Part 3
By myn vertrek van Londen had ik brieven van voorschryving gekregen van de Heren Abraham Spalding, Peter Collinson, Doctor Mitchell en anderen aan hunne Vrienden alhier. Dus was het my ligt kennissen te maken. De Heer Benjamin Franklin, aan wien Pensylvanie voor hare welvaart, en de geleerde wereld voor zyne nieuwe ontdekkingen in de Elektriciteit, zo grote verpligting hebben, was de eerste die my bekend deed worden. Hy gaf my alle nodige onderrigtingen, en bewees my alle mogelyke diensten.
[De Landsgestelte.]
Ik ging, vergezeld van den Heer Jakob Bengtson, een lid van den Zweedschen Kerkeraad, en den Schilder Gustavus Hesselius, om de Stad en het land te zien. Ik bevond my in ene nieuwe wereld. Waar ik op den grond myne ogen sloeg vond ik planten die ik niet kende. Wanneer ik enen boom zag, moest ik blyven staan, en vragen hoe hy heette. De eerste plant die myn ogen trof was een Andropogon, of een soort van gras; en het gras is dat stuk der Kruidkunde waarin ik altyd het grootste vermaak vond. Ik schrikte als ik bedagt dat ik zo veel nieuwe en onbekende stukken der Natuurlyke Historie in order brengen moest. In ’t eerst bezag ik alleen de planten, zonder het te wagen my in een nauwkeuriger onderzoek in te laten.
Ik nam by een Winkelier, die een Quaker was, myn intrek. Ik ontmoette daar in huis goede en eerlyke menschen, gelyk my de meesten van die sekte schenen te zyn. Ik had hier, nevens mynen Jungstrom, kamer, ligt, bed, oppassing en driemaal eten, indien wy wilden, voor twintig schellingen, naar den loop van ’t Pensylvanisch geld, in de week. Maar brand, waschgeld en wyn, moest buiten dat betaald worden.
[Beschryving van Philadelphia.]
Eer ik verder myne reis verhale, wil ik ene korte beschryving geven van de Stad Philadelphia, van de welke ik in ’t vervolg dikwyls gewagen zal.
Philadelphia, de hoofdstad van Pensylvanie, een Landschap dat voorheen een deel van Nieuw Zweden uitmaakte, is ene der voornaamste steden van Noord Amerika, en naast Boston de grootste. Zy legt genoegzaam in ’t midden der Engelsche Volkplantingen, op de breedte van 29. gr. en omtrent 50. min. N. en de lengte van 75. gr. West van Londen.
Deze Stad werd in den Jare 1683. of zo als anderen willen 1682. door den bekenden Quaker William Pen het eerst aangelegd, die dit gantsche Land van Koning Karel den II. van Engeland ten geschenk verkreeg, nadien Zweden van zyn regt op het zelve had afgestaan. Zy moest, volgens Pens ontwerp op een punt leggen, dat de Rivieren Dellaware en Skulkill by hare t’zamenvoeging maken, in ene vierkante gedaante, en twee Engelsche mylen lang en ene breed zyn. De oostzyde moest tegens de Dellaware en de westzyde tegens de Skulkill geraakt hebben. Men had werkelyk op beide de Rivieren begonnen te bouwen. Agt hoofdstraten, ieder twee Eng. mylen lang, en zestien dwarsstraten, elke van ene myl, werden afgestoken, allen lynregt, en zeer breed. De oord was toen genoegzaam ene volkomene woesteny, bedekt met zware bosschen, en hoorde drie Zweedsche Broeders, Svensson genoemd, toe, die ’er zig hadden neergezet. Zy verlieten met tegenzin de plaats wegens hare voordelige legging. Dog op ’t laatst bewoog Pen ’er hun toe, die hun enige mylen verder tweemaal zo veel gronds gaf dan zy bewoond hadden. In ’t vervolg heeft Pen zelf, en zyne opvolgers na hem, den gegevenen grond merkelyk ingekort, onder voorgeven dat de Svenssons zig meer toegeëigend hadden, dan hun was toegestaan.
