Reis door Noord Amerika

Part 4

Chapter 43,779 wordsPublic domain

+------------------++------------------++------------------- |Vreemde waren, || Engelsche || Somme der twee |waarvan de regten || Handwerken. || kolommen |betaald zyn, en || || t’zamengeteld. |maar de quitanties|| || |gevorderd || || |worden. || || ------+-------+----+-----++-------+----+-----++--------+----+----- Jaren.| L. | S.| D. || L. | S.| D. || L. | S.| D. 1723.| 5199.| 13.| 5. || 10793.| 5.| 1. || 15992.| 19.| 4. 1724.| 9373.| 15.| 8. || 20951.| 0.| 5. || 30324.| 16.| 1. 1725.| 10301.| 12.| 6. || 31908.| 1.| 8. || 42209.| 14.| 2. 1726.| 9371.| 11.| 6. || 28263.| 6.| 2. || 37634.| 17.| 8. 1727.| 10243.| 0.| 7. || 21736.| 10.| 0. || 31979.| 10.| 7. 1728.| 14073.| 13.| 9. || 23405.| 6.| 2. || 37478.| 19.| 11. 1729.| 12948.| 8.| 5. || 16851.| 2.| 5. || 29799.| 10.| 10. 1730.| 15660.| 10.| 11. || 32931.| 16.| 6. || 48592.| 7.| 5. 1731.| 11838.| 17.| 4. || 32421.| 18.| 9. || 44260.| 16.| 1. 1732.| 15240.| 14.| 4. || 26457.| 19.| 3. || 41698.| 13.| 7. 1733.| 13187.| 0.| 8. || 27378.| 7.| 5. || 40565.| 8.| 1. 1734.| 19648.| 15.| 9. || 34743.| 12.| 1. || 54392.| 7.| 10. 1735.| 18078.| 4.| 3. || 30726.| 7.| 1. || 48804.| 11.| 4. 1736.| 23456.| 15.| 11. || 38057.| 2.| 5. || 61513.| 18.| 4. 1737.| 14517.| 4.| 3. || 42173.| 2.| 4. || 56690.| 6.| 7. 1738.| 20320.| 19.| 3. || 41129.| 5.| 0. || 61450.| 4.| 3. 1739.| 9041.| 4.| 5. || 45411.| 7.| 6. || 54452.| 11.| 11. 1740.| 10280.| 2.| 0. || 46471.| 12.| 9. || 56751.| 14.| 9. 1741.| 12977.| 18.| 10. || 78032.| 13.| 1. || 91010.| 11.| 11. 1742.| 14458.| 6.| 3. || 60836.| 17.| 1. || 75295.| 3.| 4. 1743.| 19220.| 1.| 6. || 60120.| 4.| 10. || 79340.| 6.| 4. 1744.| 14681.| 8.| 4. || 47595.| 18.| 2. || 62214.| 6.| 6. 1745.| 13043.| 8.| 8. || 41237.| 2.| 3. || 54280.| 10.| 11. 1746.| 18103.| 12.| 7. || 55595.| 19.| 7. || 73699.| 12.| 2. 1747.| 8585.| 14.| 11. || 73819.| 2.| 8. || 82404.| 17.| 7. ------+-------+----+-----++-------+----+-----++--------+----+----- Somme 343789.| 16.| 0. ||969049.| 1.| 6. ||1312838.| 17.| 6. ------+-------+----+-----++-------+----+-----++--------+----+-----

Hoe sterk de gehele handel in Pensylvanie is kan men omtrent uit het getal der grote en kleine Schepen opmaken, die jaarlyks voor de Stad komen of ’er van afvaren. Ik zal hier maar ene lyst van enige weinige jaren plaatsen, die ik uit de Koeranten dier Stad getrokken heb. De Schepen worden gerekend van den 5. Maart van het ene tot den 5. Maart van het volgende jaar.

’T jaar. Ingekomen Schepen. Uitgevaren Schepen.

