Part 18
Men heeft opgemerkt dat de Europeanen in Noord Amerika, het zy zy in Zweden, in Engeland, in Duitschland, of in Holland, of zelfs in Amerika van Europeaansche ouders geboren zyn, hunne tanden veel vroeger kwyt raken dan in andere landen; byzonderlyk had dit plaats omtrent de Vrouwen. Men zag dikwyls meisjes van twintig jaar, die reeds de helft van hare tanden verloren hadden, zonder hoop te hebben nieuwen te zullen krygen. Ik heb naar de oorzaak hiervan gezogt, dog ik weet niet of ik de ware gevonden heb. Velen waren van mening dat de lugt hier te lande nadelig was voor de tanden, en dit is zeker dat het weder nergens onbestendiger wezen kan; want een zeer hete dag eindigt dikwyls met ene scherpe koude, en zo ook omgekeerd. Dog deze veranderlykheid kan het uitvallen der tanden niet veroorzaken, dewyl [Dog niet by de Wilden.] dit by de Wilden gene plaats heeft, die, schoon zy in de zelve lugt leven, altyd witte en schone tanden behouden, gelyk ik zelf gezien, en ook van vele anderen gehoord heb. Daar zyn ’er die dit aan ’t onmatig gebruik van vrugten en zoetigheden toeschryven; dog ik heb vele menschen gekend die hierin geen overdaad begingen, en evenwel hunne tanden kwyt raakten.
[Of dit komt van het thee drinken.]
Ik begon het thee drinken, dat hier des morgens en des middags geschiedt, te verdenken, het welk tegenwoordig vooral onder de Vrouwen zo gemeen is, dat ’er nauwlyks zelfs ene Boerin of arme Vrouw is, die des morgens geen thee drinke. En in deze mening wierd ik bevestigd op ene reis, die ik deed in de oorden waar de Wilden nog wonen. De Generaal Major Johnson verhaalde my toen, dat velen van de Wilden, die digt by de Europeanen woonden, geleerd hadden thee te drinken, en dat men opgemerkt had dat zulke Amerikaansche Vrouwlieden, die zig zeer daaraan gewend hadden, even als de Europische Vrouwen, hare tanden vroeg kwyt raakten, schoon zy ze voorheen gantsch zuiver hadden gehad. Integendeel zulken die gene thee gebruikten behielden hare tanden tot enen hogen ouderdom.
Dog naderhand bevond ik dat het gebruik der thee niet de enige oorzaak van dit verlies der tanden wezen kon. Verscheiden jonge Vrouwspersonen, in Europa geboren, klaagden dat zy hare meeste tanden waren kwytgeraakt zodra zy in Amerika gekomen waren. Ik vroeg, of zy niet dagten dat dit van het menigvuldig thee drinken kwam, dewyl men weet, dat sterke thee de tanden als opvreet; dog zy antwoordden dat zy reeds begonnen hadden hare tanden te verliezen voor dat zy nog thee gedronken hadden. Maar myn onderzoek voortzettende, vond ik ten laatsten ene genoegzame oorzaak van dit uitvallen der tanden. Alle [Van het warm eten.] deze Vrouwen bekenden dat zy zeer gesteld waren om alles zo warm te eten als het maar mogelyk was. Dit was even het zelve met de andere Vrouwen in het land, die hare tanden veel vroeger verliezen dan de Mans. Zy drinken veel meer thee des morgens en des namiddags dan de Mans, wier bezigheden hun den tyd niet laten van lang aan de theetafel te zitten. Behalven dat, de Engelsche Mans geven weinig om thee, maar houden meer van een kom punch. Als de Engelsche Vrouwen thee drinken gieten zy ze niet in de schoteltjes, maar gebruiken ze zo heet als zy kunnen uit het kopje. De wilde Vrouwlieden volgen ze daarin na. Integendeel, die Wilden, wier tanden wit en gaaf zyn, eten of drinken noit iets warm.
