Part 12
Woodbridge is een klein dorp, bestaande uit weinig huizen, en gelegen in ene vlakte. Wy hielden hier stil om onze paarden wat te laten rusten. De meeste huizen waren van hout, de muren van planken, die aan een eind rond en allen op dezelve ry leggende van dezelve langte waren. Sommige huizen hadden een Italiaansch dak, dog de meesten waren met gevels. De daken waren meest met houten berden gedekt. Putten en schepemmers werden meest overal gevonden.
[Elizabeth-town.]
Elizabeth-town is ene kleine Stad, omtrent twintig Eng. mylen van Nieuw Brunswyk. Wy kwamen daar even na het ondergaan der zon aan. De huizen staan verstroid, dog zyn wel gebouwd, gemeenlyk van planken, met daken van houten berden, waarmede ook de muren overdekt zyn. Ook waren ’er enige stenen gebouwen. Een kleine stroom loopt door de Stad van het westen naar het oosten, de welke by de eb byna droog is, maar met den vloed kleine Jagten voeren kan. Hier zyn twee fraye kerken, die ’er veel beter uitzien dan ’er ene in geheel Philadelphia doet. Die van de Engelsche kerk was van steen, had enen toren met klokken, en ene leuning rondom, van waar men over het omgelegen land ziet. De vergaderplaats der Presbyterianen was van hout, dog had enen toren en klokken, en was, gelyk de andere huizen, met houten berden gedekt. Het Raadhuis zag ’er ook wel uit, en had ook enen toren met ene klok. De oever der Rivier was rood van wegens den kalksteen. In en rondom de Stad zyn vele tuinen en boomgaarden, en men kan met waarheid zeggen dat Elizabeth-town in enen tuin legt, zynde de grond rondom effen en wel bebouwd.
De ganzen op enige plaatsen, daar wy dezen en den volgenden dag doortrokken, hadden drie of vier stokjes, van omtrent een voet lang, kruislings om den hals, ten einde ze te beletten door de half gebroken beheiningen te kruipen; het welk ze ’er regt grappig deed uitzien.
Wy namen ons verblyf dien nagt in ene herberg, Elizabeth-town Point geheten, omtrent twee Eng. mylen van de Stad gelegen, zynde het laatste huis aan dezen kant ’t welk tot New Jersey behoort. De man, die de herberg met het Veer daar by gepagt had, zeide ons dat hy daar ’s jaars honderd en tien pond Pensylvanisch geld voor betaalde.
[Voortreize.]
Den 30. October waren wy reisvaardig by het opgaan der zon. Digt by de herberg, daar wy dien nagt doorgebragt hadden, wierden wy ene Rivier in een half verrot vaartuig overgezet. Deze Rivier kwam ver van ’s binnens lands, en kleine schepen konden ze ligtelyk opzeilen, het welk een groot voordeel aan de Inwoonders van het naby gelegen land aanbragt, en hun gelegenheid gaf van hunne waren gemakkelyk naar New York te zenden. Zelfs diende zy hun om handel op de West Indien te dryven. De landeryen aan weerskanten der Rivier waren laag en bestonden uit weiden. Maar men kon ’er geen ander hoi winnen als dat op moerassige gronden wast, want by den vloed worden deze weilanden somtyds onder water gezet. Men zegt dat de menschen en het vee hier des zomers door ontelbare menigtens van muggen geplaagd worden. Dit wierd aan de laagheid en moerassigheid van den grond toegeschreven, waarin de muggen hare eitjes leggen, die door de warmte worden uitgebroeid.
[Staten Eiland. New York.]
Zo dra wy den stroom over waren bevonden wy ons op Staten Eiland, dat geheel en al van zout water omringd is. Hier begint de Provincie van New York. De meesten der Ingezetenen alhier waren Hollanders, of zulken die zig hier hadden nedergezet terwyl de Hollanders hier meester waren. Dog tegenwoordig waren zy verspreid onder de Engelschen en andere Europeanen, en spraken voor het groter deel Engelsch. Het gezigt over het land was zeer aangenaam, wordende niet zeer door bosschen belemmerd, en vertonende vele bebouwde landen. De heuvels en dalen gingen hier voort malkanderen aftewisselen.
[Landhoeven.]
