Reis door Noord Amerika

Part 17

Chapter 174,068 wordsPublic domain

Het hout van de Kalmia is zeer hard, en daarom gebruikt men het om assen in katrolblokken te maken; dog vooral dient het voor weversspoelen, waartoe de wevers geen hout hieromstreeks beter houden, want het is vast, laat zig ligt glad maken en springt niet. De schrynwerkers en drayers maken ’er ook allerlei werk van, waartoe men anders gewoon is het beste soort van hout te gebruiken. Byzonderlyk neemt men daartoe den wortel, dewyl die doorgaans geel is. Het hout is zo fyn en hard als men ’t zou kunnen wenschen. Uit het middelpunt lopen verscheiden stralen uit, dog wat ver van malkander. Als men het loof in ’t vuur smyt, spat het als of men ’er zout in gegoid had. Men gebruikt des winters de takken met de bladeren daaraan om de schoorstenen te vegen. In ’t jaar 1750. werden de meeste bomen in Pensylvanie van zekere rupsen kaal geschoren, dog dezen waagden zig niet op de Kalmia. Enige lieden beweerden dar als ’er des zomers brand in een bosch ontstond, het vuur zig door dezen boom liet stuiten.

[Mais.]

Zo wel de Zweden als de andere Inwoonders planten zeer veel Mais, niet alleen voor zig maar ook voor hun vee. Men beweerde dat ’er geen beter voer voor de varkens was, om dat zy ’er zeer vet van wierden, en hun vleesch ’er enen beteren smaak door kreeg als van enig ander voedsel. Ik heb der Koninglyke Zweedsche Maatschappye der Wetenschappen twee Vertogen over dit soort van graan gegeven, die in hare Verhandelingen te vinden zyn. [147]

De wielen der karren die men hier gebruikt bestaan uit twee soorten van hout. Tot de velgen neemt men den Spaanschen, en tot de speken den Witten Eik.

[Sassafras.]

De Sassafrasboom wies hier overal. De Zweden noemen hem hier Saltenbras, of Salsenfras. Als men wat van dit hout in ’t vuur werpt, springt het even als of ’er zout in lag. Men gebruikt het voor palen aan de tuinen, want het duurt lang in de aarde. Anders denkt men dat ’er nauwlyks een hout te vinden is, dat in de blote lugt zo zeer van de wormen wordt aangegrepen, als dit, want zy vreten het in korten tyd door en door. De Zweden zeiden dat de Wilden, die voorheen hier woonden, ’er schalen van maakten. Als men iets van den boom, of deszelfs jonge scheuten, afsnydt, en het onder den neus houdt, heeft het enen sterken dog aangenamen reuk. Sommigen schillen den wortel, en brouwen de schil in hun bier, om dat zy denken dat dit zeer gezond is. Men legt de schil ook in brandewyn, of terwyl men hem nog bezig is over te halen, of naderhand als hy al klaar is, insgelyks voor de gezondheid.

[Goed tegens de waterzugt.]

Een oude Zweed herinnerde zig nog dat zyne Moeder verscheiden’ menschen van de waterzugt genezen had, door middel van een afkooksel van den Sassafraswortel in water, elken morgen genomen, dog te gelyk kopte zy den lyder op de voeten.

[Gebruikt tegens de weegluizen.]

Wanneer men een stuk lands met hout bewassen bebouwen wil, laat men ’er gemeenlyk de Sassafrasbomen op, om dat zy sterk in de bladen zyn, en in de zware hette het vee lommer verschaffen. Vele Zweden waschten met een afkooksel van de schil des wortels van den Sassafras het vaatwerk uit, waarin zy Cyder, bier, of brandewyn brouwen wilden, om dat zy zig verbeeldden dat daardoor de dranken gezonder wierden. Sommigen hadden de posten hunner bedden van die hout laten maken om de weegluizen te verdryven, het welk zy meenden dat door zynen sterken reuk dat ongedierte hinderen zou daarin te nestelen. Zo lang ook dat hout zynen sterken reuk behoudt had men ’er ene goede uitwerking van bespeurd, dog naderhand kon men niet merken dat het veel hielp. Enige Engelschen verhaalden dat het enige jaren geleden te Londen in ’t gebruik was geweest de bloemen van den Sassafras als thee te drinken, om dat men het voor zeer gezond hield. Dog toen men begon te bedenken dat deze drank veel tegens de Venusziekte gebruikt wierd, schafte men het af, uit vrees van kwade verdenking. In Pensylvanie plagten enige menschen de spaanders van dit hout in de kasten te leggen, om de motten uit het wollen goed te houden. De wortel behoudt langen tyd zynen reuk. Ik heb ’er enen gezien die wel vyf of zes jaar in ene lade gelegen had en nog zeer sterk rook.

