Part 19
Om dezen wyn te maken, verzamelt men de druiven van den 21. September af tot den 11. November toe, dat is als zy beginnen ryp te worden. Men moet ze snyden by droog weder, nadat de dauw weg is. Zy worden afgeveegd. Een groot vat staat ’er gereed, waarin of syroop of brandewyn geweest is. Dit maakt men wel schoon, slaat ’er enen der bodems uit, en plaatst het op ene bekwame wys op stukken houts in den kelder, of in een warm vertrek omtrent twee voet boven den grond. De druiven worden in het vat gedaan, en, als zy wat gezonken zyn, doet men ’er drie of vier dagen daaraan weder nieuwen by. Een man gaat ’er met blote voeten in, en treedt de druiven. In omtrent een half uur is ’er het sap al uit. Dan keert de man de ondersten boven, treedt ze nog een kwartier; en dit is genoeg om ’er het goede vogt uit te krygen; want langer te treden zou ook de onrype druiven doen breken, en den wyn enen kwaden smaak geven. Dan dekt men het vat toe met een digt deksel, of met twee deksels als men genen kelder heeft, of het weder zeer koud is. Dus laat men het vogt gisten, en in de volgende vier of vyf dagen werkt het zeer sterk. Zodra het gisten ophoudt wordt ’er een gat gemaakt omtrent zes duim van den bodem, en men tapt wat van het vogt ’er uit, tweemaal iederen dag. Zodra dat klaar en bezonken is, laat men het vogt over in een kleinder vat. Van twintig bossen druiven krygt men omtrent twintig gallons sap. Het kleine vat blyft stil staan, en de most gist voor de twede reis; en dan is het noodzakelyk dat het vat geheel vol zy. De schuim, die zig boven aan het sponsgat zat, moet ’er afgenomen, en het vat gedurig weder opgevuld worden. Dit duurt tot omtrent Kersmis, en dan mag men het vaatje stoppen, op het laatste is de wyn in Februari gereed en gebotteld. Ook heeft men hier de gewoonte enige rype druiven in een vat te werpen om ’er azyn van te maken, die zeer goed is. Velen maakten van deze druiven enen brandewyn, die enen aangenamen smaak heeft, dog die egter nog lieflyker is als ’er wat mispelen onder zyn. Het hout van deze wyngaarden is van geen gebruik, voor stokken is het te buigzaam. Als men in den stam houwt, komt ’er binnen kort een witte smakeloze harst voor den dag. Men plant ze in vele tuinen om de prielen met hun groot blad te dekken. Als hier, in Mai en Juni, de wyngaarden bloeyen, geven de bloemen enen sterken dog zeer lieflyken en verfrisschenden reuk, die zig zelfs op enen groten afstand vernemen doet. Om dien tyd in de bosschen komende kan men uit derzelver reuk bemerken, dat ’er wyngaarden zyn. Hoe streng ook de winters zyn, doen zy egter den wyngaard niet aan. Elke druif is omtrent zo groot als ene erwt, dog wat meer zuidwaards hebben zy de grootte van ene gemene razyn, en enen aangenaamen smaak. Binnen in het land maken zy gedurende een deel van den herfst het voornaamste voedsel voor de Beren uit, die op de bomen klouteren om de druiven te plukken. Men meent, dat als de wilde druiven zorgvuldig aangekweekt en behandeld wierden zy groter en beter zyn zouden.
[Voortekens rakende het weder.]
Ik zal hier van twee voortekens aangaande het weder gewagen, waar aan men hier veel geloofs sloeg. Sommigen wilden kunnen voorzeggen dat de aanstaande winter niet zeer gestreng zoude zyn, om dat zy in October wilde ganzen en andere trekvogels naar het zuiden hadden zien vliegen, die kort daar aan terug gekomen, en in groten getale noordwaards gevlogen waren. Inderdaad de volgende winter is een van de gematigdsten geweest.