De Landhoeven lagen digt by een. De meeste huizen waren van hout, dog sommigen van steen. Iedere Hoeve had haren boomgaard van appelbomen, wier vrugten reeds meest geplukt waren. Ik zag hier by ieder huis, gelyk op de gehele reis, ene [Cyderperssen.] Cyderpers, die op de ene of de andere wys gemaakt was. Het volk was bezig met de appelen te perssen, of had onlangs geleden daar mede gedaan gekregen. Sommigen gebruikten een wiel, gemaakt van dikke eiken’ planken, het welk om enen yzeren as door een paard getrokken werd, omtrent op de zelve wys als men wouw maakt, [108] met dit onderscheid alleen, dat het wiel hier over planken loopt. De Kerssebomen stonden rondom de heiningen om de koornvelden.
De koornlanden waren uitmuntend wel gelegen, en met Weit of Rogge bezaid. Zy hadden gene sloten rondom, maar alleen watervoren, op zyn Engelsch, meer of min van malkander gelegen.
Wy zagen ergens enen watermolen zo aangelegd, dat wanneer het vloed was het water in enen vyver liep, maar als het ebde ging het verlaat open, en de molen wierd van het water rond gedreven.
[De Stad New York.]
Om agt uren in den morgen kwamen wy op ene plaats daar wy het water over moesten om te New York te komen. Wy lieten de paarden daar, en gingen in een Jagt. Wy hadden negen Eng. mylen afteleggen; egter waren wy al te elf uren te New York. Wy zagen een soort van wilde endvogels in menigte op het water. Het volk noemde ze Blauwbekken [109]. Zy schenen onze Pylstaarten [110] te zyn. Zy waren zeer schuw. Op het strand zagen wy schone in de schuinte leggende koornvelden, die gantsch groen waren van het opkomende koorn. Wy zagen verscheiden’ visschers in schuitjes bezig met oesters van den bodem der zee optehalen, ten welken einde zy zig van harken met lange yzeren inwaards gebogene tanden bedienden. Zy gebruikten deze werktuigen of maar een alleen, of twee aan malkander gebonden, op zulk ene wys dat de tanden op malkander kwamen.
[Oesters.]
Omtrent New York wordt ene grote menigte uitmuntende Oesters gevonden, wiergelyken men, en voor de grootte, en voor den smaak, op weinige plaatsen vindt. Men maakt ze in, en zendt ze naar de West Indien en andere oorden. Het inmaken geschiedt op deze wys. Zo dra de Oesters gevangen zyn, maakt men ze open, en wast den visch schoon af. Dan giet men wat waters in een pot, waarin men de Oesters ene wyl kookt, daarna op een schotel legt, tot dat ze enigzins droog zyn. Vervolgens neemt men wat speceryen, wat peper, en zo veel azyn, als men oordeelt noodzakelyk te zyn. Dit mengt men met de helft van het vogt waarin de Oesters gekookt zyn, en hangt het over ’t vuur. Men moet by ’t koken wel op het schuimen passen. Eindelyk giet men het al te zamen in een glazen of aarden vat, doet ’er de Oesters in en maakt het wel toe, dat ’er geen lugt by kome. Op deze wys kunnen de Oesters een geheel jaar goed blyven, en naar ver gelegen plaatsen verzonden worden.
De Kooplieden zenden om dezen tyd vele dus ingemaakte Oesters hier van daan naar de West Indien, waar by zy gemeenlyk ene aanzienlyke winst doen, want Oesters die hun hier ene schelling kosten verkopen zy den meesten tyd voor een pistool, of zesmaal zo veel als zy hun gekost hebben, en somtyds nog meer. De Oesters op deze wys ingemaakt zyn zeer lekker, en kunnen ook gebraden worden.
Ene andere manier van ze intemaken bestaat hierin. Men doet ze uit de schalen, braadt ze in een pan met boter, doet ze in een glazen of aarden vat, en giet ’er de gesmolten boter op, zo dat ze wel bedekt leggen, en er geen lugt bykome. Op deze wys ingelegt zyn zy even goed om te eten als op de voorgaande, en worden ook naar de West Indien en andere oorden verzonden.
Men at ze hier ook rauw, met azyn en peper, dog zelden. Meest braadt men ze in ene pan met boter, of in de schalen zelven op kolen. Ook kookt men ze in hun eigen water, dat zy in overvloed van zig geven, zo dra zy in de warmte komen. En men hield ze dan veel lekkerder als wanneer men ze in ander water kookte. Zy gingen hier voor ene gezonde spys. Arme menschen eten ze het gehele jaar door met een weinig broods.
