Part 15
In verscheiden’ geschriften leeft men van een zeer groot dier, dat men in Nieuw Engeland en andere plaatsen van Noord Amerika vinden zou. In Ierland graaft men somtyds lange en getakte hoorns uit den grond; en geen mensch in de wereld kent een dier dat zulke hoorns heeft. Dit heeft velen lieden aanleiding gegeven om te denken, dat zy van het in Noord Amerika zo berugte Moose-deer waren, welk dier voorheen in dat Eiland zou moeten geweest zyn. Zelfs heeft men ’er uit opgemaakt dat Ierland voorheen aan Amerika vast geweest is, of ten minsten dat ene keten van Eilanden, die nu weg zyn, ene verbindtenis tusschen die twee gewesten gemaakt heeft. Dit deed my onderzoek doen, of een dier met zo grote hoorns, als men het Moose-deer geeft, oit in deze gewesten gezien was. De Heer Bartram had veel onderzoeks hier naar gedaan, dog niemant kon hem enig geloofwaardig berigt hier omtrent geven, en dus was hy van gedagte dat ’er zulk een dier niet was. De Heer Franklin verhaalde, dat hy, nog een jonge zynde, twee beesten gezien had die men Moose-deer noemde; dog het stond hem zeer wel voor dat zy van zulk ene grootte niet waren als zy moesten zyn geweest, indien de hoorns in Ierland gevonden voor hun gepast zouden geweest zyn: de twee beesten, die hy zag, wierden naar Boston gebragt, om ze van daar aan Koningin Anna te zenden. De hoogte was als die van een groot paard, dog de kop en de hoorns waren hoger. De Heer Dudley heeft ene beschryving gegeven van het Moose-deer dat men in Noord Amerika vindt. [130] In Kanada zynde vernam ik dikwyls by de Franschen, of men daar oit zo groot een dier gezien had als sommigen zeggen dat ’er in Noord Amerika zyn, en met zo verschrikkelyke hoorns als ’er in Ierland gegraven worden. Dog zy hadden ’er noit van gehoord, veel min ’er gezien. Sommigen deden ’er by, dat indien ’er zulk een dier was zy het noodzaakelyk zouden hebben moeten [Is waarschynlyk de Eland.] zien, dewyl zy de bosschen zoo veel doorkruisten. Men vindt hier Elanden, die van het zelve soort zyn als de Zweedschen, of ene verscheidenheid van dezelven. Van dezen worden ’er dikwyls enigen gevangen die zwaarder zyn dan naar gewoonte; en hier van daan zal misschien het spreukje van het grote dier met de grote hoorns gekomen zyn. Deze Eland wordt door de Franschen in Kanada Original geheten, welken naam zy van de Wilden ontleend hebben. Misschien meent Dudley in zyne beschryving van het Moose-deer niets anders dan deze zware Elanden. [131]
[Een zeldzame steen.]
De Heer Franklin vereerde my een stuk van enen steen dien men, om dat hy het vuur zo wel weerstaat, in Nieuw Engeland gebruikt om ’er smeltovens van te maken. Hy bestaat uit een mengsel van Slangesteen of Lapis ollaris en Asbest. Het grootste deel is een blauwe Slangesteen, vet en glad in ’t aanraken, en gemakkelyk om te snyden en te bewerken. Hier en daar zyn enige glinsterende starretjes, gelyk in dien Asbest wiens vezels uit het middelste als uit een middelpunt voorkomen. [132] Dezen steen houwt men niet uit de rotsen, maar vindt hem hier en daar op ’t land.
[Zeepsteen.]