Ik vroeg verscheiden van de oude Zweden of hunne Ouders en Landslieden hier ook hunne tanden zo vroeg verloren hadden, dog zy zeiden van neen. Bengtson, de Kerkeraad van Philadelphia, verzekerde my, dat zyn vader op zyn zeventigste jaar persikestenen en noten met zyn tanden kraken kon, en dit zal tegenwoordig niemant hier op die jaren ondernemen. Dit bevestigt het geen ik gezegd heb, want in dien tyd was het gebruik der thee in Noord Amerika onbekend.
[Koortsen.]
Gene ziekte is hier gemeender dan die welke de Engelschen Fever and ague noemen, ene koude koorts, die of ene alledaagsche, andere- of derdedaagsche is. Dog het gebeurt dikwyls dat iemant, die ene derdedaagsche koorts gehad heeft, en ze ene week is kwyt geweest, ene alledaagsche in de plaats krygt, en als die weg is, na enigen tyd, weder door ene derdedaagsche wordt aangetast. De koorts begint gemeenlyk op het laatst van Augustus of het begin van September, en duurt den herfst en den winter over tot aan de lente, wanneer zy geheel verdwynt.
De Vreemdelingen worden ’er gemeenlyk het eerste of het twede jaar na hunne aankomst van aangetast, en veel sterker dan de Inboorlingen, zo dat zy ’er somtyds aan sterven. Maar als zy ’er de eerste maal doorkomen, zyn zy ’er gemeenlyk het twede jaar, en somtyds altyd vry van. Men zegt hier in ’t gemeen dat de Vreemdelingen de koorts krygen om zig aan de lugt te gewennen. De Inboorlingen van Europische afkomst hebben op sommigen plaatsen alle jaren een aanval van koorts, dog sommigen zyn ’er spoedig van af, daar anderen zes maanden lang daaraan sukkelen, en enigen zelfs tot hunnen dood toe. De Wilden zyn ’er ook aan onderhevig, dog zo sterk niet als de Europeanen. Geen ouderdom is ’er van bevryd; waar deze koorts heerscht ziet men ’er gryzaards en kinderen in de wieg, dikwyls niet boven de drie weken oud, van geplaagd. Dezen herfst was zy hier veel sterker dan naar gewoonte. Zy maakt de menschen zo bleek als doden en schrikkelyk zwak, dog laat hun nogthans toe in de tusschentyden hunne bezigheden waartenemen. Het is zonderling, dat ’er alle jaren sommige streken zyn daar de koorts regeert, en anderen daar niemant ’er van weet. Ook zyn ’er plaatsen waar men ’er voorheen niets van plegt te weten, dog daar zy nu gemeender begint te worden. Vele oude lieden verzekerden eenstemmig dat de koorts noit zo hevig en aanhoudend was geweest toen zy kinderen waren als nu. Dog anderen, ook ruim zo oud als de eersten, waren van gedagte, dat de koorts voorheen naar evenredigheid der Inwoonders wel zo algemeen en zo sterk geweest was, dog dat men in dien tyd, toen ’er veel minder menschen waren, en de planteryen zo ver van malkanderen lagen, daar zo veel agt niet op had kunnen nemen; zo dat het waarschynlyk is, dat de uitwerkingen der koorts altyd omtrent gelyk geweest zyn.
[Oorzaken.]
Het is moeilyk de ware oorzaken dezer ziekte te bepalen; daar schynen ’er verscheiden’ te zyn, en die niet altyd dezelven; somtyds, en ik denk gemeenlyk, lopen ’er verscheiden t’zamen. Ik heb ’er Geneeskundigen over onderhouden, en zie hier wat zy ’er van dagten.
