Reis door Noord Amerika

Part 16

Chapter 164,068 wordsPublic domain

De Ratelslang verslindt den Eekhoorn dikwyls ongeagt zyne gezwindheid. Dit handeloze schepsel wil men dat dikwyls zo vlug een dier alleen door zyne betovering vangt. Ik had noit gelegenheid van het te zien, maar zo vele geloofwaardige lieden verzekerden my ’er van, verklarende het met grote opmerkzaamheid zelven gezien te nebben, dat ik my gedwongen vinde een zo eenparig getuigenis aantenemen. Deze betovering geschiedt op de volgende wys. De slang legt onder den boom waarop de Eekhoorn zit, hare ogen zyn op hem gevestigd, en van dat ogenblik af kan hy niet ontkomen. Hy begint een droevig geschrei, het welk zo kenbaar is dat ieder die het hoort daaruit weet dat hy van de slang betoverd wordt. De Eekhoorn loopt enigen tyd den boom wat af en wederom op, dog altyd wat meerder naar beneden dan naar boven. De slang blyft van onderen hare ogen op het beestje gevestigd houden, met zulke ene aandagt dat men ’er omtrent komende een groot geweld kan maken zonder dat zy het eens merke. De Eekhoorn ondertusschen komt al lager en lager, en springt op ’t laatst der slange te gemoet, welker bek alreeds open is om hem in te zwelgen. Het arme beestje loopt dan onder een naar gehuil in den mond der slang, die, als het niet te groot is, het in eens doorzwelgt. Maar is de proi te groot om in eens doortegaan, zo belikt de slang het zo lang tot dat het glad genoeg is om op eenmaal te kunnen doorgeslikt worden. Alle de merkwaardige omstandigheden van deze betovering heb ik beschreven in de Verhandelingen der Zweedsche Koninglyke Maatschappy der Wetenschappen voor het jaar 1753. Dus wil ik hier niet breedvoeriger wezen. De zelve toverkragt wordt aan de zogenaamde Zwarte Slang ook toegeschreven. [139]

[Zyn zeer schadelyk.]

De Eekhoorns doen niet alleen ene merkelyke schade in de Mais terwyl zy op ’t veld staat, gelyk ik reeds heb aangemerkt, maar zelfs wanneer zy reeds in de schuren is, want, als zy ’er by komen kunnen, zyn zy in staat in weinige nagten wel ene gantsche ton vol naar hunne holen te verslepen. Om deze reden heeft de Regering in de meeste Amerikaansche Volkplantingen ene beloning gezet op den kop van iederen Eekhoorn. Het schynt onbegrypelyk zulk een geld als ’er in Pensylvanie, alleen van den 1. Januari 1749. tot den 1. Januari 1750. toe, voor Eekhoorns koppen betaald is. Toen de Afgevaardigden der Provincie vergaderden klaagden zy allen dat hun schatkist door alle die beloningen voor Eekhoorns koppen leeg geraakt was, want ’er stond toen een prys van drie pence op. In dat jaar waren agtduizend ponden St. Pensylvanisch geld voor pryzen betaald. Dit is my verzekerd van een man die zelf de rekeningen had nagezien.

Vele menschen, vooral jonge lieden, lieten al ander ambagt varen, en gingen naar de bosschen om Eekhoorns te schieten. Dog de Regering heeft sedert den prys tot de helft verminderd.

[Vliegende Eekhoorns.]

De Vliegende Eekhoorns zyn een byzonder soort, en schynen de zelven te zyn die men in sommige delen van Finland vindt, en die door de Heer Linnæus in zyne Fauna Suecica No. 38. Sciurus volans genoemd wordt. Op zyn hoogst is de Amerikaansche Vliegende Eekhoorn ene verscheidenheid van den Finlandschen. Catesby [140] heeft hem naar het leven beschreven en afgetekend. Hy geeft hem den zelven naam. Men vindt dit dier in de bosschen, dog niet menigvuldig. Zelden ziet men ze by dag, ten zy ze gedwongen worden door het storen hunner nesten zig te vertonen, want zy slapen over dag; dog zo dra het begint donker te worden, komen zy te voorschyn, en lopen byna den gantschen nagt. Zy onthouden zig in holle bomen; en by het vellen derzelven komen ’er somtyds zeven en meer van voor den dag. Door middel van een vel met het welk hen de Voorzienigheid aan hunne beide zyden voorzien heeft, kunnen zy van den enen boom op den anderen vliegen. Deze vellen spannen zy uit als vleugels, en trekken ze weder in zo dra zy den naburigen boom bereikt hebben. Sommige menschen zeggen dat zy altyd horizontaal vliegen, dog anderen verzekerden dat zy eerst een weinig naar beneden gaan en dan weer ryzen, wanneer zy omtrent den boom zyn in den welken zy vliegen willen. Zy kunnen ’t niet verder brengen dan vier of vyf vadem. Van alle de Eekhoorns zyn dezen ’t gemakkelykst te temmen. De kinderen nemen ze mede naar school of waar zy ook henen gaan, zonder dat deze dieren oit zoeken te ontsnappen. Als zy den Eekhoorn wegzetten springt hy hun ten eersten weder op het lyf, kruipt hun in den boezem, in de mouwen, of in de ployen van de klederen, en gaat daar leggen slapen. Zyn voedsel is even het zelve als dat der overige Eekhoorns.