Rambo, de Zweed, vertelde dat de Wilden voorheen allerlei leder met den bast van den kastenjen eik rood plagten te verwen. En enige oude lieden bragten zig te binnen dat hier in ’t jaar 1697. een zo harde winter geweest was, dat het ys in de Dellaware twee voeten dikte had gehad.

[Digt en zwaar Gras.]

Aoke Helm was een der voornaamste Zweden in dezen oord, wiens Vader met den Zweedschen Gouverneur Prinz herwaards gekomen was. Hy was over de zeventig jaar oud. Deze oude man verhaalde ons dat in zyne kindschheid in de bosschen een zeer digt gras plegt te wassen, wel twee voeten hoog, dog dat het thans zo verminderd was, dat het vee werk had genoeg te vinden, en dat tegenwoordig vier koeyen niet meer melk gaven dan toen ene, dog de oorzaken van deze verandering zyn ligt te vinden. In de jeugd van den ouden Helm was het land weinig bebouwd, en men hield ’er nauwlyks het tiende deel van het vee dat men ’er nu houdt, dus had ene koe toen zo veel [Duur maar een jaar.] voedsel als nu tien. Verders, het meeste gras duurt hier maar een jaar, en wast niet, gelyk by ons in Zweden het meeste doet, verscheiden jaren voort uit enen den zelven wortel. Dus moet men ieder jaar op nieuws gras zayen. Het groot getal van beesten nu verhindert [Gebrek.] het voortzayen dewyl zy het gras afeten eer het bloeyen kan. Dus moet men zig niet verwonderen dat het gras tegenwoordig zo dun staat. Dit maakt dat men, vooral des winters, op reis verlegen genoeg is met zyne paarden, en dat zo wel in Pensylvanie en Maryland als in New Jersey, want het gras is daar gantsch niet overvloedig aan te treffen, dewyl het door het vee afgeschoren wordt eer het zaad schiet. Maar verder noordwaards, als in Kanada, heeft men soorten van overblyvend gras genoeg. Zo wyslyk heeft het de Schepper geschikt. Alle de koude gewesten moesten natuurlyk een duurzaam gras voortbrengen, dewyl de Inwoonders, wegens den langdurigen winter, meer hoi voor hun vee behoefden. De zuidelyke landschappen daarentegen hebben minder van dat soort van gras, vermits het vee den gehelen winter over in het veld blyven kan. Egter hebben vele voorzigtige lieden Europisch duurzaam graszaad op hunne weilanden gestroid, het welk daar zeer wel scheen te slagen.

[Mispelbomen.]

De Persimon, of de by de Zweden zogenaamde Mispelboom [148] wies hier vry algemeen. Ik heb ’er reeds van gesproken, nogthans zal ik ’er iets byvoegen. Zyne vrugten begonnen thans ryp te worden, en eetbaar te zyn. Men at ze nu gelyk ander ooft. Zy zyn zeer zoet en sappig, dog een weinig t’zamentrekkend. Ik at ’er gemeenlyk zeer [Mispelbier.] veel van zonder nadeel. Men brouwt van de Mispelen een aangenaam bier, op deze wys. Laat in den herfst, als de vrugt reeds door de vorst aangedaan is, kneedt men de vrugt in een deeg van weit of ander meel, maakt ’er koekjes van, zet ze in den oven, tot dat ze door en door gebakken en droog zyn. Dan neemt men ze ’er uit. Als men nu aan ’t brouwen gaan zal, zet men enen pot op ’t vuur vol koud water, en legt ’er enige koekjes in. Het water warm wordende gaan deze koekjes van een. Men neemt het dan van ’t vuur, roert het wakker om, zo dat het alles wel door een gemengd wordt. Dan giet men het alles in een ketel. Dus gaat men voort tot dat men koeken genoeg week gemaakt heeft. Dan doet men het mout in den brouwketel, en behandelt het gelyk als bier. Dit bier wordt voor aangenamer gehouden dan meest alle anderen. Men maakt ook brandewyn van de mispelen. Dit geschiedt aldus. Men doet ’er ene genoegzame menigte van in een ketel, en laat ze daar ene week in, of iets langer, tot dat ze door en door zagt zyn. Dan giet men ’er water op, en dan moeten zy van zelven gisten, zonder dat men ’er iets by doet. Vervolgens stookt men ’er op de gewone manier brandewyn van, die gezegd wordt zeer goed te zyn, vooral als men onder de mispelen enige zoete wilde druiven doet. Enige mispelen zyn reeds op het einde van September ryp, dog de meesten later, en velen niet voor November of December, wanneer de vorst ze aandoen kan. Het hout van dezen boom is goed voor allerlei schrynwerk. Dog, als het geveld zynde in de vrye lugt blyft leggen, is het een van de eerste houten die rotten, en in een jaar tyds deugt ’er niets meer van. Als de Mispelboom eens geworteld heeft, kan men hem bezwaarlyk uitroeyen, dewyl zy zig te veel verspreiden. Men zeide my, dat als men een tak afsneed en in de aarde stak, hy wortel schoot. Dog in zeer harde winters vriezen deze bomen dikwyls dood, en kunnen, zo wel als de Persikeboom, niet zeer tegens de koude.

