Reis door Noord Amerika

Part 11

Chapter 114,111 wordsPublic domain

Wilde Ganzen weet men ook mak te maken. Wanneer zy eerst in ’t voorjaar overkomen, en zig een wyl ophouden, want zy broeijen niet in Pensylvanie, schiet men ze in de vleugels, als het gelukken wil. Dan roeit men ’er naar toe en vangt ze. Men houdt ze vervolgens enigen tyd binnen. Op deze wys worden zy dikwyls zo mak, dat men ze daarna ’s morgens kan uitlaten, en zy ’s avonds wederkomen. Dog uit voorzorg kortwiekt men ze. Ik heb van dit soort van Ganzen gezien, die de Eigenaar zeide reeds twaalf jaren gehad te hebben. Dog, schoon hy ’er agt van had, had hy ze noit met de anderen zien paren, of eyeren leggen.

[Veldhoenders. Duiven.]

Men kan de Patryzen, die hier ook menigvuldig zyn, ook zo temmen dat zy met de kippen lopen, en komen om gevoerd te worden wanneer men ze roept. Ook heb ik wilde Duiven gezien, die zo mak geworden waren, dat ze met de tammen uitvlogen en wederom kwamen. Sommige winters is ’er ene schrikkelyke menigte van wilde Duiven in Pensylvanie.

[De Hommelvogel, of het Bloemzuigertje.]

Van alle de zeldzame Vogels van Noord Amerika is deze de merkwaardigste dien de Engelschen Humming bird [94] noemen. Verscheiden’ redenen doen my denken dat men op weinig plaatsen zyns gelyken vinden zal. De Zweden en sommige Engelschen noemen hem den Koningsvogel. [95] De Heer Catesby heeft hem met zyne natuurlyke kleuren en in zyne volle grootte afgebeeld en beschreven. [96] Hy is niet groter dan een grote Hommel, en gevolglyk is hy een van de kleinste vogeltjes der wereld, zo ’er al een kleinder soort ergens te vinden is. [97] Zyne vederen zyn van de allerschoonste kleuren, de meesten groen, anderen grauw, enigen maken enen glinsterenden roden kring om den hals. De staart glimt, en verandert van groen in koperkleur. Deze vogeltjes komen hier in ’t voorjaar, tegens dat het begint warm te worden. Zy maken hun nest in den zomer, dog verhuizen tegens den herfst naar de zuidelyker landen. Zy bestaan louter van de zoete sappen der bloemen, die zy met hunne lange bekjes opzuigen. Van alle de bloemen houden zy het meest van die welken diep zyn en enen langen hals [98] hebben, en ik heb opgemerkt dat zy het meest op de Impatiens en de Monarda met karmozyne bloemen vliegen. Men kan verzekerd zyn van den gehelen zomer velen van die moye vogeltjes voor zyn venster te hebben, als men ’er een bed met allerlei soorten van bloemen onderplant. Het is zeker een vermakelyk gezigt, deze kleine zeer levendige schepseltjes van de bloemen op en af, gelyk Byen te zien vliegen, en ’er den honing met hunne lange smalle bekjes uit te halen. De bloemen der Monarda zitten rondom den steel by iederen knoop, [99] gelyk aan onze gemene Munte, [100] bastaard Hennip, [101] Leonurus, en Lamium. Het is dan zeer vermakelyk hen hunne bekjes in elke bloem rondom den steel te zien steken. Zo dra zy het sap van de ene bloem ophebben vlodderen zy naar de naaste. Iemant, die het noit gezien heeft, zou kwalyk kunnen geloven in hoe kort enen tyd zy hunne snepjes in alle de bloemen van ene plant gehad hebben; en als die diep zyn, schynt ’er het vogeltje met zyn halve lyf in te kruipen.