Sommigen meenden dat de gesteldheid van de lugt in dit land oorzaak is van deze koorts, dog de meesten beweren dat zy veroorzaakt wordt door de staande en rottende wateren; en dit schynt de ondervinding te bekragtigen. Want men heeft opgemerkt, dat zulken die in de nabuurschap van moerassen en poelen wonen, of op zulke plaatsen waar men een staand en stinkend water vindt, genoegzaam ieder jaar de koorts krygen, en ’er veel ligter dan anderen van worden aangetast. En dit gebeurt voornaamlyk in een jaargetyde, dat de wateren, door de onmatige hette het meest uitwaassemen, en de lugt met kwade dampen vervullen. Ook is de koorts zeer sterk op alle lage plaatsen, en waar tweemaal in de vierentwintig uren het zeewater met het ty opkomt, en zig met het zoete water vermengt. Des zomers wordt men, over zulke plaatsen reizende, dikwyls gedwongen zyne neusgaten toetehouden, uit hoofde van den stank, dien de vermenging van het zoete met het zoute water voortbrengt. Om deze reden worden de menschen te Penns-neck, en te Salem in New Jersey, waar de grond de gezegde eigenschappen heeft, jaarlyks veel sterker door de koorts geplaagd, dan die op hoger gronden wonen. Indien iemant wonende op hoge landen, waar men vry is van de koorts, naar de lager landen trekt, kan hy wel staat maken van alle jaren op den gewonen tyd de koorts te krygen zo lang hy daar blyft wonen. Menschen, die de frischste kleur hadden, uit de hoger landen naar de lagere verhuizende, en daar enen tyd lang blyvende vertoeven, hebben alle hunne kleur verloren, en zyn zo bleek geworden als doden. Dit kan egter de enige oorzaak van de koorts niet wezen, want ik ben in lage landen geweest, daar veel staande wateren waren, waar de menschen zeiden zelden van de koorts gekweld te worden; dog deze plaatsen lagen twee of drie graden meer noordwaards.
Anderen waren van gevoelen dat het onvoorzigtig en onmatig eten van vrugten zeer veel de oorzaak was van deze koorts. Dit heeft byzonderlyk plaats omtrent de Europeanen die eerst overkomen, en nog niet aan de lugt en de vrugten van Amerika gewend zyn, want zy die hier geboren zyn kunnen ’er meer van verdragen, en zyn egter niet geheel vry van de kwade gevolgen der onmatigheid. Ik heb hierover vele Engelschen en Duitschers uit eigen’ ondervinding horen spreken. Zy bekenden het dikwyls beproefd te hebben, dat als zy eens of tweemaal nugteren van een watermeloen aten zy verzekerd konden wezen van binnen weinige dagen ene koude koorts te hebben. En het is merkwaardig het geen de Franschen in Kanada my vertelden, dat de koortsen daar minder gemeen waren, schoon men daar niet minder watermeloenen gebruikte dan in de Engelsche Volkplantingen, en dat men noit opgemerkt had dat zy koorts veroorzaakten; maar dat wanneer men in ’t hete van den zomer by de Illinoizen komt, een Amerikaansch volk, dat op de zelve breedte met Pensylvanie en New Jersey woont, zy geen watermeloenen eten konden zonder de aanvallen ener koude koorts te bespeuren, en dat de Wilden hen ook waarschuwden van zo gevaarlyk ene vrugt niet te eten. Doet ons dit niet denken dat de groter trap van hette in Pensylvanie en het Land der Illinoizen, beiden vyf of zes graden zuidelyker dan Kanada gelegen, die vrugt gevaarlyker maakt? In de Engelsche Volkplantingen heeft ieder Boer watermeloenen, die men onder ’t hoyen gebruikt, of gedurende het werken in den oogst, wanneer het volk niets in de maag heeft, om zig in de hette te verkoelen, gelyk deze sappige vrugt zeer frisch is. Ook eet men hier in den zomer zeer veel meloenen, komkommers, kawoerden, squashes, moerbezien, appelen, persiken, kerssen, en ander ooft, al het welk ook het zyne doet ter bevordering der koorts.