[Kawoerden.]

Vele soorten van Kawoerden en Meloenen worden hier geteeld, zynde gedeeltelyk reeds by de oude Amerikanen bekend geweest, gedeeltelyk [Meloenen.] door de Europeanen overgebragt. Van de Kawoerden had men een soort dat aan het einde krom is, dog anders langwerpig, en dus wierden zy Crocknacks of Kromhalzen genoemd. Men kan ze byna den gehelen winter over goed houden. Nog zyn ’er zekere andere Kawoerden die ook goed blyven. Anderen wederom worden aan stukken gesneden, aan draden geregen, en te drogen gehangen. Men kookt of stooft ze daarna, zo als men wil; en zy kunnen het gehele jaar over duren. Men eet en bereidt hier allerhande soorten van Kawoerden, gelyk by ons. Vele landlieden hebben ’er gehele velden van.

[Squashes.]

De Squashes zyn een soort van kawoerden, dat de Europeanen van de Inlanders gekregen hebben, en waarvan ik reeds gesproken heb. Men eet ze gekookt, alleen of by vleesch. Zy vereischen weinig zorg, want zy slagen in allerlei gronden. Als men het zaad in den herfst in de aarde brengt draagt het vrugt in de volgende lente.

[Kalabassen.]

De Kalabassen zyn ook een soort van Kawoerden, die veel geplant dog niet gegeten worden. Men maakt ’er allerhande keukengereedschap van. Zy zyn tederder dan de Squashes, en worden hier niet altyd ryp, dog alleen by warm weder. Om ’er keukengereedschap van te maken, worden zy eerst wel gedroogd, het zaad en de vleeschige stof, waarin het legt, neemt men ’er uit, en smyt het weg. De schillen worden van binnen schoon geschraapt; en dan maakt men ’er allerlei lepels, schotels, en andere dingen van om eetwaren in te bewaren. Byzonder zyn zy goed om zaden en planten ’er in over zee te verzenden, want die behouden hunne vrugtbare kragt veel langer in Kalabassen dan anders. Sommigen plegen de buitenste schillen der Kalabassen, voor dat zy ze openen, af te schrapen, daarna te drogen, en dan van binnen schoon te maken; dit maakt ze zo hard als been. Men kan ze ook afwasschen, zo dat zy hare witte kleur altyd behouden.

[Boekweit.]

De meeste Landlieden in dezen oord zayen Boekweit. Dit geschiedt in ’t midden van Juli, want later gezaid zoude zy door de vorst bedorven worden; en als men ze vroeger zait bloeit zy den gehelen zomer over, dog de bloemen vallen af zonder zaad te geven. Sommigen ploegen den grond twee malen waar zy Boekweit zayen willen, dog anderen maar eens, omtrent ene week voor dat ze zayen. Zodra men gezaid heeft, wordt het land geëgd. Men heeft ondervonden dat in een nat jaar de Boekweit wel voortkomt. Zy blyft op het veld tot dat het begint te vriezen. Als de oogst goed is, krygt men twintig, dertig, ja veertig voor een. Zulken oogst had de Zweedsche Koster Ragnilson, in wiens huis wy thans ons verblyf hadden. Men maakt ’er koeken en puddings van. De koeken worden gemeenlyk des morgens in de pan op een steen gebakken, geboterd, en by de thee of koffy, in stede van geroost en geboterd brood, gelyk anders de Engelschen doen, gegeten. De vogels met Boekweit gevoed leggen meer eyeren. Ook worden ’er de varkens zeer vet van. Het stroo gebruikt men niet, maar laat het op het veld, of stroit het in de boomgaarden, om als een soort van mist te dienen, wanneer het rot. Geen dier wil ’er van eten ten zy in den uitersten nood, als het veld met sneuw bedekt, en niets anders te vinden is. Hoe gemeen de Boekweit in de Engelsche Volkplantingen ook is, hebben ’er egter de Franschen in Kanada gene regte kennis aan.