Een andere steen wordt van sommige Zweden Zeepsteen [133] genoemd, om dat men hem gebruikt om vlakken uit de klederen te doen. Men zou hem in ’t Latyn Saxum talcosum particulis spataceis granatisque immixtis noemen. Ene nadere beschryving zal ik in een ander werk geven. Nu voeg ik ’er maar by, dat de grondkleur bleek groen is met sommige donker blauwe vlakken, en somtyds met enigen die in ’t groene vallen. Hy is zeer glad op ’t gevoel en als gegolfd, en laat zig gemakkelyk zagen en snyden, maar wordt dan niet zeer gelyk. Ik heb ’er van gezien die een vadem en meer lang waren, breed naar evenredigheid, en gemeenlyk van zes duim tot een voet dik. Ik kan niets van zyne oorspronglyke grootte zeggen; ik ben noit op de plaats geweest daar zy gegraven worden, en heb ze maar te Philadelphia gezien, waar zy gebragt worden alreeds gesneden zynde. De talkdeeltjes zyn in dezen steen omtrent dertigmaal zo veel als de anderen. Men vindt hem op vele plaatsen in het Land, by voorbeeld in de nabuurschap van Chester in Pensylvanie. De Engelschen noemen hem ook Zeepsteen. [134]
Deze steen wordt voornamelyk op deze wys gebruikt. Eerst dient hy om vlakken uit de klederen te doen. Dog hier toe is de gehele steen niet even goed, want tusschen zyne heldere deeltjes zitten enige donkeren, die geheel uit Slangesteen bestaan, en gemakkelyk met een mes kunnen gesneden worden. Wat van dezen lossen steen tot stof geschraapt en op een smeervlak gestroid, ’t zy in zyde of andere stof, trekt het vet tot zig, en afgewreven zynde neemt het de vlak met zig weg. En gelyk deze steen ook zeer tegen ’t vuur bestand is, maken de Landlieden ’er hunne haarden van, vooral de plaats daar het vuur legt, en de hette ’t grootst is, want hy houdt het sterkst vuur uit. Als men genoeg van dezen steen vinden kan maakt men ’er de stoepen van in plaats van gebakken’ stenen, die men ’er anders toe neemt.
De muren om de hoven, tuinen, en begraafplaatsen, die gemeenlyk van gebakken stenen gemetseld worden, overdekt men met deze steenen, om dat zy zo wel tegens zon, lugt, regen en wind bestand zyn, en niet veranderen maar de ticchels bewaren. Om deze reden maakt men gemeenlyk de deurposten, waarin de hengsels vatten, en de posten van de kelder vensters van dezen steen; in verscheidene openbare gebouwen is ’er de gehele benedenmuur van gemaakt, en in andere huizen worden ’er de hoeken mede opgetrokken.
[Zout.]
Het zout dat in de Engelsche Noord Amerikaansche Volkplantingen gebruikt wordt, haalt men uit de West Indien. De Wilden hebben op sommige plaatsen Zoutbronnen, uit welker water zy zout koken. In ’t vervolg zal ik gelegenheid hebben om enigen derzelven te beschryven. De Heer Franklin was van gedagte, dat men in Pensylvanie gemakkelyker uit het zeewater een goed zout maken zou kunnen dan in Nieuw Engeland, waar het somtyds geschiedt, schoon deszelfs legging meer noordelyk is.
[Looderts.]
Men heeft in Pensylvanie een Looderts ontdekt, dog het was in te geringe menigte dan dat iemant ’er gebruik van zou hebben willen [Zeilstenen.] maken. Men heeft ’er ook Zeilstenen van ene tamelyke deugd gevonden, en ik bezit ’er zelf verscheiden’ stukken van.
[Yzer.]
Yzer wordt in Pensylvanie en de andere Engelsche Provincies in zulke menigte gevonden, dat men ’er geheel Europa mede zou kunnen voorzien, en misschien wel de gehele wereld. Het erts is hier veel ligter te bewerken dan in Zweden; want op vele plaatsen kan men met een byl, een koevoet, en een houten beitel even zo ligt het erts los maken, als men by ons een kuil in ene harde aarde graaft. Zy weten op vele plaatsen niets van te boren, te doen springen, te branden. Daarby is het erts zeer smeltbaar. Van dit yzer wordt zulk een voorraad gewonnen, dat niet alleen de talryke bewoonders dezer Volkplantingen daar genoeg van hebben, maar dat ’er ook zeer veel van jaarlyks naar de Amerikaansche Eilanden gezonden wordt. Zelfs heeft men sedert enigen tyd begonnen daar mede op Europa te handelen. Dit yzer wordt beter dan enig ander voor de schepen gehouden, wordende veel minder dan het Zweedsche door het zoute water weggevreten. Enigen zyn van mening dat zy, ongeagt de vragt, hun yzer in Engeland beter koop leveren kunnen dan enig ander volk, vooral wanneer het land nog meer bebouwd, en daar door de daglonen minder zwaar wezen zullen.
[Bergvlas.]
