Reis door Noord Amerika

Part 14

Chapter 143,855 wordsPublic domain

In den winter van 1749. kwam een Polecat, gelokt door den reuk van een dood lam, digt by een huis daar ik dien nagt sliep. De honden het dier terstond nazettende, gebruikte het zyne gewoonlyke wapenen om zig van hun te ontslaan. Het gelukte; de honden hadden genen lust hunne jagt te vervolgen. Hy maakte zulk een stank, dat, schoon ik op enigen afstand ’er van daan was, ik ’er byna van stikte, en het vee vond hem ook zo onaangenaam dat het begon te bulken. Allengskens verdween hy egter. Tegens het einde van dat jaar kwam een dezer dieren in onzen kelder, dog men vernam genen stank, want dien geeft hy niet van zig ten zy in nood. De Keukenmeid evenwel merkte enige dagen agter malkander dat ’er van het vleesch gegeten was, en, denkende dat het de kat gedaan had, stopte zy de toegangen toe. Maar den volgenden nagt wierd zy wakker van een ysselyk geweld in den kelder. Zy ging ’er naar toe, en, schoon het donker was, zag zy een dier met twee glinsterende ogen, die als vuur schenen te branden. Zy greep egter moed, en sloeg het dood. Dog toen het beest regt benauwd begon te worden, vervulde het den kelder met enen zo afschuwelyken reuk, dat niet alleen de Meid gedurende enige dagen ’er ziek van was, maar dat ook brood, vleesch en andere eetwaren, die in den kelder stonden, ’er zo van doordrongen werden, dat men het alles weg werpen moest.

Uit een voorval dat een myner kennissen te New York had, maak ik op, dat de Polecat of niet altyd zeer schuw is, of dat hy zeer sterk slapen moet. Deze Man, op enen zomeravond in de schemering uit het bosch komende, meende dat hy ene plant voor zig zag staan, en, die willende afplukken, wierd hy op eenmaal van den Polecat bepist, die op den grond zat en zynen staart om hoog hield. Dit had den Man doen denken dat het ene plant was. Hy had vele moeite zig van dien geur te ontdoen.

[Mak gemaakt.]

Schoon deze dieren zo onaangenaam een gezelschap kunnen zyn, plegen dog somtyds de Engelschen, Zweden, Franschen en Wilden ze te temmen. Zy volgen dan hunne Meesters gelyk als honden, en bedienen zig noit van hunne wapenen, ten zy men ze slaat of bang maakt. De Wilden eten hem. Maar wanneer zy hem de huid aftrekken, snyden zy ’er de blaas uit, om voortekomen dat het vleesch een kwaden [Zyn vleesch.] smaak kryge. Ik heb ook Engelschen en Franschen gesproken, die verzekerden ’er van gegeten te hebben, en dat het niet kwalyk smaakte. Zy vergeleken het by ’t vleesch van een speenvarkentje. De Europers [De Huid.] gebruiken de huid, die grof en langhairig is, niet, maar de Wilden bereiden ze, latende ’er het hair aan, en maken ’er tabaksbeurzen van, die zy voor het lyf dragen.

[Byzonderheden aangaande de Karolina.]

Den 6. November tegen den avond ging ik naar het landgoed van den Heer Bartram. Ik vond iemant by hem die in Karolina woonde, en my verscheiden’ byzonderheden aangaande dat Land mededeelde, waarvan ik ’er enigen ga gewagen.

[Voortbrengsels. Teer.]

