Part 49
De prys van verscheiden dingen was thans gelyk ik ga opgeven, volgens onderrigting die ik by de voornaamste kooplieden ontvangen heb. Een middelmatig paard kostte 40. Francs en meer, een goed paard 100. Francs. Een koe werd gekost voor 50. Francs; dog voorheen had men ’er ene voor 10. Ecus kunnen kopen. Een schaap kostte nu 5. of 6. Livres. Een jarig varken, van 150. tot 200. pond zwaar, gold 15. Francs. De Heer Couagne zeide dat hy by de Wilden een varken van 400. pond gezien had. Een hoen kostte 10. of 12. Sols, en een kalkoen 20. Een minot weit wierd voorheen voor een Ecu, dog nu voor 40. Sols verkoft. De mais had denzelven prys als de weit, vermits men ’er hier weinig van had, en zy door hen die onder de Wilden gingen reizen opgekoft wierd. Een minot haver kostte somtyds 15. of 20. Sols, dog sedert enige jaren 26. of 30. De erwten golden even zo veel als de weit. Voor een pond boter gaf men gemeenlyk 8. of 10. Sols, maar in het voorgaande jaar wel 16. Sols. Twaalf eyeren kostten gemeenlyk 3. Sols, dog nu 5. Kaas maakt men hier niet, en men brengt ’er gene te koop, ten zy men ze ontbiede. Ene watermeloen kostte gemeenlyk 5. of 6. en als zy groot is van 15. tot 20. Sols.
[Handwerken.]
Handwerken waren ’er nog niet in ’t Land. Misschien wil Frankryk dat voordeel voor zig behouden. Dog in oorlogstyden bragt dit de Franschen hier te lande, zo wel als de Wilden hunne bondgenoten, in grote vergelegenheid.
[Huwelyken.]
Jonge lieden die zig in ’t huwelyk begeven willen moeten de toestemming van hunne ouders hebben. Dog als de ouders om redenen die niet voldoende zyn zig ’er tegenstellen, kan de Regter verlof om te trouwen geven. Een manspersoon van dertig en een meisje van zesentwintig jaar kunnen trouwen zonder de toestemming hunner ouders. De Priester kondigt, gelyk by ons, drie zondagen de huwelyksgeboden in de kerk af. Als ’er gene hindernissen komen verrigt hy de trouw in de kerk, in byzyn van meer of minder menschen, naar welgevallen. De Priesters staan niet ligt toe dat de trouw in huis geschiede.
[Reisje over het Eiland Montreal.]
Den 29. September, na dat de regen was opgehouden, ging ik na den middag op reis naar de zuidwestelyke zyde van het eiland Montreal, om het land en de levenswys der menschen daar te leren kennen, en zaden te vergaderen. Even buiten de stad lagen schone velden, die eertyds bebouwd waren geweest, dog nu tot weiden dienden. Naar het noordwesten zag men den hogen berg, die ten westen van Montreal legt, en die van beneden aan de Rivier af tot op den top toe zeer vrugtbaar en geheel bebouwd is. Aan den zuidoostelyken kant liep de St. Laurence, die hier zeer breed was, en op welks oever zig ruime koorn- en weilanden, met fraye stenen huizen, die op enigen afstand wit schenen, vertoonden. Ver naar het zuidoosten kreeg men de twee hoge bergen die by Fort Chamblais, en enigen die by het Meer Champlain leggen, in ’t gezigt. Zy keken over alle de bosschen heen. De weiden waren hier vry vol van grote en kleine rotsen, waaronder men nu en dan enen zwarten kalksteen vond. Omtrent ene Fr. myl van de stad begon de grote weg ter linkerhand langs de Rivier te lopen. Aan de regter hand was het land overal bebouwd en bewoond. De hofsteden lagen omtrent drie, vier of vyf Arpents van malkander. De oevers waren merendeels hoog en tamelyk steil, bestaande uit aarde, en onder dezelven was het vol van stukken rots en zwarten kalksteen. Twee mylen van de stad stroomt de Rivier zeer snel en is vol van stenen. Op sommige plaatsen gingen ’er zelfs sterke golven. Evenwel moesten zulken die met schuiten naar de zuiderdelen van Kanada gaan zig hier door arbeiden.
Digt by de stad stonden twee windmolens. De boerenhuizen waren in deze streek meest van steen, gedeeltelyk van zwarten kalksteen, gedeeltelyk van andere stenen, die men hier vindt. De daken waren met berden of met stroo gedekt. De gevel was altyd hoog en steil, en de schuren waren byna altyd van hout.