[Aardeekhoorns.]

In de bosschen vindt men een klein soort van Eekhoorns, by de Engelschen Aardeekhoorns genoemd. Catesby heeft ze beschreven en afgebeeld [141] onder den naam van Gestreepten Eekhoorn. [142] Deze woont niet, gelyk de anderen, in holle bomen, maar onder den grond, daar zy, omtrent als de Konynen, holen graven, waarnaartoe zy de vlugt nemen wanner zy onraad gewaar worden. Die holen gaan diep in den grond, en verdelen zig in verscheiden armen, waarvan sommigen ook openingen boven de aarde hebben, zo dat zy, wanneer het gat daar zy uitgekomen zyn mogt toegestopt worden, enen anderen weg vinden om te ontvlugten. Maar in den herfst, wanneer het blad sterk valt, is het waard om hunne verlegenheid te zien, als zy vervolgd worden, want dan, hunne holen door de bladeren toegestopt zynde, hebben zy veel werks om ze zo schielyk te vinden. Dan lopen zy ginds en weder, als of zy den weg vergeten waren, en schynen niet te kunnen begrypen waar de ingangen van hunne holen gebleven zyn. Als men ze dan vervolgt, of in de handen klapt, blyft hun gene andere toevlugt over dan op de bomen te klouteren, het geen zy anders noit doen. Dit soort is in Pensylvanie veel talryker dan in de andere Provincien van Noord Amerika, die ik bezogt heb. Zy zyn gemeenlyk zes duim lang, behalven hunnen krommen staart, en zeer dun. Het vel is roodagtig bruin, en getekend met vyf zwarte strepen, ene vlak op den rug en twee aan iedere zyde. Hun aas is allerlei koorn, rog, garst, weit, mais, eikels, noten en diergelyken. Zy verzamelen ook in den herfst hunnen wintervoorraad, en bewaren dien in hunne holen. Als zy op een koornstapel komen doen zy al zo veel schade als de muizen en ratten. Men heeft dikwyls opgemerkt, dat, als zy rogge gegeten hadden en dan weit kwamen te vinden, zy de rogge overgaven om den buik op nieuws met weit te vullen, als zynde meerder naar hunnen smaak. Als men de Mais op ’t veld inzamelt maken zy hun werk van de airen aftebyten, en hunne bekken met koorn te vullen, zo dat hunne wangen geheel opgezet zyn. Met dezen buit haasten zy zig naar hunne holen.

[Hunne holen.]

Een Zweed, vry laat in ’t najaar enen molendam doende maken, en daartoe de aarde van enen naburigen heuvel gebruikende, ontmoette een hol van deze Eekhoorns. Hy volgde den gang dien hy gevonden had, en ontdekte enen anderen, die ’er, als een tak uit den hoofdstam, uitkwam, en byna twee voet lang was, aan het einde van den welken hy ene menigte uitgezogte eikels vond, die het kleine zorgvuldige dier voor den winter had opgelegd. Kort daarna vond hy enen anderen gang op zyde, gelyk aan den voorgaanden, dog die enen frayen voorraad van Mais bevattede. Een volgende diende om Hikorynoten te bewaren, en de laatste gang, die ook de meest verborgene was, bevatte omtrent twee hoeden vol uitmuntende kastanjes.