Teer, Pek en Ryst zyn de voornaamste voortbrengsels van dat gewest. De grond is zeer zandig, en dus wassen ’er vele pyn- en dennebomen, waaruit men de Teer maakt. Men neemt daar gemeenlyk zulke bomen toe die van zelven dood gegaan zyn. Men weet daar niet, gelyk in Oost Bothnie, de bomen tot het Teerbranden op zulk ene wys te gebruiken, dat men ’er den bast op ene, en somtyds aan verscheiden’ zyden, eerst afschilt. Op sommige plaatsen in Karolina neemt men hier toe ook de takken. Het branden en koken geschiedt, gelyk my de man het beschreef, op de zelve wys als in Finland. De Pek wordt uit de Teer op deze wys gemaakt. Men graaft enen kuil, en besmeert dien van binnen met klei, hier giet men de Teer in, en maakt ’er een vuur rondom, dat men brandende houdt tot dat de Teer de stevigheid van de Pek verkregen heeft. Daar wierden in Noord Amerika twee soorten van Teer gemaakt. Het eerste is de gemene Teer, dezelve daar ik zo even van gesproken heb, en die uit de stammen, de takken en de wortelen van zulke dennebomen gemaakt wordt, die al van zelven sterk uitgedroogd waren, het welk in dit Land de gebruiklykste wys is. Het andere soort maakt men dus. Men schilt de bomen aan enen kant en laat ze zo een jaar staan, gedurende het welk de harst uit de scheuren voor den dag komt. Dan velt men den boom, en brandt hem tot Teer. En dit is de Groene Teer; niet dat zy groen van kleur is, want de beide soorten hebben byna dezelve kleur, maar omdat zy uit groene bomen gemaakt wordt, daar men de gemene Teer uit dorre bomen brandt. Het branden geschiedt even als in Finland. Men gebruikt alleen de zogenaamde Zwarte Dennen, want de Witten zyn hier niet goed toe. Daarentegen zyn zy voor masten en planten uitmuntend. De groene Teer is duurder dan de gemene. Men klaagt reeds overal dat de Dennebosschen op deze wys geheel vernield worden.

[Ryst.]

De Ryst wordt in Karolina sterk geplant. Zy slaagt het best op moerassige gronden, die onder water gezet kunnen worden, en rypt daar het vroegst. Waar men zulk enen grond niet vinden kan moet men enen drogen nemen, dog daar is de Ryst zo goed niet. De grond moet noit gemist worden. In Karolina wordt de Ryst in het midden van April gezaid en is ryp in September. Men plant ze op ryen gelyk de erwten, en moet omtrent vyftien duim tusschen de ryen open laten. Zo dra de plant opkomt zet men ’t land onder water. Dit bevordert niet alleen het groeyen van de Ryst, maar doodt ook al het onkruid, zo dat ’er niet behoeft gewied te worden. Het stroo van de Ryst wordt voor een uitmuntend voedsel voor het vee gehouden, dat het ook gaarn eet. De Ryst vereischt ene hete lugtstreek, en daarom wil zy in Virginie niet opnemen, en nog minder in Pensylvanie; de winters zyn in die gewesten te koud en de zomers te kort. Men weet in Karolina niet hoe van de Ryst Arrak te maken. Zuid Karolina brengt de meeste Ryst, en Noord Karolina de meeste Teer voort.

[Oesterschalen in den grond.]

De zelve Man verhaalde ook, dat hy onder in enen put vele oesterschelpen gevonden had, wel zeventig Eng. mylen van de zee en vier van ene rivier. Zy lagen op ene diepte van veertien voeten. Het water van den put was brakagtig, dog dat van de rivier zoet. By het zetten van enen zaagmolen, anderhalve myl van ene rivier, had hy eerst zand, en toen klei gevonden, die vol zat van oesterschalen. Daar onder vond hy vele sneppen van zeevogels, zo als hy ze noemde, die al geheel versteend waren. Dit zyn vermoedelyk Glossopetræ geweest.

[Vossen.]

Men vindt in de Engelsche Volkplantingen twee soorten van Vossen, het ene grauw en het andere ros. Maar in ’t vervolg zal ik nog van anderen spreken, die men somtyds in Kanada verneemt. [Grauwe Vossen.] De grauwe Vossen heeft men hier altyd. Zy zyn in Pensylvanie en de zuidelyke Provincien gemeen, maar vry zeldzaam in de noordelyken, waarom de Franschen in Kanada ze Virginische Vossen noemen. Zy doen geen kwaad aan de lammeren, maar roven het gevogelte weg als zy maar kunnen. Egter schynt men ze niet voor een zeer schadelyk dier te houden, want ’er staat gene beloning op het doden derzelven. De Hoedemakers zoeken hunne vellen sterk, en gebruiken het hair. Ook voert men ’er klederen mede. Het vet gebruikt men tegens allerlei pyn in de leden. Men wil dat zy zo hard niet lopen kunnen als de rossen. Zy worden somtyds tam gemaakt, dog men houdt ze altyd vast gebonden. De Heer Catesby heeft dit soort van Vossen beschreven en met zyne kleuren natuurlyk afgebeeld. [122] Een van deze vellen kost in Pensylvanie twee schellingen en zes pence.

