Part 48
Men vindt twederlei soort van Vrouwen in Kanada. Het eerste bestaat uit zulken die in Frankryk geboren en herwaards overgekomen zyn, het twede uit inboorlingen van het land. Die van het eerste soort bezaten al het bevallige dat der Fransche natie eigen is. De Inboorlingen kunnen weder in twee soorten onderscheiden worden, namelyk in die van Quebec en in die van Montreal. Die van Quebec geven die in Frankryk geboren waren nauwlyks iets in welgemanierdheid toe, dewyl zy alle jaren gelegenheid hebben met vele Heren en Vrouwen van aanzien, die met de schepen overkomen, te verkeren, en die hier enige weken verblyven, en dan weder naar Frankryk keren. De Juffrouwen van die Stad worden beschuldigd zig door den hoogmoed der Wilden te hebben laten besmetten, en verstoken te zyn van de Fransche wellevendheid. Het geen ik boven van de vrouwen van Montreal gezegd heb, dat zy namelyk veel werks maken van wel gekruld en gekapt te zyn, is ook waar van doorgaans alle de vrouwen door het gehele land. Het hair moet alle dagen gepoederd wezen, al komen zy niet buiten hare kamers, en al hebben zy anders maar een kort smerig jakje en enen slegten rok aan, die pas ter helft van de benen reikt. Des zondags en als zy gezelschap wagten of een bezoek gaan geven, zyn zy inzonderheid in allen haren luister. Dan schikken zy zig op als of hare voorouders de eerste personadien van het Ryk waren geweest. Dit geeft zulken, die de zaken wat grondig inzagen reden om te klagen, dat by het grootste deel der vrouwen de gewoonte is ingeslopen van voor niets anders dan voor den opschik te zorgen, en daar voor niets te ontzien. Niet weinig zyn zy oplettend op de nieuwste Modes, om hare beste en kostbaarste klederen naar de zelven te veranderen en te versnipperen. Ook lacchen zy malkander niet weinig uit als ’er iets aan ontbreekt. Maar het moiste is, dat het geen zy voor nieuwe Modes houden in Frankryk reeds al lang is agter de bank gesmeten, dewyl de schepen maar eens in ’t jaar aankomen, en dus de Modes al een jaar moeten oud zyn voor dat zy ze krygen. Ook maakt men haar wel wat wys, en verkoopt haar iets voor nieuwerwetsch dat al lang heeft uitgediend. Noit heb ik zo zeer als te Montreal gezien dat zy enen vreemdeling uitlachten wanneer hy zig niet volkomen wel uitdrukte. Dog zy zyn enigsins hier omtrent te verschonen. Men lacht gemeenlyk om het geen ons als ongewoon voorkomt, en belacchelyk schynt. In Kanada hoort men geen Fransch spreken dan van geboren Franschen, want vreemden komen hier zelden. Zelfs de Wilden houden zig volgens hunnen aangeborenen hoogmoed te goed om Fransch te spreken, en dwingen de Franschen om hunne taal te gebruiken. Hier komt het natuurlyk uit voort dat de fyne oren der Kanadasche vrouwen niet zonder lacchen iets dat haar ongewoon is horen kunnen. Ene der eerste vragen, die zy enen vreemdeling doen, is, of hy gehuwd is; de twede, hoe hem de vrouwen in Kanada bevallen, en of zy schoonder dan in zyn land zyn; en de derde, of hy ’er niet ene van mede naar zyn vaderland zou willen nemen. Maar het kwam my voor dat ’er enig onderscheid tusschen de vrouwen van Quebec en Montreal was; die van de laatste plaats schenen wat aangenamer dan de anderen te zyn. Die te Quebec kwamen my voor wat zeer vry te wezen, dog die van Montreal minder. De ongetrouwde vrouwen byzonderlyk waren te Quebec niet zeer arbeidzaam. Een meisje van agttien jaren wordt voor ongelukkig gerekend als zy niet ten minsten een twintig vryers of meer kan opnoemen. De jonge Juffrouwen, vooral de aanzienlyksten, doen