Part 13
New York zendt vele schepen naar de West Indien met koorn, meel, bischuit, houtwerk, timmerhout, planken, vleesch, visch, boter en andere eetwaren. Ook gaan ’er velen naar Boston, in Nieuw Engeland, met koorn en meel, die van daar vleesch, boter, timmerhout, verscheiden’ soorten van visch, en andere waren terug ontvangen, welken zy verder naar de West Indien voeren. Daar nemen zy somtyds rum in, die op die plaatsen in groten overvloed gestookt wordt, en verkopen die hier met groot voordeel. Ook varen ’er somtyds geladen Jagten tusschen New York en Philadelphia over en weder; hetgeen alleen, gelyk uit de Koeranten blykt, geschiedt, om dat sommige waren op de ene plaats duurder zyn dan op de andere. Jaarlyks zendt men ook schepen naar Ierland beladen met West Indische waren, maar vooral met Lynzaad, dat hier gewonnen wordt. Men heeft my verzekerd dat ’er sommige jaren meer dan tien schepen mede geladen naar Ierland gegaan zyn, om dat het vlas daar gezegd wordt geen goed zaad te geven. Maar het is waarschynlyk dat de ware reden is, dat men in Ierland, om des te beter vlas te hebben, niet wagt tot dat de plant ryp is, en derhalven vreemd zaad moet laten komen. En dus is die een der hoofdtakken van den handel geworden.
Somtyds worden de goederen die naar de West Indien gaan met gereed geld betaald, en somtyds in waren, die of eerst naar New York gebragt, of regelregt naar Engeland of Holland gezonden worden. Als dan een schip op de terugreis gene waren medenemen, of niemant het bevragten wil, zo vaart het naar Newcastle in Engeland, en neemt in plaats van ballast steenkolen in, die hier wel betaald worden. Ook gebruikt men ze in vele huizen, in de keuken en in de kamers, dewyl zy beter koop geschat worden dan het hout. New York dryft ook enigen handel op Zuid Karolina, waar het koorn, meel, suiker, rum, en andere goederen naar toe zendt, en van waar het ryst wederom terug ontvangt, het welk genoegzaam het enige is dat uit Zuid Karolina verzonden wordt.
De waren waarin de Provincie van New York handel dryft zyn niet zeer menigvuldig. De voornaamsten zyn, pelteryen, die te Oswego van de Wilden gekoft worden, vele planken, die meest van Albany komen, timmerhout en vaatwerk, dat van omstreeks de Rivier Hudson gehaald wordt, en eindelyk weit, meel, garst, haver, en ander graan, dat men van New Jersey en uit de Provincie zelve krygt. Ik heb Jagten gezien van Nieuw Brunswyk, geladen met weit, die los in ’t schip lag, en met meel in tonnen gepakt, gelyk ook met ene menigte van lynzaad. De Provincie van New York levert ook enig vleesch en andere eetwaren, die men verzendt, dog in gene menigte. Ook is de voorraad van erwten die van Albany komt niet aanzienlyker. Maar des te meer yzer kan men verzenden, want men vindt het op verscheiden’ plaatsen van dit Landschap in overvloed en tamelyk goed. De overige voortbrengsels hebben niet veel om ’t lyf.
[Wyn.]
De meeste wyn, dien men hier en in de andere Volkplantingen van Noord Amerika gebruikt, komt van Madera, en is sterk en heet.
[Handwerken.]
Hier zyn nog gene Handwerken, die naam verdienen, aangelegd. Men krygt alles van Londen.
[De Hudson.]
De Rivier Hudson brengt den handel van New York veel voordeels aan. Zy is omtrent honderd en vyftig Eng. mylen landwaards in bevaarbaar, en valt niet ver van de Stad naar het westen in de Bai. Gedurende agt maanden van het jaar is de Rivier vol van Jagten, en andere grote en kleine vaartuigen, naar New York gaande of ’er van daan terug kerende, beladen met inlandsche of vreemde waren.
[Schepen.]
Ik kan niet juist bepalen hoe groot het getal der schepen is die jaarlyks hier aankomen of afvaren. Maar ik heb in de Pensylvanische Koerant gevonden, dat van den 1. December 1729. tot den 1. December 1730. twee honderd en elf schepen in de haven van New York gekomen, en twee honderd twee en twintig daar uit gevaren waren. En sedert dien tyd is de handel zeer sterk toegenomen.
[Markten.]