[Rosse Vossen.]

De Rosse Vossen zyn hier schaarsch, en volkomen de zelve met de Europischen. De Heer Bartram en verscheiden anderen verzekerden my, dat, volgens het algemene getuigenis der Wilden, dit soort voor [Oorsprong.] de aankomst der Europeanen hier niet bekend geweest is. Maar aangaande de wys waarop zy hier gekomen zyn heb ik twederlei berigt. De Heer Bartram heeft van de Inlanders gehoord, dat deze Vossen niet lang na de aankomst der Europers, kort na enen zeer kouden winter, waarin de gehele zee noordwaards aan toegevroren was, het eerst verschenen. Waaruit men wilde opmaken dat zy misschien uit Groenland of de noordelyke delen van Asia of Europa over het ys gekomen waren. Dog de Heer Evans en anderen verzekerden my, dat het volgende berigt daarvan ook gegeven wierd. Een ryk Heer uit Nieuw Engeland, die een groot liefhebber van ’t jagen was, bragt een groot getal Vossen uit Europa over, en liet ze op zyn landgoed lopen, op dat hy het vermaak van de Vossejagt mogt konnen nemen. [123] Dit zou reeds in het begin gebeurd zyn dat Nieuw Engeland door de Europeanen bevolkt werd. Van die Vossen zouden alle de Rosse Vossen, die ’er zyn, afkomstig wezen. Zy worden nu onder de schadelyke dieren gerekend, want zy vergenoegen zig niet, gelyk de Grauwen, met gevogelte, maar vreten zelfs de lammeren op. Om deze reden is ’er in Pensylvanie ene beloning van twee schellingen beloofd aan hem die enen ouden, en van ene schelling aan hem die enen jongen vos doodt. In de andere Provincies is het zelve vastgesteld. Hun vel wordt zeer gezogt en is even zo duur als dat van de Grauwe Vossen.

[Wolven.]

Daar zyn hier twee verscheidenheden van Wolven, die egter van het zelve soort schynen te zyn, sommigen zyn geelagtig of helder grauw, en de anderen zwart of donkerbruin. De oude Zweden verhaalden dat in hunne kindschheid, en nog meer by de aankomst hunner vaderen, ’er ontzaglyk vele wolven in het land waren, en dat men alle nagten hun gehuil hoorde. Ook verscheurden zy dikwyls schapen, varkens en ander [Kinderziekte onder de Wilden.] klein vee. Omtrent den tyd dat de Zweden en de Engelschen zig hier neder gezet hadden, wierden ook de Wilden van de kinderziekte aangetast, ene kwaal die zy van de Europeanen overerfden, en waarvan zy van te voren niets wisten. Vele honderden stierven ’er van, en de meeste Wilden van het toen zogenaamde Nieuw Zweden kwamen ’er door om. Op dien tyd kwamen de Wolven, gelokt door den stank van zo vele lyken, in zulke menigte te voorschyn, dat zy alle die lyken verslonden, en zelfs de arme zieke menschen in hunne hutten aantastten, zo dat het klein getal dat nog gezond was genoeg te doen had met ze wegtejagen. Maar sedert dien tyd zyn ze verdwenen, zo dat men ze zelden ziet, en het gebeurt weinig dat zy enig kwaad doen. Dit schryft men daaraan toe, dat het land nu beter bebouwd wordt, en dat men ’er velen van doodt. Maar hoger op in ’t Land, waar het zo wel niet bebouwd wordt, zyn ze nog overvloedig. Op de kusten van Pensylvanie en New Jersey blyven de schapen ’s nagts over in ’t veld, zonder dat men voor de Wolven vreest. Egter is ’er ene beloning beloofd van twintig schellingen in Pensylvanie en van dertig in New Jersey, aan hem die enen doden Wolf levert, en hy behoudt daarenboven het vel. Daar zyn voorbeelden dat deze Wolven zo mak als honden gemaakt zyn.

[Wilde Stieren.]