1735. 199. 212. 1740. 307. 208. 1741. 292. 309. 1744. 229. 271. 1745. 280. 301. 1746. 273. 293.

Maar het is zeer te vrezen dat de handel van Philadelphia en al de Engelsche Volkplantingen eer af dan toenemen zal, indien men daar geen zorg voordraagt. Ik zal dit in ’t vervolg duidelyk aantonen.

De Stad voorziet niet alleen de meeste Inwoonders van Pensylvanie van de waren die zy van noden hebben, maar ’er komen hier nog dagelyks vele menschen van New-Jersey, die hier enen sterken handel dryven.

[Markten.]

Ieder jaar, in Mai en November, worden ’er twee grote markten gehouden, ieder den 16. der maand. Behalven deze grote, zyn ’er nog twee gewone markten, ’s Woensdags en ’s Zaterdags, wanneer de Boeren van Pensylvanie en New-Jersey allerhande eetwaren en voortbrengselen des Lands komen te koop veilen, het welk een groot voordeel voor de Stad is. Het zou te wenschen zyn dat zulk ene nuttige zaak ook in de Zweedsche Steden konde ingevoerd worden. Men is hier verzekerd op de marktdagen alles wat men van de landwaren nodig heeft te zullen vinden. Dog tusschen beiden zoekt men ’er vergeefs naar.

Men kan hier altyd varsschen voorraad krygen, en om die reden koopt niemant op eens meer dan wat genoeg zal zyn tot den volgenden marktdag. Des Zomers is het byna alle dagen markt, want dan kunnen de waren om de hitte niet lang duren. Daar zyn twee plaatsen in de Stad waar deze markten gehouden worden, dog de voornaamste is by het Raadhuis. Zy beginnen ’s morgens om vier of vyf, en eindigen om negen uren.

De Stad legt open; en ’er is geen ander Tolhuis dan de grote Zeetol.

[Gouverneurs.]

De Gouverneur van het gantsche Landschap woont hier. Hy wordt door de nakomelingen van Pen benoemd, dog kan zyn ampt niet aanvaarden, zonder door den Koning van Engeland bevestigd te zyn.

De Quakers uit genoegzaam alle de delen van Noord Amerika houden hier eens in ’t jaar hunne grote vergadering.

[Maatschappy van Wetenschappen.]

In ’t jaar 1743. wierd hier ene Maatschappy van Wetenschappen opgerigt. Haar voorwerp waren alle de zeldzaamheden uit de drie Ryken der Natuur, de Wiskunde, Natuurkunde, Scheikunde, Huishoudingskonst, en Handwerken. Dog de daarop volgende kryg stuitte alle oogmerken van dezen aard; en sedert heeft men niets van deze natuur op nieuws ondernomen.

[Afwyking der Naald.]

De afwyking der Naald was hier in het jaar 1750. den 30. October O. S. 5. gr. 45. min. West. De waarneming geschiedde volgens de nieuwe middagslyn, die in den herfst van dat jaar te Philadelphia getrokken werd, en ene Eng. myl lang was. De ondervinding heeft geleerd dat de afwyking omtrent in agttien of twintig jaren enen graad vermindert.

[Hoogte van den Barometer.]

Het grootste onderscheid tusschen de hoogte en de laagte van den Barometer is, volgens de waarnemingen van vele jaren door den Heer James Logan gedaan, 28″ 59 en 30″ 78. gevonden.

[Boekdrukkeryen.]

Hier zyn drie Boekdrukkeryen; en alle week komen ’er twee Engelsche en ene Hoog Duitsche Koerant uit.

[Aardbevingen.]

In het jaar 1732. den 5. September O. S. gevoelde men hier, omtrent den middag, ene ligte aardbeving, de welke men op den zelven tyd ook te Boston in Nieuw Engeland en te Montreal in Kanada gewaar wierd, welke plaatsen meer dan zestig Zweedsche mylen van malkander leggen.

[Prins van den Berg Libanon.]