Enige lieden voorzeiden den 5. December, dat wy voor den avond van den 6. regen hebben zouden. De reden van deze voorzegging was, dat dezen morgen, by het ryzen der zon zy uit hunne vensters alles zeer duidelyk aan de overzyde der Rivier had kunnen zien, zo dat alles veel nader by dan gewoonlyk scheen te zyn, en dat dit gemeenlyk een teken van regen was. De voorspelling wierd ook tamelyk juist vervuld.
[Het yzer den Wilden onbekend.]
Voor de aankomst der Europeanen hadden de Wilden gene kennis aan het yzer, schoon dat zeer overvloedig in hun land valt. Evenwel wisten zy enigermate zig van het koper te bedienen. Enige Hollanders bewaarden nog de overlevering, dat hunne Voorouders, by hun [Dog niet het koper.] nederzetten te New York, vele Amerikanen ontmoet hadden, die koperen tabakspypen hadden, en die hun door tekens te kennen gaven, dat zy ze in de nabuurschap kregen. Naderhand werd de schone kopermyn ontdekt die op Second River tusschen Elizabeth-town en New York is. By het graven in deze myn vond men gaten waaruit enig koper gehaald was, en enige werktuigen, waarvan de Amerikanen waarschynlyk zig bediend hadden om het metaal voor hunne pypen te krygen. Zulke gaten in de bergen zyn ook op sommige plaatsen van Pensylvanie, te weten beneden Newcastle zeewaards aan, gevonden, en geven altyd te kennen dat ’er kopererts in te vinden is. Sommigen hebben zig verbeeld, dat de Spanjaards, na de ontdekking van Mexiko, langs de kust van Noord Amerika gezeild, en nu en dan aan land getreden zyn, om te zien of ’er ook enig goud of zilver zoude te vinden wezen, en dat die misschien deze gaten in de bergen gemaakt hebben. Maar, als men al veronderstelt dat zy dus langs de kust gevaren zyn, konden zy onmogelyk ten eersten de kopermynen vinden, en hielden zig waarschynlyk niet op met dit erts, daar zy meer goud en zilver zogten. Het is dan genoegzaam zeker dat de Amerikanen deze gaten gegraven hebben. Of zoude men durven vermoeden, dat de oude Noren, lang voor de ontdekking van Colombus, hier aangeland zyn, en deze koperaderen gevonden hebben, toen zy naar het voortreffelyke Wynland [158] voeren, waarvan onze oude overlevering, Sagor genoemd, spreekt, welk Wynland ongetwyffeld Noord Amerika was? Dog hieromtrent zal ik in ’t vervolg gelegenheid hebben, myne gedagten beter te uiten. Het is aanmerkelyk dat overal, daar men onlangs diergelyke gaten in de bergen gevonden heeft, welken duidelyk gezien kunnen worden van menschen gegraven te zyn, dezelven met veel aarde bedekt waren, als of men ze voor de vreemden verborgen had willen houden.
[Vergiftige Visschen.]
Op langdurige reizen gebeurt het somwylen dat het Bootsvolk enen Visch vangt dien niemant kent, dog, alzo zy meest gretig naar visch zyn, maken zy zelden zwarigheid ’er van te eten, schoon dit veeltyds te veel gewaagd is, want somtyds worden ’er wel vergiftige visschen gevangen. Dog men heeft ene manier om dezelven te kennen, gelyk my verscheiden’ Schippers gezegd hebben, met, als de onbekende visch gekookt wordt, een zilveren knoop, of een ander stuk zilvers, in den ketel te leggen, dit gantsch zwart zal worden als de visch vergiftig is, maar zo niet, verandert het zilver niets. Dit beweerden sommigen zelven ondervonden te hebben. [159]
[Rhode Island voor ene bril verkoft.]
