Part 10
Deze verscheidenheden van stenen vindt men gemeenlyk by malkander. Men trof ze byna overal aan als men een weinig diep groef, dog niet in gelyke menigte en van gelyke deugd. Ook waren ze niet allen even ligt uit den grond te krygen. Als iemant dan een huis wilde bouwen, vorschte hy eerst naar waar hy den besten steen kon vinden. Men vindt dien zo wel op de akkers als op onbebouwde velden, op ene diepte van twee tot zes voeten. De stukken zyn meer of min groot. Sommigen hielden van agt tot tien voeten in de langte, twee in de breedte, en enen in de dikte. Anderen waren veel groter, dog ook enigen kleinder. Zy lagen hier by beddingen op malkander, van omtrent een voet elk bed in de dikte. De langte en breedte waren verschillend, dog gemeenlyk zo als ik gezegd heb. Men moest meest drie of vier voet diep zyn eer men de eerste laag vond. De losse grond boven de lagen is vol van kleine stukjes van dezen steen. Deze grond is de steenkleurige aarde, die hier algemeen is, en uit zand en klei bestaat, schoon ’er het zand de overhand heeft. De losse stukken glimmer, die zo sterk in het zand glinsteren, schynen van den steen onder den grond afgebroken te zyn.
[Gebruik daarvan.]
Men moet aanmerken, dat als men dezen steen tot metselen gebruikt men de platte zyde naar buiten keert. Maar de stenen zyn dikwyls ongelyk aan alle kanten, en dan maakt men ze gelyk, dat ligt te doen is. Dog evenwel blyven ze ongelyk in dikte, en kunnen zo net niet op een gevoegd worden als gebakken’ stenen. Ook breken ’er wel stukken af als men ze bewerkt, en laten openingen in het buitenste van den muur. Men vult die met kleine stukken steens en kalk, en overpleistert ze, zo dat het niet kan gezien worden, ten minsten niet op enigen afstand. Eindelyk, smeren zy op de buitenkanten der muren kruisgewys lopende strepen van kalk, zo dat men zeggen zoude dat de muren uit even groten stenen bestonden, en dat die witte strepen de voegen der stenen waren. Het binnenste van de muren wordt glad gemaakt en gewit. Men heeft niet gemerkt dat dit soort van steen het vogt uit de lugt aantrekt. In Philadelphia en daaromstreeks zyn vele huizen op die wys gebouwd.
De Huizen zyn gemeenlyk op de Engelsche wys gemetseld.
[Dassen.]
Een der Zwarten van den Heer Kock vertoonde my een vel van enen Das, [81] dien hy gedood had, en ik zag ’er uit dat de Amerikaansche Das de zelve met den Zweedschen is. Men noemt hem hier Aardvarken. [82]
[De Skulkill.]
Tegens den avond keerde ik naar Philadelphia terug. Den 12. October gingen wy ’s morgens naar de Skulkill, ten dele om zaden en planten te verzamelen, en ten dele om allerlei soorten van waarnemingen te doen. De Skulkill is een smalle stroom, die omtrent vier Eng. mylen ten zuiden van Philadelphia in de Dellaware valt. Maar hoe smal hy ook is, loopt hy wel twee honderd Eng. mylen ver, en ontspringt op de westzyde van de Blauwe bergen. Het is een groot nadeel voor dit Land dat ’er verscheiden Watervallen in deze Rivier zo digt by Philadelphia zyn, waardoor zy onbevaarbaar is. Ik ontwierp dezen dag enige beschryvingen van zulke kruiden daar het vee naar zoekt, en van zulken die het laat staan.
[Mollen.]
Men ontdekte op de velden hier en daar kleine onderaardsche gangen, lopende met allerlei bogten. De opening was groot genoeg voor een Mol. De aarde, die, als het ware, een verwulf ’er boven, en als een kleinen wal maakte, was omtrent twee duimen hoog, ene goede hand breed, en omtrent enen duim dik. Ik zag dikwyls deze onderaardsche gangen op de onbebouwde landen, die zig door de opgeworpen aarde ontdekten, en inzakten als men ’er optrapte, het welk het wandelen lastig maakte.