In November 1737. kwam de wel bekende Prins van den Berg Libanon, Scheich Sedi, te Philadelphia, bezig zynde een groot deel der Engelsche Volkplantingen te doorreizen. Dat zelve jaar werd ’er wederom ene aardbeving gevoeld, ’s morgens om elf uren, op den 7. December. Zy duurde niet boven ene halve minuut. Volgens de Koeranten had men ze op den zelven tyd ook gevoeld te Newcastle, New-York, New London, Boston, en andere plaatsen in Nieuw Engeland. Dus had deze zig ook vele mylen uitgestrekt.

[Graaf van Zinzendorf.]

De Graaf van Zinzendorf landde hier in December 1741. aan, en verbleef ’er tot de volgende Lente. Zyn vreemd gedrag deed velen, zelfs uit de voornaamste Engelschen, vermoeden, dat zyne harssenen ontsteld waren.

[Inwoonders.]

Ik heb het juiste getal van de Inwoonders van Philadelphia niet konnen te weten komen. In ’t jaar 1746. rekende men ’er meer dan tien duizend. Sedert is de Stad ongelooflyk sterk toegenomen. Uit de lysten der gestorvenen kan ook niets zekers besloten worden, dewyl zy in alle de Kerken niet juist worden opgemaakt. Ik zal die hier plaatsen welken in de Koeranten of afzonderlyk zyn uitgegeven.

In ’t Jaar. Gestorven.

1730. 227. 1738. 250. 1739. 350. 1740. 290. 1741. 345. 1742. 409. 1743. 425. 1744. 410. 1745. 420. 1748. 672. 1749. 758. 1750. 716.

Het blykt ook uit deze lysten dat de ziektens, waar hier de meeste menschen aan sterven, zyn teringen, koortsen, stuipen, borstontstekingen, bloedvloeyingen, waterzugt.

Het getal der Geborenen kan men niet bepalen, aangezien in enige Kerken daar geen ordentelyke lysten van worden gemaakt. De Quakers, die hier het grootste getal uitmaken, dopen hunne Kinderen noit, schoon zy nauwkeurig genoeg de geborenen aantekenen.

Insgelyks is het onmogelyk uit het getal der gestorvenen naar het getal der levenden te gissen, om dat ieder jaar de Stad zulk enen toevloed van vreemden heeft. In den Zomer van het jaar 1749. kwamen ’er byna twaalf duizend Duitschers over, waarvan ’er velen te Philadelphia zig nederzetteden. Dat zelve jaar telde men daar de huizen, en bevond het getal te zyn twee duizend zes en zeventig.

[Verscheidenheid.]

De Stad is nu vol van Ingezetenen, die ten opzigte van hun vaderland, van hunnen godsdienst, en van hunne neringen geheel verschillend zyn. Men vindt ’er byna in alle konsten voortreffelyke meesters, en vele dingen worden hier zo goed gemaakt als in Engeland. Dog Fabrieken, byzonderlyk van fyne lakens, zyn ’er nog niet. Misschien is hier van de reden, dat men ze zo gemakkelyk uit Engeland krygen kan, en dat de Schapen, die in dit Land overgebragt worden, allengskens veraarden.

Aan etenswaren is hier een grote overvloed, en zy zyn redelyk goedkoop. Men weet hier geen voorbeelden van enen duren tyd.

[Vryheid.]

Een ieder die maar God voor den Schepper, den Onderhouder en Regeerder aller dingen erkent, en niets strydigs met de algemene rust leert of onderneemt, heeft vryheid zig hier neder te zetten, en zynen handel te dryven, hoe vreemd ook zyne beginselen mogen zyn. Niemant wordt om zyne dwalingen gemoeid, als hy de bovengestelde grenzen maar niet te buiten gaat. En hy is zo wel, door de wetten, voor zynen persoon en zyne goederen in veiligheid, en geniet zulk ene vryheid, dat men zeggen kan, dat een Borger van Philadelphia in zyn huis gelyk een Koning leeft.

[Luister.]