Des winters ziet men deze Eekhoorns zelden, levende zy dan in hunne holen van den verzamelden voorraad. Evenwel komen zy nog wel eens op enen moyen dag te voorschyn. Dikwyls graven zy in de kelders, waarin de landlieden hunne appelen bewaren, die zy dan ten dele opeten, en ten dele bederven, zo dat ’er weinig van overblyft. In de Mais gaan zy niet minder ruw te werk. Dog de katten zyn hunne grote vyanden, die ze dood byten en opvreten, of ze hunnen jongen t’huis brengen. Deze Eekhoorns worden van gene menschen gegeten; ook gebruikt men hun vel niet.

Dit soort laat zig het minst mak maken; want, schoon zy al zeer jong gevonden zyn, is het nogthans gevaarlyk ze met de blote hand aanteraken, dewyl zy zeer scherp byten als men niet oppast. Verscheiden kinderen, die veel moeite genomen hadden om ze te temmen, zeiden dat zy gene kans zagen om ze zo mak te maken als de andere soorten. Het best gaat het nog als men ze krygt nog geheel klein zynde. Vele menschen hielden ze in koyen terwyl zy nog wild waren, om dat zy ’er zeer aardig uitzien.

By ene andere gelegenheid zal ik van den zwarten en roodbruinen Eekhoorn spreken, die ook hier gevonden wordt.

[Voortekens van een Orkaan.]

Den 15. November verhaalde my de Heer Kock een toeval, dat hem overgekomen was, en te bevestigen scheen dat de orkanen door zekere tekens van te voren zig aankondigen. Hy zeilde naar de West Indien in een klein Jagt, en had een oud man aan boord, die langen tyd deze zee bevaren had. De oude man de diepte peilende riep den stuurman toe, den Heer Kock te zeggen, dat hy terstonds de boten moest uitzetten met een genoegzaam getal volks, om het Jagt gedurende de stilte voortteroeyen, ten einde het Eiland zo schielyk als mogelyk was te bereiken, dat voor hun lag, dewyl men binnen vierentwintig uren een geweldig orkaan te wagten had. De Heer Kock vroeg hem waarom hy dit dagt, en de oude man zeide hem, dat hy by het peilen het lood enige vademen dieper in het water gezien had dan te voren; dat derhalven het water eensklaps helder was geworden, het welk hy voor een onfeilbaar teken van een aanstaande orkaan in zee hield. De Heer Kock zag ook de ongewone klaarheid van het water. Hy gaf dan onmiddelyk bevel om de boot in ’t water te brengen en het Jagt voortteroeyen; zo dat zy voor den nagt in behouden haven kwamen. Dog voordat zy die nog volkomen bereikt hadden, begonnen de golven al hoger en hoger te gaan, en het water scheen als te koken, schoon men nog genen wind gewaar werd. Des nagts ontstond het Orkaan en woedde zo vreeslyk, dat niet alleen ’er vele schepen vergingen, en de daken werden weggerukt, maar dat zelfs het Jagt van den Heer Kock en andere schepen, schoon in veilige havens leggende, door het geweldig opzetten der baren zo ver op ’t land gezet werden, dat ’er verscheiden’ weken verliepen voor dat zy ’er weder af kwamen.

Een oud Hollandsch schipper zeide, dat hy eens enen Hai in de Bai van New York gevangen had, die opengesneden zynde ene menigte van alen in zyn’ maag had.

[Oude potten gevonden.]

De Heer Bartram vertoonde my den 18. November een aarden pot, die op ene plaats gevonden was daar voorheen de Wilden gewoond hadden. De man, die hem het eerst had opgegraven, bewaarde daar smeer in om zyn’ schoenen en laarzen mede te smeren. De Heer Bartram koft den pot van hem. Zy was nog onbeschadigd. Ik kon ’er nog verglazing, nog kleur op onderkennen, maar van buiten had hy veel sieraden, en over ’t geheel was hy zeer wel gemaakt. Ook vertoonde my de Heer Bartram velerhande stukken van gebroken aarden vaten, welken de Wilden voorheen gebruikten. Het was duidelyk aan deze allen te zien dat zy niet van enkelde klei gemaakt waren, dog dat ’er verscheiden’ andere stoffen onder gemengd waren, volgens de natuur der plaatsen daar zy waren gemaakt. Die Wilden, by voorbeeld, die digt aan de zeekust woonden, stampten oester- en mosselschelpen, en mengden die met de klei. Anderen, die dieper in het Land hunne woonplaatsen hadden, waar men bergkrystallen vinden kon, mengden die ook gestampt onder de potaarde. Dog hoe zy in ’t maken dier potten te werk gingen is gantsch onbekend. Zeker is het dat zy ze niet hard bakten, want zy waren zo week dat men ze met een mes kon aan stukken snyden. Egter scheen het werk zeer goed te zyn, want men vindt nog gehele vaten of stukken in den grond die in ’t geheel niet beschadigd zyn, schoon zy meer dan tagtig jaren onder de aarde gelegen hebben. Voor dat de Europeanen zig in Noord Amerika nederzetteden, hadden de Wilden geen ander vaatwerk om hun eten in te koken dan deze aarden potten van hun eigen maaksel. Dog sedert derzelver aankomst hebben zy altyd potten, ketels, en ander vaatwerk van hun gekoft, en zig niet meer bekommerd om die zelven te maken, zo dat zy deze konst geheel verloren hebben. Dus zyn, zelfs onder de Wilden, potten van hun eigen maaksel ene grote zeldzaamheid gevonden. Ik heb ’er van gezien die uit een soort van ’t Talcum van Linnæus bestonden.