Zo lang zy bezig zyn te zuigen gaan zy noit op de bloem zitten, maar vlodderen altyd gelyk Byen, steken de pootjes agterwaards, en bewegen de vlerkjes zo gezwind, dat men ’er kwalyk een oog op houden kan. Gedurende dat vlodderen maken zy een gebrom gelyk als Byen. [102] Na dus ene wyl zonder rusten gevlogen te nebben, vliegen zy op enen nabystaanden boom of enen paal, om hunne kragten wat te herhalen. Dan gaan zy weer aan ’t brommen en ’t zuigen. Zy zyn niet zeer schuw. Ik ben nevens meer menschen op minder dan zes voeten by de plaats geweest daar ze vlogen, wy spraken t’zamen en bewogen ons, zonder dat wy ze stoorden. Maar als iemant op hen toeliep vlogen ze, als een pyl, weg. Wanneer het gebeurde dat ’er verscheidenen van hun op dezelve plaats neervielen, ontstond ’er een hevig gevegt als zy malkander op de bloemen aantroffen. Zy vlogen dan met zulke hevigheid tegen elkander aan, dat men denken zou, dat zy malkander met hunne spitse bekjes doorrygen moesten. Zy schenen onder ’t vegten in de lugt stil te staan, zig ophoudende door de onbegrypelyke rasheid waarmede zy hunne vleugels bewegen. Als de vensters open zyn vliegen zy dikwyls doormalkander in de kamers in, vegten een weinig, en vlodderen dan weer naar buiten. Somtyds komen zy op een verwelkte bloem, die geen sap meer heeft, en dan byten zy ze, als uit boosheid, af, en smyten ze op den grond, als ware het op dat zy naderhand ’er niet weder door bedrogen worden zullen. Wanneer ’er velen van deze vogeltjes in enen tuin zyn, plukken zy zo vele bloemen af dat ’er de grond van als bezaid legt; en men zoude zeggen dat zy dit uit nyd tegens malkanderen deden.

Gemeenlyk hoort men ze geen ander geluid maken dan het brommen hunner vleugeltjes; maar wanneer zy in de lugt malkander te keer gaan maken zy een geschirp gelyk een mos of een kieken. Zy zyn zo klein dat men ze ligtelyk voor grote hommels of kapellen aanzien zou. Hun vliegen gelykt naar dat van den hommel, en is ongelooflyk snel. Noit heeft men opgemerkt dat zy op vrugten of gekorven diertjes azen; de honing der bloemen schynt hun enig voedsel te zyn. Vele menschen hebben ze om hunne zonderlinge schoonheid gevangen en in koitjes gezet, maar zy stierven by gebrek van voedsel. Evenwel gelukte het den Heer Bartram ’er een paar van ene gehele week in ’t leven te houden, door ze water te geven waarin hy wat suiker had doen smelten, en ik denk dat men ze op die wys wel enen gehelen winter over in ene broeikas zou kunnen houden.

Zy maken hunne nesten altyd midden op den tak van enen boom; en dezen zyn zo klein dat men ze van den grond niet zien kan, en dat men in den boom moet klimmen als men ze bekyken wil. Dus wordt het voor ene zeldzaamheid gehouden wanneer een nestje by toeval gevonden wordt, des te meer daar de bomen hier zo zwaar in ’t blad zyn. Het nest is ook een van de kleinsten die van vogels gemaakt worden. Ik heb ’er een dat geheel rond is, van binnen van een zagt bruin dons, dat op de bladen van het mannelyke Wolkruid [103] verzameld schynt te wezen, die dikwyls met een zagt dons bezet zyn. Die plant is hier menigvuldig. Het nestje wordt van buiten met een groenagtig grauw mos bedekt, diergelyk men op alle oude bomen ziet. Het heeft over ’t kruis nauwlyks enen halven duim boven aan, en onder enen halven. Men weet egter dat de Humming bird ook uit vlas, hennip, mos, hair, en andere buigzame dingen zyn nest maakt. Men wil dat zy twee eyeren leggen, elk zo groot als ene erwt.