Dog dat de levenswys hier zeer veel aan toebrengt, kan men besluiten uit de eenparige berigten van oude lieden aangaande de tyden hunner kindschheid, volgens welke berigten de menschen in die tyden aan zo vele ongemakken niet onderhevig en zelden ziek waren. Alle de oude Zweden verklaarden, dat hunne Landslieden die zig hier het eerst nederzetteden enen hogen ouderdom bereikten, en dat hunne kinderen omtrent tot die zelve jaren kwamen; dog dat de kleinkinderen en de kleinkleinkinderen den ouderdom van hunne voorouders niet hadden bereikt, en zo gezond en sterk op ver na niet geweest waren. Dog de Zweden leefden hier in ’t begin zeer matig. Zy waren te arm om brandewyn en rum te kopen, die zy ook zelven niet stookten. Egter hadden zy somtyds een goed sterk bier. Zy wisten ook genen cyder te maken, die nu zo gemeen in ’t Land is. Koffi, thee, chokolaat, waaruit zelfs nu het Landvolk ten dele zyn ontbyt maakt, waren onbekend. De meesten hadden noit suiker of punch geproefd. De thee, die men nu hier drinkt, is of zeer verlegen, of met allerlei kruiden vermengd, zodat zy nauwlyks meer den naam van thee verdient; gevolgelyk kan zy niet dan ene kwade uitwerking op zulken doen die dezelve in menigte gebruiken; behalven dat zy niet missen kan van de ingewanden te verslappen, daar zy ’s morgens en ’s namiddags byna kokend heet gedronken wordt. De Wilden, afkomelingen van de oorspronglyke bewoonders dezes Lands, verstrekken tot een bewys van het geen ik zegge. ’T is bekend dat hunne voorouders, ten tyde van de aankomst der Europeanen, zeer oud wierden; ’t was niets vreemds van ’er lieden onder te vinden die boven de honderd jaar waren. Zy leefden sober, en dronken niets dan water. Brandewyn, rum, wyn, en andere sterke dranken waren hun onbekend. Dog sedert dat de Christenen hun die dranken hebben leren drinken, en zy ze zo aangenaam gevonden hebben, bereiken zulken die hunne lusten niet kunnen tegengaan niet de helft van de jaren hunner voorvaderen.
Eindelyk, daar waren ’er die beweerden, dat het uitroeyen van zo vele welruikende planten, waarmede op de aankomst der Europeanen de bosschen vol waren, dog die het vee thans vernield heeft, kon worden aangezien als ene van de grote oorzaken van de voortgangen der koortsen. De menigte dezer bloemen verspreidde alle morgens en avonden enen lieflyken geur in de bosschen. Het is derhalven niet vreemd te denken, dat daardoor de schadelykheid der rottige uitwaassemingen gematigd werd, zo dat zy zo gevaarlyk in dien tyd niet waren.
[Middelen daar tegen.]
Verscheiden’ geneesmiddelen worden tegens deze kwaal aangewend. De Kina was voorheen een onfeilbaar middel, dog tegenswoordig doet zy altyd die uitwerking niet, schoon men ze hier voor zuiver en onvervalscht bekomt. Vele lieden beschuldigden dit middel van iets kwaads in het lichaam agter te laten. Dog men heeft gemeenlyk ondervonden, dat als de Kina goed was en terstonds in ’t begin der koorts gebruikt wierd, eer het lichaam verzwakt was, zy de koorts altyd verdreef, zo dat de huiveringen niet weder kwamen, en men gene pynen nog zwaarte in de leden overhield. Maar als de kwaal was ingeworteld en de Lyders sterk verslapt had, of dat zy natuurlyk zwak waren, verliet hen de koorts wel op ’t gebruik der Kina, dog keerde een veertien dagen daarna weder, en dwong hen ze op nieuws te gebruiken; waarvan het gevolg dikwyls was pyn en styfheid in de leden en somtyds in de ingewanden, waardoor zy belet wierden te gaan, welke pyn hun vele jaren bybleef, en dikwyls tot den dood toe. Deze kwade uitwerking wordt gedeeltelyk aan den koortsbast, dien men hier zelden onvervalscht bekomt, en gedeeltelyk aan de onvoorzigtigheid der Lyders onder ’t gebruiken van denzelven toegeschreven. Een van myne kennissen was zeer ervaren in ’t verdryven van de koorts door de Kina, welke hy gaf zodra de koorts zig in ’t lichaam vastgezet had. Dog voor dat hy ze gebruikte nam hy een zweetmiddel, dewyl hy dit zeer heilzaam gevonden had. En gelyk hier de koorts veeltyds van dien aard is dat zy niet doet zweten, zelfs niet in hare hette, moest men door andere middelen de uitwaasseming bevorderen. Ten dien einde nam de Lyder het middel op den dag van de huivering en moest dien avond zonder eten zyn. Den volgenden morgen moest hy in ’t warme bed blyven, veel thee drinken, en wel toegedekt zyn, om sterk te kunnen uitwaassemen. Dus bleef hy tot dat het zweten ophield, verliet dan het bed in ene warme kamer, waschte het lichaam met bloed-lauw water, om het te zuiveren van de vuiligheid door het zweten veroorzaakt, ten einde die de poren niet mogte verstoppen. De Lyder wierd daarop afgeveegd, en nam eindelyk de Kina verscheiden’ malen op den zelven dag in. Dit wierd twee of drie malen herhaald, op de dagen na dat de zieke de koorts gehad had, en zy verliet hem gemeenlyk zonder weder te komen, en zonder dat hy ’er in ’t vervolg bleek van zag.