Tweemaal in de week komen de Boeren te New York te markt, omtrent op de zelve wys als te Philadelphia, alleen maar met dit onderscheid dat hier de markt op verscheiden plaatsen gehouden wordt.
[De Gouverneur.]
De Gouverneur van New York heeft zyn Paleis in het Fort. Onder de genen die met deze post bekleed geweest zyn, verdient William Burnet ene euwigdurende gedagtenis. Hy was een zoon van den beroemden Thomas Burnet, en scheen de geleerdheid van zynen Vader overgeerfd te hebben. Maar zyne grootste verdienste bestond in zynen aanhoudenden yver voor de welvaart van dit gewest. Het volk van New York houdt hem voor den besten Gouverneur, dien zy oit gehad hebben, en denken zyne bewezene diensten niet genoeg te kunnen pryzen. De veelvuldige starrekundige waarnemingen, die hy hier maakte, zyn in verscheiden’ Engelsche werken te vinden. In ’t jaar 1727. by de komst van George den II. tot den troon van Groot Britanje, wierd hy aangesteld tot Gouverneur van Nieuw Engeland. In gevolge hier van verliet hy New York en begaf zig naar Boston, waar hy in 1729. overleed.
[Parlementen.]
Eens of tweemaal in ’t jaar wordt te New York ene vergadering gehouden van de Afgezondenen uit alle de oorden van de Provincie. Men kan deze Vergadering aanzien als een klein soort van Parlement of Ryksdag. Hier wordt alles het welvaren van ’t gewest rakende in overweging genomen. [Gouverneurs.] De Gouverneur beroept de Vergadering en doet ze scheiden naar goedvinden. Dit is ene magt waarvan hy zig bedient wanneer hy of verdere overwegingen onnodig, of de Vergadering niet eens gezind genoeg oordeelt; dog het gebeurt ook dikwyls genoeg dat hy, door eigenzin of eigenbelang bewogen, deze magt ten nadeele der Provincie gebruikt. Somtyds heeft het gewest enen Gouverneur gehad, die met de Ingezetenen in zulke onenigheid geraakte, dat de Afgevaardigden naderhand uit spyt en wraaklust zig tegens alles kanteden wat hy voorstelde, het ware dan voordelig of niet. In zulke gevallen plegt de Gouverneur de Vergadering te ontbinden, en ene andere te beroepen, welke hy evenwel binnen korten tyd weder ontbond zo dra hy bemerkte dat de leden niet wel gezind waren. Op deze wys wist hy het hun zo moede te maken door de kosten die zy zo dikwyls gedwongen waren te doen, dat zy op ’t laatst blyde waren zig met hem te mogen verenigen in hunne pogingen ten besten van ’t gewest. Maar daar zyn ook Gouverneurs geweest die de Vergadering beriepen en ontbonden alleen om dat zy zig niet naar hunnen zin schikken wilde, of hare toestemming niet kon geven aan voorslagen, die misschien gevaarlyk of schadelyk voor de gemene zaak zouden geweest zyn. De Koning stelt den Gouverneur naar welgevallen aan, dog de Ingezetenen betalen hem zyn jaargeld. Dus heeft hy groter inkomsten naar mate hy de gunst der Inwoonders winnen kan. Daar zyn voorbeelden in deze en andere Provincien van Gouverneurs, die door hunne onenigheden met de Ingezetenen hun gantsche jaargeld kwyt raakten, hebbende den Koning geen vermogen om hun dit te doen betalen. Indien een Gouverneur dan geen goed van zig zelven heeft, kan hy daar door gedwongen worden zyn ampt nederteleggen, of zig met een zeer gering inkomen te behelpen, of zig naar den zin der Ingezetenen te schikken. Dog ’er zyn zekere vaste voordelen, die men hem niet onthouden kan. Dezen zyn I. dat niemant in de gantsche Provincie ene herberg kan opzetten zonder verlof van den Gouverneur, het welk men alleen verkrygen kan mits betalende ene zekere erkentenis volgens de omstandigheden. Sommige Gouverneurs, aan welken de Ingezetenen weigerden hun jaargeld te betalen, zogten derhalven die schade te boeten door ’t verdubbelen van het getal der herbergiers. II. Weinige lieden, die staan te trouwen, willen hunne geboden van den preekstoel afgelezen hebben, uitgenomen zulken die zeer arm zyn; maar verkrygen een verlof van den Gouverneur, waarby de Predikanten, Hervormde of Luthersche, magt krygen zulke personen, die dat verlof vertonen, te trouwen. Dit verlof nu is den Gouverneur ene halve Guinea waard. En deze vergunningen door de gehele Provincie belopen ene aanmerkelyke som. III. De Gouverneur tekent alle paspoorten, en byzonder de zeepassen; en dit geeft hem een ander middel ter goedmaking zyner verteringen. Nog zyn ’er enige kleinder voordelen, die ik voorby zal gaan.