De wilde Stieren houden zig voornaamlyk in de bosschen van Karolina op. De Inwoonders jagen ’er veeltyds op, en zouten het vleesch in, gelyk gemeen ossevleesch, en geven het hunnen Dienstboden te eten. Dog de huid is van weinig nut, hebbende te wyde poren om ze tot schoenen te gebruiken. De arme menschen egter slapen op deze huiden in plaats van bedden.

[Planten.]

Het Viscum filamentosum, [124] wordt in Karolina overvloedig gevonden. De Inwoonders gebruiken het als stroo in de bedden, en tot opschik voor de paarden. Het vee houdt ’er veel van. Ook is het goed om in te pakken.

Het Spartium scoparium [125] wies in den tuin van den Heer Bartram, uit zaad dat hy uit Engeland gekregen had. Hy zeide, dat hy ’er verscheiden’ planten van had gehad, dog dat ze van de koude gestorven waren. Evenwel wast het in Zweden in het wild.

[Truffels.]

Ook had die Heer enige Truffels, [126] die hy uit enen zandigen grond in New Jersey gekregen had, waar zy overvloedig zyn. Hy vertoonde ze aan zynen Vriend uit Karolina, en vroeg hem of zy de Tukkahoo der Wilden waren. Dog deze zeide van neen, en voegde ’er by, dat, schoon de Truffels in Karolina zeer gemeen waren, hy ze egter noit anders dan in melk tegens den buikloop had zien gebruiken. Maar van de [Tukkahoo.] Tukkahoo gaf hy ons de volgende beschryving. Zy wast in vele poelen en moerassen in menigte. De varkens wroeten hare wortels op. De Wilden in Karolina zoeken ze ook op, terwyl zy door de bosschen zwerven, drogen ze in de zon, malen ze, en bakken ’er brood van. Zo lang de wortel nog varsch is heeft hy enen brandigen en wrangen smaak, dog die gaat ’er by het drogen af. Naar deze eigenschappen te oordelen, zou het de Arum Virginianum [127] zyn.

Na den maaltyd keerde ik weder naar de Stad.

[Byen.]

Vele Engelschen en Zweden houden hier Byen, die hun jaarlyks een tamelyk voordeel aanbrengen. Zy slagen hier zeer wel. Het wasch wordt het meest aan de Kooplieden verkoft, dog de honig gebruiken de Eigenaars zelven. In ’t algemeen wierd ’er vastgesteld dat de gemene Byen voor de aankomst der Europeanen niet in Noord Amerika bekend waren, maar dat de Engelschen ze het eerst hebben medegebragt. Ook verklaren de Wilden dat hunne ouders noit enige byen, ’t zy in de bosschen, ’t zy ergens anders gezien hebben, voor dat de Europeanen hier enigen tyd gevestigd waren geweest. Ook hebben zy ’er genen anderen naam voor dan die van de Engelsche Vlieg. Tegenswoordig zyn zy zeer menigvuldig in het Land. Egter heeft men opgemerkt dat de Byen, wanneer zy zwermen, zig altyd naar het zuiden en noit naar het noorden verspreiden. Het schynt dat zy de landen de laatste streek uit gelegen zo goed niet vinden voor haar gestel. Zy kunnen ’t in Kanada niet houden, en sterven daar allen des winters. Het scheen my toe dat zy in Amerika wat kleinder waren dan in Zweden. Tot nog toe heeft men ze niet in de bosschen aan genen kant der Blauwe Bergen gevonden, het welk my in de gedagte bevestigt dat zy hier onlangs eerst zyn overgebragt. Door iemant wierd aan den Heer Bartram verhaald, dat hy op zyne reizen in de bosschen een ander soort van Byen gevonden had, die, in plaats van den honig en het wasch in huisjes verdeeld te houden, die beiden onder een vermengd in enen zak by zig droegen. Dog dit berigt vereischt opheldering en bekragtiging.

[Vermindering van gevogelte.]