Uit al het geen ik tot nog toe gezegd hebbe, kan men ligtelyk begrypen hoe deze Stad zo spoedig uit het niet kon opkomen en tot zulk ene aanzienlykheid geraken, zonder dat ’er enig magtig Vorst ware die ’er de hand toe leende, het zy door de zulken die ’er hinderlyk in waren te straffen, of geld te schieten. En evenwel wykt zy voor weinigen, zelfs van de oudste Steden in Europa, ten opzigt van een schoon voorkomen, goede inzettingen, aangename legging, natuurlyke voordelen, handel, rykdommen en vermogen. ’T was niet nodig de menschen te dwingen om hier te komen wonen; integendeel, vreemden van verschillende talen hebben hun land, huizen, eigendom en vrienden verlaten, en zig op ene gevaarlyke zee gewaagd, om hier te komen. Andere landen, schoon al over lang bevolkt, klagen over gebrek van inwoonders; en Pensylvanie, dat in ’t jaar 1681. niets anders dan ene woesteny was, en nauwlyks vyf honderd menschen bevatte, wykt nu in getal van bewoonders niet voor sommige Koningryken van Europa. Het heeft troepen van menschen opgenomen, die andere landen, tot hunne onherstelbare schade, veragt of verstoten hadden.

[Oud Overblyfsel.]

Een bedroefd oud houten huis, op ene hoogte digt by de Rivier, wat ten noorden de Weekacko Kerk, toebehorende aan enen van de Svenssons, wordt nog als een gedenkteken bewaard van den armoedigen staat dezer plaats, eer dat de Stad gebouwd was. De oudheid van dit gebouw geeft het een soort van voorrang boven de andere huizen in de Stad, schoon het het slegtste van allen is. Deze hut was bewoond, toen nog de herten, elanden en bevers by ligten dage op de aanstaande markten, straten en kerkhoven van Philadelphia verkeerden. In dit huis hoorde men reeds het geluid van ’t spinnewiel, eer men om de handwerken, die hier sedert geoeffend zyn, dagt, en voor dat Philadelphia zelfs bestond. Maar met dit alles staat dit huis om te vallen; en binnen weinig jaren zal het al zo moeilyk zyn te vinden waar het stond, als het onwaarschynelyk was in den tyd dat het gebouwd wierd, dat ene van de grootste steden van Amerika in ’t kort daar vlak by staan zoude. Maar laat ons ons dagverhaal hervatten.

[Een vogel door een slang betoverd.]

Den 7. September verhaalde my de Heer Peter Kock, een Koopman in deze Stad; dat hy de vorige week zelf gezien had hoe ene slang enen vogel inzwolg. Deze vogel, om zyn geschreuw de Katvogel genoemd, [17] vloog van den enen tak op den anderen, en maakte, naar zyn gewoonte, een naar geluid. Onder den boom, omtrent enen vadem van den stam, lag ene grote zwarte slang, haren kop gestadig om hoog houdende, kykende naar den vogel, die gedurig heen en weer vloog, en nu en dan op enen tak ging zitten. In ’t eerst hield hy zig op de bovenste takken. Allengskens kwam hy lager en lager, en eindelyk stortte hy zig op den grond neder, en huppelde naar de plaats daar de slang lag, die terstonds haren bek opende, den vogel greep en doorzwolg. Dog de Heer Kock overviel en doodde ze op ’t ogenblik. Men verhaalde my naderhand dat men dit van dit soort van slangen dikwyls waargenomen heeft. Het zelve is al lang van de Ratelslang bekend geweest.

Ik wandelde dien dag naar buiten, om naar planten te zoeken. Ik vond ’er verscheiden Europischen zelfs Zweedschen, maar zulken die aan Amerika alleen eigen zyn, waren de talryksten.

[Bomen en planten.]