De wilde Ganzen en Enden begonnen thans in grote troepen naar het zuiden te trekken.
Ik besteedde den tyd tot op den 2. October om zaden te verzamelen. De vorst van tusschen den 1. en 2. October had ene grote verandering aan vele bomen en gewassen veroorzaakt. De walnootbomen lieten nu sterk hun blad vallen. De bladen der netels waren allen bevroren. Dat van de Amerikaansche linden was zeer beschadigd. De bladeren der kawoerden waren geheel bevroren. Dog de beuken, de eiken en de berken schenen niets geleden te hebben. Het veld was des morgens sneuwwit van den ryp; en op sommige plaatsen had het zo sterk gevroren dat men ’er over gaan kon. Het ys in de poelen was anderhalve lyn dik.
De Oenothera biennis wies vry menigvuldig op de boschagtige hoogtens en braaklanden. Een oude Franschman, die my begeleide, meende dat deze plant niet genoeg geroemd kon worden om hare wondhelende kragt. Men moest de bladeren kneuzen en dan op de wond leggen.
[Soeurs de Congregation.]
Een soort van geestelyke dogters, onderscheiden van de Nonnen, worden Soeurs de congregation genoemd. Dezen wonen in geen klooster, maar hebben huizen in de stad of op het land. Zy gaan waar zy willen, en mogen trouwen. Dog dit, zeide men, gebeurde weinig. Op verscheiden’ plaatsen op het land woonden twee of meer van deze Zusters by malkander, gemeenlyk digt by ene kerk, en zo dat den meesten tyd aan den enen kant de Priester en zy aan den anderen woonden. Hare bezigheden waren jonge meisjes in haren godsdienst te onderwyzen, te leren lezen, en somtyds ook schryven, en verder aangaande allerlei vrouwelyk handwerk te onderrigten. Bemiddelde lieden gaven hunne dogters by deze Zusters enigen tyd in den kost, voor enen redelyken prys. Het huis behorende aan de Gemeenschap, uit de welke deze Zusters naar het platte land gezonden worden, was te Montreal. Als ene Juffrouw onder het getal dezer Zusters wilde aangenomen worden, moest ’er eerst aan de Gemeenschap ene somme gelds betaald worden, die sommigen op vier duizend Livres begrootten.
[La Chine.]
La Chine was een frai Kerspel, drie Fr. mylen zuidwest van Montreal, op het Eiland van dien naam, aan de St. Laurence gelegen. De hofsteden lagen hier gewoonlyk langs de Rivier vier of vyf Arpents van malkander. Hier was ene fraye stenen kerk met enen toren. De plaats was zeer aangenaam. Zy had, zeide men, haren naam daarvan gekregen, dat de Heer Salée, die naderhand zo ongelukkig van zyn eigen volk, dieper in het land, vermoord wierd, en die zig zeer veel moeite gaf om enen korteren weg, dan de gewone is, door de St. Laurence naar China te vinden, van niets anders sprak dan van den korten weg naar China. Dog toen hy hier gekomen was geraakte de gehele aanslag door een onvoorzien toeval in duigen, zo dat hy noit in China kwam. Deze plaats kreeg hier van daan spotsgewyze den naam van La Chine.
[Terug reis naar Montreal.]
Des avonds van den 2. October keerde ik naar Montreal te rug.
[Regeering van Kanada.]
De Gouverneur Generaal te Quebec is de voornaamste persoon in Kanada, die over alle de overigen het bevel voert. Naast in rang aan hem volgt de Intendant te Quebec, en dan de Gouverneur van Montreal, en op dien die van Trois Rivières. De Intendant heeft een groot vermogen. Hy schiet al het geld der Kroon uit, en zit voor in den Raad der geldmiddelen en regtszaken. Egter staat hy enigermate onder de Gouverneur Generaal, wien hy gehoorzaamheid bewyzen moet. Des niettemin kan hy de zaak tot nauwer onderzoek naar Frankryk overbrengen. In elke van de twee Hoofdsteden is de Gouverneur de eerste persoon, dan een Luitenant Generaal, daarna een Major, en na hem de Kapiteins. De Gouverneur Generaal geeft zyne bevelen omtrent alles wat van gewigt is. Als hy te Montreal of te Trois Rivières komt, houdt voor dien tyd het gezag der Gouverneurs op. Hy gaat meest eens ’s jaars naar Montreal, en merendeels des winters, en gedurende zyne afwezigheid te Quebec voert daar de Luitenant Generaal het bevel. Als de Gouverneur Generaal komt te sterven of uitlandig is, komt de Gouverneur van Montreal zo lang te Quebec zyne stede vervullen. En als de Gouverneur van Montreal uit de stad is, gebiedt daar de Major der plaats.