De Heer Franklin en verscheiden’ andere Heren verhaalden my, dat een ryke Amerikaan, die Heer van Rhode Island geweest was, het zelve voor ene bril aan de Engelschen verkoft had. Dat Eiland is groot genoeg voor een geheel Vorstendom, en maakt een byzonder Gouvernement uit. Deze Amerikaan wist de brillen naar waardy te schatten; want inderdaad, indien zy zo gemakkelyk niet te krygen waren, zouden zy uit hoofde van haar nuttig gebruik niet minder gelden dan de diamanten.
[Dienstboden.]
De Dienstboden, die men in de Engelsche Noord Amerikaansche Volkplantingen gebruikt, zyn of vryen of slaven, en de eersten zyn nog twederhanden.
[Vrye Dienstboden.]
Zulken die volstrekt vry zyn dienen by het jaar, en kunnen wanneer zy willen hunnen dienst verlaten, dog wanneer zy dat binnens tyds doen lopen zy gevaar hun loon, dat vry aanmerkelyk is, te verliezen. Een knegt, die wat bekwaamheden heeft, wint tusschen de zestien en de twintig ponden Pensylvanische munt, dog op het land niet zo veel. Ene Meid wint agt of tien pond in ’t jaar. Behalven hun loon hebben deze Dienstboden den kost, dog moeten zig van klederen voorzien. Krygen zy enig stuk goeds, zy moeten ’er hunne Heren voor danken.
[Servings.]
Het twede soort van vrye Dienstlieden bestaat uit menschen die jaarlyks uit Duitschland, Engeland en andere landen overkomen. Dezen zyn alle jaren zeer talryk, oud en jong, van beide sexen; sommigen vlieden de verdrukking waaronder zy zugteden; anderen zyn uit hun vaderland om den Godsdienst verdreven; dog meest allen zyn zy arm, en hebben geen geld genoeg om hunne vragt te betalen, die tusschen de zes en de agt pond voor ieder is, en om die te vinden maken zy een beding met den Schipper, dat zy zig voor enige jaren zullen laten verkopen als zy zullen zyn aangekomen. In dat geval betaalt hy die ze koopt de vragt voor hun. Dog dikwyls zyn het oude menschen die overkomen, en dezen verkopen hunne kinderen, die dan voor hun zelven en voor hunne ouderen dienen moeten. Ook zyn ’er die een deel van de vragt betalen, en voor het overige zig voor enen korten tyd laten verkopen. Hieruit blykt, dat de prys der arme vreemdelingen in Noord Amerika niet gelyk is, en dat de een langer dient dan de ander. Als hun tyd uit is, krygen zy een nieuw pak klederen en nog enige andere dingen van hunne Heren; die ook verpligt zyn hen te kleden en te onderhouden gedurende den tyd van den dienst. Velen van de Duitschers brengen gelds genoeg mede om hunne vragt te betalen, dog willen zig liever laten verkopen, met inzigt om gedurende hunnen dienst de taal en het land te leren kennen, om des te beter te weten wat zy zullen aanvangen als zy hunne vryheid zullen bekomen hebben. Zulke Dienstlieden worden boven alle anderen gezogt, om dat zy niet zo duur zyn als de zwarte slaven, die wel eens zo veel kosten; en de knegts en meiden die zig by ’t jaar verhuren zyn ook te duur, daar dezen nog kwalyk de helft kosten, want men geeft gemeenlyk viertien pond st. Pensylvanisch geld voor enen persoon die vier jaar dienen moet, en zo naar evenredigheid. Dit soort van Dienstlieden noemen de Engelschen Servings. Als men zulk enen Serving voor enige jaren gekoft heeft, en men hem weder verkopen wil, heeft men ’er vryheid toe, dog blyft egter verpligt hem by ’t eindigen van de dienstjaren het pak klederen te geven, ten zy men daaromtrent een verding met den tweden koper gemaakt hebbe. De Engelschen en Ieren verkopen zig gemeenlyk voor vier jaren; maar de Duitschers komen dikwyls met den Schipper overeen, voor dat hy hen aan land zet, omtrent ene zekere som gelds voor een zeker getal personen, en zodra zy aangekomen zyn gaan zy iemant zoeken die de vragt voor hun betalen wille. Ter vergoeding geven zy een of meerder van hunne kinderen, volgens de omstandigheden, voor een zeker getal van jaren. Eindelyk sluiten zy den koop met die hun het meeste biedt.
