondom, zo dat ik nauwlyks ’er de handen van afhouden konde. Dog het verdween toen ik de ogen enigen tyd met yskoud water gewasschen had. Myn’ oogleden waren egter den gehelen dag nog styf. Tegen den avond voelde ik de jeukte een weinigje; dog den volgenden morgen, toen ik wakker wierd, had ik de jeukte weer zo sterk als den eersten dag. Ik gebruikte het zelve middel ’er tegen. Evenwel hield het byna ene geheele week aan; myne ogen waren zeer rood en de leden byna onbeweeglyk. Het ongemak ging daarna geheel over. Ik streek naderhand ene menigte van het sap om myn’ hand, zo dat het ’er dik op zat. Drie dagen daarna kwamen ’er kleine blaasjes op te voorschyn, dog zy verdwenen spoedig zonder nadeel te hebben gedaan. Meer heb ik van de werkingen van dit wonderlyke gewas niet ondervonden, en ook geen verlangen gehad om ’er meer proeven mede te doen. Dit had ik beproefd dat het zyne kragt op my oeffenen konde wanneer ik zweette.

Ik heb noit gehoord dat iemant van dit vergift gestorven is. De pynen gaan gemeenlyk na enige dagen over. De Wilden waren voorheen gewoon hunne fluiten van dit hout te maken, om dat het zo groot een merg heeft. Enigen verzekerden dat een middel tegens de uitwerkingen van dit hout is, daarvan wat tot kolen te branden, en die met spek gemengd op de gezwollene plaatsen te leggen. Sommigen zeiden het zelve beproefd te hebben. Op enige plaatsen roeit men den boom vlytig uit, op dat zyn vergift de arbeidslieden niet hindere.

[Delfstoffen.]

Ik kreeg dien dag verscheidene stukken uit het Ryk der Delfstoffen, die in het land verzameld waren, ten geschenke. De volgenden zyn de aanmerkelykste. Het eerste was een wit en gantsch doorschynend Bergkrystal. [29] Diergelyk vindt men veel in Pensylvanie in verscheiden soorten van steen, byzonderlyk in den ligtgrauwen kalksteen. De stukken zyn meest van de dikte en langte van den pink, en somtyds volmaakt doorschynend. Dog ik heb ’er ook gekregen die omtrent een voet lang en zo dik waren als het been van een middelmatig man. Zy waren zo doorschynend niet als de kleinen.

De Teerlingsche Pyrites [30] van den Bisschop Browallius was van een zeer regelmatig beloop, dog de grootte was onderscheiden, want in enigen waren de zyden maar een vierde van een duim, en in de groteren waren zy twee volle duimen. Sommigen waren zeer glinsterend, zo dat men zien kon dat zy uit ene zwavelige stof bestonden. Maar in anderen glom maar ene der zyden, en de anderen waren donker bruin. Dog de meesten van deze Markasieten hadden die kleur op alle hare zyden. Als men ze aan stukken sloeg vond men ’er den zuiveren Pyrites in. Men vindt ze hier digt by de Stad Lancaster, dikwyls boven den grond. Maar gemeenlyk ontmoet men ze in ’t graven van putten of andersins, op de diepte van agt en meer voeten. De Heer Hesselius bezat verscheiden’ stukken van dit soort van stenen, waarvan hy zig in zyn werk bediende. Eerst brandde hy ze, stampte ze dan tot poeder, en wreef ze vervolgens nog fynder op de gemene manier; en dit verschafte hem ene schone roodagtige bruine kleur.

[Marmer.]

Zwarte Keistenen worden hier ook, dog zeldzaam gevonden. Maar het land levert meer dan een soort van Marmer; byzonderlyk vindt men op den afstand van enige Eng. mylen van Philadelphia een wit Marmer, met bleekgrauwe blauwe vlakken. Dit Marmer laat zig wel bewerken, schoon het niet van het fynste soort is. Men houwt ’er grafzerken, tafels, schoorsteenmantels en deurramen, vloerstenen, en diergelyke dingen uit. Ene menigte van deze waar wordt naar verscheiden oorden in Amerika verzonden.

[Moskovisch glas.]