Deze gangen worden door een soort van Mol [83] gemaakt, dien ik in een ander werk nader beschryven zal. Zy azen op wortelen. Het diertje heeft groter kragt dan anders vele dieren, naar evenredigheid van hunne grootte, bezitten. Waar het dagt te graven hield het altyd de poten buitenwaards, gelyk men de riemen in een schuit houdt. Ik leide het myn neusdoek voor, om te zien wat het ’er mede doen zou, en ik vond dat het dien in den tyd van ene minuut vol gaten had gemaakt. Ik was genoodzaakt enige boeken op het deksel van de doos te leggen, waarin het diertje zat, of anders lag ’er dat ten eersten af. Het was zeer kwaadaardig, en beet gaten in alles wat het in den weg lag. Ik hield het enen stalen pennekoker voor, waarin het in ’t eerst zeer vinnig beet, maar de hardheid daarvan gevoeld hebbende wilde het nog daar nog ergens anders meer in byten. Deze Mollen maken gene hopen, gelyk de Europischen, maar alleen zulke gangen, als ik beschreven heb.
[Talkboom.]
Hier wast ene plant, van welker bessen men een soort van wasch of talk maakt, waarom ze de Zweden Talkstruik noemen. De Engelschen geven ze den naam van Candleberrytree of Bayberry-bush, en de Ridder Linnæus heet ze Myrica cerifera. Zy groeit overvloedig in ene droge aarde, en schynt byzonderlyk in de nabuurschap der zee wel te tieren, want diep in het land heb ik ze niet gevonden. De bessen groeyen in overvloed op den vrouwelyken struik, en zien ’er uit als of ’er meel opgestroid was. Men verzamelt ze laat in den herfst, wanneer ze ryp zyn, smyt ze in een pot kokend water, zo dat haar smeer smelt, en boven op het water begint te dryven, het welk men dan met een schuimspaan ’er afneemt, en in een anderen ketel doet, zo lang tot dat ’er geen talk meer op het water dryft. Zo dra de talk styf is ziet hy ’er uit als gemene talk of als wasch, maar heeft ene morssige groene kleur.
[Kaarssen daarvan gemaakt.]
Om deze reden wordt hy nog eens gesmolten en gezuiverd, zo dat hy ene schone doorschynende groene kleur krygt. Deze talk is duurder dan de gemene talk, maar beter koop dan wasch. Te Philadelphia gaf men ene schelling voor het pond, daar de gemene talk maar ene halve, dog wasch twee schellingen kost. Van dezen talk maakt men hier te lande op vele plaatsen kaarssen, waar men egter wat gemenen talk onder doet. Dit soort van kaarssen breekt niet ligt en smelt zo niet in den zomer als de anderen, brandt byna beter en langer, en geeft zulk enen damp niet, maar zy laten veel eer enen aangenamen reuk na wanneer zy worden uitgedaan.
Een oude Zweed van een en negentig jaar verhaalde my dat zyne Landslieden voorheen dit soort van kaarssen plegten te gebruiken. Tegenwoordig gebruikt men dezen talk zo veel niet, indien men beestevet krygen kan, om dat het zo veel moeite kost de bessen te verzamelen. Dog de arme menschen, die in oorden wonen waar deze bessen veel wassen, en niet veel vee hebben om te slagten, gebruiken dezen talk voor kaarssen. Ook maakt men van het vet van deze plant ene zeep, die aangenaam ruikt, en zeer goed is om den baard te scheren. Nog maken ’er de Heelmeesters pleisters van. Een Koopman van Philadelphia zond eens ene menigte van deze kaarssen naar de Roomschgezinde Landen in Amerika, denkende ene goede winst ’er op te hebben; dog de Geestelyken wilden ze niet nemen. Een oude Zweed zeide dat de Wilden voorheen den wortel van deze plant gebruikten tegens de tandpyn, en dat hy zelf, den wortel, in stukken gesneden, rond om den tand gelegd hebbende, veel baat by dit middel gevonden had. Een andere Zweed verhaalde dat de schil van den wortel hem geholpen had. In Karolina maakt men van dezen talk niet alleen kaarssen maar ook zegellak.