zelden iets anders dan ten zeven uur optestaan, tot negen uur bezig te zyn met poederen en kappen, en met ondertusschen koffi te drinken. Als zy wel opgeschikt zyn gaan zy voor een open venster aan straat zitten, nemen enig naiwerk in de hand, en doen nu en dan een steek, maar de ogen zyn het meest op straat. Als dan een jong heer, hy mag ene kennis of een vreemdeling zyn, inkomt, wordt het werk schielyk uit de hand gesmeten, en zy gaan naast hem zitten snappen, lacchen, gekken, en dubbelzinnigheden zeggen, het welk dan heet geestig te zyn. Dus gaat dikwyls de gehele dag voorby. De moeder is dikwyls bezig in de keuken, terwyl de dogter de heren onderhoudt. Te Montreal zyn de meisjes zo wild niet, en werkzamer. Zy zitten daar byna altyd te werken, en doen ook veel in ’t huishouden. Zy zyn zeer vrolyk en vriendelyk, en het ontbreekt haar niet aan verstand of bevalligheid. Haar enig gebrek is wat te veel met zig zelven ingenomen te zyn. Egter schamen zy zig niet, zelfs die van den eersten rang zyn, naar de markt te gaan, om watermeloenen, kawoerden en andere eetwaren te kopen, en die zelven naar huis te dragen. Zy zyn vroeg op. Dog my werd verzekerd dat zy in ’t algemeen niet te breed bemiddeld waren. De inkomsten der menschen zyn hier gemeenlyk gering, en het getal der kinderen is groot. Ook is het voor de meisjes te Montreal spytig dat die van Quebec merendeels eerder aan den man raken dan zy, dewyl verscheiden Fransche jonge heren, die met de schepen overkomen, daar door de liefde getroffen worden en trouwen, een geluk dat den meisjes van Montreal zelden gebeurt, dewyl die heren daar weinig komen.
[Reis naar Saut au Recollet.]
Den 23. Sept. ging ik naar Saut au Recollet, drie Fr. mylen noordwaards van Montreal, om planten, stenen, en diergelyken te bezigtigen, en zaden te vergaderen. Digt by de stad hadden wy landhoeven aan beide de zyden van den weg. Daarna wierd het land boschryk en vry oneffen. Somtyds was het hoog, somtyds laag en moerassig. Doorgaans was het zeer vol stenen, zo van rots als van een soort van grauwen kalksteen. De wegen waren zo slegt dat ik werk had met ene chaise voorttekomen. Een weinig voor dat ik te Saut au Recollet kwam eindigden de bosschen, en het land was bebouwd of tot weiland gemaakt. Dog de gantsche weg had niets waardoor hy in aangenaamheid met de anderen hieromheen kon vergeleken worden.
[Kalkovens.]
Omtrent ene Fr. myl van de stad waren twee kalkovens aan den weg. Zy waren van buiten van grauwen hard gebranden kalksteen, en van rotssteen digt aan het vuur. De hoogte van den oven bedroeg drie vadem.
De Kalksteen, dien men hier brandt, is van twederlei soort. Het ene is zo digt dat men de deeltjes ’er van onderscheiden kon, uitgenomen hier en daar enige weinige witte of ligt grauwe spaathkorrels. Somtyds vond men ene kleine spleet die met enen witten fynen spaath gevuld was. Ik kon ’er gene versteningen in ontdekken, schoon ik ’er nauwkeurig naar zogt. Men vond deze stenen doorgaans op het eiland Montreal, zo dat in het graven men ter diepte van ene halve of gehele el op de zelven stiet. Zy liggen in beddingen, waarvan elke omtrent een vierde of ene halve el dik is. Deze steen wordt geagt den besten kalk te geven. ’T is waar, hy is zo wit niet als die van het andere soort komt, egter heeft hy de eigenschap van de muren zo hard als een steen zelven te maken, en dat hoe langer hoe meer. Daar zyn voorbeelden dat als men de muren wilde veranderen de keistenen waaruit die gebouwd waren eerder dan de kalk zelf konden gebroken worden.