[Leyen.]

De Heer Bartram toonde my ook kleine stukken van ene zwarte Lei, die overvloedig op sommige plaatsen aan de Rivier Skulkill gevonden wordt. Men vindt ’er stukken van die vier voet en meer in ’t vierkant zyn. De kleur en ’t maaksel is het zelve als de Tafellei, [143] uitgenomen dat die wat dikker is. De Inwoonders omstreeks de Skulkill dekken ’er hunne daken mede, en de Heer Bartram verzekerde my dat hy een geheel dak gezien had bestaande uit vier zulke Leyen. De stralen der zonne, de hette, de koude, en de regen hebben genen invloed op dezen steen.

[Stalactites.]

Nog verhaalde die Heer dat op vele plaatsen holen gevonden wierden, die diep onder ’t gebergte doorliepen. Hy was in verscheidenen van dezelven geweest, en had ’er veel stalactites van verschillende grootte boven aan in ’t binnenste van de bergen gevonden. Zy waren van verscheiden kleuren. Dog het byzonderste was, dat hy ’er enigen vond die uiterlyk van boven tot onder toe als gescheurd waren. Hy had ’er sommige stukken van naar Londen gezonden, dog had ’er thans geen.

[Reis naar Rakoon.]

Den 20. November ging ik in den morgen, nevens enen Vriend, op een reisje naar Rakoon in New Jersey, daar vele Zweden waren, die hunne eigene kerk hebben. Wy moesten drie Eng. mylen afdoen eer wy aan het Veer kwamen, daar wy over de Dellaware konden gezet worden. Het land was hier op vele plaatsen zeer laag. De vlaktens wierden by elken vloed overstroomd, en liepen by de ebbe weer ledig. Evenwel had men zig deze vlaktens door middel van dyken weten ten nutte te maken. Het waren nu weilanden. Hier waren vele Waterbeuken aan beide de zyden van den weg geplant, digt op een, welken in den zomer ene aangename lommer geven, aangezien de grootte en menigvuldigheid van hunne bladeren. Dit maakt den weg zeer vermakelyk, gelykenden naar ene lommerryke laan. De Dellaware is hier omtrent even zo breed als by Philadelphia. Digt by het Veer waren verscheiden aardige huizen op beide de zyden gebouwd, waar de Reizigers verfrisschingen krygen kunnen. Op onze uitreis van Pensylvanie naar New Jersey wierden wy over de Dellaware gezet in een vaartuig dat den waard aan de zyde van Pensylvanie aanging; maar op onze terugreis moesten wy dat van den man die aan de overzyde woont gebruiken. Zo als wy de Rivier over waren bevonden wy ons in ene andere Provincie, want de Dellaware maakt de grensscheiding uit tusschen Pensylvanie en New Jersey, zo dat al wat ten westen der Rivier legt tot het eerst genoemde, en het geen ten oosten is tot het laatst gemelde gewest behoort. Dog beide de Landschappen hebben verschillende wetten en verschillende munt.

[Landsdouwe.]