Ik besteedde den 25. October en den volgenden dag met alle myne verzamelde zaden in te pakken, dewyl ik gelegenheid had ze naar Engeland te zenden. Van daar gingen zy verder naar Zweden.

[Reis naar New York.]

Den 27. in den ogtendstond ging ik op een klein togtje naar New York, in gezelschap van den Heer Kock, met inzigt om het Land te zien, en te vernemen welke de veiligste weg ware om naar Kanada te gaan, door de wildernissen die men tusschen de Engelsche Volkplantingen en dat Landschap vindt.

[De weg.]

De weg dien wy langs reden was aan beide zyden vry wel bewoond door Engelschen, Duitschers en andere Europeanen. Wy zagen vlaktens en hoogtens van onderscheiden uitgestrektheid. Bergen en stenen zag ik nergens, enige keyen uitgenomen. By elke Landhoeve genoegzaam was een grote boomgaard van Perzik- en Appelbomen, waarvan sommigen nog vol vrugten zaten.

[Heiningen.]

De heiningen waren op vele plaatsen zo laag dat het vee ’er gemakkelyk overheen springen kon; om dit voortekomen dragen de varkens houten jukken, ene gewoonte die ik al aangemerkt heb over alle de Engelsche Volkplantingen algemeen te zyn. De paarden hadden aan den hals een stuk houts, waaronder een haak aan vast was, die in de heining bleef zitten als het paard zyne voorste voeten opligtte om ’er over te springen; dog ik twyffel of deze uitvinding wel goed is voor de paarden zelven. Hun wierd ook het overspringen belet door een stuk houts, waar van het ene eind aan enen der voorvoeten en het ander aan enen der agtervoeten was vast gemaakt, waardoor zy gedwongen wierden, zeer langzaam te gaan en volstrekt verhinderd te springen. Het kwam my voor dat dit stuk houts de paarden aan velerlei gevaren bloot stelde.

[Stenen bruggen.]

Digt by Nieuw Frankfort reden wy over ene kleine stenen brug, en wat verder, agt of negen Eng. mylen van Philadelphia, over nog ene andere. Tot nog toe zyn ’er gene mylpalen in het Land opgeregt, en men rekent de afstanden by gissing. Wat later werden wy aan een Veer over enen stroom gezet, waar wy drie pence voor ieder mensch met zyn paard betaalden.

[Mockingbird.]

Op ene plaats daar wy pleisterden hadden de menschen enen Mockingbird in ene koi. Hy wordt hier voor den besten zanger uit de vogels gehouden. Zyne vederen zyn niet frai. In dit jaargetyde zingt hy niet. De Heer Catesby heeft, in zyne natuurlyke Historie van Karolina, dezen vogel ook naar het leven afgebeeld en beschreven. [104] Men zegt, dat hy zyn nest in ’t kreupelhout en de bomen maakt; dog daarin zo eigenzinnig is dat als iemant ’er by komt en de eijeren bekykt, hy het nest verlaat en noit weder komt. De Jongen vorderen veel oppassens. Als men ze der Moeder ontneemt en in ene koi zet, komt zy ze daar drie of vier malen ’s daags voeren; maar eindelyk geen kans ziende om ze ’er uit te krygen zo verlaat zy ze; en dan sterven de Jongen dikwyls, vermoedelyk om dat zy aan ’t voeder niet kunnen wennen dat hun de menschen geven. Maar het volk verbeeldt zig dat de Moeder ze, wanneer zy ze voor de laatste reis voert, weet te vergeven, om ze des te eer uit hunne slaverny en rampzaligheid te verlossen. Deze vogels blyven hier den gehelen zomer over, maar verhuizen tegens den herfst naar het zuiden. Men noemt ze Mockingbirds of Spotvogels, om dat ze het geluid van byna alle de vogels weten na te doen. Hun eigen zang is uitmuntend, vol van veranderingen van toon, zo dat vele menschen ze voor de beste zangvogels der wereld houden. Zeker is het dat ’er weinigen zyn die tegen hun aan kunnen, en dit is het dat ze tamelyk duur maakt.