[Schepen uit Frankryk.]
Alle jaren komt ’er uit Frankryk een of meer van ’s Konings schepen in Kanada, om nieuwe Soldaten, in plaats der verstorvenen, of zulken die den dienst verlaten hebben, te brengen. Geen jaar gaat ’er voorby dat niet honderd of honderd en vyftig mannen worden overgezonden. By die gelegenheid worden ’er ook vele lieden, die zig aan ’t invoeren van verbodene waren in Frankryk hebben schuldig gemaakt, herwaards gezonden. Voor dezen werden deze misdadigen op de galyen gebannen, dog tegenswoordig zendt men ze naar de Volkplantingen. Zo dra zy hier aankomen zyn zy vry, en kunnen zulk ene levenswys kiezen als zy willen, dog mogen zonder ’s Konings verlof niet weer naar Frankryk keren. Men laadt op de schepen ene menigte van koopwaren voor ’s Konings rekening, [Tollen.] om ze onder de Wilden nu en dan uittedelen. De Inwoonders van Kanada betalen den Koning genoegzaam niets. In ’t jaar 1748. begon ’er een tol van drie ten honderd gevorderd te worden van alles wat uit Frankryk herwaards gevoerd werd, zo wel als ene zekere som voor al het bontwerk dat van hier naar Frankryk werd gezonden. Dog van het geen van hier naar ene van de Fransche Volkplantingen, of van daar herwaards wordt gebragt, betaalt men niets. De Kooplieden van alle de Fransche plaatsen hebben vryheid schepen en goederen hier naar toe te zenden; en die van Quebec mogen insgelyks hunne koopwaren naar alle Fransche plaatsen voeren. Dog die van Quebec hebben gemeenlyk weinig schepen, dewyl het scheepsvolk hier te hoge soldy eischt, waarom de Kooplieden in Frankryk zelven hunne goederen hier naar toe zenden. De steden in Frankryk die den meesten handel op Kanada dryven zyn Rochelle en Bourdeaux, en na die Marseille, Nantes, Havre de Grace, St. Malo en anderen. De Koningsschepen, die jaarlyks op Kanada varen, komen of van Brest of van Rochefort. Dog naar de Fransche eilanden in de West Indien zenden de Kooplieden van Quebec zelven schepen met meel, weit, erwten, houtwaren, en diergelyken. De muren om Montreal werden, omtrent het jaar 1738. op ’s Konings kosten gebouwd, dog onder beding dat de stad den Koning van tyd tot tyd het geld terug betalen zou. Thans deed zy daarvan jaarlyks zes duizend Livres af, waarvan de Priesters tweeduizend Livres, en het overige de andere Inwoonders opbragten. Te Quebec heeft de Koning de muren op zyn eigen kosten doen opbouwen, zonder de Inwoonders daarmede te willen belasten, aangezien den tol, dien zy betalen moeten, waarvan gesproken is. De handel in Bevervellen behoort alleen der Indische Maatschappy in Frankryk toe, en niemant buiten hare bedienden mag dien dryven. Dog in ander bontwerk heeft ieder vryheid te handelen. Boven in het land zyn verscheiden’ plaatsen, Les Postes genaamd, waar de Franschen hunne pakhuizen hebben. De Koning heeft gene andere Vestingen in Kanada, als Quebec, Fort Chamblais, Fort St. Jean, Fort St. Frederic, Montreal, Frontenac en Niagara. De andere plaatsen behoren aan byzondere personen en kooplieden. De Koning dryft te Niagara zelf den handel. Ieder mag niet naar de Wilden reizen om handel te dryven, maar moet daartoe verlof hebben van den Gouverneur Generaal, voor welk verlof men ene zekere som betalen moet, naar mate ’er op de plaats waar men wil gaan handelen meer of min winst te doen is. Een Koopman die ene schuit met vier of vyf man, geladen met allerlei waren uitrust, moet vyf- of zeshonderd Livres betalen. Ja, zelfs zyn ’er plaatsen, voor de welken men tot duizend Livres betalen moet. Dikwyls kan men, hoe veel men ook biede, geen verlof krygen, wanneer namelyk de Gouverneur Generaal zulk ene plaats voor enen zyner vrienden schikt. De Gouverneur Generaal trekt wel dit geld, dog het is een gebruik dat hy ’er de helft van aan de armen geeft. Maar of dit altyd zo nauwkeurig wordt in agt genomen, is my onbekend.