Het andere soort was een grauwe en somtyds een donker grauwe kalksteen. Hy bestond uit kleine digte deeltjes, vermengd met grauwe spaathkorrels, somtyds was hy ook vry grofkorrelig. Aan stukken geslagen rook hy sterk naar stinksteen. Dikwyls was hy geheel vol van Pectinites. Dog de meesten van deze versteningen waren slegts indrukken van de bolle zyden der schelpen. Evenwel zag ik enige stukken van de schelpen zelven, die in steen veranderd waren, indien ik anders geloven zal dat deze schalen voorheen zelfs mosselschelpen geweest zyn, en niet een byzonder soort van steen; want ik zogt op de oevers te vergeefs naar deze schelpen. Ook schynt het onbegrypelyk te zyn hoe ’er ene zo ongelooflyke menigte van indrukken van schalen by een zoude gekomen zyn, want somtyds kreeg ik grote stukken van dezen kalksteen die byna uit niets anders dan vlak by een leggende Pectinites bestonden. Dezen steen trof men op verscheiden’ plaatsen van het eiland aan, waar hy ook in horizontale beddingen een vierde of een halve el dik, ligt. Hy geeft zeer veel kalk; dog die wordt voor zo goed niet als de vorige gehouden, en men zeide dat hy by nat weder vogtig wordt, het geen de andere niet heeft.
Het dennenhout werd het best gehouden om kalk te branden, en daarna het hout van de Thuya. Dog dat van den suikerahorn en diergelyke bomen agtte men ’er niet goed toe, omdat het te veel kolen geeft.
Grauwe stukken van rots vertoonden zig hier en daar in het bosch en op de velden.
De bladeren van verscheiden bomen en gewassen, gelyk als van den roden Ahorn, de Rhus glabra, het Polygonum sagittatum, en de Varen, begonnen thans ’er geelagtig uit te zien.
Een groot kruis stond ’er op ene plaats nevens den weg. De jonge, die my voor gids diende, zeide dat daar iemant begraven lag die grote wonderwerken verrigt had. De voorby reizenden groeten het kruis. Op den middag kwam ik te Saut au Recollet aan.
[Saut au Recollet.]
Saut au Recollet is een klein kerspel, leggende aan enen arm van de St. Laurence, die met groot geweld tusschen het eiland van Montreal en Isle de Jesus doorstroomt. Met heeft zynen naam gekregen van een voorval dat daar in ’t jaar 1725. een Bedelmonnik, Nicolas Viel geheten, had. Hy was met enen bekeerden Huron in een schuitje gegaan om naar Quebec te varen, dog het schuitje sloeg om, en men dagt dat de Wilden met voordagt dit veroorzaakt hadden. De Monnik en de Bekeerling verdronken; maar de Wilden zwommen aan land, en bergden het goed van den Monnik, dat zy voor zig behielden. Het land hieromstreeks is stenig, en nog niet lang bebouwd geweest. De oude lieden, die hier woonden, verzekerden, dat in hunne jeugd byna overal een zwaar geboomte stond daar nu akkers en weiden zyn. De Priesters zeiden, dat hier voorheen een dorp van Hurons geweest was, die tot den Christelyken godsdienst bekeerd waren geworden. Dezen woonden ten tyde van de aankomst der Franschen hier te lande op den hogen berg, die op den afstand van de stad Montreal lag. Dog de Franschen bewogen hen wegtetrekken, en hun het land te verkopen. Zy zetteden zig toen hier neder; en de kerk die ’er nu staat is voor de Wilden gebouwd. Ook hebben zy daar vele jaren hunnen godsdienst verrigt. Toen de Franschen op het eiland Montreal menigvuldiger wierden, wilden zy alleen dat eiland bezitten, en overreedden derhalven de Wilden hun ook deze plaats te verkopen, en zig verder heen te begeven. Naderhand hebben de Franschen, de Wilden, om hun geweldig suipen en wild en woest leven, niet gaarn by zig willende hebben, hen nog eens bewogen te verhuizen, en zig by Lac des deux Montagnes nedertezetten, waar zy nog tegenswoordig zyn, en ene fraye stenenen kerk hebben. De kerk te Saut au Recollet was van hout, zag ’er oud en vry bouwvallig uit, schoon zy van binnen nog enigermate in staat was, en van de Franschen gebruikt werd. Men had reeds een deel steens aangebragt, waarvan men voornemens was in ’t kort ene nieuwe kerk te bouwen.