[New Bristol.]

Omtrent den middag kwamen wy te New Bristol, een klein vlek in Pensylvanie, op de Dellaware, omtrent vyftien Eng. mylen van Philadelphia. De meeste huizen zyn van steen en staan op hun zelven. De Inwoonders dryven enen kleinen handel, dog de meesten laten hunne waren van Philadelphia komen. Aan de overzyde der Rivier, omtrent [Burlington.] vlak over New Bristol legt de Stad Burlington, waar de Gouverneur van New Jersey zyn verblyf houdt.

[Schrale grond.]

Wy hadden nu Landhuizen aan beide zyden van den weg, en kwamen in ene laan aan weerszyden met palen afgezet, die tamelyk grote koornvelden omgaven. Daarop volgde een bosch, en vier Eng. mylen ver zagen wy niets dan hout en enen mageren bodem, waarop de Lupinus perennis in overvloed wast. Ik was zeer verblyd ene plant zo wel op zo magere gronden te zien tieren, en begon zelfs te overleggen of men deze ontdekking niet ten nutte maken konde. Dog ik had naderhand het verdriet van te vinden dat het vee deze plant niet eten wil, schoon zy ’er zeer groen en frisch uitziet en malsch op het gevoel is. Misschien zal ’er een middel uittevinden zyn om ze het vee smakelyk te maken. Des avonds kwamen wy te Trenton, na dat wy aan een Veer de Dellaware waren overgezet.

[Trenton.]

Trenton is een lang smal vlek, wat van de Dellaware af, en leggende in ene zandige vlakte. Het behoort tot New Jersey, en wordt gerekend dertig Eng. mylen van Philadelphia te leggen. Daar zyn twee kleine kerken, ene voor de Bisschoppelyken en de andere voor de Presbyterianen. De huizen zyn gedeeltelyk van steen gebouwd, dog de meesten van hout, gemeenlyk twee verdiepingen hoog, hebbende enen kelder en ene keuken daar naast onder den grond. Zy staan tamelyk ver van malkander, aan den enen kant aan de straat en aan den anderen aan tuinen van verschillende grootte. In elken tuin is een put. De plaats wordt voor zeer gezond gehouden. Onze Waard vertelde ons dat twee en twintig jaren geleden, wanneer hy zig hier eerst nederzettede, ’er nauwlyks meer dan een huis was, maar sedert dien tyd is Trenton zo toegenomen, dat ’er nu omtrent honderd huizen zyn. De huizen zyn van binnen in verscheiden’ vertrekken door plankenbeschotten verdeeld. De Inwoonders dryven enen kleinen handel in waren die zy van Philadelphia krygen; maar hun voornaamste voordeel komt van de menigte van reizigers die van Philadelphia naar New York en terug gaan, want zy worden gemeenlyk met Trentonsche Jagten van Philadelphia te Trenton, of van daar naar Philadelphia gebragt. Maar van Trenton verder naar Nieuw Brunswyk gaat men met wagens, die elken dag op die plaats ryden. Velen van de Ingezetenen bestaan ook van het overvoeren van goederen, die alle dagen in menigte of van Philadelphia naar New York, of van New York naar Philadelphia gezonden worden. Tusschen Philadelphia en Trenton geschiedt dit te water, dog tusschen Trenton en Nieuw Brunswyk te land; het welk gemeenlyk door menschen van Trenton verrigt wordt.

Op de Jagten tusschen Philadelphia en Trenton betaalt men ene schelling en zes pence Pensylvanisch geld voor ieder mensch, buiten zyn pakkadie. Ieder Reiziger moet voor zyn eten en drinken zorgen, of een vast gesteld geld betalen. Tusschen Trenton en Nieuw Brunswyk is de vragt twee schellingen zes pence, de pakkadie daar buiten.

[Landsdouwe.]