Wy vervolgden onze reis verder, en merkten welhaast op, dat het land aan die zyde daar wy thans waren gantsch anders ’er uitzag dan aan de overzyde, want in Pensylvanie bestaat de grond meerder uit klei en zwarte aarde en is zeer vrugtbaar; maar in New Jersey is hy zandiger en mager, zo dat de voeten der paarden op vele plaatsen zeer diep in ’t zand zakten. Digt by de plaats daar wy waren overgezet, een eind wegs langs den oever, was een tamelyk zwaar Dennebosch. De bomen waren niet zeer hoog, dog in hunne grootste kragt; tusschen beiden vertoonde zig hier en daar enig eiken kreupelhout. Maar na dat wy omtrent drie Eng. mylen verder waren, eindigde het Dennewoud, en wy zagen niet meer van die bomen voor dat wy by de Kerk van Rakoon kwamen. In alle de delen van Pensylvanie daar ik geweest ben, heb ik weinig Dennebomen gevonden; in tegendeel zyn ze menigvuldig in New Jersey, en vooral in het beneden deel van dat Landschap. Vervolgens zagen wy den gantschen dag geen ander geboomte dan dat zyn blad laat vallen; meest Eiken van verscheiden’ soorten en grote hoogte; dog zy stonden overal zo ver van malkander dat ’er een rytuig tusschen door kon ryden, zynde daar weinig of gene struiken die het verhinderen konden. De bladeren bedekten thans den grond ter hoogte van ene hand breedte, het welk de bovenste zwarte aarde moet doen toenemen. Op vele plaatsen stroomden kleine beekjes. Het land was gemeenlyk vlak, dog maakte hierendaar enen langzaam opgaanden heuvel. Grote bergen vertoonden zig niet, en op sommige plaatsen vonden wy enige stenen, die niet groter dan een vuist waren. Men zag enige huizen verspreid staan, en op ene plaats alleen lag een klein dorp. Het land was meer met hout bedekt dan bebouwd, en wy waren meest altyd in een bosch.

[Riviertjes.]

Dien dag en de volgenden trokken wy verscheiden zogenaamde Kills of kleine riviertjes over, die langzaam naar de Dellaware uit het land henen vloeiden. Als het ty in de Dellaware opkwam, zwollen deze stroompjes ook een eind wegs. Voorheen moeten zy by den vloed veel breder geweest zyn, dog tegenwoordig worden zy door dyken belet de naburige weiden te overstromen. Langs alle de rivieren waren hier dyken gelegd, zo dat het water by den vloed hoger was dan het land. In de dyken waren schutdeuren, waardoor men het water uit- en inlaten kon. Zy lagen somtyds aan den buitenkant van den dyk, zo dat het binnenwater hoger zynde ze open drong, en het buiten water ze toesloot.

Dien avond namen wy onzen intrek by enen Zweed, genoemd Peter Rambo.

[Pynbomen.]

De Pynbomen die wy dezen dag gezien hadden, waren van dat soort dat dubbelde bladeren en langwerpige zaadhuisjes of pynappelen, met schubben gedekt, draagt. [144] De Engelschen noemen ze onderscheidshalven Dennen van New Jersey. Gemeenlyk zitten ’er maar twee bladen of prikkels in ene schede, gelyk by de Zweedschen. Dog uit sommige scheden kwamen ’er drie. De zaadhuisjes hadden lange stekels, zo dat ze kwalyk aanteraken waren. In de verte zien ’er anders deze Dennen juist zo uit als onze Zweedschen. Uit dezelven werd zeer veel teer gebrand, waarvan ik hierna breder spreken zal. Zy deugen voor niets anders, als allen te klein zynde. Als men ze voor palen in de aarde gebruikt, vergaan zy binnen kort. Zo dra zy geveld worden komen ’er wormen in. Men gebruikt ze egter om te branden in plaatsen daar men geen ander hout krygen kan. Ook maakte men ’er hier en daar smidskolen van, gelyk ik in ’t vervolg verhalen zal. Dog ’er is nog iets byzonders omtrent deze bomen aantemerken, het welk nevens my vele menschen bevonden hebben. In de grote hette des zomers zoekt het vee hun lommer veel meer dan dat van den Eik, of andere bomen, wier blad zeer dik is, en als het de laatsten onder de Dennen gemengd vindt, gaat het altyd onder de Dennen staan, schoon ’er ene betere lommer onder de anderen is; en wanneer ’er maar een enkelde van deze bomen te vinden is, loopt ’er zo veel vee onder als ’er onder staan kan. Sommigen wilden hieruit opmaken dat de harstagtige uitwaassemingen van den Denneboom voordelig voor het vee zyn, en het meer genegen maken om onder dezelven dan onder andere bomen te staan.

[Lepelboom of Kalmia.]