De Amiantus fibris separabilibus molliusculis van den Bisschop Browallius wordt in Pensylvanie tamelyk veel gevonden. [135] Sommige stukken zyn zeer zagt, anderen wederom vry tai. De Heer Franklin had, toen hy meer dan twintig jaren geleden ene reis naar Engeland deed, ene beurs van Amiant gehad, en die aan Sir Hans Sloane vereerd. Ook heb ik papier gezien dat van dezen steen gemaakt was. Ik bewaar ’er enige stukken van in myn Kabinet. De Heer Franklin had van anderen gehoord, dat als men een stuk van dezen steen des winters in de lugt, aan de koude en ’t nat bloot gesteld, laat leggen, hy daardoor gemakkelyk te spinnen wordt; dog hy wist niet hoe ver men hier staat op maken kon. By die gelegenheid verhaalde hy een kortswylig voorval dat hy ’er mede gehad had. Hy had ’er enige stukken van op den papiermolen gegeven om ’er een vel papier van te maken. Toen hem dit gebragt werd, vouwde hy ’t in malkander, wierp het in ’t vuur, zeggende den man die ’t bragt dat hy een wonderwerk zien zoude. Deze, onkundig van de eigenschap dezer stof, was over deze vertoning zeer verwonderd. De Heer Franklin lag hem de zaak, dog niet volkomen, uit. Terwyl hy eens uit de kamer gegaan was, kwamen ’er enigen van zyne kennissen binnen, die terstond het papier kenden. De goede ambagtsman dagt hun iets zeer wonderlyks te verhalen. Hy vertelde hun dan dat hy een vel papier zo kondig toebereid had dat het in ’t vuur niet brandde. Zy hielden zig als of zy het voor onmogelyk hielden. Dog hy beweerde de zaak des te yveriger. Eindelyk kwam het tot ene weddenschap. Dog terwyl hy het vuur wat aanstookte besmeerden de anderen het papier behendig met vet. De man smeet het gerust in ’t vuur, en op het ogenblik was het in volle vlam. Hy stond zonder een woord te kunnen zeggen, terwyl de anderen hun lacchen niet inhouden konden. Zy ontdekten hem daarop het gantsche geheim.
[Mieren.]
In verscheiden huizen der Stad liepen veel kleine Mieren, die haar verblyf of onder den grond of in de holtens der muren hielden. Hare gehele langte bedroeg ene meetkundige lyn. Zy waren zwart of donker rood. Zy hielden veel, even gelyk de Mieren in andere landen, van zoetigheden. De Heer Franklin toonde zig zeer geneigd te geloven, dat deze diertjes op de ene of de andere wys malkander hunne gedagten konden doen weten. Hy beriep zig daaromtrent op enige ondervindingen. Als ene Mier wat suiker of iets anders vindt, loopt zy ten eersten naar haar hol heen. Nauwlyks heeft zy daar ene wyl vertoefd, of een gantsch heir komt ’er uit te voorschyn, kruipt naar de gevondene suiker toe, en vangt terstond aan dezelve by stukken weg te slepen. Ene Mier behoeft ook maar ene dode vlieg hier of daar aan te treffen, die zy alleen niet wegslepen kan, of zy ylt naar huis, en na enige ogenblikken ziet men ’er meer voor den dag komen, en ’t gevonden aas met gemene kragten wegvoeren. Enigen tyd geleden had de Heer Franklin in ene kast een klein aarden potje met syroop staan gehad, in de welke vele Mieren ingeslopen waren, die de zoetigheid gretiglyk op aten. Dog hy merkte het, schudde ze daar uit, en bond den pot met enen dunnen draad aan enen spyker aan den balk vast. Maar by geval was ’er ene enkelde Mier ingebleven. Deze vrat zig zat, dog konde niet wegkomen. Zy liep lang, dog te vergeefs, herom. Eindelyk vond zy den weg langs den draad naar den balk. Daarvan daan liep zy den wand langs, naar den grond. Nauwlyks een half uur daarna, kwam een grote zwerm te voorschyn, trok naar de zoldering en lynregt op den draad aan. Langs den zelven kropen zy weder in den pot en gingen aan ’t eten. Hier mede hielden zy zo lang aan als ’er wat in was. Ondertusschen liep de ene hoop den draad langs af, en de andere op.
[Voortekens omtrent het weder.]