[Zwarten.]
De Zwarten maken het derde soort van Dienstlieden uit. Dezen zyn in enen zekeren zin slaven, want als eens een Zwart gekoft is, is hy de slaaf van den koper zo lang hy leeft, ten zy deze hem aan een ander overdoet of vry maakt. Egter heeft de Heer het regt niet zynen slaaf om enige misdaad om te brengen, dog moet het der Regering overlaten volgens de wetten met hem te handelen. Voorheen bragt men de Zwarten uit Afrika, en byna ieder koft ze, die vermogen daartoe had. De Quakers alleen maakten zwarigheid slaven te houden, dog zyn niet meer zo kiesch, en houden ’er nu zo velen als de anderen. Evenwel agten velen het hebben van slaven strydig met het Christendom. Ook zyn ’er te Philadelphia verscheiden’ vrye Zwarten, die ’t geluk gehad hebben van enen yverigen Quaker tot Heer te krygen, die hun hunne vryheid schonk, na dat zy hem enige jaren getrouw gediend hadden.
Tegenwoordig brengt men weinig Zwarten meer uit Afrika, want zy hebben zig hier zeer vermenigvuldigd. Zy huwen op deze wys. Als men mans en vrouwen in zyne slaverny heeft, laat men ze t’zamen trouwen, en dan zyn de kinderen ook de slaven van de Heren hunner ouders. Maar heeft men enen zwarten knegt, die genegenheid heeft voor de slavin van een ander, zo hindert men hem daarin niet, dog men heeft ’er geen voordeel van, want de kinderen komen den Heer der slavin toe; dus is het voordelig slavinnen te hebben. Een Heer die zynen slaaf ombrengt is des doods schuldig; dog ’er is geen voorbeeld dat ’er een Blanke om deze oorzaak ter dood gebragt is. Enige jaren geleden had een Heer zynen slaaf gedood; zyne vrienden, en de Regering zelve raadden hem heimelyk het Land te verlaten, kunnende anders niet nalaten van hem in hegtenis te nemen, en dan was ’er gene hoop van hem te redden. Men ging zo zagt met hem te werk, op dat de Zwarten het genoegen niet mogten hebben van enen Heer ter dood te zien brengen om het doden van zynen slaaf, uit vreze dat dit hen tot allerlei gevaarlyke aanslagen mogt aanmoedigen.
De Zwarten, die tegenwoordig van buiten inkomen, worden niet meer uit Afrika gehaald, gelyk ik reeds heb aangemerkt, maar uit de Amerikaansche Eilanden, werwaards zy oorspronglyk uit hun Land zyn overgevoerd; want men heeft ondervonden, dat als men de Zwarten onmiddelyk uit Afrika naar deze noordelyke gewesten overvoert, zy zo gezond niet blyven, als wanneer zy trapsgewyze van lugt veranderen, en eerst uit Afrika naar de West Indien, en van daar naar Noord Amerika vervoerd worden. Men heeft dikwyls ondervonden dat de Zwarten de koude niet zo wel kunnen verdragen als de Blanken, want schoon de laatsten niets van de koude weten, verliezen ’er de eersten dikwyls de tonen en vingers door. Ook is ’er nog een onderscheid tusschen hun in dit opzigt, want die regelregt uit Afrika komen kunnen de koude zo wel niet verdragen als zulken die hier geboren of hier lang geweest zyn; de vorst doet ligt de handen en voeten aan der genen die zo eerst uit Afrika komen, of veroorzaakt hun geweldige pynen in de leden, schoon zy die hier lang geweest zyn ’er niets van weten. Daar zyn vele voorbeelden dat de Zwarten, wanneer zy des winters uit Afrika wierden overgevoerd, handen of voeten door de vorst aan boord verloren, hoewel de koude niet buiten mate fel, en het scheepsvolk nauwlyks gedwongen was handschoenen te dragen. Zelfs verzekerde men, dat men hier Zwarten had gehad, die van de koude in ’t begin eerst zware pynen in de benen gehad hadden, welken naderhand van zelven afgebroken, en met het vleesch daarop van ’t lichaam gevallen waren. Zo gebeurt het dan hier met de menschen, het geen men aan de planten ziet, wanneer zy uit ene zuidelyke lugtstreek naar ene koude vervoerd worden.