[Penny Royal.]
Penny Royal is de Engelsche naam van een gewas, dat enen zonderlingen sterken reuk heeft, en in overvloed op droge plaatsen groeit. De Kruidkenners noemen het Melissa pulegioides [84] of Cunila pulegioides. Men houdt het zeer gezond om als thee gedronken te worden in verkoudheden, als bevorderende de doorwaasseming. Ook wil men dat deze plant op enige plaats des lichaams, waar men pyn gevoelt, gelegd, dezelve verdryft.
[Koopwaren van Nieuw Engeland.]
De Waren die men gewoon is uit Nieuw Engeland naar Londen te zenden zyn de volgenden. Allerlei Visch by Terre Neuve, anders Newfoundland, of elders gevangen; Traanolie, van verscheiden’ soorten, Walvischbaarden, Teer, Pek, Masten, nieuwe Schepen, enige Pelteryen, en somtyds enig hout. De Engelsche Eilanden in Amerika, als Jamaik, en de Barbados, trekken uit Nieuw Engeland, Visch, Vleesch, Boter, Kaas, Talk, Paarden, Vee, allerlei Houtwerk, als kuipen, emmers, tobben en diergelyken; en zenden terug Rum, Suiker, Syroop, en andere voortbrengsels, of ook wel baar geld. Het meeste hiervan, byzonderlyk van ’t geld, gaat verder naar Londen, om de goederen te betalen die men van daar ontvangen heeft.
[Elzen.]
De Elzen wiessen hier in overvloed op natte en lage plaatsen, en zelfs somtyds nog al op vry hoge gronden, dog kwamen noit tot de hoogte der Europische Elzen, en stonden gemeenlyk als struiken van een of twee vadem langte. De Heer Bartram en anderen, die veel in deze gewesten gereisd hadden, verhaalden my, dat hoe meer men naar het zuiden trekt de Elzen zo veel te kleinder worden, dog dat zy meer noordelyk hooger en dikker waren. Ik vond zelf naderhand dat de Elzen in Kanada die van Zweden niet veel weken. Men gebruikt ’er den bast van om rood en bruin te verwen. Een Amerikaansche Zweed vertelde my, dat hy zig eens in het been tot op het gebeente toe gehouwen hebbende, zo dat de wonde zeer gevaarlyk was, hy zig daarvan genezen had door de kwetsuur met water te wassen, waarin hy den elzebast had laten koken.
[Nagtschaduw.]
De Phytocalla decandra [85] wordt Poke by de Engelschen genoemd. Als men het sap der bessen op papier of iets diergelyks laat springen, wordt het een hoog purper, zo schoon als men ergens in de wereld die kleur kan maken; en het is jammer dat men nog geen middel weet om te beletten dat deze verw op linnen of wol ten eersten verschiet. De Heer Bartram had eens zynen voet tegens enen steen gestoten zo dat hy ’er zeer pynlyk van was, en had ’er een blad van deze plant opgelegd met dit gevolg dat hy zeer spoedig genezen was. De bessen worden om dezen tyd door de vogels gegeten. De Engelschen en Zweden eten de bladeren in ’t voorjaar; als zy eerst uitkomen en nog malsch zyn, klaargemaakt, gelyk wy de Kool of de Spinaad doen. Somtyds bereiden zy ze als wy de Kool, wanneer de stelen al wat langer zyn geworden, en nemen alleen maar de topjes, die malsch en niet stokkig zyn. Maar als men ze als Spinaad wil gebruiken moet men zorgvuldig zyn, dewyl als men de plant eet na dat de bladen al wreed geworden zyn, men ligt zyn laatsten maaltyd doen kan, want dan heeft de plant ene geweldig buikopenende kragt. Ik heb menschen gekend die dit byna den dood gedaan had. Maar de bessen worden in den herfst zonder nadeel van de kinderen gegeten.