Wy zetteden den 28. in den morgen onze reis voort. Het land was meest effen, hier en daar egter vertoonden zig enige languitgestrekte hoogtens. Men vond enig hout, dog het meeste veld was zonder geboomte, maar nergens zag ik in Amerika, de steden uitgezonderd, het land zo bevolkt. Egter verzekerde my een oud man, die hieromstreeks woonde, en ons een deel van den weg verzelde, dat het hem zeer wel heugde dat ’er tusschen Trenton en Nieuw Brunswyk maar drie Landhoeven waren; en dit was, dagt hy, nu omtrent vyftig jaar geleden. Den gehelen dag byna hadden wy uitgestrekte koornvelden aan weerskanten van den weg, en gemeenlyk daalde de grond tegens het zuiden. By elke Landhoeve is een schone boomgaard vol van Perzik- en Appelbomen, en in sommigen waren de vrugten in zulk ene menigte afgevallen dat zy den grond genoegzaam geheel bedekten. Overal mogten wy onze hoeden en zakken, zo veel wy wilden, vullen. Kerssebomen stonden ’er op den weg, by de Landhoeven en elders.

[Schuren.]

De Schuren waren hier op ene byzondere wys gebouwd. Het gebouw was zo groot als byna ene kleine kerk. Het dak was vry hoog, gedekt met planken, aan beide zyden afhellende, dog niet steil. De muren waren niet veel hoger dan een volwassen manspersoon, maar de breedte van ’t gebouw was aanmerkelyk. In ’t midden was de dorschvloer, en daarboven, of op de zolder, leggen zy het ongedorschte koorn, het stroo, of andere dingen. Aan enen kant waren stallingen voor de paarden en de koeyen. Het kleine vee had ook zyne byzondere stalling. Aan beide de einden waren grote deuren, zo dat men de ene in en de andere uit kon ryden. Dit soort van schuren hebben vooral de Hollanders en de Duitschers [105]. En men moet aanmerken dat tusschen Trenton en New York weinig Engelschen, maar vele Duitschers, dog vooral Hollanders wonen, welken laatsten hier zeer talryk zyn.

[De Wilden.]

Eer ik verder ga, moet ik iets aanmerken rakende de zogenaamde Wilden of Inboorlingen van Amerika, want sommige Lezers denken veelligt, gelyk vele menschen van myne kennis, dat geheel Noord Amerika byna bewoond wordt van wilde en heidensche Volken, en zouden het vreemd vinden dat ik van dezelven zo weinig gewag make. Anderen wederom zullen zig verbeelden, dat, wanneer ik in myne dagverhalen zeg dat het land wel bebouwd is, en dat op vele plaatsen huizen van steen of hout zyn, waarom heen koornvelden, tuinen, en boomgaarden leggen, ik van de bezittingen der oorspronglyke Amerikanen spreke. Om dit misverstand voor te komen, merk ik aan, dat het Land, byzonderlyk langs de kust, in de Engelsche Volkplantingen, door Europeanen bewoond wordt, die op sommige plaatsen reeds zo talryk zyn, dat weinige delen van Europa meer volks bevatten. De Wilden hebben het Land aan de Europeanen verkoft, en zyn landwaards in geweken. Op de meeste plaatsen moet men honderd en twintig Eng. mylen [106] ver van de kust reizen eer men aan de eerste woningen der Wilden komt. Men kan langer dan een half jaar te Philadelphia en in andere zeesteden geweest zyn, zonder enen enkelden Wilden gezien te hebben. In ’t vervolg zal ik omstandiger van hun spreken, gelyk ook van hunnen godsdienst, zeden en huishouding. Thans keer ik weder tot myn verhaal.

[Kleur van den grond.]