Maar voor zulk ene uitgestrekte plaats, als de Stad volgens het ontwerp wezen moest, was het onmogelyk een genoegzaam getal van Ingezetenen te vinden. Het ontwerp derhalven van op de Skulkill te bouwen wierd ter zyde gelegd, tot dat ’er beter kans zoude zyn om het te vervullen, en men bouwde alleen langs de Dellaware. Deze Rivier, die langs de oostzyde der Stad stroomt, brengt haren handel groot voordeel toe, en maakt een schoon gezigt. De huizen die reeds langs de Skulkill gebouwd waren, wierden allengskens naar de Dellaware verplaatst. De Stad legt in enen zeer aangenamen oord, van ’t noorden tot het zuiden langs het water. Zy is iets meer dan ene Eng. myl lang, en op sommige plaatsen ene halve myl of iets meer breed. De grond is gelyk, en bestaat uit zand gemengd met een weinig klei. De ondervinding heeft getoond dat de lugt hier zeer gezond is.
De straten zyn regelmatig, frai, en de meesten vyftig Eng. voeten breed. Archstreet is zes en zestig, en Marketstreet, welke de voornaamste straat is, waar de markt gehouden wordt, byna honderd voeten breed. Zeven lopen ’er van het noorden naar het zuiden, of naar de langte der Stad, uitgenomen ene, die langs de Rivier, ten zuiden, van de markt loopt, en Waterstreet genoemd wordt. Agt waren ’er geschikt om in ’t dwars van de ene Rivier naar de andere te gaan. Zy lopen niet volkomen oost en west, maar een weinig van die strekking af. Al de straten zyn lynregt, en maken te zamen regte hoeken op de snydingen, uitgenomen twee, die naast aan ’t water zyn. Sommigen zyn bestraat, anderen niet, en dit schynt minder noodzakelyk om dat de grond zandig is, en dus het water intrekt. Dog in de meesten is ’er een bestrating naast de huizen van gelyke stenen, volgens Engelsch gebruik, een vadem, en somtyds meer, breed, met palen op den afstand van drie of vier vadem afgezet. Op de steenen gaan de voetgangers, rytuigen en paarden moeten midden op de straat blyven. Onder de daken lopen goten met pypen daaraan, zo dat de menschen die langs de straat gaan, by regen of ’t smelten der sneeuw niet kunnen bedropen worden.
[De Huizen.]
De huizen geven een goed aanzien, zyn gemeenlyk enige verdiepingen hoog en van gebakken of gehouwen stenen gebouwd; dog de eersten worden het meest gebruikt, en worden even buiten de Stad en zeer wel gebakken. De gehouwen steen, dien men voor andere huizen gebezigd heeft, wordt in menigte in het Land gevonden, is ligt te bearbeiden, en heeft de goede eigenschap van in nat weder het vogt niet aantetrekken. [10] Men brandt hier overal enen zeer goeden kalk om te metselen.
De huizen zyn met planken gedekt. Het hout neemt men van een boom dien de Zweden den Witten Jeneverboom, en de Engelschen den Witten Ceder noemen. [11] De moerassen waren ’er voorheen vol van, dog tegenwoordig zyn deze bomen meest gekapt, en men heeft nog gene nieuwen geplant. [12] Het hout is zeer ligt, rot niet zodra als ander hout in dit Land, maar duurt een ’s menschen leven lang, en is daarom uitmuntend voor de daken. Ook bezwaart het de muren niet. Dog velen beginnen te vrezen, dat men met den tyd deze daken zal aanzien als zynde de Stad zeer nadelig, om dat, dezelven zo ligt zynde, de meeste muren ook zeer ligt zyn opgemetseld, en dat hout nu begint te ontbreken, zo dat men in ’t toekomende genoodzaakt wezen zal gebruik te maken van zwaarder stoffen, pannen, of iets diergelyks, welke zwaarte de muren niet zullen kunnen dragen. Om deze reden hebben reeds velen sedert enigen tyd begonnen zig van pannen te bedienen.