[Godsdienst.]
De Godsdienst in Kanada is de Roomsche. Geen andere wordt hier geduld. En zulken die in Frankryk geweest waren getuigden dat het volk hier veel yveriger in den godsdienst was dan in Frankryk. Dog de gehele godsdienst scheen in uiterlykheden te bestaan. Geen mensch verstond iets van den dienst, die in ’t Latyn verrigt, en zo gerabbeld wordt dat iemant die ’t Latyn magtig is nauwlyks een woord onderscheiden kan. Alleen de preek geschiedt in ’t Fransch. Behalven by de Geestelyken van het mannelyke geslagt heb ik in geheel Kanada niet enen Bybel, ’t zy in ’t Latyn, ’t zy in ’t Fransch gezien, hoe ik ’er ook oplettede. De Maagd Maria wierd hier meer vereerd dan God zelf.
* * * * * * * * * * * * * * *
WAARNEMINGEN AANGAANDE HET WEDER IN PENSYLVANIE
IN DE JAREN 1748. EN 1749.
Op de eerste Kolom van deze Tafels zal men vinden den dag van de maand, op de twede het uur van den dag, toen de Waarnemingen gemaakt wierden, op de derde de hoogte van den Thermometer, op de vierde den Wind, en op de vyfde het Weder in ’t algemeen, als helder, betrokken, regen, enz.
De Thermometer dien ik gebruikt heb was die van Celsius, of de zogenaamde Zweedsche Thermometer. Om de graden boven het punt van Vorst te onderscheiden van die beneden hetzelve, heb ik het vriespunt aan gewezen met 00. en voor elken graad daar onder 0. gesteld. De getallen der halven voor de welken geen 0. staat duiden de graden boven het vriespunt aan. By voorbeeld: den 17. December 1748. is aangetekend dat de Thermometer des morgens om 8. uur was op 0 2. 5. Hy stond dan op 2. graden en 5⁄10 of ½ graad beneden het punt van Vorst. Maar om 2. uur na den middag was hy op 00. 0. of op het punt van Vorst. Stond ’er 00. 3., zou het betekenen dat de Thermometer tot op 3⁄10 graads beneden het Vriespunt gezakt was. Maar 0. 3. zou te kennen geven dat de Thermometer 3⁄10 graads boven het Vriespunt gerezen was. Dus, op den 18. December des morgens om 8. uur, wil 0 3. 0. zeggen 3. graden beneden het vriespunt, en 2. uur na den middag wil 4. 0. zeggen 4. graden boven het zelve.
De getallen in de Kolom van den Wind betekenen als volgt. 0. is stilte; 1. een klein koeltje; 2. ene frissche koelte; 3. ene sterke koelte; en 4. enen storm of orkaan. Als op sommige kolommen voor de Winden en het Weder maar eens op enen dag iets aangetekend staat, is het een teken dat de Wind en het Weder dien dag niet veranderd zyn. Dus, op den 21. December staat N. 0. Helder. Dit betekent dat de Weerhanen den gehelen dag Noordelyk gestaan hebben, dog dat men genen wind den gehelen dag gevoeld heeft, en dat het den gantschen dag Helder is geweest.
Voor dat ik in den zomer van 1749 naar Kanada ging, verzogt ik den Heer Bartram enige waarnemingen aangaande het weder in Pensylvanie te maken, ten einde de hette van den Zomer in dat gewest te kunnen bepalen. Met die inzigt liet ik hem enen Thermometer, en wees hem hoe hy ’er mede moest omgaan. Hy had de goedheid zyne Waarnemingen op zyn Landhuis, omtrent vier Eng. mylen ten zuiden van Philadelphia gelegen, aantetekenen. Men kan het hem ligt vergeven dat hy het uur, de sterkte van den Wind, en het Weder somtyds nagelaten heeft aanteschryven, vermits hy de handen met ene veel gewigtiger zaak vol had, namelyk het doen bebouwen van zyne gronden. Het geen hy gedaan heeft voldoet om een denkbeeld te krygen van de warmte der zomers in Pensylvanie.