De Virginische Ahorn [18] is zeer gemeen op de oevers van de Dellaware. De Engelschen noemen hem Buttonwood of ook Waterbeuk, welke laatste naam de gemeenste is. Hy groeit meest maar op lage plaatsen, vooral op den kant van rivieren of beken, maar kan ligt op droger plaatsen verplant worden, als ’er de grond maar goed is. En, om dat zyn blad groot en dik is, plant men hem veel omtrent de huizen en in tuinen, om ’er in de hitte ene aangename schaduw onder te vinden. Met dit inzigt zet men ’er wel banken onder. Sommigen van de Zweden hadden dozen, emmers, en diergelyke dingen, gemaakt door de Amerikaansche Wilden uit den bast van dezen boom. De schors is ene lyn dik. Deze boom groeit ook in moerassen en vogtige weiden, waar de Esschen en de rode Ahorn wassen. Hy is gemeenlyk al zo hoog en dik als de Denneboom. Het zaad blyft ’er tot in de lente op zitten; in ’t midden van April gaan de huisjes open en verspreiden de zaden. Misschien om dat het zaad niet eerder ryp is. Deze boom is aanmerkelyk om zyn spoedig groeijen, waarin hy alle andere bomen overtreft. Daar is zulk ene menigte van op vele plaatsen in de lage weiden tusschen Philadelphia en het veer te Gloucester, op beide zyden van den weg, dat men daar des zomers als door ene digte laan rydt. Ik zag in ’t jaar 1750. den 15. Maart de knoppen ’er nog aan zitten, en in ’t jaar 1749. begonden zy den 8. Mai te bloeijen. Men vindt verscheiden van deze bomen te Chelsea by Londen geplant, die in hoogte en dikte voor den eik niet wyken.

[De Landstreek.]

Den 18. ging ik ’s morgens vroeg met den Zweedschen Schilder, den Heer Hesselius, naar het Landgoed van den Heer Bartram, vier Eng. mylen ten zuiden Philadelphia, een weinig bezyden den groten weg naar Maryland, Virginie en Karolina gelegen. Nu had ik eerst gelegenheid den staat des Lands te leren kennen, welk ene vlakte was, bedekt met allerhande soorten van bomen, die hun blad laten vallen. De grond was zand vermengd met klei, dog het zand had de overhand. Hier en daar zag men plaatsen waar het hout weggehakt was, bewoond door boeren, die hunne akkers rondom hunne huizen hadden. De bosschen waren vol moerbezie- walnoot- kastanje- sassafras- en andere bomen; verscheiden soorten van wilden Wyngaard slingerden zig tot in de toppen van het hoogste geboomte. Op andere plaatsen omvlogten zy de heiningen zo sterk, dat die byna onder de zwaarte bogen. De Persimon, [19] een soort van Mispelboom, groeide in natte gronden en omstreeks watersprongen. Zyn kleine appeltjes zagen ’er reeds wel uit, dog zyn niet eetbaar voor dat ze bevroren zyn, en dan zyn ze zeer smakelyk. De Heer Hesselius vergaderde ’er sommigen van, en verzogt mynen Jungstrom van de vrugten des Lands te proeven; dog de goede hals had ’er pas in gebeten, of hy gevoelde wat eigenschap zy hebben voor dat zy tot hare volle rypheid gekomen, en door de vorst aangedaan zyn. Zy trokken zyn mond t’zamen, zo dat hy kwalyk spreken kon. Dit maakte hem ’er zo afkerig van, dat hy met moeite bewogen worden konde om ’er, gedurende ons verblyf in Amerika, van te proeven, schoon zy in den herfst en tegens den winter al hare bitterheid verliezen.

[Bomen en planten.]

Om de nieuwsgierigheid te voldoen van zulken die gaarn weten willen wat hout in deze gewesten valt, en of men ’er bomen vindt die ook in onze bosschen wassen, zal ik hier ene korte lyst invoegen van die bomen welken in de bosschen het digst by Philadelphia, in ’t wild groeijen. Ik zal dien boom de eerste plaats geven die de menigvuldigste is, en zo vervolgens, zo dat zulke bomen waarvan men maar enen enkelden, schoon digt by de Stad, vindt, de laatsten zullen zyn.