De Lepelboom [145] komt noit tot ene grote hoogte. Wy zagen hem dezen dag op verscheiden’ plaatsen. De Zweden gaven hem dezen naam, omdat de Wilden, die hier voorheen woonden gewoon waren hunne lepels en spanen van dit hout te maken. Ik heb zulk een lepel in myn Kabinet, gemaakt uit dit hout door enen Amerikaan, die op de zelve plaats waar nu Philadelphia staat verscheiden herten gedood heeft, want in dien tyd was die plaats geheel bedekt met bomen en kreupelhout. De Engelschen noemen dezen boom Laurel, om dat zyne bladen zeer veel naar die van den Laurocerasus gelyken. De Ridder Linnæus heeft, volgens zyne byzondere vriendschap jegens my, de goedheid gehad, hem den naam te geven van de breedbladerigen Kalmia. [146] Deze boom tiert het best tegens de heuvels, vooral aan de noordzyde als ’er een beekje langs loopt; om die reden kan men staat maken Kalmias te vinden wanneer men op ene steile plaats komt waar een beekje omtrent loopt. Maar hy staat veeltyds vermengd onder de beuken. Hoe hoger de Kalmia tegens het noorden op den heuvel staat te minder groeit zy. Ik heb ze niet alleen in Pensylvanie en New Jersey, maar ook, dog schaarsch, in New York gezien. Ik vond ze noit noordelyker dan 42. gr. N. schoon ik ’er zeer oplettede of zy ’er ook waren. Deze boom behoudt zyne fraye groene bladeren den winter over; zo dat, wanneer de andere bomen al hun sieraad kwyt zyn, zy de bosschen met hun groen opluisteren. Omtrent Mai begint hy hier te bloeyen, en dan betwist hy den rang van schoonheid aan alle de bekende bomen. De bloemen zyn ontelbaar, en zitten aan grote trossen. Voor dat zy opengaan hebben zy een schoon rood; maar naderhand verbleekt ze de zon, zo dat zy geheel wit worden. Sommigen hebben ene rozekleur. Haar gedaante is zonderling, want zy gelyken veel naar een kroes der Ouden. Dog de reuk is zo aangenaam niet. Op sommige plaatsen was men gewoon op kersmis en nieuwjaarsdag de kerken met de takken van dezen boom, die dan geheel groen zyn, opteschikken.

[Vergiftig.]

Dog deze boom heeft ene andere eigenschap. Zyne bladen zyn een vergift voor sommige, en een voedsel voor andere dieren. De ondervinding heeft geleerd, dat, als de schapen ’er van eten, zy of ten eersten sterven, of zeer ziek worden, en ’er bezwaarlyk van opkomen. De jonge en tedere schapen sterven van ene kleine hoeveelheid, dog die wat ouder zyn kunnen wat meer verdragen. Egter is dit voedsel hun dodelyk, wanneer zy ’er wat veel van eten. Het zelve heeft plaats omtrent de kalveren, die ’er ook van sterven, of ten minsten bezwaarlyk ’er afkomen. Het heugt my dat in den herfst van 1748. sommige kalveren van die bladen gegeten hadden, zeer ziek wierden, opzwollen, schuim op den mond kregen, en ’t nauwlyks op de benen houden konden. Men reddede ze egter door ’t ingeven van buskruid en andere middelen. De schapen zyn het meest aan ’t gevaar bloot gesteld van door deze bladeren in bekoring gebragt te worden in den winter, want, na lang op stal gehouden te zyn geweest, zyn zy gretig naar alle groen, vooral als de sneuw nog op het veld legt. Paarden en Ossen bekomt dit blad ook zeer kwalyk, en schoon ’er noit een van gestorven is, gelooft men egter in ’t gemeen dat indien zy ’er wat veel van aten zy ’er ook van sterven zouden, want men heeft opgemerkt, dat als zy ’er maar ene geringe hoeveelheid van aten zy ’er voor lyden moesten. Daarentegen zyn deze bladeren een voedsel in den winter voor de Herten, wanneer het veld onder de sneuw legt, en zy niets anders vinden kunnen. Wanneer men ze dan schiet is hun gedarmte met dit blad opgevuld, en het is iets wonderlyks dat, als men die ingewanden den honden geeft, dezelven daar wild en als dronken van worden, en somtyds ook zo ziek dat het schynt dat zy ’er van zullen sterven. Dog de menschen hebben geen ongemak van het eten van het vleesch van zulke herten. Ook zyn deze bladeren in den winter een voedsel voor zekeren vogel, dien de Zweden in Noord Amerika Hazelhoen genoemd hebben, die hier den winter over blyft. Als men dan ’er een van schiet, vindt men den krop vol van deze bladeren.

[Het hout.]