[Kerken.]
Onder de openbare gebouwen zullen wy eerst spreken van de Kerken, waarvan ’er verscheidenen zyn, want God wordt hier op velerhande wyzen gediend.
De Engelsche Kerk staat in ’t noorden der Stad, een weinig van de markt af. Zy is de fraiste van allen. Zy heeft enen kleinen toren, die niet veel zeggen wil, waarin ene klok hangt om te luyen by kerktyd of begrafenissen. Ook heeft zy een uurwerk. Dit gebouw, genoemd Christ Church, wierd gestigt omtrent het laatst der voorgaande euw, dog is onlangs herbouwd en verbeterd. Zy heeft twee Predikanten, die hun jaargeld grotendeels uit Engeland krygen.
De Zweedsche Kerk, anders de Kerk van Weekacko, staat in ’t zuiden der Stad, genoegzaam buiten dezelve, aan de Rivier, ’t welk hare legging de aangenaamste van al de Kerken maakt. Ik zal ’er breder van handelen wanneer ik van de Zweden hier woonagtig spreken zal.
De Duitsche Luthersche Kerk staat aan het noordwesten der Stad. By myn aankomst in Amerika had zy een klein torentje; dog het zelve gebouwd zynde voor dat de muren van de Kerk volkomen droog waren, begonnen die te zakken, zo dat men den toren in den herfst van het jaar 1750. moest afbreken. Omtrent dien tyd kreeg de gemeente een frai orgel uit Duitschland. Zy heeft maar enen Predikant, die den enen zondag in de Luthersche Kerk te Germantown, en den anderen te Philadelphia preekt. De eerste Predikant der Lutherschen alhier was de Heer Muhlenberg, die in ’t Jaar 1743. den grond voor deze Kerk gelegd heeft, en sedert van daar naar ene andere gemeente geroepen zynde, opgevolgd is door den Heer Brunholz, van Sleeswyk geboortig, die hier nog staat. Beiden zyn zy van Halle in Saxe herwaards gezonden, en hebben, door hunne byzondere gaven van stigtelyk te preken veel nuts gedaan. Kort voor dat deze Kerk gebouwd was, hadden de Duitschers genen Predikant voor hunzelven, zo dat de Zweedsche Predikant, de Heer Dylander, te Weekacko voor hun predikte. Na zynen dood in 1741. schreven zy naar Duitschland om een Predikant. Deze gemeente is thans zeer talryk, zo dat alle zondagen de Kerk zeer vol is. Zy heeft twee koren, dog geen Sakristie. Voor den altaar wordt niet gezongen, maar alles gelezen.
De Oude Presbyteriaansche Kerk is niet ver van de markt op zuidzyde van Marketstreet. Zy heeft ene middelmatige grootte, en is gebouwd in ’t jaar 1704. gelyk het opschrift in den gevel aan de noordzyde aantoont. Het dak is van buiten een halve cirkel, of maakt ten minsten enen halven zeshoek. Het gebouw zelf staat noord en zuid, want de Presbyterianen zien ’er niet op, gelyk anderen, naar welke windstreek hunne Kerken gebouwd zyn.