Een Man van aanzien, die zig lang in dit Land had opgehouden, verzekerde, dat hy sedert byna twintig jaren door de ondervinding opgemerkt had, het geen ook anderen zo vaststelden, dat het aanstaande weder in den gehelen winter hier gemeenlyk zo is als op den 1. November ouden styl. Is het dien gehelen dag helder, zo zal ’er dien winter niet veel sneuw en regen vallen. Maar is het den halven dag klaar en de andere helft betrokken, zo zal het begin van den winter schoon, dog het einde en de lente ruw en onaangenaam zyn. Van gelyken aard waren ook de overige voorspellingen. Op andere plaatsen heb ik ook van diergelyke voortekens van ’t weder gehoord. [136] Dog gelyk een goed oordeel het vertrouwen op de zelven vermindert, zo hebben ook de gedane aantekeningen aangaande het weder getoond hoe dikwyls deze voortekens gefeild hebben.
[Bronnen.]
Pensylvanie is ryk aan bronnen. Men zal gemeenlyk ten minsten aan enen kant van elken berg ene bron ontmoeten, waaruit een helder water voortkomt. Dit water wordt dikwyls naar een klein stenen gebouw geleid, waar men het stuit, en den grond doet overstromen. Hier bewaart men des zomers niet alleen de melk, maar verkoelt ’er ook den wyn en andere dranken in. Vele landhuizen waren ook zo aangelegd dat ’er een klein stroompje onder de keuken of de voorraadkamer door liep, om het water by de hand te hebben.
[Vyvers.]
Niet alleen lieden van groot aanzien, maar alle zulken die enig vermogen bezitten, hebben gemeenlyk by hunne landhuizen vischvyvers, waarin zy altyd zorg dragen dat de visch varsch water kryge. Om deze reden waren de vyvers meest digt by ene bron.
[Middel om het gras te doen wassen.]
Ik merkte op verscheiden’ plaatsen van dit gewest op hoe men middel wist om veel gras op de weilanden te hebben. De weiden leggen meest tusschen de heuvels en de dalen, waar vele beekjes door stromen. Als de grond te nat is leidt men het meeste water in gruppen af. Dog om voor te komen dat de hete zon het gras verdorre, zoekt men alle de naburige bronnen op, en leidt het water in alle de beekjes, die natuurlyk naar de laagtens lopen, langs het hoogste van de weiden, uit welken men des noods langs sloten het water in de vlakte brengt, zo dat alle de weilanden bewaterd worden. Komt ’er ene wat al te diepe plaats tusschen in, zo leidt men het water langs ene houten buis daar over heen. En om het water des te hoger te hebben, heeft men by de bronnen zelven dyken gemaakt, waar tusschen het zig verzamelen moet, tot dat het die hoogte verkregen hebbe dat het door juist dien weg lopen moet dien men het voorgeschreven heeft. Somtyds heeft men zelfs wel ene Eng. myl ver het water over heuvelen en de tusschen gelegene dalen, door middel van houten’ buizen, heen, naar zulke plaatsen gebragt, daar men het hebben wilde. Iemant die het niet gezien heeft kan nauwlyks geloven wat een schoon gras op die weilanden wast, byzonderlyk digt by die afleidingen, daar in tegendeel anderen, waarmede men zo niet gehandeld heeft, ’er bedroefd uitzien. De weiden tusschen de heuvelen leggende hebben meest alle hoger kanten, dus men het water ligt op de zelve leiden kan. De weilanden wierden gemeenlyk driemaal iederen zomer gemaid. Dog de zomer duurt hier zes of zeven maanden.
[Wanneer het loof afvalt.]
De bladeren waren omstreeks het midden van November allen afgevallen, zo wel van de Eiken als andere bomen, die gewoon zyn hun blad te wisselen, en bedekten in de bosschen den grond wel zes duim hoog. Deze menigte van blad schynt de bovenste zwarte aarde zeer te moeten doen aangroeyen. Egter is zy niet boven de drie of vier duimen dik in de bosschen, en onder dezelve legt ene steenkleurige klei, gemengd met een zand van de zelve kleur. Het is zonderling dat een grond, die noit bebouwd is geworden, met zo gering ene zwarte aarde bedekt is. Dog hier van in ’t vervolg nader.
[Eekhoorns.]