Het Marieglas [31] vindt men hier op verscheiden plaatsen; en sommige stukken ’er van zyn tamelyk groot, en zo schoon als het Russische zyn kan. Ik heb ’er enigen gezien die een halve el en meer lang waren; en ik bezit ’er die byna negen duimen lang en even zo breed zyn. De Zweden gebruikten dit natuurlyke glas by hunne eerste aankomst in de vensters.

[Kalksteen.]

Een ligt grauwe en digte Kalksteen, waaruit men enen goeden kalk brandt, legt op verscheiden plaatsen. Enige stukken daarvan zyn zo vol van een fyn doorschynend bergkrystal, dat de halve steen byna daaruit bestaat. Behalven dit brandt men langs de zeekusten nog ene grote menigte van kalk uit oesterschelpen, en ’s winters brengt men ze hier naar toe. Deze laatste kalk is zo goed niet om te metselen als de steenkalk, dog beter om wittepleisteren.

[Steenkolen.]

Steenkolen heeft men nog in Pensylvanie niet gevonden. Men beweert ze egter verder landwaards in onder de Wilden gezien te hebben. Daarentegen worden zy hoger op naar ’t noorden omtrent Kaap Breton [32] in overvloed gevonden.

[Wyn.]

Sommige Vrouwen maken Wyn uit enigen van de vrugten des lands. Daartoe worden gewoonlyk de rode en witte Aalbessen gebruikt, die men zeer overvloedig heeft. Een oude Zeeman, die dikwyls in Newfoundland geweest is, verhaalde dat de rode aalbessen daar in menigte in ’t wild wassen. Ook perst men wyn uit Aardbessen, die zeer talryk in de bosschen zyn, dog wat zuurder dan de Zweedschen. Nog gebruikt men daartoe de Amerikaansche Braam, [33] die overal op de koornvelden in zo grote menigte als by ons de distelen wast, en zeer aangenaam is. In Maryland wordt ook een wyn gemaakt uit de wilde Druiven, die daar de bosschen voortbrengen. Eindelyk gebruikt men hier ook Kerssen en Brambozen toe, die men vlytig aankweekt. De Wyn dien zy geven is schoon. Ik behoef niet te beschryven hoe men den Aalbessewyn maakt; die konst verstaat men in Zweden zelfs beter dan in Amerika.

[Ligustrum.]

Het gemene Ligustrum wast tusschen het lage hout. Dog ik kan niet bepalen of het een inlandsch gewas, dan of het uit Engeland overgebragt, en door het verstroijen van het zaad door de vogels gemeen geworden is. De meeste schuttingen en heiningen om tuinen en akkers zyn hier van planken en palen. Dog sommigen, bedagt op het sparen van het hout, hebben hier en daar begonnen hagen te planten, en hier toe nemen zy ’t Ligustrum, dat zy op ene daartoe opgeworpene hoogte zetten. De grond is hier klei, met wat zand vermengd, en dus tamelyk ligt. De ligustrumhagen zyn alleen hier goed daar het vee zeer tam is, want de varkens moeten hier allen een driekantig juk dragen, en ’t andere vee is zeer mak. Maar als zy gewoon waren door de heiningen doortebreken, zouden hagen van dit soort weinig baten. Digt by Philadelphia mogen gene varkens los lopen.

[Bomen.]

Des namiddags van den 21. Sept. reed ik, met den Koopman Peter Kock, geboortig van Karlskron in Zweden, naar zyn’ landhoeve, omtrent negen Eng. mylen van de Stad noordwestwaards. De bomen waren allen van het soort die hunne bladeren verwisselen; ik ontdekte niet enen enigen denne- of pynboom; schoon de weg aan beide zyden door bosschen loopt. De meeste bomen waren Eiken, van verscheiden soorten, waartusschen egter Kastanjebomen, Walnoot- Kornoelje- Appelbomen, Hickory, Braamstruiken, en diergelyke gevonden werden. De grond begon hier wat heuvelagtig te worden. Dan reden wy ene hoogte op en dan weer af, en zo vervolgens. Bergen en grote stenen troffen wy niet aan, en het hout was van onderen dun en de grond zo vlak, dat wy ver van ons afzien en tusschen de bomen doorryden konden, want daar waren geen struwellen. Op sommige plaatsen, daar de grond opgegraven was, en ook hier en daar boven op, lagen van die kleine glinsterende stenen, waarvan men hier de huizen bouwt. Ik denk ze in ’t vervolg te beschryven.