1. Quercus alba, de Witte Eik, wast in goede gronden.

2. Quercus rubra, Zwarte of Rode Eik.

3. Quercus Hispanica, de Spaansche Eik, een soort van den voorgaanden.

4. Juglans alba, de Hickory, een soort van walnoot. Men vindt ’er drie of vier soorten van.

5. Rubus occidentalis, de Amerikaansche Braamstruik.

6. Acer rubrum, de Ahorn met roden bloeisem. Hy wast in moerassige gronden.

7. Rhus glabra, de gladbladige Sumach. Men vindt deze plant in de bosschen, en op oude koornvelden.

8. Vitis Labrusca & Vulpina, wilde Wyngaarden van verscheiden soorten.

9. Sambucus Canadensis, de Amerikaansche Vlierboom. Deze groeit langs de hagen en betuiningen.

10. Quercus Phellos, de Moeras eik.

11. Azalea lutea. Zy wast in de bosschen en op droge plaatsen.

12. Crategus Crus galli. Men vindt hem in de bosschen.

13. Vaccinium, een soort van blauwbessestruik.

14. Quercus prinus, de Kastanje eik. Hy wast op goede gronden.

15. Cornus florida, de Kornoeljeboom. Men vindt hem in allerlei gronden.

16. Liriodendron Tulipifera, de Tulpeboom. Hy groeit in allerlei aarde.

17. Prunus Virginiana, de wilde Kersseboom.

18. Vaccinium, een Blauwbessestruik. Hy vereischt enen goeden grond. 19. Prinos verticillatus. Hy groeit in moerassen.

20. Platanus occidentalis, de Waterbeuk.

21. Nyssa aquatica, [20] groeijende op de velden en de bergen.

22. Liquidambar styraciflua, staande aan fonteinen.

23. Betula Alnus, de Els, ene verscheidenheid van den Zweedschen. Het was maar een struik.

24. Fagus Castanea, de Kastanjeboom, voortkomende op koornvelden, weiden, en in kreupelbosschen.

25. Juglans nigra, de zwarte walnootboom. Hy wast op de zelve plaatsen als de voorgaande.

26. Rhus radicans, de zig omwindende Sumach. Deze klimt tegens de bomen op.

27. Acer Negundo, de Ahorn met Esscheloof. Hy groeit op moerassige plaatsen.

28. Prunus domestica, de wilde Pruimboom.

29. Ulmus Americana, de witte Olm.

30. Prunus Spinosa, de Doornstruik. Deze komt voort op lage gronden.

31. Laurus Sassafras, de Sassafrasboom, groeijende in ene losse met zand gemengde aarde.

32. Ribes nigrum, een soort van Mispelboom, wassende op lage gronden en in moerassen.

33. Fraxinus excelsior, de Essche. Deze groeit op lage gronden.

34. Smilax laurifolia, wassende in de bosschen en om de tuinen.

35. Kalmia latifolia. Deze plant groeit tegens de noorder zyden der bergen.

36. Morus rubra, de Moerbezieboom. Men vindt hem op ’t veld, op de bergen, en by de huizen.

37. Rhus vernix, de vergiftige Sumach, wassende op vogtige plaatsen.

38. Quercus rubra, de rode Eik; een byzonder soort. 39. Hamamelis Virginica, de toveragtige Hazelaar.

40. Diospyros Virginiana, de Persimon, of Mispelboom.

41. Pyrus coronaria, de Ankerboom.

42. Juniperus Virginiana, de Rode Jeneverboom. Deze groeit op schrale gronden.

43. Laurus æstivalis, Spicewood by de Engelschen, groeijende overal.

44. Carpinus ostrya, de Steenbeuk, vereischende enen goeden grond.

45. Carpinus betulus, de Haagbeuk, vorderende enen goeden grond.

46. Fagus sylvatica, de Beuk. Deze komt voort op alle gronden.

47. Een soort van Walnootboom, wassende op de bergen by de Rivieren, by de Zweden genoemd Butternutstrae. [21]

48. Pinus Americana, de Pensylvanische Pynboom, wassende op de noordelyke zyden der bergen en in de vallyen. [22]

49. Betula lenta, een soort van Berk. Op de oevers der Rivieren.

50. Cephalantus occidentalis. Deze groeit op natte gronden.