Omtrent negen Eng. mylen van Trenton begint de grond van kleur te veranderen, tot hiertoe bestaan hebbende uit ene helder grauwe klei. Nu wierd hy roodagtig bruin, somtyds purperagtig, en somtyds van een kleur als Braziliehout. Deze kleur kwam van enen roden kalksteen, die veel geleek naar dien welken men vind op den berg Kinnekulle in West Gothland, en ene byzondere bedding in de rots maakt. Dus schynt de Amerikaansche rode kalksteen maar ene verscheidenheid van den Zweedschen te wezen. Hy lag in beddingen van twee of drie vingers dik, dog was deelbaar in verscheiden dunner schyven, welker oppervlakte zelden gelyk was maar gemeenlyk oneffen. De beddingen zelven waren dikwyls door horizontale scheuren afgesneden. Wanneer deze stenen aan de lugt bloot gesteld worden, vallen zy allengskens, eerst in stukken, en naderhand tot stof. De menschen hieromstreeks wisten ’er geen gebruik van te maken. De grond boven deze stenen is somtyds ryk en somtyds schraal. Op de meeste plaatsen daar men gegraven had kon men merken dat het grootste deel der omgeworpene aarde uit dit soort van steengrond bestond. Wy hadden deze roodagtige aarde overal tot digt by Nieuw Brunswyk, waar zy overvloedig is. De oever der Rivier vertoonde op vele plaatsen niets dan beddingen van kalksteen, die niet horizontaal, dog meer of min naar beneden liepen.

[Princetown.]

Omtrent ’s morgens te tien uren kwamen wy te Princetown, een vlek gelegen in ene vlakte. De meeste huizen zyn van hout, en staan niet bymalkander, maar hebben tuinen en weiden tusschen beiden. Dit oord wierd eerder door Europeanen bewoond dan Pensylvanie; en dit is de reden dat de bosschen meer weg gehakt zyn, en dat het land meer bebouwd is, zo dat men denken zoude in Europa te zyn.

Wy waren voornemens voorttereizen, dog een zware aanhoudende regen dwong ons hier tot den volgenden morgen te blyven.

[Landsdouwe.]

Wy vertrokken den 29. October weder. Het land was tamelyk wel bevolkt. Schoon wy thans grote bosschen zagen, bestonden zy allen uit bomen die hun blad laten vallen, en ik zag niet enen boom van het Dennegeslagt, tot dat ik te Nieuw Brunswyk kwam. De grond was effen, en scheen overal juist niet de rykste te zyn. Op sommige plaatsen waren kleine hoogtens, die zig ongevoelig in de vlaktens verloren, welken gemeenlyk door beekjes doorsneden werden. Byna elke Landhoeve had haren boomgaard. De huizen waren meest van hout, en op enigen afstand van de zelven stonden de bakovens, meest van klei gemaakt.

[Rockhill.]

Op enen heuvel, die met hout bewassen en Rockhill genoemd was, lagen enige stukken van rots, zo zwaar dat drie man werk zouden gehad hebben ze naar beneden te rollen. Maar behalven dezen waren ’er weinig grote stenen in het Land te vinden, want de meesten die wy zagen konden ligt door een man worden opgetild. Op ene andere plaats ontdekten wy vele kleine keizelsteentjes, dog ontmoetten gene bergen of rotsen.

[Nieuw Brunswyk.]

Omtrent den middag kwamen wy te Nieuw Brunswyk aan, een frai klein steedje in de Provincie van New Jersey, in ene vally op de westzyde der Rivier Rareton. Men kan het, om zyne lage legging, niet zien, voor dat men boven op den berg is, die ’er vlak by legt. De Stad legt zuid en noord, langs de Rivier. De Duitsche Ingezetenen hebben twee kerken, ene van steen, en de andere van hout. De Engelsche kerk is ook van hout; dog de Presbyterianen waren bezig ’er ene van steen te bouwen. Het Raadhuis heeft een goed aanzien. Sommige huizen zyn van gebakken’ steen, dog de meesten zyn van hout, of ten minsten van hout en steen te zamen. De houten huizen zyn los opgeslagen, bestaande uit planken, die van binnen met latten aan malkander vast zyn. Zulken die uit hout en steen t’zamen bestaan, hebben alleen stenen muren aan de straat, het overige is maar van planken. Dit zou enen Reiziger, die maar schielyk doorrydt, ligt doen denken dat alles van steen was. De huizen waren gedekt met houten berden. Voor elke deur is ene stoep van enige trappen hoog, met bankjes op zyde, waar de menschen ’s avonds een lugtje scheppen en de voorbygangers zien. De Stad heeft alleen maar ene straat in de lengte, en aan haar noordeinde ene dwarsstraat, beiden tamelyk lang.