[Landsdouwe.]

Wat verder in het bosch gevorderd zynde, zagen wy gemeenlyk kleine stukken lands, waar men het hout weggehakt, en ene landhoeve of weide aangelegd had. De landhoeven waren voor een gedeelte zeer schoon, en dikwyls ging ’er ene laan van den groten weg naartoe. De huizen waren allen van dien steen, waarvan wy zo even spraken. Ieder Landman, zelfs de geringde Daghuurder, heeft om zyne woning enen boomgaard van appelen, kerssen, persiken, kastanjes, walnoten, en andere schone vrugten. Daar tusschen zag men ook wynranken. In de dalen stroomden heldere beekjes. De akkers waren meest gemaid, alleen stond ’er nog wat Mais, anders Turksch koorn, en Boekweit. De Mais wierd meest, in groter of kleiner hoeveelheid, digt by de hoeven gevonden; wies frisch, van zes tot tien voeten hoog, en had boven aan kleine groene blaadtjes. Boekweit was ’er ook op vele plaatsen gezaid, en zy was ook op sommigen al ryp. In ’t vervolg zal ik van den aard en het gebruik dezer gewassen breder handelen.

[Germantown.]

Na zes Eng. mylen ver gereden te zyn kwamen wy te Germantown. Deze Stad heeft maar ene straat, dog is byna twee Eng. mylen lang. Zy wordt voor ’t grootste deel bewoond door Duitschers, die van tyd tot tyd overkomen, en zig hier neer zetten, om dat zy hier zulk ene vryheid genieten als zy bezwaarlyk ergens in de wereld vinden zouden. Zy zyn meest allen handwerkslieden, en maken alles in zulke menigte en volkomenheid, dat dit gewest binnen kort weinig meer uit Engeland zal behoeven te trekken. De huizen waren meest allen van den glinsterenden steen gebouwd, die naar den kant van Philadelphia overal gevonden wordt, dog anders zeldzamer is. Sommigen waren evenwel van gebakken stenen. De meesten waren van twee verdiepingen, anderen nog hoger. De daken waren met planken van den witten Ceder beschoten. Van gedaante geleken zy naar de daken in Zweden, maar de hoeken die zy boven aan maakten waren of scherp, of regt, of stomp, naar mate zy meer of min hoog waren. Gedeeltelyk maakten zy enen halven agthoek of enen halven twaalfhoek uit. Sommige daken waren zo gemaakt dat men ’er op kon gaan wandelen, hebbende ene leuning rondom. Ook hadden sommigen balkons, waar van men op straat zien kon. De vensters, zelfs omhoog, hadden luiken. Ieder huis had enen schonen tuin. De Stad heeft drie kerken, ene Luthersche, ene Hervormde, en ene Quakerkerk. Zy was zo volkryk dat de straten van volk grimmelden. Ook hebben hier de Mennonieten hunne vergaderplaats.

Den 22. na den godsdienst by gewoond te hebben, bragt ik den dag door in het gezelschap van de voornaamste lieden der Stad, die hier lang gewoond hadden, by wie ik naar de byzonderheden der plaats vernam.

[Putten.]

De Heer Kock had enen fraijen put vlak by zyn landhuis, die uit enen zandheuvel komt, en water genoeg verschaft voor ene kleine beek. Over dezen put had hy uit den glinsterenden steen een gebouw doen maken, geschikt om eetwaren te bewaren. In de beek zelve, die langs het huis heen liep, stonden kruiken en aarden vaten vol melk, welke zig in ’t koude water by de grote zomer hette zeer goed houdt. Ik vond in ’t vervolg nog meer gebouwen boven putten, geschikt om spyzen te bewaren.

[Heiningen.]