De Nieuwe Presbyteriaansche Kerk wierd in ’t jaar 1750. in het noordwesten der Stad, door de zogenaamde Nieuwverligten [13] gebouwd. Deze Nieuwverligten zyn menschen, die uit verscheiden Godsdiensten leerlingen geworden zyn van den welbekenden Whitefield, die in de jaren 1739. en 1740. en naderhand wederom in 1744. en 1745. genoegzaam alle de Engelsche Volkplantingen doorreisde. Zyne welsprekendheid, zyn ongemene yver, en andere gaven, maakten, dat hy dikwyls, vooral in de twee eerste jaren, agt, ja zelfs twintigduizend toehoorders, in ’t open veld had. Zyn inzigt met zyn reizen was geld voor een Weeshuis te verzamelen, dat in Georgie zou worden opgeregt. Hy kreeg dikwyls op ene reis zeventig ponden Sterlings by een; zelfs verzamelde hy by twee predikatien, die hy in ’t jaar 1740. op enen zondag deed, honderd en vyftig pond. De aanhangelingen van dezen man, nu de Nieuwverligten geheten, zyn tegenwoordig ene sekte van Presbyterianen. Want schoon Whitefield eigenlyk een Geestelyke van de Engelsche Kerk was, week hy allengskens af van derzelver leer; en, in ’t jaar 1744. te Boston zynde aangekomen, zintwistte hy zo lang met de Presbyterianen, tot dat hy zelf hunne gevoelens aannam. Whitefield was geen groot zintwister, en kon dus door deze doorslepene lieden geleid worden waar zy hem hebben wilden. Dit veroorzaakte ook dat gedurende zyn laatste verblyf in Amerika zyn’ toehoorders zo talryk niet waren als de eerste maal. De Nieuwverligten bouwden het eerst in 1741. een groot huis in ’t westen der Stad, om den Godsdienst daarin waartenemen. Dog alzo zy na het vertrek van Whitefield onder malkander in scheuring geraakten, behalven om nog andere redenen, wierd het gebouw in het jaar 1750. aan de Stad verkoft, en tot een school geschikt. De Nieuwverligten bouwden toen ene Kerk, die ik de Nieuwe Presbyteriaansche genoemd heb. Voor den oostelyken gevel zyn de volgende woorden in ’t Latyn in vergulde letters te lezen, Presbyteriaansche Kerk, onder Gods zegen in ’t jaar des Heren 1750. gestigt.
De Oude Duitsche Hervormde Kerk staat in het westnoordwester deel van de Stad, en gelykt veel naar de Kerk in Ladugaordslande te Stokholm. Zy is nog niet geheel af, schoon ’er al verscheiden jaren dienst in gedaan is. Deze Duitschers gingen by ’t leven van den Heer Dylander in de Zweedsche Kerk. Dog toen, na den dood van dien Heer, de Lutherschen enen Predikant uit Duitschland komen lieten, maakten de Hervormden ook toestel om ’er een van Dordrecht te ontbieden, en de eerste dien men hun zond was de Heer Slaughter, dien ik daar by myn aankomst ontmoette. Maar deze had in ’t jaar 1750. het ongenoegen, dat een ander Predikant, die nieuwlings uit Holland aangekomen was, zig, door list, zo by een gedeelte der Gemeente wist intedringen, dat meer dan de helft ’er van gewonnen werd. De twee Predikers betwistten malkanderen verscheiden zondagen den Predikstoel. Men verhaalt, dat de laatstgekomene eens des zaterdags avonds reeds op stoel ging, en ’er den gantschen nagt op bleef. De ander dus voorgekomen zynde, geraakten de beide partyen handgemeen, en klopten malkander wakker af, ten algemenen spotte en tot ergernis der gehele Stad. De zaak kwam voor den Magistraat, die ze ten voordele van den Heer Slaughter uitwees.
De Nieuwe Hervormde Kerk wierd niet ver van de Oude gebouwd door de aanhangelingen van den laatst gekomenen Prediker, nadat zy in het ongelyk gesteld waren. Egter wist deze het zo ver te brengen, dat genoegzaam het gantsche gehoor van zynen tegenstrever verliep. De Quakers hebben twee kerken of zogenoemde Vergaderplaatsen, [14] de ene op de markt, en de andere in het noorden der Stad. Men vindt hier, volgens ’t gebruik van deze menschen, nog altaar, nog predikstoel, nog enig ander Kerksieraad, maar alleen zitplaatsen en enige armblakers. Zy verzamelen zig elken zondag driemalen, en behalven dat nog ieder week en maand op zekere tyden. Ik zal in ’t vervolg breder van hun spreken.