De prys der Zwarte slaven verschilt naar mate van hunnen ouderdom, hunne gezondheid, en bekwaamheden. Een volwassen Zwart kost van veertig tot honderd ponden Pensylvanisch geld. Zelfs zyn ’er voorbeelden dat zy meer dan tweehonderd ponden gegolden hebben. Een jonge of een meisje van twee of drie jaar kan kwalyk gekoft worden voor minder dan agt of veertien pond. Niet alleen de Quakers, maar ook anderen, maken somtyds hunne zwarte slaven vry. Dit geschiedt aldus. Als een Heer enen getrouwen Zwart heeft, die hem goede diensten heeft gedaan, geeft hy hem dikwyls zyne vryheid als de Heer sterft. Dog dit is kostbaar, want men is dan verpligt zorg te dragen voor het onderhoud van den vry gegevenen wanneer hy oud is, op dat de noodzakelykheid hem niet tot kwaad doen brenge, of hy tot eens anders laste kome, want deze vrygelatene Zwarten worden gemeenlyk zeer lui en onverschillig. Dog de kinderen, die een vrygelaten slaaf gedurende zyne slaverny geteeld heeft, blyven alle slaven, schoon hun vader vry is. Maar zulken die zy vry zynde krygen zyn ook vry. De Zwarten worden in Noord Amerika veel zagter behandeld en beter onderhouden dan in de West Indien. Zy krygen even zo goed voedsel als de Dienstboden, en genieten in alles de zelve voordelen, uitgenomen dat zy genoodzaakt zyn al hun leven dienstbaar te blyven, en anders niets winnen dan het geen hun hunne Meesters uit goedheid schenken. Dog zy worden ook ten koste hunner Heren gekleed. In tegendeel worden zy in de West Indien, en vooral in de Spaansche Eilanden, zeer wreed behandeld. Dus kan men hier enen Zwart geen zwaarder bedreiging doen dan van hem naar de West Indien te zenden, indien hy niet beter oppast. Ook heeft men veeltyds ondervonden, dat, als men omtrent dit volk te toegevend is, zy zo koppig worden dat zy niet meer willen doen dan hun gelust; zo dat ’er ene strikte tugt vereischt wordt, indien men ’er wel van zal gediend worden.
[Eerste Zwarten.]
In ’t jaar 1620. werden ’er enige Zwarten in een Hollandsch Schip overgebragt, en in Virginie koft men ’er twintig van. Dezen houdt men voor de eersten die herwaards kwamen. Toen de Amerikanen, die in dien tyd hier veel talryker waren, dit zwarte goed voor ’t eerst zagen, hielden zy ze voor Duivels, en noemden ze om die reden langen tyd Manitto, het welk zo wel een Duivel als God betekent. Enigen tyd te voren, toen zy het eerst een Europisch Schip zagen, dagten zy dat God zelf in het Schip moest wezen. Dit heb ik van Amerikanen zelfs, die het van hunne Voorouders gehoord hadden. Om die reden scheen hun de aankomst der Zwarten alles in wanorder gebragt te hebben. Dog sedert hebben zy zo ongunstig niet meer van de Zwarten gedagt, want thans wonen verscheiden’ Zwarten onder hun; en ik zelf heb gezien dat zy en de Amerikanen somtyds onder malkander huwen.
[De Zwarten worden noit blank.]