[Ligtende wormen.]

Wy vonden, den 23. Nov. tegens den avond enige ligt gevende wormen. Hun lichaam was lynregt, bestaande uit elf geledingen, een weinig puntig van voren en van agteren. De lengte van den kop tot den staart was vyf en ene halve meetkundige lyn. De kleur was bruin, en de geledingen als die der Onisci. De sprieten waren kort en regt. De zes voeten zaten aan de voorste geledingen. Als de worm liep liet hy het agterste deel op den grond slepen, en dit hielp zyne beweging. Het uiterste van den staart bevatte de stof die in ’t donker een groenagtig ligt geeft. De worm konde ze intrekken, zo dat hy geen ligt gave. Schoon het den gantschen dag sterk geregend had, kropen zy in menigte onder het kreupelhout, zo dat de grond als met starren bezaid scheen. In ’t vervolg zal ik gelegenheid hebben van een ander soort van gekorven gedierte of vlieg te spreken, die door de lugt vliegende by nagt als vuurvonken ligt geeft. Zoude wel deze ligtende wormen ene verscheidenheid wezen van de Lampyris Noctiluca van Linnæus?

[Ilex Aquifolium.]

Het Ilex Aquifolium wies op waterige plaatsen hier en daar in ’t woud. Men moest dit gewas onder de zeldzamen rekenen. Het blad blyft zomer en winter groen. De Zweden drogen de bladeren, maken ze tot poeder, koken ze in dun bier, en gebruiken ze in ’t zydewee.

[Verwstoffen.]

Men verwt hier rood met Braziliehout en met een soort van boommos, en blauw met Indigo. Om zwart te verwen plukt men de bladen van de wilde zuring [149] en kookt ze met de stof, welke dan gedroogd en op nieuws met Campechehout en koperrood gekookt wordt. Dit zwart is zeer bestendig. Men spint en weeft zelf hier veel van de dagelyksche klederen, en verwt die in huis. Het vlas wordt van velen gebouwd, en slaagt wel. Dog de hennip gebruikt men weinig.

[Sikkels en Seissen.]

De Rogge, de Weit, en de Boekweit worden met den sikkel gemaid, dog de Haver met de seis. De sikkels, die men hier gebruikt, zyn lang en smal, en het scherpe is met kleine tandtjes van binnen bezet. De landen blyven een jaar braak leggen, en gedurende dien tyd weidt er het vee op.

Zelfs de niet veel vermogende landlieden in dezen oord hebben hunnen boomgaard, min of meer groot volgens hunnen rykdom. De bomen zyn gemeenlyk Persike-, Appel- en Kerssebomen.

[Vervolg van de Reis.]

Wy verlieten deze plaats den 24. Nov. een weinig voor den middag, en vervolgden onze reis, de Zweedsche Kerk te Rakoon voorby, naar Peils groves. Het land aan beide zyden van den weg is zandig en tamelyk vlak. Hier en daar ziet men, dog niet dikwyls, enige Landhoeven. Daar waren grote streken nog enkeld bosch, meest uit verscheiden soorten van Eiken en uit Hikorybomen bestaande. Egter kon men in deze bosschen zeer wel voortkomen, zelfs met een rytuig, want men vond ’er weinig laag hout en stenen in. Dog hier en daar lagen enige bomen, ’t zy door storm geveld, of uit ouderdom omgevallen, die enige verhindering maakten.

[Waarnemingen omtrent het toenemen van het land.]

Gedurende myn verblyf te Rakoon, nu en den gehelen volgenden winter, deed ik myn best om van de oude Zweden alle mogelyke onderrigting te krygen, aangaande het toenemen van het land, en ’t verminderen van het water in deze oorden. Ik zal hier gewagen wat onderrigtingen ik kreeg. Ik geef ze zo als ik ze ontvangen heb, met maar weinige aanmerkingen; dus kan de Lezer daaruit zulke gevolgen trekken als hy wil.