[De Rareton.]

De Rivier Rareton vliet digt by de Stad voorby, en is diep genoeg voor grote Jagten. De breedte by de Stad is een musketschoot. De vloed komt tot enige mylen boven het steedtje. De Jagten worden in de langte by de brug geplaatst. De Rivier heeft hoge en steile oevers, dog by de Stad zyn zy laag. Ene van de straten [Hollanders.] wordt byna alleen van Hollanders bewoond, die hier van Albany gekomen zyn, waarom zy Albanystreet genoemd wordt. Deze Hollanders houden alleen maar gezelschap onder malkander, en komen zelden of noit by de andere Inwoonders. Nieuw Brunswyk behoort tot New Jersey; dog de meeste zo niet al de handel, dien het dryft, is op New York, dat ’er omtrent veertig Eng. mylen van daan legt. Men zendt daar koorn en meel in menigte, brood, veel lynzaad, planken, houten vaatwerk en allerhande timmerwerk naar toe. Vele kleine Jagten gaan dagelyks van de ene plaats naar de andere. De Inwoonders winnen ook veel van de Reizigers, die alle uren door het plaatsje trekken.

[Grond. Stenen.]

De steile oevers der Rivier bestaan uit den roden Kalksteen, dien ik alreeds beschreven heb. Men kan hier duidelyk zien dat de beddingen niet horizontaal leggen, maar benedenwaards gaan, vooral tegens het zuiden. De lugt had den steen hier grotelyks ontbonden. Ik vroeg of men ’er geen gebruik van maken kon, en vernam dat hy tot het bouwen van huizen niets deugde, want, schoon hy hard en duurzaam onder den grond is, valt hy in stukken en tot gruis als men hem opgraaft en aan de lugt bloot stelt. Een der Inwoonders had beproefd ’er een huis van te bouwen, dog de buitenmuren begonnen schielyk zo te vergaan dat hy ’er planken overheen moest doen slaan, om te beletten dat zyn gantsche muur in stukken viel. Men wil dat de steen ene goede mist op het land maakt, en om die reden stroit men hem tot gruis geworden over de akkers, waardoor men zegt dat het onkruid sterft. Men gebruikt hem hier toe op de akkers en in de tuinen. [107]

[Vervolg der Reize.]

Tegen den avond vervolgden wy onze reis, en wierden over de Rareton gezet. In enen drogen zomer en by ebbende zee kan men zonder gevaar den stroom doorryden. Aan de overzyde was de Rode Jeneverboom vry overvloedig. Het land was wel bewoond en de grond keizelagtig.

Wy zagen op verscheiden plaatsen Poulepintades op enen vry verren afstand van de huizen in ’t veld.

Omtrent agt Eng. mylen van Nieuw Brunswyk scheidde zig de weg. Wy sloegen links in. De weg aan de regterhand loopt naar Amboy, de voornaamste zeeplaats van New Jersey. Het land had een betoverend aanzien, men zag heuvelen en dalen, en alles zeer wel bebouwd. Van de hoogtens had men het gezigt over landhoeven, boomgaarden, koornvelden, bosschen, meren, eilanden, wegen en weilanden.

De grond was op de meeste plaatsen roodagtig. Ik twyffel niet of ’er waren lagen van den gemelden kalksteen onder. Somtyds zag ’er de aarde uit als Cinnabererts.

[Woodbridge.]