[Wetten.]
De Vergadering is gewoon de oude wetten te overzien, en des noods nieuwen te maken. Ook regelt zy den loop van ’t geld, en andere zaken daar toe betrekkelyk. Want men moet aanmerken dat ieder van de Volkplantingen onafhanglyk van de anderen is, en hare eigene munt en eigene wetten heeft; zo dat zy als een land op zig zelf bestaande kan worden aangezien. Hiervan daan komt het dat in oorlogstyden de zaken vry langzaam, ongeregeld en slap worden bestierd; want de Provincies zyn niet alleen somtyds oneens, maar de inzigten der Gouverneurs en der Vergaderingen van de byzondere gewesten zyn ook dikwyls strydende; zo dat het ligt gebeurt, dat, terwyl men twist over het geen best en het beste koop zoude zyn in ’t voeren van den oorlog, de vyand kans heeft de ene plaats na de [Oorlogen.] andere wegtenemen. Ook is het dikwyls gebeurd, dat, terwyl de ene Provincie door den vyand geplaagd werd, de anderen stil en werkeloos zaten, als of haar dit alles niets aanging. Somtyds duurde het twee of drie jaren eer zy het eens waren of men ene Volkplanting die aangetast werd ondersteunen zoude, en het is gebeurd dat het besluit viel van neen. Zelfs zyn ’er voorbeelden van Provincies, die niet alleen onzydig bleven in enen kryg tusschen ene andere Provincie en enen uitheemschen vyand, maar die zelfs voortgingen enen aanmerkelyken handel met den vyand te dryven.
Door deze verdeeldheden hebben de Franschen in Kanada, die maar een hand vol volks in vergelyking van de Engelschen in Amerika waren, gelegenheid gehad merkelyke voordelen op de laatsten te behalen. Want uit het getal en de magt der Engelschen oordelende zoude men zeggen, dat het hun ligt vallen moest de Franschen in Amerika te overmeesteren. [118]
[Staatkundige aanmerking.]
Evenwel is het ene zaak van groot belang voor de kroon van Engeland, dat deze Volkplantingen zo na aan een land onder het bestier van Frankryk gelegen zyn als Kanada. Daar is reden van te denken dat het den Koning noit ernst was om de Franschen daar uittejagen. De Engelsche Volkplantingen zyn zo magtig geworden dat zy met Groot Brittanje zelf om den voorrang dingen. Om dan het evenwigt van den handel naar den kant van het Ryk op den duur te doen overslaan, en ter bereiking van verscheiden andere oogmerken, is het verboden, Handwerken in Amerika aanteleggen; goud- of zilvermynen te zoeken, ten zy men het gevonden goud of zilver regelregt naar Engeland zende; op enige plaats handel te dryven die niet onder ’t gebied van Groot Brittanje staat, enige zekere plaatsen maar uitgenomen: en vreemde schepen mogen niet in de Amerikaansche havens komen. Deze en diergelyke bepalingen maken dat de Amerikaansche Engelschen minder liefde voor hun oorspronglyk Vaderland krygen, en deze onverschilligheid wordt vergroot door de menigte van vreemdelingen, als Duitschers, Hollanders en Franschen, die hier gevestigd zyn. Voeg hierby dat vele menschen noit te vreden zyn met het gene zy bezitten, hoe aanzienlyk dat ook zy, altyd meerder willende winnen, en naar verandering hakende; en dat hunne al te grote vryheid en weelde hen tot onbandigheid brengt.
Engelschen, zelfs die uit Europa herwaards overgekomen waren, hebben my verteld, dat binnen dertig of vyftig jaar de Volkplantingen in Amerika magt genoeg hebben zullen om enen staat op zig zelven te maken, en volkomen onafhanglyk van Oud Engeland te zyn. Maar gelyk de gehele kust open legt, en de binnenlanden door de Franschen ontrust worden, dwingen deze gevaarlyke vyanden in oorlogstyden de Volkplantingen hare verbindtenissen met haar Vaderland te onderhouden. De Engelsche Regering heeft derhalven ene genoegzame reden van de Franschen in Kanada als het geschiktste middel aantezien om de Volkplantingen by haren pligt te houden. Maar ik ben reeds te ver van myn stuk afgedwaald; ik keer derhalven weder naar New York.