Alle de oude lieden in Amerika geboren, die ik over deze zaak onderhield, stemden hierin overeen, dat ’er tegenswoordig op ver na zo veel eetbaar gevogelte niet was als voorheen toen zy kinderen waren, en dat deze vermindering zigtbaar was. Zy zeiden zelfs, dat zy reeds ’er hunne ouders over hadden horen klagen, in wier jonge jaren de bayen, rivieren, en poelen van allerhande watervogels, als ganzen, enden, en diergelyken, vol waren. Dog tegenswoordig ziet men ’er somtyds niet enen enkelden vogel op. Voor zestig of zeventig jaar kon een enig man wel tagtig enden op enen morgen schieten, en thans staat men dikwyls te vergeefs op te passen dat ’er een enige kome. Een negentigjarige Zweed verzekerde my, dat hy in zyne jeugd eens drieentwintig enden in enen schoot gedood had. Zulk een geluk zal thans niemant hebben; en men moet dikwyls enen gantschen dag lopen om ’er twee of drie te zien. De Kraanvogels [128] kwamen in dien tyd by honderden in ’t voorjaar over, dog tegenwoordig maar weinig. De wilde Kalkoenen en de Patryzen waren voorheen met grote troepen in de bosschen. Maar tegenwoordig is men moede van ’t lopen eer men enen enkelden vogel kan doen opstaan.

Het is niet moeilyk de reden van deze vermindering uittevinden. Voor de aankomst der Europeanen was het land onbebouwd en vol zware bosschen. De weinige Wilden, die hier woonden, stoorden de vogels zelden. Zy dreven genen handel onder zig. Zy kenden nog yzer, nog buskruid. Het honderdste gedeelte van de vogels, die toen daar zo menigvuldig waren, was overvloedig om het klein getal Inwoonders te voeden. En wanneer men daarby bedenkt hoe veel tyds zy besteden moesten om hunne kleine Maislanden te bebouwen, om te visschen, om op bevers, herten, beren, en ander wild te jagen, zal men ligt begrypen dat zy weinig om het storen van ’t gevogelte denken konden. Maar sedert de aankomst van zo vele Europeanen zyn de zaken geheel veranderd. Het land is wel bevolkt, het gevogelte is gedeeltelyk gedood, gedeeltelyk verjaagd: in de lente worden de eyeren, en de oude en de jonge vogels zonder onderscheid, weggenomen, dewyl ’er gene schikkingen gemaakt zyn die zulks beletten. En zo ’er al gemaakt waren, zou de geest van vryheid, die hier sterk heerscht, dezelven weinig doen in agt nemen. Maar schoon het eetbaar gevogelte zeer verminderd is, zyn ’er anderen die eer vermeerderd zyn. Dit kan men eigenlyk het meest zeggen van een soort van Krayen, by de Engelschen Zwarte Vogels [129] en by de Zweden Maisdieven genoemd. Ook hebben zig de Eekhoorns zeer vermenigvuldigd, welken zo wel als de evengenoemde vogel op Mais azen, of ten minden ’er zeer op gesteld zyn. Naar mate nu de bevolking toeneemt, vermeerdert de bouw van de Mais; gevolglyk wordt het voedsel van dit gedierte vermenigvuldigd. Voeg hierby, dat men het zelve zelden eet, en dus niet hindert zig te vermenigvuldigen. Ook zyn ’er nog andere vogels welken men niet eet, die tegenwoordig byna al zo talryk zyn als zy voor de aankomst der Europeanen waren. De klagten over ’t verminderen van het eetbare gevogelte waren door gantsch Noord Amerika gemeen.

[En van den visch.]

Oude lieden hadden met den visch even het zelve als met het gevogelte zien gebeuren. In hunne jeugd waren de bayen, rivieren, en poelen zo vol van visch dat men in enen trek ’s morgens vroeg gedaan zo veel ving als een paard slepen kon. Maar tegenwoordig zyn de zaken geheel veranderd; men vischt dikwyls met al zyn want enen gantschen nagt voor genoegzaam niets. De oorzaken van deze vermindering in den visch zyn gedeeltelyk dezelven als die van de vermindering van het gevogelte, visschende men nu geduriger en op meerderhande wyzen dan te voren. De talryke molens op de beekjes en rivieren brengen hier toe ook iets by, want men heeft opgemerkt dat de visch de rivieren opzwemt om zyne kuit in stille wateren te schieten, en dat als hy werken ontmoet die zynen voortgang stuiten, hy terug keert en nimmer wederkomt. Dit verzekerde my een ryk man van Boston. In een zeker water van zyn’ vader plegt men des winters en byna ook den gehelen zomer door een zeker soort van Haringen te vangen, dog sedert dat men enen molen op dat water gezet had, waren zy niet meer te bespeuren. Dus klaagde men hier overal over ’t verlopen van den visch. Het zelve zeiden sommige oude lieden ook van de Oesters te New York, want schoon die daar steeds in ene aanmerkelyke menigte gevangen worden, en zy zo vet en lekker zyn als men ze wenschen kan, zeggen alle de oestervangers dat zy grotelyks alle jaren verminderen. De waarschynlykste reden hiervan is het onophoudelyke vangen van dezelven.