De Oesters worden voornaamlyk op enen modderigen grond gevangen. Zy zyn zo talryk niet op het zand, en men vindt hier zelden rots of steen op den bodem der zee. De Oesterschelpen worden op grote hopen verzameld en tot kalk gebrand. Wy zagen vele zulke hopen by de Landhoeven leggen, die niet ver van zee waren; en omstreeks New York zagen wy de Boeren ze geheel en ongebroken op het land ryden, dat met weit bezaid was. De zee verschaft ’er hier ene schrikkelyke menigte van.
De Wilden, die voor de aankomst der Europers aan de zeekusten woonden, leefden voornaamlyk van oesters en mosselen. Nog vangen zy ze vlytiglyk, wanneer ze op plaatsen komen daar oesters zyn, en verkopen ze dieper in het land aan de andere Wilden. Dit is de reden dat men op die plaatsen daar men weet dat zy voorheen gewoond hebben ongemeen vele oester- en mosselschelpen op hopen vindt. En dit moet ons omzigtig maken in te beweren dat op alle plaatsen, digt by zee, of dieper landswaards in, waar men zulke hopen ontmoet, dezelven daar gelegen hebben sedert de tyden dat de zee over die landen stroomde.
[Kreeften.]
Zeekreeften worden hier ook overvloedig gevonden, en byna op dezelve wys als de Oesters ingemaakt en verzonden. Ik heb dikwyls horen verhalen dat de kust van New York al reeds lang door de Europeanen bewoond was, zonder dat ’er kreeften te vinden waren, zo dat zy uit Nieuw Engeland, daar ze overvloedig waren, in grote vischkorven derwaards wierden gebragt. Maar het gebeurde eens dat een dezer korven by Helgate kwam te breken, omtrent tien Eng. mylen van New York, en alle de Kreeften raakten vry. Sedert dien tyd zyn zy hier zo vermenigvuldigd, dat ze in den grootsten overvloed gevangen worden.
[Koude Koorts.]
Een soort van koude koorts, door de Engelschen Fever and ague genoemd, is zeer gemeen in velen van de Engelsche Volkplantingen. Dog in sommigen weet men ’er niets van. Ik zal in ’t vervolg de eigenschappen dezer ziekte nader beschryven. Verscheidenen van de aanzienlykste Ingezetenen van New York verzekerden my, dat deze ziekte daar ver na zo gemeen niet is als in Pensylvanie, waar ’er tien tegen een in New York van worden aangetast. Om die reden waren ze van mening, dat deze ziekte veroorzaakt werd door de dampen van staande wateren, poelen, en rivieren; en dus konden de landschappen aan de kust gelegen zo ligt ’er niet van worden aangedaan. Evenwel wierd het gulzig eten van meloenen, watermeloenen, persiken, en andere sappige vrugten, ook gehouden den voortgang van deze ziekte veel te bevorderen; en vele voorbeelden bevestigden deze mening. De Kina wierd ’er een goed middel tegen gerekend. Egter wierd zy dikwyls gevonden ene verkeerde werking te doen, ’t zy dan dat ze verbasterd was, ’t zy dat men ze op ene verkeerde wys gebruikt had. De Heer David van Horne, een Koopman, vertelde my, dat hy zig en vele andere menschen van de koorts genezen had met de bladen der Tuinsaly. [111] Hy stampte ze in een vyzel, en drukte ’er het sap uit; dit deed hy zo lang tot dat hy ’er een lepel vol van had, en mengde ’er dan wat citroensap onder. Dit gebruikte hy tegens dat de huivering begon; en na dat het drie of vier malen genomen was, kwam de koorts niet weder.
[Eikenbast.]
De bast van den witten Eik wierd voor het beste middel tegens den loop gehouden. Men maakt hem tot poeder. My wierd van sommigen verzekerd, dat ’er gevallen waren waarin niets had willen helpen, en waar in dit middel ene zekere en spoedige genezing veroorzaakt had. In New York gebruikte men dezen bast ook om wol bruin te verwen, zo dat zy naar thee bohea gelykt, en in de zon niet verschiet. Onder de ontelbare schelpen en hoorns die men op ’t strand vindt, zyn ’er die veel [Clams.] naar een menschenoor gelyken. De Engelschen noemen ze Clams. Zy zyn zeer dik, wit, uitgenomen alleen het spitse eind, dat van binnen en van buiten blauw is, trekkende wat naar het violet en het purper. Men vindt ze in groten overvloed op de kust van New York, Long Island, en andere plaatsen. De schaal besluit een vry groot dier, het welk, niet alleen de Wilden, maar ook de Europers gaarn eten.