Een Zweed, King genoemd, meer dan vyftig jaren oud, hield zig voor overtuigd, dat, omtrent dezen tyd, de kleine meertjes, poelen, bronnen en rivieren minder water hadden dan toen hy een jonge was. Hy kon verscheiden meren noemen, die men in zyne jeugd met grote schuiten bevoer, en zelfs in ’t heetste van den zomer water genoeg hadden, dog nu of geheel of voor het grootste gedeelte droog waren, en die ten minsten des zomers geen water meer hadden. Hy zelf had by gebrek van water den visch zien sterven; en het scheen hem toe dat het tegenwoordig des zomers zo veel niet regende als voorheen. Een man van zyne bloedvrienden, die omtrent agt mylen van de Dellaware af, op enen heuvel by een riviertje woonde, had enen put doen graven, en op de diepte van veertig voet ene menigte van oester en mosselschelpen, van riet, en stukken van gebrokene takken gevonden. Ik vroeg hoe zy dagten dat dit alles daar gekomen was, en het antwoord was, dat sommigen meenden dat alles daar reeds van den zondvloed af zo gelegen had, en anderen dat het land toenam.

Peter Rambo, een man van digt by de zestig jaar, verzekerde my dat op verscheiden’ plaatsen te Rakoon, waar men putten, of met een ander inzigt diep in den grond, gegraven had, men ene menigte van mosselschelpen en andere voortbrengsels van de zee had gevonden. Somtyds had men stukken houts ontmoet ter diepte van twintig voet, waarvan sommigen versteend waren, en anderen ’er uitzagen als verbrand. Op die diepte vond men eens ene grote lepel. Zoude het verbrande hout niet zwart geworden zyn door onderaardsche minerale dampen? Dog velen hebben ’er uit opgemaakt, dat Amerika reeds voor den Zondvloed bewoond was. Dezelve man verhaalde my verders, dat men ook ticchelstenen diep in den grond gevonden had. Maar zoude niet de steenkleurige klei, waaruit de grond hier grotendeels bestaat, hard zynde, voor ticchelstenen zyn aangezien? Ik heb horen zeggen dat die klei, hard zynde, veel naar gebakken steen gelykt. Hy zeide ook, dat de rivieren nog even zo hoog waren als men wist dat zy oit waren geweest; maar in de kleine meertjes, in poelen en vyvers was merkelyk minder water.

Maons Keen, een andere Zweed van meer dan zeventig jaar, verzekerde, dat, by het graven van enen put, hy, op de diepte van veertig voet, een groot stuk kastanjenhout, en wortels en stelen van riet gezien had, nevens ene kleiagtige aarde, gelyk die welke men gemeenlyk aan het strand van zeeboezems vindt, daar men zout water heeft. Deze klei had den zelven reuk en enen zoutagtigen smaak. Hy en verscheiden’ anderen maakten daaruit op, dat al het land waar Rakoon en Penns-neck leggen van ouds geheel door de zee bedekt was. Ook was ’er op ene grote diepte ene spaan, gelyk die der Wilden, gevonden.

Sven Lock en Willem Cobb, beiden meer dan vyftig jaar oud, kwamen daarin volkomen overeen, dat men op vele plaatsen hieromstreeks by het graven naar wellen zeer veel riet, het meest verrot, gevonden had ter diepte van dertig en meer voeten. En ’t werkvolk van Cobb zelven was in ’t graven ter diepte van twintig voet op enen dikken tak gekomen, die hen belet had voorttegaan, tot dat men hem doorgehakt had. Het hout was zeer hard. Ook is het zeer gemeen van niet diep in den grond ene menigte te vinden van niet geheel verrotte bladen van allerlei soort. By het maken van enen molendyk, enige jaren geleden, op de rivier waarby de kerk van Rakoon staat, en het doorgraven ten dien einde van ene bank, vond men dat die meest uit oesterschalen bestond, schoon men hier meer dan honderdentwintig Eng. mylen van zee is. Zy, nevens alle de Inwoonders van Rakoon, besloten hieruit, zonder dat men het hun in ’t hoofd gebragt had, dat deze landstreek in oude tyden door de zee bedekt was geweest. Ook verzekerden zy, dat vele kleine meertjes, die in hunne jeugd, zelfs in den zomer, vol waters waren, nu des zomers nauwlyks een beekje uitmaakten, uitgenomen by harde regenvlagen; dog zy vonden niet dat de rivieren van water verminderd waren.