De Zwarten zyn thans over de honderd en dertig jaar in dit Land geweest, en de winters zyn ’er, vooral in Nieuw Engeland en New York, al zo gestreng als in Zweden. Ik onderzogt dan nauwkeuriglyk of men niet gemerkt had dat de koude enigen invloed op de kleur der Zwarten had gehad, zo dat het derde of vierde geslagt zo zwart niet was als hunne voorouders. Dog het algemene antwoord was, dat men geen het minste onderscheid in de kleur bespeuren kon, en dat een Zwart hier geboren uit Ouders die ook in dit land geboren waren, en welker ouders van vaders en moeders zyde ook zwart in deze gewesten waren geboren, tot het derde of vierde geslagt opwaards, in ’t minste van kleur niet verschilde van de Zwarten die lynregt uit Afrika kwamen. Hieruit besloten ’er velen, dat geen Zwart of zyn nageslagt oit van kleur verandert, hoe lang zy ook in een koud land wonen. Dog de vermenging van enen blanken met ene zwartin, of van enen zwarten met ene blanke vrouw, heeft ene andere uitwerking. Om derhalven te verhinderen dat ’er zo onaangename vermengingen geschiedden tusschen de Blanken en de Zwarten, en dat de laatsten een al te groot denkbeeld van zig zelven mogten krygen ten nadele van hunne Meesters, wierd my gezegd, dat ’er ene wet was die de huwelyken tusschen de Blanken en de Zwarten verbood, en dat wel onder doodstraf, en dat de Geestelyke die zodanige trouwplegtigheid verrigten mogt van zyn ampt zou ontzet worden. Dat evenwel de Blanken en de Zwarten zig vermengen, blykt uit de vermengde kleur der kinderen die ’er somtyds geboren worden.
[Meest nog Heidenen.]
Het is zeer te bejammeren dat de Heren van deze zwarte slaven in de meeste Engelsche Volkplantingen zo weinig zorg hebben voor derzelver geestelyke welvaart, en ze in hunne heidensche onkunde laten voortleven. Daar zyn ’er die met alle magt hunne Zwarten verhinderen zouden van zig in den Christelyken Godsdienst te doen onderwyzen, ten dele om dat zy het voor ene schande zouden houden dat zy enen geestelyken broeder onder zo veragtelyk een volk hadden, ten dele vermits zy zig verbeelden, dat zy dan dezelven zo hard niet meer zouden kunnen behandelen, en eindelyk uit vreze dat zy te trots worden zouden, als zy zig zelven op gelyken voet met hunne Heren in het geestelyke zagen.
[Vergift onder hun.]
Daar zyn verscheiden geschriften waar in beweerd wordt, dat de Zwarten in Zuid Amerika een vergift hebben, waarmede zy malkander om hals helpen, schoon de uitwerking niet schielyk volgt, maar eerst lang na het innemen van het gift bespeurd wordt. De zelve gevaarlyke konst is onder de Zwarten in Noord Amerika bekend, gelyk de ondervinding geleerd heeft. Egter zyn ’er weinig die het geheim weten, en die kennen ook het middel daartegen. Om die reden wanneer een Zwart zig vergeven voelt, en enen vyand kan bedenken die hem het vergift misschien gegeven heeft, gaat hy naar hem toe, en zoekt hem door gebeden en geschenken te bewegen om hem van het vergift te verlossen. Wanneer deze boosaardig is, ontkent hy niet alleen dat hy den ander vergift heeft ingegeven, maar ook dat hy ’er een middel tegens weet. Dit vergift doodt niet dan na enige jaren tyds. Dog van het ogenblik af dat men het in heeft begint men uitteteren en is men zelden meer gezond. De ongelukkige kan genoegzaam van het tydstip af dat hy het vergift in kreeg merken dat hy vergeven is. De Zwarten bedienen ’er zig gemeenlyk van tegens de zulken van hunne medeslaven die wel oppassen, van hunnen Heer bemind worden, en zig van zyne overige makkers schynt te willen afzonderen. Dikwyls zyn ’er ook andere oorzaken der vyandschap. Dog zeldzaam zyn de voorbeelden van slaven die hunne Heren hebben gezogt te vergiftigen. Veelligt komt dit van de zagte behandeling die zy hier ontvangen; of veelligt vrezen zy dat men het spoedig merken, en dat ’er dan gene straf te zwaar zyn zoude voor zulken slaaf.