Met dezen schelpvisch dryft men enen aanmerkelyken handel onder de Wilden binnen ’s lands. Toen deze menschen nog op de kusten woonden, konden zy zelven hunne Clams vangen, waaruit hun voedsel voornamelyk bestond; maar tegenswoordig doen dit de Hollanders en de Engelschen, die op Long Island en andere zeeplaatsen wonen. Zo dra de schelp gevangen is neemt men ’er den visch uit, rygt hem aan een draad, en hangt hem dus in de lugt om in de zon te drogen. Dit gedaan zynde, wordt hy in vaten gelegd en naar Albany gezonden, waar de Wilden deze waar kopen, die zy voor een hunner beste geregten houden. Behalven de Europeanen komen velen van de Inlanders jaarlyks op de zee kust om Clams te vangen.
[Wampum der Wilden.]
De Wilden gebruiken deze schelpen in plaats van geld, en maken ’er hun zo genaamd Wampum van. Hunne Vrouwen hangen ze ook om als zy opgeschikt willen wezen. De Wampums worden eigenlyk van het violet der schelp gemaakt, want de blauwagtige stukken hebben by hun ene veel grotere waarde dan de witten. Een Reiziger, wel voorzien van deze schelpen, kan ’er ene aanmerkelyke winst mede doen onder de Inlanders; maar als hy geld, goud of zilver medeneemt, zal hy voorzeker verliezen, want de Wilden, die verder binnen ’s lands wonen, agten deze metalen weinig of niet, gelyk ik dikwyls heb opgemerkt. Voorheen maakten zy hunne Wampums zelven, schoon niet zonder veel moeite, maar tegenswoordig worden zy meest van de Europeanen gemaakt. Byzonderlyk doen dit die van Albany, en winnen ’er aanmerkelyk veel by. In ’t vervolg denk ik de wys waarop de Wampums gemaakt worden te beschryven.
[Joden.]
Behalven de verschillende sekten van Christenen, wonen ’er vele Joden in New York, die daar grote voorregten bezitten. Zy hebben ene Synagoge, bezitten huizen en buitenplaatsen in eigendom, en mogen winkel doen in de Stad. Ook hebben ze verscheiden schepen, die ze bevragten. In een woord, zy genieten de zelve voorregten als de overige Ingezetenen.
Gedurende myn verblyf te New York, zo wel deze reis als de twee volgende jaren, ben ik dikmaals met Joden in gezelschap geweest, en vernam onder anderen dat dit volk noit enige spys voor zig op zaturdag bereidde, maar dat altyd den dag te voren deed, en dat zy ’s winters den gantschen zaturdag over vuur aanhielden. Zy eten gemeenlyk geen spek; egter wierd my door verscheiden’ geloofwaardige menschen verhaald, dat zy op reis zynde, en wel vooral de jonge Joden, gene zwarigheid maakten die, of enige andere spys, die hun wierd voorgezet, te gebruiken, zelfs in tegenwoordigheid van Christenen. Ik was voor de twedemaal den 2. November in hunne Synagoge, en wierd elke reis op ene byzondere plaats gezet, die voor de Christenen geschikt is. Een jonge Rabbi verrigtte den godsdienst ten dele in ’t Hebreuwsch en ten dele in ’t Rabbynsch. De mans en de vrouwen waren allen op zyn Engelsch gekleed; de eersten hielden allen den hoed op. De galeryen waren voor de vrouwen. De mans wierpen by het bidden enen witten doek over het hoofd, het welk misschien enen Zak wilde verbeelden. Maar ik merkte dat de rykeren enen kostbaarderen doek hadden dan de anderen. Velen van de mans hadden Hebreeuwsche boeken, waaruit zy by beurten zongen en lazen. De Rabbi stond in ’t midden der Synagoge, met het aangezigt naar het oosten gekeerd; maar hy rabbelde zodanig dat het byna onmogelyk moet geweest zyn hem te verstaan. [112]
[De Stad New York.]