[Verwen.]
Linnen en wollen goed wordt met den bast van de Hikory geel geverwd. Het zelve geschiedt met dien van den zwarten Eik. [86] De bloemen en bladen van de Impatiens noli tangere [87] verwen ook alle wollen stoffen schoon geel.
[Collinsonia.]
De Collinsonia Canadensis wordt in kreupelbosschen op goede gronden overvloedig gevonden. De Heer Bartram, die het Land zeer wel kende, hield zig verzekerd dat Pensylvanie en alle de plaatsen van Amerika, die onder de zelve lugtstreek leggen, het ware en regte land voor deze plant is. Verder naar het zuiden vond hy, nog de Heren Clayton en Mitchel, ze noit, schoon die laatsten zeer nauwkeurige waarnemingen in Virginie en een gedeelte van Maryland gedaan hebben. En uit eigene ondervinding wist hy dat zy in de noordelyke gedeeltens niet wast. Ik heb ze noit noordelyker dan op 43. gr. 15. min. N. gevonden. De tyd van ’t jaar dat zy in Pensylvanie opkomt is zo laat, dat haar zaad maar juist den tyd heeft van ryp te worden, en dus schynt zy verder noordwaards onmogelyk te kunnen slagen. De Heer Bartram was de eerste die dit gewas ontdekte. Hy zond het naar Europa. De Heer Jussieu, gedurende zyn verblyf te Londen, en naderhand de Heer Linnæus, noemden het Collinsonia, naar den beroemden Peter Collinson, een Londensch Koopman, en Lid van de Koninglyke Maatschappy in Engeland en Zweden. Hy verdiende de eer wel, dat ’er ene plant naar hem genoemd werd, want ’er zyn weinig menschen die de Natuurlyke Historie en alle nuttige Wetenschappen met zulk enen yver getragt hebben te bevorderen, of die zo veel gedaan hebben als hy om allerhande soorten van planten te verzamelen, aantekweken, en te doen kennen. De Collinsonia heeft enen byzonderen reuk, die aangenaam, dog zeer sterk is. Ik had ’er altyd zware hoofdpyn van als ik voorby ene plaats ging daar zy menigvuldig was, vooral als zy in bloem stond. De Heer Bartram kende ene betere hoedanigheid dan deze in dit gewas, namelyk van een uitmuntend middel te zyn tegens allerlei pyn in de leden en verkoudheden, door de leden met de plant te wryven. En de Heer Koenraad Weiser, een Tolk van de taal der Wilden, had hem ene nog wonderbaarder genezing verhaald. Hy was eens onder een troep van Amerikanen, waarvan ’er een door ene Ratelslang gebeten was, en door de Wilden reeds opgegeven werd. Dog hy beproefde de Collinsonia te koken en den gewonden te drinken te geven, het welk hem behield. Wat meer noordelyk en in New York wordt deze plant Paardekruid [88] geheten, om dat de paarden ze in de lente eten, voor dat ’er nog andere kruiden opgekomen zyn.
[Toeneming van het land.]
Ik vroeg den Heer Franklin en anderen, die het Land wel kenden, of zy ’er enige tekens ontmoet hadden waaruit men opmaken kon, dat voorheen sommige plaatsen, die nu land waren, onder water gestaan hebben, en ik kreeg het volgende antwoord.
Wanneer men van hier zuidwaards reist komt men op ene plaats waar de grote weg zeer diep tusschen twee bergen doorgaat. Aan beide de zyden ziet men niets als oester- en mosselschelpen, in ene oneindige menigte boven malkander leggende, schoon het vele mylen van de zee af is.