De kruidkundige waarnemingen die ik hier maakte spaar ik voor een ander werk.
[Vogtigheid.]
Schoon ’er in verscheiden’ dagen geen regen gevallen was gaf egter de grond zo grote vogtigheid op, dat enige papieren, waarin ik myne zaden vergaderde, en die ik in de schaduw op de aarde gelegd had, binnen weinig minuten zo nat wierden dat ik ze niet gebruiken kon. Des niettemin had men den gantschen dag den klaarsten zonneschyn, en ene zo onverdraaglyke hette, als was het nog in ’t midden van Juli geweest.
[Akkers.]
De helft van de koornvelden laat men by beurten braak leggen. De braaklanden worden in den zomer noit omgeploegd, zo dat het vee ’er op kan weiden. Al het koorn is hier zomerkoorn, gelyk ik al heb aangemerkt. Sommigen beploegen de braaklanden laat in ’t najaar, anderen stellen dat uit tot in de lente; dog men zegt dat het eerste beter is. De weit, de garst, de rogge en de haver worden geëgd, dog de erwten onder geploegd. Men zait gemeenlyk omtrent den 15. April, en begint met de erwten. Van alle de soorten van erwten, die men hier heeft, geeft men de voorkeur om te zayen aan de groenen. Zy vorderen enen hogen, drogen, schralen grond, vermengd met grof zand. De oogst begint in ’t midden of het einde van Augustus. De weit geeft gemeenlyk vyftien en somtyds twintig voor een, de haver van vyftien tot dertig. De oogst der erwten is somtyds veertig-, en somtyds maar tienvoud. Men heeft hier geen akkergereedschap behalven den ploeg en de egge, en die zyn nog niet al te wel gemaakt. De mist wordt in de lente op het land gebragt. De grond bestaat uit ene grauwe, stenige, met klei en zand vermengde aarde. Men zait maar weinig garst, en dat nog alleen voor het vee. Men maakt ’er geen mout van. De haver wordt sterk gezaid, dog alleen tot voeder voor de paarden. Men wist hier de bladeren van ’t geboomte niet tot voeder voor het vee te gebruiken, schoon men gene andere bomen in de bosschen vindt dan die hun blad laten vallen, en men het vee vyf maanden op stal voeden moet.
Ik heb reeds meer dan eens gezegd dat al de weit, die in Kanada gezaid wordt, zomerkoorn is. By Quebec gebeurt het somtyds dat, als de zomer niet zo warm is, of de lente later begint, als naar gewoonte, een groot deel van de weit niet ryp is voor dat de koude invalt. My wierd verzekerd dat sommigen op Isle de Jesus in den herfst weit zayen, die beter en harder is, en enen rykeren oogst geeft dan de zomerweit: dog zy wordt niet meer dan ene week voor de andere ryp.
Om de akkers had men hier op verscheiden’ plaatsen stenen betuiningen gemaakt. De menigte van steen die ’er te vinden was maakte dat dit weinig kostte.
[Beuken.]
In de bosschen vindt men veel Beukenbomen, welker zaden nu ryp waren. Men verzamelt die zeer sterk, droogt ze in huis, om des winters in plaats van wal- of hazelnoten te eten. En men zeide dat zy tamelyk goed smaakten.
[Zoutbron.]
Daar is, gelyk my de hierstaande Priester onderrigtte, ene Zoutbron, zeven Fr. mylen van hier by de Rivière d’Assomption, van welker water men in oorlogstyden een zout gemaakt heeft dat volkomen met het Luneburgsche overeenkwam. Het water heeft vry veel zouts in zig.