De schors van den wortel des Tulpebooms [153] op de wys der Kina genomen heeft somtyds de zelve uitwerking.
Sommige menschen schillen de wortels van den Kornoeljeboom, [154] en geven de schil den zieken in. Verscheidenen, die door de Kina niet geholpen wierden, zyn door dit middel genezen. Ik heb ook menschen gezien die geholpen waren door zwavel fyn gestampt, met suiker vermengd, alle avonden voor dat zy naar bed gingen, en alle ogtenden voor dat ze opstonden, te gebruiken. Dit deden zy drie of vier malen in den tusschentyd dat zy van de koorts vry waren, en namen ’er telkens wat warmen drank op, om de poeder te doen zakken. Dog sommigen vonden hier geen baat by.
Anderen namen den gelen bast van den persikeboom, byzonderlyk dien van den wortel, en kookten hem in water, tot dat ’er de helft van vervlogen was. Hiervan nam de zieke elken morgen een wynglas vol voor dat hy iets gegeten had. Deze drank heeft enen onaangenamen smaak, en trekt den mond by een gelyk aluin; dog hy had vele menschen te Rakoon geholpen, die andere middelen te vergeefs gebruikt hadden.
Weder anderen kookten de bladen der Potentilla reptans, of der Potentilla Canadensis, in water, en dronken ’er van voor dat de huivering aankwam; en het is bekend dat ’er velen door geholpen zyn.
De Bewoonders van den stroom Mahawk, zo wel Amerikanen als Europers, stampen den wortel van het Geum rivale. Deze poeder wordt van sommigen in water gekookt tot dat het afkooksel vry sterk is; anderen gieten ’er maar koud water op, en laten ’t enen dag over staan; enigen mengen ze met brandewyn. Van dit middel moet de Lyder een glas vol nugteren nemen op zynen vryen dag. Men verzekerde dat dit een der zekerste middelen was, en de Kina overtrof.
Die genen welken digt by de yzermynen woonden betuigden zelden of noit door deze koorts te worden aangetast; dog wanneer zy ze egter hadden, dronken zy het water uit bronnen die uit de yzermynen komen, en enen sterken staalsmaak hebben. Dit middel verzekerden ze my onfeilbaar te zyn. Anderen, die niet digt by zulke bronnen woonden, trokken ’er voor enige dagen naar toe, als zy de koorts hadden, om het water te drinken, dat hen gemeenlyk hielp.
Ik heb boven reeds aangemerkt, dat saly met citroensap zeer heilzaam tegens de koorts bevonden is.
Dog men had opgemerkt dat een middel dat den een hielp dikwyls kragteloos op den ander is.
[Borstontstekingen.]
Borstontstekingen [155] zyn ook ene ziekte waardoor men hier dikwyls wordt aangetast. Velen van de oude Zweden vertelden my dat zy in hunne jeugd ’er weinig van gehoord hadden, dog dat deze ziekte nu zo gemeen was dat zy jaarlyks vele menschen wegsleepte. Maar men heeft opgemerkt dat zy in sommige jaren zo kwaadaardig niet is als in anderen, wanneer zy de meeste Lyders doodt. Ook is zy sterker op de ene dan op de andere plaats.