Wanneer men in de Stad om putten te maken of om huizen te bouwen graaft, vindt men de aarde in verscheiden’ beddingen boven malkander leggen. Op ene diepte van viertien voet of meer ontmoet men klootronde stenen, die van buiten zo glad zyn als die welken aan zee op het strand leggen, en daar zo glad worden door het schuren der baren. Als men verders door gegraven en op de diepte van agttien of meer voeten gekomen is, ontdekt men op sommige plaatsen modder, diergelyken als de zee op ’t strand smyt, en als gemeenlyk op den bodem der zee en der rivieren legt. En deze modder is vol van takken, bladeren, riet, houtskolen, en andere dingen.
Somtyds is het gebeurd dat de huizen zeer schielyk aan ene zyde begonnen te zakken, zo dat men genoodzaakt was ze aftebreken. Dieper gravende, om enen vasten grond te vinden, kwam men op dat zelve soort van modder vol van hout, wortels en diergelyken.
Zyn nu deze redenen niet gewigtig genoeg om te doen besluiten, dat die plaatsen in Philadelphia, die nu viertien en meer voeten onder den grond zyn, voorheen de bodem der zee waren, en dat by verscheiden toevallen, zand, aarde en andere dingen daar op geraakt zyn? Of dat de Dellaware voor dezen breder was dan thans, of haren loop veranderd heeft? Dit laatste doet zy nog tegenwoordig dikwyls, daarzy den oever aan den enen kant afkabbelt en aan den anderen vergroot. En Zweden en Engelschen wezen my verscheiden plaatsen waar dit geschied was.
[Bloeyende planten.]
Den 18. October kon ik niet boven tien soorten van planten vinden, die nog in bloeisem stonden. Dezen waren de Gentiana, twee soorten van Asters, de Solidago Virga aurea, een soort van Hieracium, de Oxalis corniculata, de Digitalis purpurea, de Hamamelis Virginiana, het Achillea Millefolium, en het Leontodon Taraxacum. Alle andere planten hadden hare bloemen al laten vallen. Verscheiden bomen, vooral die vroeg in de lente bloeyen, hadden reeds zo dikke knoppen gezet, dat men ze openende alle de delen der bevrugtiging, als de kelk, de bloembladen, de helmstyltjes, en ’t stampertje, [89] onderkennen kon. Dus was het gemakkelyk het geslagt te bepalen waartoe deze bomen behoorden. Zodanige waren de Rode Ahorn [90] en de Zomer Laurier [91] en anderen. Dus bereidde zig de natuur, met den aanvang van het aangename weder in het aanstaande jaar, wederom bloemen voorttebrengen. De knoppen waren tegenwoordig geheel hard, en alle derzelver delen op een gepakt, om voor de koude beveiligd te wezen.
[Walnoten.]
De zwarte Walnootboom had zyne meeste bladeren al laten vallen, en velen waren al geheel kaal. De Walnoten zelven waren ook afgevallen, en hare groene schil verwde de handen zwart als men ze behandelde, zo dat men lang werk had eer ze weer schoon waren.
[Cornus florida.]
De Cornus florida werd by de Engelschen Dogwood genaamd, en was overvloedig in de bosschen. Hy maakt ene schone vertoning wanneer hy in de lente vol witte bloemen staat. Het hout is zeer hard, en men maakt ’er weverspoelen, en ander schrynwerk van. Wanneer het gebeurt, dat het vee in de lente uit zwakheid neer valt, binden de Boeren het een stuk van dezen boom om den hals, zig verbeeldende dat dit helpen zal.