[Afwyking der Naald.]
De afwyking der Naald is in die Stad door Philip Well, eersten Ingenieur van New York, in het jaar 1686. bevonden 8. gr. 45. min. W. Maar in 1723. was zy maar 7. gr. 20. min. volgens de waarnemingen van den Gouverneur Burnet. Waaruit wy besluiten mogen, dat in agtendertig jaren de Naald omtrent 1. gr. en 25. min. dat is omtrent 2. min. ieder jaar, nader aan het ware noorden komt. De Heer Alexander, een man van veel kennis in de Starre- en Wiskunde, verzekerde my uit verscheiden waarnemingen, dat in het jaar 1750. den 18. September de afwyking gerekend wierd te zyn 6. gr. 22. min.
[Drukkeryen.]
Daar zyn twee Drukkeryen in de Stad; en alle week komen ’er Engelsche koeranten uit, die het nieuws van de gehele wereld bevatten.
[Winters.]
De winter is hier veel gestrenger dan in Pensylvanie, en byna zo hard als in sommige delen van Zweden, dog hy duurt niet zo lang als by ons; de lente begint hier vroeg en de herfst laat. Des Zomers is de hette onmatig. De meloenen zyn op het open veld reeds ryp in ’t begin van Augustus, daar wy ze onder glazen en op hete bedden nauwlyks op dien tyd tot rypheid brengen kunnen. Ik kan de koude van den winter niet juist bepalen, zynde alle de waarnemingen gemaakt volgens Thermometers die in huis hingen, en die de buitenlugt niet aanraken kon. De sneeuw blyft enige maanden leggen; en men bedient zig hier van sleden, gelyk in Zweden, dog men maakt ze wat te groot. De Rivier Hudson is omtrent aan haren mond ene Eng. myl breed. Het verschil tusschen het hoogste en ’t laagste water is daar tusschen de zes en zeven voet. Het water is zeer brak; en met dat al blyft het ys daar niet alleen ene, maar dikwyls verscheiden maanden zitten. Het is somtyds meer dan twee voet dik.
[Muggen.]
De Muggen zyn hier dikwyls zeer lastig. Zy komen met het hoi naar de Stad, dat op de lage landen gewonnen wordt, die geheel en al van het zoute water doortrokken zyn; of volgen het vee, als het ’s avonds t’huis komt. Ik heb in my zelven en in anderen ondervonden hoe zeer dit kleine gedierte iemant in enen nagt mismaken kan. [Watermeloenen.] De watermeloenen, die men digt by Stad aankweekt, groeyen zeer weelderig. Zy zyn uitmuntend en beter dan ergens anders in Noord Amerika, schoon zy op ’t openveld geplant worden, en zonder op een warm bed gestaan te hebben. Ik zag in September 1750. ene watermeloen aan het huis van den Gouverneur Clinton, die 47. Eng. ponden woog, en by enen Koopman alhier ene die 42. pond zwaar was. Egter hield men deze twee voor onder de grootsten te behoren die men hier kon aantreffen.
[Sachems.]
In ’t jaar 1710. reisden van hier vyf Koningen, anders Sachems, van de Iroquoizen naar Engeland, om Koningin Anna tot een verbond met hun tegens de Franschen te bewegen. Ik zal my niet ophouden met hunne namen, kleding, het onthaal dat zy aan het Hof kregen, hunne gesprekken met de Koningin; dit alles is uit andere boeken bekend. De Koningen of Sachems der Wilden hebben gemeenlyk geen groter gezag over hun dan een Schout in zyn gebied, en veeltyds nog minder. Op myne reizen door hun Land had ik noit gelegenheid myne opwagting by enen dezer Sachems te gaan maken, want die Heren kwamen onverzogt uit eigen beweging het eerst aan myn verblyf, op hoop van een glas brandewyns of twee te krygen, daar zy boven alles veel werks van maken.
[Hollanders te New York.]