In den herfst van 1728. sleepte zy vele menschen weg te Penns-neck, ene plaats beneden Rakoon, digter aan de Dellaware, waar vele Zweden waren gevestigd. De meesten Zweden stierven ’er van, schoon zy zeer talryk waren. Dit heeft gemaakt dat hunne kleine kinderen, die overbleven, met de kinderen der Engelschen opgroeyende, hunne moedertaal vergeten hebben, zo dat ’er weinigen zyn die nu het Zweedsch verstaan. Sedert dien tyd heeft deze ziekte jaarlyks wel enige menschen te Penns-neck om hals geholpen, dog in geen groot getal. Zy scheen, als ware het, te rusten, tot in den herfst van dit jaar 1748. wanneer zy op nieuw ysselyk begon te woeden. Iedere week stierven ’er van zes tot tien oude menschen aan. Het was ene ware Pleuritis, maar zy had deze byzonderheid, dat zy met ene grote zwelling onder den strot en den hals en met ene belemmerde doorzwelging begon. Sommigen hielden ze voor aanstekend. Enigen verklaarden in goeden ernst dat als zy in ene familie kwam, zy, niet alleen die in ’t zelve huis woonden, maar ook zulken van de familie aangreep die ’er ver van daan hun verblyf hielden. Velen zyn ’er te Penns-neck geweest, die, zonder dat zy hunne zieke bloedvrienden bezogt hadden, de ziekte gekregen hebben, en ’er aan gestorven zyn. Ik wil de waarheid hiervan niet betwisten, dog vind het gevolg niet gegrond. De ziekte woedde het meest in November. Egter stierven ’er enige oude lieden den volgenden winter aan. Dog de kinderen liepen ’er tamelyk vry van. De Geneeskundigen vonden zig in deze ziekte zeer verlegen.
[Oorzaken.]
Het is bezwaarlyk de oorzaken van zo geweldige ziektens juist te bepalen. Een oude Engelsche Heelmeester sprak ’er dus over. Men drinkt hier in den zomer veel punch en andere hete dranken, waardoor het bloed verdikt en de aderen in ’t middenrif [156] opgezet worden. Tegen ’t einde van October en ’t begin van November wordt het weder veranderlyk, zo dat het op den zelven dag nu heet dan weder koud is. Als de menschen by dit veranderlyke weder veel in de lugt zyn krygen zy dit ongemak. Ook is het zeker dat de lugt het ene jaar ongezonder is dan het andere, het welk van de hette en andere omstandigheden afhangt, en dit doet veel tot deze ziekte. Het is aanmerkelyk dat ’er in ’t jaar 1728. en 1748., toen ’er zo vele menschen te Penns-neck stierven, te Rakoon weinig doden waren, schoon beide de plaatsen digt by malkander leggen, en dezelve lugt en grondsgesteldheid hebben. Maar Penn’s neck legt zeer laag, en Rakoon tamelyk hoog. Te Penn’s neck woont men tusschen poelen en moerassen, waarin het water staat te rotten; het is ’er vol van bomen, die den wind afkeren. Ook wordt het water te Penn’s neck niet voor zo goed gehouden als te Rakoon, schoon ’er geen onderscheid is in den smaak. Het wordt daarenboven in sommige kleine stroompjes brakagtig, als de Dellaware by den vloed opzet en ’er in komt. Op de oevers van deze stroompjes wonen vele Zweden, en gebruiken ’er het water van.
[Philadelphia.]
Den 3. December 1748. vertrok ik weder naar Philadelphia, waar ik nog dien avond aankwam.
[Wilde druiven.]
In de bosschen vindt men overvloed van verscheiden’ soorten van wilde Druiven. Een soort, aanmerkelyk door zyne grootte, wast in de poelen, en wordt zeer gezogt van den Rakoon. Deze druif wordt van de Engelschen Vossedruif [157] anders Poeldruif, geheten. Zy zyn niet aangenaam van smaak, en de Inwoonders eten ze zelden, dog wel een klein soort van druif, die op enen drogen grond groeit. Men gebruikt ze in den herfst rauw. Zy zyn aangenaam, een mengsel van zoet en zuur. Sommigen drogen ze, en bakken ze in taarten, of zetten ze droog voor. Voorheen maakten ’er de Zweden enen tamelyk goeden wyn van; dog hier zyn zy van uitgescheiden. Enige Engelschen evenwel perssen ’er nog enen lieflyken drank uit, dien zy my verzekerden zo goed te wezen als de beste Fransche wyn, en lang te duren.
[Wyn.]