New York, de Hoofdstad der Provincie van dien naam, legt op 40. gr. 40. minn. N. en 74. gr. 4. min. W. van Lond. omtrent 97. Eng. mylen van Philadelphia. Hare legging is zeer voordelig voor den handel, want de Stad staat op een punt dat door twee bayen wordt gemaakt, in ene van dewelken de Rivier Hudson, niet ver van de Stad, zig uitstort. Dus is New York aan drie kanten van water omringd. De grond, waarop de Stad gebouwd is, is op sommige plaatsen effen en op andere heuvelagtig. De plaats wordt gerekend zeer gezond te zyn.
[Gestigt door de Hollanders.]
De Stad wierd het eerst door de Hollanders aangelegd, in ’t jaar, gelyk men zegt, 1623. toen zy meester van het land waren. Zy noemden ze Nieuw Amsterdam, en het land zelf Nieuw Nederland. De Engelschen maakten ’er zig meester van in ’t jaar 1664. en behielden het uit hoofde van het volgende verbond van vrede. Zy noemden het land en de Stad beiden New York. In grootte komt de Stad zeer na by Boston en Philadelphia. Maar in fraiheid, rykdom, en handel, betwist zy die plaatsen den voorrang. Tegenwoordig zal zy anderhalf maal zo groot als Gothenburg in Zweden zyn.
De straten lopen zo lynregt niet als te Philadelphia, en hebben somtyds aanmerkelyke bogten. Egter zyn zy ruim, wel bebouwd, en geplaveid, uitgenomen op sommige hoge plaatsen, waar dat niet nodig was. Op de voornaamste straten staan bomen, die des zomers een groot aanzien en ene lieflyke lommer geven. Dit doet de Stad als naar enen tuin gelyken. De bomen die het talrykst zyn zyn de Waterbeuken, [113] welken door hun zwaar blad veel schaduw geven, en de Sprinkhaanboom, [114] wien zyne schone bladeren en de aangename reuk van zyne bloemen zeer geschikt maken om in ene Stad digt by de huizen en in tuinen geplant te worden. Ook stonden ’er Linden en Olmen op de straten, dog minder in getal. Zy waren in ’t gemeen om den anderen geplant.
[Boomkikkers.]
Behalven allerhande vogelen, die des zomers zig in de bomen onthouden, vindt men ’er een soort van Kikker in groten overvloed in. [115] Zy maken een schrikkelyk geweld des avonds en des nagts, vooral na enen heten dag en als men regen verwagt, zo dat zy ’t gezang der vogelen als verdoven. Dikwyls schreuwen zy zo sterk dat een mensch moeite heeft van zig te doen verstaan.
[Huizen.]
De meeste huizen zyn van gebakken’ steen, in ’t algemeen sterk en net, en verscheiden verdiepingen hoog. Sommigen hadden, volgens de oude bouworder, de gevels naar de straat gekeerd, maar dit was anders by de nieuweren. Vele huizen hadden op het dak een balkon, waarop de menschen ’s avonds gewoon waren te zitten, en van waar men een aangenaam gezigt over de Stad, de naburige wateren, en de overleggende kust heeft. De daken zyn gemeenlyk met pannen of berden van wit dennenhout, [116] dat hier te lande wast, gedekt. De Inwoonders zyn van gevoelen, dat zulk een dak al zo duurzaam is als een dat van wit Cederhout [117] gemaakt is, gelyk in Pensylvanie geschiedt. De muren zyn van binnen gewit, en ik zag nergens behangsels, waarvan men hier weinig schynt te weten. De muren waren geheel bedekt met printen en kleine schilderytjes. Op beide zyden van den schoorsteen waren gemeenlyk een soort van kasten; de muren onder de vensters waren meest beschoten, en ’er waren zitbanken by. De kasten en al het houtwerk waren gemeenlyk blauwagtig grauw geschilderd.
[Kerken.]
Daar zyn verscheiden Kerken in de Stad, die aanmerking verdienen. De Engelsche Kerk, gebouwd in ’t jaar 1695. in het westen der Stad, is van steen, en heeft toren en klokken. De Nieuwe Hollandsche Kerk, insgelyks van steen, is vry groot, en heeft enen toren met een uurwyzer, het enige dat in de Stad is. Zy staat noord en zuid. Men heeft hier in het aanleggen van Kerken naar gene streken zig gerigt. In deze Kerk zyn nog altaar, nog sakristy, nog koor, nog kaarskronen, nog schilderyen. De Oude Hollandsche Kerk, insgelyks van steen, is zo groot niet als de Nieuwe. Zy was van binnen beschilderd, dog zonder beelden, en met een klein orgel versierd, dat haar de Gouverneur Burnet vereerd heeft. De mans zitten meest op de gallery en de vrouwen beneden.