De Tulpeboom staat hier overal in de bosschen. De kruidkundigen noemen hem Liriodendron Tulipifera, om dat zyne bloemen en in grootte en in gedaante en zelfs enigsins in kleur naar den Tulp gelyken. De Zweden noemden hem den Kanoboom, [92] om dat men ’er veel kanoos van maakt. De Engelschen in Pensylvanie heten hem Poplar. Men houdt hem voor den grootsten en zwaarsten boom van Noord Amerika. Evenwel wyken hem daar de Witte Eik en de Den weinig. Hy strydt met de zwaarsten van de Europische bomen om den voorrang. Het is zeer aangenaam tegen ’t einde van Mai enen der zwaarste bomen geheel en al veertien dagen lang met bloemen bedekt te zien, die zo groot zyn als Tulpen, en ’er de gedaante en kleur ook meer of min van hebben. De bladen hebben ook iets byzonders, waarom de Engelschen den boom het Oude wyvehembd noemen, om dat zy ’er in hunne verbeelding enige gelykenis tusschen menen te bespeuren.
Men gebruikt het hout van dezen boom voor kanoos, delen, planken, blokken, schotels, borden, lepels, deurposten, en schrynwerk. Ik heb ene vry grote koornschuur gezien, welken geheel en al van enen enkelden boom, tot delen gezaagd, gemaakt was. Sommige schrynwerkers houden dezen boom beter dan den Eik, om dat die ligt buigt, dat de eerste noit doet en zig gemakkelyk laat bewerken. Dog anderen agten hem weinig. Het is zeker dat dit hout in het weder zo zeer krimpt, dat ’er grote reten in de planken komen, en in nat weder zwelt hy zo dat hy byna barsten moet, en nauwlyks is hier een hout bekend dat zo sterk krimpt en zwelt. Maar de schrynwerkers, die ’er veel in werken, zeggen dat ’er twee soorten van zyn; dog dit zyn eigenlyk maar twee Verscheidenheden, waarvan de ene met den tyd van binnen geel wordt, en de andere wit is. De eerste zegt men een losser hout te hebben. De bast laat zig, gelyk Marieglas, in dunne blaadtjes splyten, die veel naar bast gelyken. Men wil dat de bladeren gekneusd en tegens het voorhoofd gelegd goed zyn tegens hoofdpyn. Men geeft ook de schillen van den bast tot poeder gestampt den paarden droog tegens de wormen in. Sommigen beweren dat de wortelen even zo goed tegens de koorts zyn als de Kina. De boom wast in alle soorten van gronden, maar al te grote nattigheid is hem niet goed.
[Beverboom.]
De Beverboom, by Linnæus Magnolia glauca, zo door de Engelschen geheten om dat de Bevers de schors van dezen boom gaarn eten, wordt gevonden op verscheiden plaatsen van Pensylvanie en New Jersey, in enen schralen moerassigen grond, of in natte weilanden. Enige Zweden geven hem ook enen anderen naam, en sommige Engelschen heten hem wel ook Swamp Sassafras en Witte Laurier. Deze bomen laten hun loof vroeg in den herfst vallen, uitgenomen enige jonge bomen, die het den gantschen winter blyven behouden. Ik heb ze zelden ten noorden van Pensylvanie gevonden, waar ze op ’t laatst van Mai beginnen te bloeyen. De reuk der bloeisems is uitmuntend, en doet zig met enen gunstigen wind byna ene Eng. myl ver ruiken. De gantsche lugt wordt ’er van vervuld. Men kan niet beschryven hoe aangenaam het op dien tyd, vooral tegen den avond, in de bosschen is te reizen. De bloemen blyven drie weken op den boom, en zelfs meer naar dat de grond is, en al dien tyd verspreiden zy dien aangenamen geur. De bessen zien ’er ook zeer smakelyk uit als ze ryp zyn. Zy hebben een schoon rood, en hangen aan trossen met dunne steeltjes. De deugden van dit middel worden zeer verheven, en men pryst het in teringen aan. De bast op brandewyn gezet, of in andere vogten gekookt, wordt gezegd niet alleen borstkwalen, maar ook allerhande inwendige pynen en steektens te genezen; ook zou hy den buikloop stoppen. In verkoudheden gebruikt men de takken van den Beverboom in water gekookt. Volgens de vertelling van enen Zweed, was een van zyne kennissen, een oud man, die een open gat in zyn been had, dat hy te vergeefs door andere middelen getragt had te genezen, door enen Amerikaan op deze wys geholpen. Hy brandde wat van dit hout tot kolen, stampte dit tot poeder, mengde dat met varsch spek, en streek ’er de gaten verscheiden’ malen mede. Dit droogde de gaten op, die van te voren altyd open geweest waren, en de man had sedert altyd gezonde benen. Men gebruikt dit hout ook tot schrynwerk.