Aoke Helm, een gryzaard van zeventig jaar, vond by ’t graven van enen put eerst zand en kleine stenen, en dat ter diepte van agt voeten, daarna ene bleke en vervolgens ene zwarte klei. Op vyftien voeten vond hy een stuk hard hout, en verscheiden stukken van vuurstenen. Hy verhaalde dat hy verscheiden’ plaatsen in de Dellaware kende daar men in zyn jeugd met schuiten voer, en die nu in kleine Eilandtjes veranderd waren, waarvan er sommigen byna ene Eng. myl lengte hadden. Deze Eilandtjes ontstaan uit zandbanken die zig in den stroom vastzetten, waarop vervolgens het water enige klei aanspoelt, in de welke biezen beginnen te groeyen, en dus wordt het allengskens tot land.

By ene zamenkomst van de oudste Zweden uit het kerspel van Rakoon, kreeg ik het volgende antwoord op de vragen die ik aangaande deze zaak deed. Waar men hier ook putten graaft vindt mem overal ter diepte van twintig of dertig voet vele oesterschelpen en Clams. Op vele plaatsen heeft men by ’t graven ene menigte gevonden van biezen en riet, meest alles onbeschadigd. Eens heeft men enen gehelen bondel van vlas ontmoet wel tusschen de twintig en drieentwintig voet onder den grond. Het was al zo weinig beschadigd als of het eerst onlangs onder de aarde was geraakt. Alle de menschen stonden verwonderd, kunnende niemant begrypen hoe het daar gekomen was. Dog ik verbeelde my dat die goede lieden de ene of de andere Amerikaansche plant, als het wilde Virginische vlas [150] of het Antirrhinum Canadense, dat veel naar vlas gelykt, voor vlas aanzagen; en het was ook opmerkelyk dat die bondel omwonden zou geweest zyn. De Europers op hunne aankomst vonden nergens vlas in Amerika. Hoe kon ’er dan een bondel van onder de aarde komen? Gebrande kolen heeft men dikwyls in den grond gevonden. De koster, Erik Ragnilsson, had ’er velen van gezien. Ook heeft men dikwyls ter diepte van boven de twintig voeten takken en blokken houts ontmoet. Op sommige plaatsen had men spanen by de Wilden in gebruik uitgegraven. En uit dit alles maakten zy op, dat deze landstreek voorheen zee geweest was. Dog men moet hierby opmerken, dat meest alle die putten op plaatsen gegraven wierden daar ene nieuwe plantery wierd aangelegd, waar men het hout eerst had weggehakt, dat ’er misschien verscheiden’ euwen gestaan had. Uit alle deze aanmerkingen, en nog anderen, die ik in ’t vervolg ’er byvoegen zal, kan men opmaken, dat een groot deel van New Jersey in overoude tyden een gedeelte was van den bodem der zee, en naderhand voortgebragt is geworden door de modder, slik en andere stoffen, die de Dellaware met zig gevoerd heeft. Evenwel maakt het uitstek by Kaap May, waarvan in ’t vervolg, deze zaak nog meer of min nog twyffelagtig.

[Planten die altyd groen blyven.]

De gewassen die hier zomer en winter hun blad houden zyn.

De Ilex Aquifolium, of Hulst.

De Kalmia Latifolia, de breedbladerige Kalmia.

De Kalmia angustifolia, de smalbladerige Kalmia, een soort van den eersten.

De Magnolia glauca, de Beverboom. De jonge planten van dezen boom alleen behouden des winters haar blad, en de ouden niet.

Het Viscum album, het gemene Mistelboompje, wassende gemeenlyk op de Nyssa aquatica, de Liquidambar styraciflua, den Eik en de Linde, zo dat de toppen dier bomen ’er des winters gantsch groen van schynen.

De Myrica cerifera of de Talkboom. Dog van dezen behouden maar enige jonge bomen hun loof, de meesten laten het vallen.

De Sparreboom. [151]

De Denneboom. [152]

De Cupressus thyoides, of de witte Jenever, anders de witte Ceder.

De Juniperus Virginiana, de Rode Jenever, of Ceder.

Verscheiden’ Eiken en andere bomen laten hier in den winter hun blad vallen, die wat zuidelyker, gelyk in Karolina, het gantsche jaar door groen blyven.

[Het uitvallen der tanden in Amerika.]