De Wederdopers komen te zamen in het noordelyk gedeelte der Stad.
De Roomsgezinden bezitten tegens het zuidwesten een tamelyk groot huis, dat van binnen frai versierd is, en een orgel heeft.
De Aanhangers des Graven van Zinzendorf, anders Hernhutters, hebben een huis in het noorden der Stad gehuurd, waar zy in het Hoog Duitsch en ’t Engelsch dienst plegten te doen, niet alleen twee of driemaal ieder zondag, maar ook elken avond in de week als het donker was. Dog in den winter van 1750. werden zy genoodzaakt van hunne avondbyeenkomsten af te laten, door enige dartele jongens, die hun verscheiden malen kwamen storen, door uit een donkeren hoek, by ’t slot van elk vers, met een werktuig dat het geluid van een Koekoek maakt, waarmede de kinderen gewoon zyn te spelen, zulk een geweld onder het zingen te maken, dat de Gemeente schrikkelyk geërgerd werd.
Die van de Engelsche Kerk, de Nieuwverligten, de Quakers en de Duitsche Hervormden hebben ieder hunne begraafplaatsen buiten de Stad, en niet by hunne Kerken, schoon de eersten somtyds wel eens ene uitzondering hier van maken. De anderen begraven op hunne Kerkhoven, en de Hernhutters waar zy maar konnen. De Zwarten worden op ene zekere plaats buiten de Stad begraven.
[Andere Openbare Gebouwen.]
Ik ga nu over om van de overige openbare gebouwen te gewagen. Het Stadhuis, of het huis voor de Vergaderingen der Provincie, legt in het westen der Stad, is een schoon gebouw, dat het grootste sieraad van de Stad uitmaakt. Het heeft enen toren met ene klok. In het zelve komen de Afgevaardigden van het gewest gemeenlyk in October t’zamen, of wel dikwyler, indien het de nood vereischt, om over ’t algemene welzyn raad te plegen, en hunne kleine Parlemente of Ryksdagen te houden. Hier overzien zy de oude wetten, en maken des noods nieuwen.
Terzyde van dit gebouw staat de Boekery, die in ’t jaar 1742. eerst is aangelegd geworden, volgens een bestek van den Heer Franklin. Deze bewoog eerst de vermogendste lieden van de Stad om veertig Schellingen voor een begin te geven, en vervolgens jaarlyks tien Schellingen, om allerhande soorten van boeken te kopen. De Intekenaars hebben het regt de boeken te gebruiken. Anderen mogen ze ook voor enen zekeren tyd lenen, dog moeten een onderpand geven, en ’s weeks agt pence voor een folio, zes voor een quarto, en vier pence voor een kleinder boek betalen. Zodra de tyd dat men een boek houden mag om is, moet het ’er weder zyn, of men wordt beboet. Het geld dat op deze wys verzameld wordt, is geschikt om den Bibliothecarius te betalen en nieuwe boeken te kopen. Daar is reeds ene fraije verzameling van uitmuntende werken, meest Engelschen, verscheiden Franschen en Latynschen, dog weinigen in andere talen. De Intekenaars hadden de beleefdheid van den Bibliothecarius te bevelen my, zo lang ik hier zyn zoude, alle de boeken te lenen, die ik begeren zou, zonder enig geld ’er voor te nemen. De Boekery stond open alle zaterdagen ’snamiddags van vier tot agt uren. Behalven de boeken is ’er ene ruime verzameling van natuurlyke zeldzaamheden en van wiskundige en natuurkundige werktuigen. Verscheiden andere kleine boekeryen zyn ’er in de Stad aangelegd, op den zelven, of byna den zelven voet als deze.
Het Raadhuis [15] staat in het midden van Marketstreet, ten westen der Markt. Het is een frai gebouw, met een klein torentje, waarin een klok is. Rondom en onder het zelve wordt eigenlyk de markt iedere week gehouden.