* * * * * * * * * * * * * * *
AUGUSTUS. 1748.
DAG. UUR. THERM. WIND. WEDER.
1. 5. V. 20. 0. O. Z. O. 2. Helder. 2. N. 24. 5. O. 2. —— 2. 5. V. 22. 0. O. 2. —— 2. N. 24. 5. O. 2. —— 3. 5. V. 22. 0. O. 1. —— 2. N. 25. 5. Z. Z. W. 1. Betrokken met wat regen. 4. 5. V. 22. 0. Z. 1. By buyen helder en betrokken met regen. 1. N. 21. 0. Z. 1. 5. 5. V. 17. 0. Z. Z. W. 1. Meest regenagtig. 6. 7. V. 17. 0. Z. 2. Betrokken. 2. N. 19. 0. Z. 2. Meest helder, dog somtyds wat betrokken. 7. 5. V. 15. 5. Z. Z. W. 2. By buyen helder en betrokken. 8. 5. V. 18. 0. Z. Z. W. 0. Helder den gantschen dag. 3. N. 19. 0. Z. Z. W. 0. —— 9. 6. V. 17. 5. W. N. W. 0. —— 4. N. 21. 0. W. N. W. 1. —— 10. 6. V. 18. 5. O. 1. —— 3. N. 20. 5. O. 1. —— 11. 6. V. 17. 0. O. N. O. 1. Wat betrokken. ½. N. 18. 5. Z. W. 1. Helder. 4. — 22. 0. Z. W. 1. —— 6. — 22. 0. W. 3. —— 12. 6. V. 16. 0. N. W. 1. Betrokken, en om 10. uur een stofregen. 4. N. 19. 0. N. W. 1. By buyen, helder, betrokken en stofregen. 13. 6. V. 17. 0. W. N. W. 2. Betrokken met wat regen, nevelagtig, somtyds helder. 2. N. 18. 5. W. N. W. 2. 14. 5. V. 18. 0. W. Z. W. 0. Wat betrokken; helder van 11. V. tot 3. N. 4. N. 20. 0. W. Z. W. 0. Betrokken. 15. 5. V. 18. 0. W. Z. W. 0. Betrokken, somtyds helder, 10. V. een dunne nevel. 2. N. 19. 5. N. O. 2. 16. 6. V. 18. 3. N. N. O. 2. Wat betrokken, somtyds helder. 2. N. 19. 5. ————— Donker; ’s nagts regen. 17. 6. V. 18. 5. O. N. O. 2. Donker, met stofregen. 2. N. 19. 5. ————— Stofregen den gehelen namiddag. 18. 6. V. 19. 0. O. 2. Stofregen den gantschen dag. 2. N. 20. 5. —— —— 19. 6. V. 19. 5. —— Betrokken. 2. N. 20. 0. —— Wolkig. 20. 6. V. 19. 5. —— Helder. 2. N. 21. 5. —— Wolkig, somtyds regen. 21. 6. V. 20. 8. O. 1. Wat betrokken, helder om 9. 2. N. 21. 3. —— Dunne wolken. 22. 5. V. 21. 0. —— Helder. Om 12. begon het te betrekken. 1. N. 23. 5. O. Z. O. 1. Betrokken. 23. 5. V. 22. 2. —— Wolkig. 7. V. —— Z. O. 2. —— 2. N. 24. 2. —— Wolkig, tegens den avond donker. 24. 5. V. 23. 5. W. Z. W. 2. Zware regen. 6. — —— W. 2. —— 7. — —— W. N. W. 1. Begon het op te klaren. 9. — —— N. W. 1. —— 2. N. 23. 5. —— Wolkig. 25. 6. V. 24. 5. W. 1. —— 10. V. —— W. N. W. 3. —— 2. N. 23. 5. —— —— 26. 6. V. 24. 0. W. 2. Helder. Om 11. was ’er een grote kring om de Zon. 2. N. 24. 5. Z. W. 2. Donker; by ’t ondergaan der Zon de lugt zeer rood. 27. 6. V. 24. — W. Z. W. 1. Betrokken. Om 10. regen voor 11. — —— Z. O. 2. den gehelen dag. 1. N. —— O. 3. —— 4. — 21. 5. N. O. 4. —— 28. 7. V. 23. 0. N. 1. Wolkig. 2. N. 23. 5. —— —— 29. 6. V. 23. 5. Z. W. 1. Wolkig. 2. N. 25. 5. —— 3. —— Tegens den avond stofregen en blixem. 30. 6. V. 23. 5. N. W. 2. Wolkig; de lugt zeer koel. 2. N. 21. 5. —— —— 31. 6. V. 22. 2. Z. W. 1. Helder; op den middag begon het betrokken te worden. Des avonds donder, blixem, en zware regen. 2. N. 25. 0. —— 2.