De Eekhoorns, die hier in de bosschen zeer menigvuldig zyn, zyn van verscheiden’ soorten. Ik zal de gemeensten nauwkeurig beschryven.
[Grauwe Eekhoorns.]
De Grauwe Eekhoorns zyn overvloedig in Pensylvanie, en de andere delen van Noord Amerika. Van grootte zyn ze omtrent gelyk de Zweedschen, dog iets groter, en blyven altyd grauw. De bosschen, vooral in Pensylvanie, bestaan meest uit bomen die hun blad laten vallen, en in dezen houden zig de Eekhoorns het liefst op. Catesby heeft hen, onder den naam van den groten aschgrauwen Virginischen Eekhoorn beschreven, en naar het leven afgebeeld. [137] De Zweden noemen hem Grao Ickorn, en dit is het zelve met het Engelsch Grey Squirrel, of Grauwe Eekhoorn. Zy hebben hun nest merendeels in holle bomen, en brengen ’er mos, stroo, en andere buigzame dingen naartoe. Hun voedzel is voornaamlyk noten, als hazelnoten, Chinquapins, kastanjes, walnoten, hikorynoten, en eikels. Maar de Mais is hun liefste kost. De grond in de bosschen legt in den herfst vol van eikels en andere noten. Hiervan verzamelen de Eekhoorns enen goeden voorraad voor den winter, en bewaren ze in gaten, die ze graven, op verscheiden’ plaatsen, hier en daar wat. Ook dragen zy ’er veel van naar hunne nesten.
Zo dra de winter komt, en de koude en sneuw hen in hunne nesten sluiten, blyven zy daar verscheiden’ dagen binnen, en leven van den voorraad dien zy daar by een gebragt hebben. Zo dra het weder wat zagter is komen zy voor den dag, en graven een van de gaten open, waar in hun overige voorraad legt. Daar eten zy ten eersten een deel van op, en dragen het overige naar het nest op den boom. In de volgende winters merkten wy dikwyls op, dat als het zagt weder geweest was en ’er ene strenge koude op stond te volgen, de Eekhoorns een dag of twee sterk door de bosschen herom liepen, deels om zig regt zat te vreten, en deels om hunne nesten met enen nieuwen voorraad voor de aanstaande koude te voorzien, gedurende welke zy t’huis blyven. Wanneer men ze dan in ene ongewone menigte herom lopen zag, konde men daaruit vry zeker ene op handen zynde vorst voorspellen.
De Varkens, die hier in ’t veld lopen zo lang ’er geen sneuw legt, om hunnen kost te zoeken, doen den armen Eekhoorns grote schade, door hunne magazynen om te wroeten en den voorraad op te vreten. Zo wel de Wilden als de Europers doen hun best om deze voorraadhuizen te vinden, dewyl alle de noten die ’er in leggen uitgezogt zyn, en niet alleen door en door ryp, maar ook niet wormstekig. Zo is het ook met de noten en eikels, die de Boschmuis [138] in den herfst vergadert. De Zweden verhalen dat ’er in den langen winter van het jaar 1741. zulke menigte van sneuw viel, dat de Eekhoorns niet by hunne magazynen komen konden, zo dat ’er velen van honger sterven moesten.
Ik heb reeds van de schade gesproken die zy op de Maisvelden doen. Zy doen des te meer kwaads om dat zy niet al het koorn, maar alleen het binnenste en zoetste eten, en al het overige te gelyk afbyten. Ik heb eens omtrent het eind van April, dat de Eiken in vollen bloei stonden, ene menigte Eekhoorns in de bomen gezien, somtyds vyf, zes en meer, op elken boom, die de bloemsteeltjes, een weinig beneden de bloem afbeten, en ze op den grond vallen lieten. Of zy ’er iets van aten, of ’er enig ander gebruik van maakten, kan ik niet zeggen. Maar de grond lag vol van eikebloeisems, waaraan de steel nog zat. Dit maakt dat de bomen zo veel eikels, ten nutte der varkens en andere dieren, niet voortbrengen als zy anders doen zouden.
[Mak gemaakt.]