De Presbyteriaansche Kerk is tamelyk groot, en eerst onlangs gebouwd. Zy is van steen, en heeft enen toren met ene klok. Nog vindt men ’er ene Duitsche Luthersche Kerk, ene Duitsche Hervormde Kerk, ene Fransche Kerk voor de Protestantsche Vlugtelingen, ene Quaker vergaderplaats; waarby men de Joodsche Synagoge nog voegen kan.
[Fort George.]
Aan den zeekant op de spits der landengte legt een tamelyk goed kasteel, het Fort George genoemd, het welk de gantsche haven bestrykt, en de Stad ten minsten voor enen onverwagten aanval verdedigen kan. Ten noorden tegens het strand aan is zy door palissades bevestigd, die egter, daar men in lang genen vyand te dugten heeft gehad, grotendeels in slegten staat zyn.
[Water.]
In de Stad zelve is geen goed water te vinden, maar digt ’er by is ene schone bron, waaruit de Inwoonders hun water voor de thee en de keuken halen. Sommigen evenwel, die minder kiesch zyn, bedienen zig van het water uit de putten in de Stad, schoon het zeer slegt is. Dit gebrek van goed water is lastig voor de vreemde paarden die in de Stad komen, want zy lusten het water niet dat men daar vindt.
[De Haven.]
De Haven is vry goed. De schepen kunnen met hunne volle lading vlak tegens de brug aan leggen. Het water is zeer brak, dewyl de zee gedurig in de Haven komt, en daar door vriest zy niet toe, ten zy in zeer koude winters. Dit is een groot voordeel voor den handel, het welk Philadelphia niet heeft. De Haven is bevryd van alle orkanen uit het zuidoosten, door Long Island, dat vlak over de Stad legt. Dus hebben de schepen alleen de zuidwester stormen te vrezen, want aan dien kant is de Haven open. Dog de ingang heeft enige gebreken, onder anderen dit dat ’er geen oorlogschip kan inkomen, want schoon zy vry diep is, is ’er egter voor zo diep gaande vaartuigen geen water genoeg. Somtyds is het ook wel zware koopvaardyschepen gebeurd, door het sterk gaan der golven, wanneer zy tusschen de zelven in nederzakten, eventjes grond te raken, schoon zonder kwade gevolgen. Buiten dat, de ingang is nauw, en vele schepen zyn daar vergaan, om dat ze ligt op ene bank geraken kunnen, als zy gene goede lootsen hebben. Oude lieden, die lang den ingang dier haven bevaren hadden, verzekerden my, dat hy nog dieper, nog ondieper, nog smalder nog breder was dan voorheen.
Het verschil van ty by hoogst en laagst water is hier omtrent zes Eng. voeten. Maar op zekere tyden van de maand, wanneer de vloed het hoogst is, stygt hy tot zeven voet boven de laagste ebbe.
[Handel.]
New York is misschien de Stad die van gantsch Noord Amerika den sterksten handel dryft. Boston en Philadelphia komen haar zeer naby. New York strekt haren handel zeer ver uit, en men wil dat zy meer schepen naar Londen zendt dan Philadelphia. Men voert van hier naar die Hoofdstad alle de pelteryen, die men van de Wilden koopt, suiker, Mahogany, Brazilie, en ander verwhout, Rum, en andere West Indische waren, nevens al het geld dat men uit de West Indien getrokken heeft. Alle jaren worden hier schepen gebouwd om te Londen verkoft te worden, en men heeft in de laatste jaren zeer veel yzers derwaards gezonden. Van Londen brengt men hier in, stoffen en allerhande Engelsche Handwerken en andere vreemde waren. Engeland, en inzonderheid Londen wint ontzaglyk by den handel op Noord Amerika; want niet alleenlyk New York, maar alle de Engelschen Steden op het vaste land voeren zo veel goed uit Engeland in, dat al het geld, nevens alle de waren die hier uit andere gewesten komen, naar Engeland moet, om het geen men hier trekt te betalen, en dit alles is daartoe nog niet voldoende. Hieruit blykt hoe veel ene wel geregelde Volkplanting tot de welvaert van hare Moederplaats toebrengt.