[Dieren die mak gemaakt kunnen worden.]
Omtrent de Dieren, welken men in de bosschen van Noord Amerika vindt, heeft men bevonden dat de volgenden tamelyk mak gemaakt kunnen worden, zo dat zy weinig van de Huisdieren verschillen.
[Wilde Stieren.]
De wilde Stieren en Koeyen worden in Karolina en andere plaatsen, die zuidelyker dan Pensylvanie leggen, gevonden. De Kalveren van deze beesten onder het makke vee opgebragt waren volkomen tam, maar egter dartel, zo dat ’er gene betuiningen digt genoeg voor hun waren als zy ’er door wilden; want zy waren zo sterk van nek dat zy de palen met hunne hoorns omversmeten; en zodra zy enen doorgang gemaakt hadden volgde al het ander vee. Zy teelden met het tamme vee voort, en ’er kwam als ware het een nieuw soort van. [93]
[Reën.]
De Amerikaansche Reën lieten zig ook mak maken, gelyk ik ’er velen gezien heb. Een Landman in New Jersey had ’er ene, die hy jong zynde gevangen had, en welke nu zo mak was dat zy by dag in ’t bosch ging weiden en ’s avonds t’huis kwam, dikwyls ene wilde Ree mede brengende, en haren Heer gelegenheid gevende die te schieten. Vele lieden houden jonge makke Reën, en gebruiken ze om andere Reën te vangen, of om de wilden, vooral in den bronstyd, met zig naar huis te brengen.
[Bevers.]
De Bevers zyn dikwyls zo tam geworden dat zy op de vischvangst gingen, en den visch dien zy gevangen hadden den menschen bragten. Dit gebeurt dikwyls met Otters, waarvan ik ’er gezien heb die hunne Meesters naliepen als honden. Als de Meester in ene schuit ging, sprong de Otter in ’t water, en kwam dikwyls kort daarna met enen visch in den bek boven. De Opossum kan ook zo tam gemaakt worden, dat hy de menschen als een hond naloopt.
[De Rakkoon.]
De Rakkoon, dien de Zweden Sjupp noemen, kan men met den tyd zo mak maken, dat hy als een Huisdier langs de straat loopt, maar het is onmogelyk van hem zyn stelen te ontleren. ’s Nagts kruipt hy in de hoenderhokken en byt ’er alles dood. Suiker en andere zoetigheden moet men zorgvuldig voor hem verbergen, en de kasten en dozen wel sluiten, of hy sluipt ’er in, en snoept alles op. Dit maakt dat de Vrouwen alle dagen klagten tegens hem te doen hebben, en om deze reden willen vele menschen dit gedierte niet hebben.
[Eekhoorns.]
De kinderen maken de grauwe en de vliegende Eekhoorns zo mak, dat zy hun op de schouders springen, en hen overal volgen.
[Kalkoenen.]
In de bosschen vindt men ook wilde Kalkoenen, die van de makken maar daarin verschillen dat ze groter zyn, en een roodagtiger, dog ook lekkerder vleesch hebben. Als men de eyeren dezer wilde Kalkoenen onder een makke hen laat uitbroeyen, worden de kiekens ook mak, schoon het wel eens gebeurt dat zy groot wordende wegvliegen, waarom men hun de vleugels als ze klein zyn knakt. Maar de makgemaakte kalkoenen zyn gemeenlyk kwaadaardiger dan de tammen. De Inlanders maken hun werk van ze te temmen en by hunne hutten te houden.
[Ganzen.]