Van alle de wilde dieren dezes Lands kunnen de Eekhoorns het gemakkelykst getemd worden, vooral als men ze jong krygt. Ik heb ze zo mak gezien dat ze de kinderen in de bosschen en overal na liepen, en op de schouders kwamen zitten. Somtyds gingen zy maar een stuk wegs in ’t hout mede, en keerden dan terug naar de hokjes die voor hun gemaakt waaren. Als zy eten, zitten zy op hun agterste, en houden het eten tusschen de voorpootjes, en den staart in de hoogte. Wanneer men den makken meer geeft dan ze op kunnen, brengen zy ’t naar hunne koyen, en bewaren het onder de wol of het ander goed daar zy op leggen. Zy waren niet bang voor vreemde menschen, en lieten zig van ieder aanraken, zonder te willen byten. Zy komen somtyds zelfs enen vreemden op den schoot, en gaan daar leggen slapen. Zy spelen met de katten en de honden, en eten ook brood.
De Grauwe wilde Eekhoorns houden ook den staart om hoog als zy zitten. Als zy een mensch zien bewegen zy den staart gedurig, en knarssen op de tanden, dus zy een vry sterk geluid maken, en het is moeilyk ze te doen zwygen. Dit maakt, dat zulken die uit gaan om vogels of andere dieren te schieten dikwyls regt boos op hun worden, dewyl hun geraas hen ontdekt, en het wild waarschuwt. Schoon een Grauwe Eekhoorn niet zeer schuw schynt, is hy egter moeilyk te doden, want zodra hy een mensch ziet, klimt hy op enen boom, en gaat gemeenlyk in ’t topje zitten. Daar tragt hy zig agter de takken te verbergen om niet gezien te worden, en schoon de jager onder rondom den boom gaat, doet de Eekhoorn het zelve al zo schielyk, zo niet schielyker. Vindt hy twee takken die t’zamen komen, hy gaat ’er tusschen zitten, en klemt zig zo sterk ’er in dat hy nauwlyks zigtbaar is. Men mag dan den boom schudden, met takken of stenen goyen, ja zelfs ’er op schieten, hy verroert zig niet. Vindt hy drie takken die t’zamen komen, zo verschuilt hy ’er zig tusschen, en dan is hy genoegzaam buiten gevaar. Somtyds ontsnapt hy op enen boom daar oude eekhoorn- of vogelnesten in zyn, en dan sluipt hy ’er in, zonder dat men hem ’er uit kan krygen, het zy met smyten, schudden of schieten; want de Grauwe Eekhoorn springt zelden van den enen boom op den anderen, ten zy in den uitersten nood. Zy lopen gemeenlyk den zelven weg langs den boom naar boven en naar beneden, met het hoofd vooruit. Verscheidenen, die ik in de bosschen schoot, waren vol van vloyen.
[Talrykheid.]
Ik heb reeds aangemerkt dat ’er tegenswoordig veel meer Eekhoorns zyn dan voorheen, dog het is aanmerkenswaard dat ’er in sommige jaren een veel groter getal van Eekhoorns uit de binnenlanden naar Pensylvanie en de andere Volkplantingen afkomt dan in de anderen. Zy komen gemeenlyk in den herfst, en hebben het dan zeer druk met in de bosschen noten en eikels te verzamelen, die zy in holle bomen of hunne magazynen brengen. Zy zyn zo naarstig in het aanleggen van hunne voorraadhuizen, dat schoon de noten dat jaar zeer overvloedig geweest zyn, men ’er bezwaarlyk veel van vinden kan. Men beweerde hier ondervonden te hebben, dat als ’er zo veel Eekhoorns uit de binnenlanden kwamen de volgende winter gemeenlyk gestreng was. Dog dit is niet altyd zo, gelyk ik in den herfst van 1749. bevonden heb, wanneer ’er een groot getal Eekhoorns in de Volkplantingen afkwam, en egter was de winter niet harder dan naar gewoonte. Dog het bleek dat hun verhuizen aan de schaarschheid van noten en eikels in de bovenlanden moest toegeschreven worden. Om deze reden keren zy gemeenlyk het volgende jaar weder naar hunne oude woonplaats te rug.
[Hun vleesch.]
[De huid.]
Sommige menschen houden het vleesch van de Eekhoorns voor ene grote lekkerny, dog anderen maken ’er in ’t geheel geen werk van. De huid deugt niet veel, alleen snydt men ’er nog wel riemen uit, om dat zy redelyk tai zyn. Sommigen gebruiken ze om klederen te voeren by gebrek van iets beters.
[Betoverd door de Ratelslang.]