De Akademie staat in het westen der Stad. Het was voorheen, gelyk gemeld is, ene verzamelplaats voor de aanhangers van Whitefield; maar zy verkoften het in ’t jaar 1750. en het wierd tot ene Akademie, of liever tot een school geschikt. De jeugd wordt hier alleen in zulke dingen onderwezen, die zy by ons in de lage scholen leert; maar men denkt hier met den tyd zulke lessen te zullen geven, als eigenlyk aan ene Akademie passen.
Op het einde van den laatsten oorlog wierd hier op de zuidzyde der Stad aan de Rivier ene schans aangelegd, om den Franschen en Spaanschen Kapers het landen te beletten. Dog dit geschiedde niet dan na een hevigen twist. De Quakers verwierpen alle vestingwerken, als strydende met hunnen Godsdienst, die den Christen allen kryg verbiedt, het zy aanvallenden of verwerenden, maar alleen wil dat men op God vertrouwen zal. Men wisselde verscheiden schriften voor en tegen. Dog de vyandlyke Kapers enige vaartuigen de Stad toebehorende hebbende weggenomen, vonden de meeste, zo niet alle de Quakers, het raadzaam de versterking, ten minsten door geld te schieten, te bevorderen.
[Lugtsgesteldheid.]
Onder alle de voordelen dezer Stad is hare aangename lugtgesteldheid het voornaamste. De Winter is niet zeer gestreng en tamelyk kort, en de Zomer niet te heet. Het land rondom brengt allerhande akkervrugten in grote menigte voort. De September en October zyn hier gelyk aan het begin van Augustus in Zweden, en de eerste dagen van Februari zyn veeltyds al zo aangenaam als het laatst van April en het begin van Mai in Zweden is. Zelfs zyn de koudste dagen in sommige Winters niet kouder dan de laatste herfstdagen in het midden van Zweden en het zuiden van Finland.
Philadelphia heeft schoon en helder water. Want schoon ’er in de Stad gene bronnen zyn, vindt men in ieder huis enen put, en op de straat zyn ’er ook verscheiden, die zeer goed water geven om te drinken, te wasschen, te koken, en voor ander gebruik. Gemeenlyk moet men veertig voet diep graven eer men water vindt. Het water der Dellaware is ook goed. Maar by het maken van putten begaat men dikwyls enen misslag, die het water op verscheiden plaatsen der Stad bederft. In ’t vervolg zal ik gelegenheid hebben hier verder van te gewagen.
[De Dellaware.]
De Dellaware bevordert den Koophandel uitermate. Het is ene der grootste Rivieren van de Wereld. [16] Zy is drie Eng. mylen breed aan haren mond, twee mylen voor de Stad Wilmington, en drie vierden van ene myl voor Philadelphia, het welk tusschen de negentig en de honderd mylen van Zee, of van de plaats waar zig de Dellaware in den zeeboezem van dien naam stort, aflegt. Egter is zy nergens minder dan vyf of zes vadem diep, dus de grote Schepen tot voor de Stad kunnen komen, en naast aan de brug op vyf vadem ankeren. Hier is het water niet meer brak. Dit maakt dat al de wormen, die op Zee aan het Schip gekomen zyn, en ’er gaten in gemaakt hebben, sterven of afvallen, zodra het hier enigen tyd gelegen heeft.
Het enige ongemak, waaraan de handel hier onderworpen is, is dat de Rivier alle Winters ene maand of meer toevriest. Gedurende dien tyd is de vaart gestopt. Dit gebeurt niet te Boston, te New-York, en op andere plaatsen digter aan Zee.
De vloed doet zig zelfs nog dertig Eng. mylen boven de Stad te Trenton bemerken. Het verschil van hoog en laag water te Philadelphia is agt voet.
De watervallen, die by Trenton in de Dellaware en een weinig boven Philadelphia in de Skulkill zyn, maken die Rivieren meer landwaards in onbruikbaar om goederen naar of van Philadelphia te voeren. Men moet dan daartoe Wagens of Karren gebruiken. Men heeft al op middelen gedagt om beide die Rivieren, ten minsten voor grote Schuiten, vaarbaar te maken.