Byna alle de heiningen om de koornvelden en de weiden waren hier overal van planken in de langte geslagen. Maar op ene plaats vond ik ene haag, die meest van ligustrum was. De heiningen waren niet gemaakt gelyk de onzen. Men had palen genomen van vier tot zes voeten langte, daar vier of vyf gaten in geboord, zo dat ’er een tusschenwydte overbleef van twee voeten of meer. Zulk een paal doet den dienst van twee of drie by ons. De palen stonden op ene ry in den grond, op twee of drie vadem afstands. In de gaten lagen de dwarsplanken, die negen duim of een voet breed waren, en boven malkander tot de hoogte van den paal lagen. Dus zag ’er zulk ene schutting van verre uit, als onze heiningen om de Schapen in te sluiten. Ook waren ze niet digter als die, want zy dienden alleen voor koeijen, paarden en schapen. De varkens worden omstreeks Philadelphia digt by de hoeven gehouden, en daarom behoeven de tuiningen niet digter te zyn. Men gebruikte daarvoor gemeenlyk kastanjenhout, om dat dat zeer lang duurt, en ene schutting daarvan kan dertig jaren en meer staan. Dog waar men dat hout niet krygen kon, bediende men zig van eikenhout. Van alle soorten duurt het rode cederenhout het langste. Het meeste daarvan wordt hier gekoft, want digt by Philadelphia wast ’er niet genoeg van. Evenwel zyn ’er rondom die Stad vele tuinen van gemaakt.

[Brandhout.]

Het beste brandhout dat hier valt is de Hikory, een soort van Walnoot. Het geeft enen sterken gloed. Dog om te omtuinen deugt het niet, om dat het in de open lugt gauw verrot. Daarna volgen in deugd om te branden de witte en zwarte Eik. Men zou denken dat te Philadelphia, rondom in bosschen gelegen, het hout goed koop wezen moet, maar het tegendeel is waar. Dit komt daarvandaan, dat het hoge hout, ’t welk om de Stad staat, aan vermogende menschen toebehoort, die om geen geld verlegen zyn. Zelfs laten zy zo veel niet vallen als voor hun eigen gebruik vereischt wordt, zo veel te minder zullen zy het anderen verkopen. Zy sparen de bomen voor het toekomende, wanneer misschien het hout nog duurder worden zal. Evenwel verkopen zy het aan schrynwerkers, rademakers, en diergelyke konstenaars, die ’er rykelyk voor betalen. Men gaf toen voor enen stapel Hikoryhout, van agt voet lang en vier hoog, agttien Schellingen, Pensylvanisch geld. Voor zulk enen stapel van eikenhout betaalde men ’er maar twaalf. Die genen, die hout ter markt bragten, waren boeren die ver af woonden. Men klaagde overal dat de brand zo veel duurder was dan voorheen. En hiervan zeide men de oorzaak te wezen, dat de Stad zelve in korten tyd zo aanzienlyk toegenomen was, dat zy thans vier of zesmaal groter en volkryker is dan vele menschen in hunne kindschheid ze hadden gezien. Voorts zyn ’er veel tegelbakkeryen aangelegd, die veel houts verslinden. Ook is het land meer bebouwd, zo dat ’er gehele bosschen omgehakt zyn, om ’er koornvelden en landhoeven van te maken. Die landhoeven vernielen ook veel houts. Eindelyk, ’er zyn verscheiden yzerhutten opgeregt, en dezen zyn in gedurigen arbeid. Men maakte hier uit op, dat het hout met den tyd te Philadelphia zeer duur worden moest.

[Braambessewyn.]

De Wyn van braambessen, die zeer aangenaam is, wordt op deze wys gemaakt. Men perst het sap uit de bessen, en vergadert dat in een vat. By ene kan daarvan doet men ene kan waters, en mengt het wel. Men doet ’er dan drie pond bruine suiker by, en laat het zo enigen tyd staan. De drank is dan goed. Wyn van kerssen maakt men op dezelve manier; alleen moet men oppassen dat de stenen onder ’t perssen niet mede gebroken worden, want zy geven den wyn enen kwaden smaak.

[Persikebrandewyn.]

Uit de persiken maakt men brandewyn op deze wys. Men snydt de vrugt in twee stukken en goit den steen weg. De stukken legt men in een vat, en laat ze ’er drie of vier weken in, zo dat zy regt aan ’t verrotten zyn. Dan doet men ze in de disteleerketel, en stookt ’er den brandewyn uit, die daarna nog eens overgehaald wordt. Dog men kan hem genen lieden van enen fynen smaak voorzetten, maar hy is goed genoeg voor het werkvolk.

Op dezelve wys maakt men brandewyn uit appelen. Hiertoe neemt men vooral zulken, die afgevallen zyn voor dat ze volkomen ryp waren.

[Nachtschaduw.]