De eerste Volkplanters in New York waren de Hollanders. Wanneer de Stad en haar regtsgebied door de Engelschen ingenomen, en in verruiling tegens Suriname by den vrede afgestaan werd, bleef het den ouden Ingezetenen vry te New York te blyven en alle de voorregten en vryheden te genieten, die zy van te voren bezeten hadden, of met alle hunne goederen te vertrekken. De meesten verkozen het eerste; en dit is de reden dat het grootste getal van de Ingezetenen dezer Stad en Provincie Hollanders zyn, die, byzonderlyk de oude lieden, nog hunne moedertaal spreken, schoon zy allengskens hunne zeden beginnen te veranderen, vooral in de Stad en daar digt by, want de jonge lieden spreken meest Engelsch, gaan in de Engelsche kerk, en zouden het zelfs kwalyk nemen, als men ze Hollanders en niet Engelschen noemde.
[New York minder bevolkt dan Pensylvanie.]
Schoon de Provincie van New York lang voor Pensylvanie door Europers is bewoond geweest, is egter die laatste Provincie veel meer bevolkt. Men kan dit niet toeschryven aan de natuur van den grond, want die is te New York zeer goed, maar zie hier wat men wil dat de reden hier van is. Onder de Regering van Koningin Anna, omtrent het jaar 1709. kwamen vele Duitschers herwaards en verwierven land om zig neertezetten. Na dat zy hier enigen tyd gewoond, huizen en kerken gebouwd, en koornlanden en weiden aangelegd hadden, wierden hunne vryheden verkort, en men ontzette ze, onder verschillende voorgevens, van een gedeelte hunner bezittingen. Dit maakte hen gaande. Zy keerden ten laatsten geweld met geweld, en sloegen de zulken die hen van hun eigendom beroven wilden. Dog de Regering nam dit zo euvel op, dat de yverigsten uit de Duitschers by den kop gevat, hard gehandeld en zwaar gestraft werden. Dit verbitterde de overigen zo zeer, dat de meesten hunne huizen en goederen verlieten, en naar Pensylvanie weken, waar zy zeer wel ontvangen wierden, en ene aanzienlyke uitgestrektheid lands verwierven, nevens vele voorregten, die altyd duren moesten. Hiermede niet voldaan, schreven zy aan hunne nabestaanden en vrienden in New York, en raadden hen van, zo zy oit naar Amerika dagten overtekomen, niet naar New York te gaan, waar de regering niet deugde. Deze raad had zulk enen invloed, dat de Duitschers, waarvan ’er in ’t vervolg een zeer groot getal naar Amerika gingen, altyd New York vermydden, en allen zig naar Pensylvanie begaven. Somtyds gebeurde het dat zy gedwongen waren met schepen naar New York geschikt over te komen, dog zy waren nauwlyks daar aangeland, of zy haastten zig naar Pensylvanie te gaan, in ’t aanzien van alle de Inwoonders van New York.
Dog ’er kan nog ene twede oorzaak gegeven worden van het gebrek aan volk in New York. Toen de Hollanders by den vrede met Engeland de vryheid kregen van alle hunne voorregten zonder de minste bepaling te blyven genieten, nam ieder van hun een zeer groot stuk lands in bezit, en verscheidenen van de hoofden der magtigste huisgezinnen maakten zig meester van ene uitgestrektheid lands, die groot genoeg zou geweest zyn voor een geheel kerspel. En daar de meesten van hun zeer ryk waren, bewoog hen de nyd dien zy jegens de Engelschen hadden, om hunne landen niet dan tot enen buitensporigen prys aan dezelven te willen verkopen, het welk hunne nakomelingen stiptelyk zyn nagevolgd. Dus hebben de Engelschen en andere Vreemdelingen weinig aanmoediging om zig hier nedertezetten. Integendeel hebben zy in de andere Provincien gelegenheid genoeg om landeryen beter koop te krygen, en met groter veiligheid voor hun zelven. Dus is het geen wonder dat zo vele delen van New York onbebouwd leggen en naar woestenyen gelyken. Dit voorbeeld toont aan hoe zeer een misslag in de regering de bevolking benadelen kan.
[Vertrek van New York naar Philadelpia.]
Den 3. November gingen wy omtrent den middag weder van New York op reis, en onzen togt vervolgende kwamen wy den 5. te Philadelphia aan.
[Appelen vroeger ryp in Pensylvanie dan in New York.]
In den omtrek dier Stad had het volk al ene maand geleden hunnen Cyder gemaakt, waartoe zy genoodzaakt waren omdat de appelen zo ryp waren dat zy afvielen. Maar op onze reis door New York zagen wy de menschen daar eerst aan bezig. Dit is een duidelyk bewys dat de appelen in Pensylvanie eerder ryp worden dan in New York; maar of dit van den grond, of van de groter hette in Pensylvanie, of van ene andere oorzaak komt, kan ik niet zeggen. Dog het zo vroeg maken van den Cyder heeft geen het minste voordeel in; integendeel, de ondervinding heeft geleerd dat het beter is hem later in ’t jaar te maken, wordende de grote hette gehouden de gisting te beletten.