Noit ontdekken zy waaruit dit vergift bestaat, maar houden het zeer geheim. ’T is waarschynlyk dat het iets zeer gemeens is, ’t welk men de gehele wereld over vinden kan, want waar zy zyn weten zy het zich gemakkelyk te bezorgen. Dus kon het niet ene plant wezen, gelyk vele geleerden hebben gedagt, want zulk ene plant zou niet overal te vinden zyn. Ik heb veel van Zwarten horen vertellen die op deze wys omgekomen waren. Alleen zal ik een voorval verhalen, dat gedurende myn verblyf alhier gebeurde. Een man had enen Zwart die hem zeer getrouw was, en zo wel oppaste dat hy hem voor twintig andere Zwarten niet zou gegeven hebben. Ook betoonde zyn Meester hem ene byzondere genegenheid, en het gedrag van den slaaf was ruim zo goed als dat van een Christen knegt. Hy verkeerde ook zo weinig als hy kon met de overige slaven, en om die reden hateden zy hem geweldig, dog hadden gene gelegenheid om hem het vergift in te krygen, dewyl hy weinig by hun was, schoon zy het dikwyls getragt hadden te doen. Egter gelukte het hun op ene kermis, als de arme slaaf in de Stad gekomen was, want hy woonde buiten. Zy verzogten hem met hun te drinken; hy weigerde het in ’t eerst, dog zy drongen hem zo sterk dat hy eindelyk genoodzaakt was hun genoegen te geven. Zo dra hy in de kamer kwam, namen zy ene kan van den muur, dronken hem toe, en wilden dat hy hun bescheid zou doen. Hy dronk, dog toen hy de kan van den mond nam, zeide hy, wat bier is dit? Het is vol van ——. Ik zegge met voordagt niet hoe hy het noemde, want het zal zekerlyk de naam geweest zyn van het vergift, waarmede de boosaardige Zwarten zo veel kwaads uitregten, en dat is overal te vinden. Het is beter dat het onbekend blyve, dewyl het tot te veel kwade oogmerken mogt gebruikt worden. De overige Zwarten en Zwartinnen begonnen te lacchen om de klagten van hunnen gehaten Landsman, dansten en zongen, als of zy ene uitmuntende daad gedaan, en eindelyk hun lang bedoelde wit bereikt hadden. De brave Zwart ging ten eersten naar huis, en vertelde dat hem de andere slaven vergeven hadden; en sedert begon hy uitteteren, zonder dat hem iets helpen konde. Hy stierf enigen tyd daaraan.
[Reis naar Rakoon.]
Den 7. December des morgens ondernam ik op nieuws een reisje naar Rakoon in New Jersey.
[Vermenigvuldiging der menschen hier te lande.]
Het schynt niet moeilyk te zyn reden te geven waarom de menschen hier sterker vermenigvuldigen dan in Europa. Zo dra een mensch den vereischten ouderdom heeft bereikt, kan hy zonder enige vrees voor armoede trouwen, want hier leggen zo veel vrugtbare landen onbebouwd, dat men zonder zwarigheid een nieuw stuk lands om te bebouwen krygen kan, waarvan men gemakkelyk met vrouw en kinderen kan bestaan. De imposten zyn zeer laag, en de vryheid is zo groot dat ieder zig als enen Vorst in zyne staten beschouwen mag. Ik zal hier door enige voorbeelden tonen wat uitwerkingen zulk ene gesteldheid hebben konne.
[Voorbeelden.]