51. Pinus Taeda, de Den van New-Jersey. Men vindt hem op dorre heiden.

52. Cercis Canadensis, de Salaadboom. Hy vereischt goede gronden.

53. Robinia pseudacacia, de Krekelboom. Men vindt hem op de koornvelden.

54. Magnolia glauca, op natte gronden.

55. Tilia Americana, de Linde. In goede aarde.

56. Gleditsia triacanthos. Hy wast in goede aarde.

57. Celtis occidentalis. Op vrye velden.

58. Annona muricata, by de Zweden Papawtrae. Deze wast in ene vrugtbare aarde.

[De Landsdouwe.]

Wy bezogten enige Zweden, die hier zig in vry voordelige omstandigheden bevonden. Wy zagen gene andere tekens van den herfst dan dat sommige vrugten van dat jaargetyde reeds ryp waren, want al de bomen waren nog zo groen, en de grond nog zo bedekt met bloemen, als in Zweden in den zomer. Duizenden van kikkers schreuwden den gantschen nagt over in de poelen en moerassen. De krekels en sprinkhanen maakten ook zulk een geraas dat men malkander kwalyk verstaan kon. De bomen waren ook vol van allerlei soorten van vogels, die door de verscheidenheid hunner vederen het oog streelden, terwyl zy de lugt aan alle kanten van hun gezang deden weergalmen.

[Boomgaarden.]

De Boomgaarden, die wy voorbykwamen, waren alleen afgesloten met lage tenen horden, schoon ’er de fynste soorten van vrugten in wiessen. Wy waren in ’t eerst verwonderd onzen geleider over de heining te zien henen springen, en sommige vrugten voor ons halen; maar wy waren nog meer verwonderd, toen wy zagen dat de menschen in den boomgaard dat niets agtten, en zelfs niet eens naar ons keken. Dog men zeide ons dat men hier niet zo veel zag op, een weinigje vrugten als in andere landen, daar zulk een overvloed niet is. Wy ondervonden naderhand dat de boeren in Zweden en Finland hunne rapen zorgvuldiger bewaarden, dan men hier de keurigste vrugten doet.

[Dauw.]

Ik merkte den 19. Sept. ’s morgens vroeg wandelende, dat ’er een sterke dauw gevallen was, want het gras was zo nat als of het geregend had. De bladen van de bomen en de planten dropen. Ik vond by die gelegenheid dat de dauw niet alleen boven op, maar ook onder aan de bladeren zat. Ik beschouwde dan zorgvuldig verscheiden bladeren, zo van de bomen als van de planten, zo die ver van den grond als die ’er digt aan waren. Dog ik vond by allen, dat beide de oppervlaktens der bladeren, uitgenomen die van het Verbascum Thapsus of het witte wollenkruid, welken, schoon de bovenzyde vry nat was, maar weinig water van onderen hadden.

[Vrugten.]

By elke landhoeve, al was zy maar van enen gemenen Boer, had men enen groten of kleinen boomgaard, waarin allerhande vrugten, als persiken, appelen, peren, kerssen en anderen in overvloed wiessen. De persiken waren nu byna ryp. Zy zyn zeldzaam in Europa, vooral in Zweden, waar het niemant dan den ryken gebeuren mag ’er van te proeven. Maar hier heeft ieder landman enen boomgaard vol persikebomen, die zo vol waren, dat wy nauwlyks in den boomgaard wandelen konden zonder op de afgevallen persiken te trappen, waarvan men altyd een gedeelte maar leggen laat, want men konde zulk ene menigte ’er van niet nuttigen. Een deel wordt in de Stad verkoft, en de overigen worden gegeten, niet alleen van de eigenaars, maar ook van anderen, want ieder voorbyganger mag in den boomgaard komen en ’er zo velen afplukken als hy lust. Zelfs smyt men hier die schone vrugt voor de varkens.

[Persiken ingemaakt.]