[Waarnemingen aangaande den visch.]

De Heer Franklin verhaalde my dat in den oord van Nieuw Engeland, daar zyn vader gewoond had, twee rivieren in zee vielen, waarvan in de ene zeer veel haring gevangen wierd en in de andere niet een. Egter waren de plaatsen daar deze rivieren zig in zee stortten niet ver van malkander. Men had opgemerkt, dat, wanneer de haring in de lente kwam om zyne kuit te schieten, hy altyd de ene en noit de andere rivier opzwom. Dit deed den ouden Heer Franklin lust krygen te beproeven of hy niet zou kunnen maken dat zy ook in de andere kwamen. Met dit inzigt zettede hy zyn’ netten uit toen zy kwamen om op te zwemmen en ving ’er enigen. Hy nam ’er de kuit uit, en bragt die zorgvuldig in de andere rivier over. De kuit kwam uit, en sedert heeft men veel meer haringen alle jaren in dat water gevangen dan in het ander, en dit blyft nog zo. Dit geeft aanleiding om te denken, dat de visch altyd gaarne daar zyn kuit schiet waar hy zelf is uitgebroeid, en waar hy het eerst in ’t water komt, als ware hy aan die plaatsen gewend.

De volgende waarneming is ook opmerkenswaard. Niemant heeft voorheen gehoord dat men by Kaap Hinlopen kabeljauwen ving; men ving ze altyd aan den mond der Dellaware, dog tegenwoordig zyn zy op de eerstgenoemde plaats menigvuldig. En hieruit zou men kunnen opmaken, dat de visch ook dikwyls uit eigen’ beweging van verblyf verandert.

[Verhaal aangaande Groenland.]

Een Schipper, die in Groenland geweest was, verzekerde volgens zyne eigene ondervinding, dat ten noorden de 70. gr. de hette veel sterker was dan meer zuidwaards. Hieruit besloot hy dat de hette onder den Pool nog veel geweldiger zyn moest, dewyl de zon daar nog langer zonder ondergaan blyft schynen. Het zelve met de zelve gevolgtrekking had de Heer Franklin ook van de Schippers te Boston gehoord, die in de noordelykste gewesten van ons halfrond geweest waren. Maar nog wonderbaarder is het geen hy verstond van Kapitein Henry Atkins, die nog te Boston woont. Enigen tyd op de kusten van Nieuw Engeland ene slegte vangst gehad hebbende, zeilde hy meer noordwaards tot op de hoogte van Groenland. Op ’t laatst kwam hy zo ver, dat hy menschen vond die noit Europeanen gezien hadden, en het geen nog vreemder luidt, die geen kennis in ’t geheel van het gebruik van ’t vuur hadden, en, zo zy al die kennis gehad hadden, zouden zy ’er niets aan hebben gehad, dewyl ’er geen hout in dat land was. Dit volk at den visch en het vleesch geheel rauw. De Kapitein ruilde van deze menschen enige zeer zeldzame vellen voor sommige kleinigheden. Hy heeft op het sterkste betuigd dat dit volk het vuur niet kende. Reeds is het bekend dat ver op naar ’t Noorden nog bomen, nog struiken, nog enig hout te vinden zyn. Maar het is niet waarschynlyk, dat de Inwoonders van zulk een land den traan der visschen en het vet der dieren niet in hunne lampen branden en gebruiken zouden om hun eten te koken en hunne hutten in den winter te verwarmen, byzonderlyk ook om gedurende hunnen winterschen nagt van enige maanden ligt te hebben. Zoude buiten dit zulk ene duisternis wel te verdragen zyn?

[Het Moose-deer.]