[Scheepstimmerwerven.]
Alle jaren worden ’er verscheiden Schepen gebouwd van Amerikaansch eikenhout op de werven, die in en nevens de Stad aangelegd zyn. Dog zy kunnen in deugd en duurzaamheid by die welken van Europisch eikenhout gebouwd zyn niet vergeleken worden.
De Stad dryft enen zwaren handel, zo wel met de Inwoonders van het Land, als naar andere gewesten, vooral op de West Indien, of Zuid Amerika, de Antilles, naar Engeland, Ierland, Portugal, en verscheidene Engelsche Volkplantingen in Noord Amerika. Dog gene andere dan Engelsche Schepen mogen in de Haven komen.
[Koophandel.]
Philadelphia trekt de grootste winst uit haren handel op de West Indien, waar heen de Inwoonders dagelyks ene menigte van meel, boter, vleesch, en andere eetwaren, timmerhout, planken, en diergelyken zenden. Daar tegen ontvangen zy suiker, syroop, rum, indigo, mahoganyhout, en andere waren, of baar geld. Het regte Mahoganyhout, ’t welk in Jamaika valt, is tegenwoordig meest al weg.
Naar Engeland worden ten dele waren die in de West Indien vallen, ten dele die het Land voortbrengt, gezonden. Tot de laatsten behoren allerlei hout, inzonderheid zwart walnotenhout, en eiken planken voor den Scheepsbouw, gehele hier gebouwde Schepen, yzer, pelteryen, en teer. De teer word eigenlyk te New-Jersey gemaakt, zo dat de bosschen in dat gewest meest weg zyn. Eindelyk zendt men ook veel baar geld naar Engeland. Hier voor krygt men daar van daan allerlei daar gemaakte goederen, fyne en grove lakens, linnens, yzer- en ander metalenwerken, en Oost Indische waren. Want men moet aanmerken dat Engeland Philadelphia van byna alle de handwerken en stoffen voorziet, die daar gebruikt worden.
Naar Ierland gaat jaarlyks een grote menigte van lynzaad, te gelyk met verscheiden hier gebouwde Schepen. Portugal trekt koorn, meel en ongemaalde mais. Spanje ook enig koorn. Maar al het geld dat men uit die landen krygt moet ten eersten naar Engeland ter betaling der waren die men van daar trekt, en die veel meer bedragen dan dit geld.
Dog om te nauwkeuriger te tonen wat de Stad en het gantsche Landschap jaarlyks uit Engeland ontvangen heeft, zal ik hier een getrouw uittreksel uit de Engelsche Tolboeken invoegen, dat ik van den Ingenieur Lewis Evans te Philadelphia gekregen heb. Deze Heer had iemant zyner vrienden te Londen verzogt hem ene lyst te zenden van alles wat in verscheiden jaren uit Engeland naar Pensylvanie gezonden was. Hy kreeg die lyst, en schoon de waren ’er niet op waren uitgedrukt, is derzelver waarde in geld berekend. Diergelyke uittreksels uit de Tolboeken heeft men voor alle de Amerikaansche Provincien gemaakt, om daardoor het Parlement in Engeland te overtuigen, dat deze gewesten meer waren uit het Ryk getrokken hebben, sedert zy hun geld in briefjes veranderd hebben.
Ik heb het uittreksel uit het oorspronglyke zelf afgeschreven. Alleen moet men daarop aanmerken, dat het met Kersmis van het jaar 1722. begint en eindigt om dien zelven tyd in 1747. Deze tafel begrypt de waren niet die jaarlyks, in grote menigte, uit Schotland en Ierland naar Pensylvanie gezonden worden, waaronder byzonderlyk veel linnen is.
* * * * * * * * * *
WAARDE DER GOEDEREN JAARLYKS UIT ENGELAND NAAR PENSYLVANIE GEZONDEN.