SEPTEMBER. 1748.
DAG. UUR. THERM. WIND. WEDER.
1. 7. V. 20. 0. N. W. 2. Wolkig. 2. N. 21. 5. ———— Dryvende wolken. Regen en sterke wind den gehelen namiddag. 2. 6. V. 19. 0. N. W. 1. Wolkig den gehelen dag. 2. N. 20. 5. N. W. 0. ’s Avonds een kring om de Maan. 3. 6. V. 21. 5. W. Z. W. 0. Wolkig. 2. N. 23. 0. Z. 1. Meer wolken. Des avonds een kring om de Zon. 4. 6. V. 23. 3. O. 1. Wolkig. 12. — 27. 5. O. Z. O. 1. —— 2. N. 24. 0. ———— —— 5. 6. V. 24. 5. Z. O. 3. —— 12. — 26. 5. ———— —— 6. 6. V. 27. 0. Z. O. 2. —— 1. N. 28. 5. ———— —— Des avonds een grote kring om den Maan, en de lugt zeer rood. 7. 6. V. 27. 5. O. 3. Betrokken; de Zon brak egter nu en dan door. 12. — 28. 5. N. O. 2. Wolkig. 8. 6. V. 26. 0. N. N. O. 2. Wolkig den gantschen dag. 1. N. 26. 5. ———— —— 9. 6. V. 24. 5. N. 1. Wolkig den gantschen dag. 1. N. 24. 5. —— —— 10. 5. V. 24. 0. N. N. W. 1. Helder. 1. N. 24. 5. ———— —— 11. 6. V. 23. 2. W. N. W. 1. —— 2. N. 25. 0. ———— —— Des avonds een kring om de Maan. 12. 6. V. 24. 0. 0. Helder,en zeer heet. ½. N. 26. 0. —— —— 13. 5. V. 25. 5. Z. O. 1. Helder. 1. N. 26. 5. ———— —— 14. 6. V. 25. 5. Z. O. 1. Helder; dog de wind den gehelen dag koel. 1. N. 26. 5. ———— —— 15. 5. V. 23. 0. Z. O. 1. Wolkig. 1. N. 27. 5. ———— Hoe langer hoe meer betrokken. Des avonds en des nagts sterke regen en wind. 16. 5. V. 21. 5. N. N. O. 1. Sterke regen den gantschen dag. 2. N. 21. 5. ———— —— 17. 5. V. 25. 5. N. W. 1. Betrokken. 1. N. 21. 0. ———— Wolkig. 18. 6. V. 13. 0. 0. Helder. 19. 1. N. 24. 5. N. N. O. 1. Helder den gantschen dag. 20. 6. V. 14. 0. N. O. 1. Wolkig. 21. 6. V. 11. 0. N. O. 0. —— 1. N. 23. 0. ———— —— 22. 7. V. 10. 5. N. O. 1. Helder. 1. N. 25. 0. ———— —— 23. 6. V. 11. 0. N. N. O. 1. Helder. 2. N. 28. 0. ———— —— 24. 6. V. 14. 0. N. O. 1. Helder. 2. N. 28. 0. ———— Betrokken; ’s avonds en ’s nagts regen. 25. 6. V. 18. 0. N. W. 1. Betrokken, om 8. uur wolkig. 2. N. 28. 0. N. O. 1. Wolkig. 26. 6. V. 15. 5. N. N. O. 1. Helder. 2. N. 27. 5. ———— ——
28. 6. V. 14. 0. N. O. 1. Helder en betrokken, beurtelings. 2. N. 20. 0. ———— —— 29. 7. V. 15. 5. N. O. 1. Betrokken. 1. N. 20. 5. ———— Fyne stofregen. 30. 7. V. 16. 0. N. O. 0. Helder en betrokken by buyen.
OCTOBER. 1748.
DAG. UUR. THERM. WIND. WEDER.