[Polecat.]
Daar is een viervoetig dier zeer gemeen, niet alleen in Pensylvanie, maar ook in andere gewesten van Zuid en Noord Amerika, by de Engelschen Polecat [119] genoemd. In New York noemen zy het gemeenlyk Skunk. De Zweden heten het Fiskatte, om zynen vreeslyken stank. De Franschen in Kanada geven het den naam van het stinkend dier of het Duivelskind. [120] Enigen heten het ook Pekan. De Heer Catesby [121] heeft het beschreven, en naar het leven afgebeeld. Dit dier gelykt veel naar den Marter, is omtrent van dezelve grootte en gemeenlyk zwart. Op den rug heeft het ene streep die in de langte loopt, en twee anderen op ieder zyde, die met de eerste gelykwydig lopen. Somtyds, dog zeer zelden, ziet men ’er die geheel wit zyn. Op onze terugreis naar Philadelphia zagen wy ’er een dat door de honden doodgebeten was. En naderhand had ik vele gelegenheden van het te zien, en van zyne eigenschappen te horen spreken. Het houdt zyne jongen zo wel in holle bomen als in gaten onder den grond. Het klimt zeer vlug op de bomen, is een groot vyand van ’t gevogelte, breekt de eijeren en vreet de kiekens op, en als het in een hoenderhok kan komen vernielt het al wat ’er in is.
[Zyn stank.]
Dit dier heeft ene eigenschap waardoor het vooral bekend is. Wanneer het door menschen of honden vervolgd wordt, loopt het zo schielyk als het kan weg, of kloutert op enen boom, maar als het zo bezet is dat het niet ontsnappen kan, verdedigt het zig met zyn pis. Sommigen denken dat het dit doet met zynen staart te bepissen, en dan denzelven zo schielyk en met zo veel kragt te slingeren dat de pis naar alle kanten ’er uitvliegt; maar anderen zyn van mening dat het zyn pis zonder het behulp van den staart zo ver zenden kan. Voor my ik vind het eerste het waarschynlykst; want sommige geloofwaardige lieden hebben my verzekerd dat, schoon zy meer dan agttien voet van het dier afstonden, hunne aangezigten geheel en al nat geworden zyn. Zyn pis heeft zulk enen stank dat ’er niets by kan vergeleken worden, omtrent gelyk, dog veel sterker, als het Geranium Robertianum van Linnæus. Wanneer men omtrent hem komt als hy zyn’ stank laat ruiken kan men enigen tyd nauwlyks adem halen, en het is of men stikken zou. Heeft men het ongeluk de pis in het oog te krygen, zo loopt men gevaar dat te verliezen. Vele honden, die op de jagt den Polecat yverig vervolgen, lopen weg zodra zy nat gemaakt worden; evenwel als zy van ’t regte ras zyn, zullen zy ’t niet opgeven, voor dat ze hem gevangen en doodgebeten hebben; dog zy zyn genoodzaakt nu en dan hunne neuzen in den grond te steken om adem te scheppen.
Een kleed, dat door dit dier is nat gemaakt, behoudt den stank meer dan ene maand, ten zy men het vierentwintig uren onder varsche aarde leggen late, want dan gaat ’er de reuk grotendeels af. Als men de pis op zyne handen of het aangezigt gekregen heeft, wryft men die ook met losse aarde, en sommigen hebben hunne handen een uur lang in den grond gehouden. Wasschen helpt zo schielyk niet. Een zeker Man van aanzien, door den Polecat nat gemaakt, stonk zo schrikkelyk, dat, toen hy in huis kwam, de menschen ’er uitliepen, of hem den ingang weigerden. Honden, die op de jagt der Polecatten geweest zyn, stinken enige dagen daarna nog zo dat men ze in huis niet verdragen kan. Te Philadelphia zag ik eens op enen marktdag enen hoop volks met stenen naar enen hond goyen, die waarschynlyk het ongeluk gehad had van dit dier te na gekomen te zyn. De Reizigers worden dikwyls in de bosschen van dien reuk gekweld, zo dat men somtyds den neus moet toehouden. Als de wind van de plaats komt daar de Polecat geweest is, by nagt of in grote stilte, is de stank des te geweldiger.