[Vrugtbomen.]
Sommige soorten van Vrugtbomen nemen zeer wel op omstreeks Montreal. Ik heb ’er velerlei soorten van schone appelen en peren gezien. By Quebec willen de peren niet slagen, dewyl de winters daar te sterk zyn; ook vriezen die bomen by Montreal somtyds dood. Pruimbomen zyn hier overgebragt en komen zeer wel voort. In de bosschen groeyen drie soorten van inlandsche walnoten. Dog de notenbomen die uit Frankryk overgebragt worden vriezen alle winters dood tot aan de wortels toe, en geven met het voorjaar nieuwe uitspruitsels. De persiken nemen hier niet wel op, en moesten des winters uit voorzorg gedekt worden. Kastanje-, moerbezie- en diergelyke bomen had men nog niet.
[Landeryen.]
Gantsch Kanada, zo ver als het bebouwd is, is door den Koning aan de Geestelykheid of enige Heren van aanzien weggeschonken. Waar het land nog onbebouwd is komt het geheel den Koning toe. Ook behoort de plaats waarop Quebec en Trois Rivières staan den Koning; dog die waarop Montreal gebouwd is met het gehele Eiland van dien naam, hebben de Priesters van de order van St. Sulpicius te Montreal in eigendom. Zy hebben het land aan boeren en anderen voor ene zekere jaarlyksche som verhuurd; en alles is zo wel verpagt dat ’er niets meer te verpagten over is. Die zig hier het eerst nederzetteden kregen hunne landeryen voor enen zeer geringen prys, want voor ene hofstede van drie Arpents in de breedte en dertig in de langte bestond de hele huur dikwyls maar in een paar hoenders. Anderen betalen voor zulk een land dertig of veertig Sols in ’t jaar. Die naderhand zulk een stuk gepagt hebben moeten tot twee Ecus betalen. De huren zyn op deze wys het gehele land door zeer ongelyk; en de ene nabuur betaalt dikwyls driemaal zo veel als de andere. De Bisschop van Kanada heeft geen land. De kerken worden op kosten der gemeentens gebouwd en onderhouden. Buiten den tol der waren die hier worden ingescheept, trekt de Koning van Frankryk gene inkomsten uit Kanada.
[Molens.]
De Priesters van Montreal hebben hier enen molen. Het vierde van dat ’er op gemalen wordt komt hun toe, dog hiervan heeft wederom de Molenaar een derde. Op andere plaatsen heeft hy de helft. Somtyds verpagt men ook wel den molen. Buiten hem mag niemand op het Eiland Montreal enen molen aanleggen. Volgens ene overeenkomst tusschen de Priesters en de Inwoonders van Montreal zyn de laatsten verpligt al hun koorn op de molens der eersten te laten malen.
[Suiker.]
Men kookt in Kanada veel suiker uit het sap dat in ’t voorjaar uit de insnydingen in den Suikerahorn, den roodbloemigen Ahorn, en den Suikerberk loopt. De suikerahorn wierd daar byzonder toe genomen. De wys van suiker te bereiden heb ik breedvoerig in de Verhandelingen der Koninglyke Maatschappy voor ’t jaar 1751. beschreven.
[Terugreis naar Montreal.]
Den 26. September keerde ik weer terug naar Montreal. Alles begon ’er nu herfstagtig uittezien. De bladeren waren geel of rood. De meeste planten waren hare bloemen kwyt. Ik tekende die weinigen aan, welken nog in bloei stonden, en dezen waren de volgende: Verscheiden’ soorten van Asteres, witten en blauwen, de Solidagines, ’t Achillea millefolium, de Prunella vulgaris, de Carduus crispus, de Oenothera biennis, de Rudbeckia triloba, de Viola Canadensis, de Gentiana Saponaria.
De wilde wyngaarden waren hier talryk, en klommen boven op het geboomte.
[Spys der Wilden.]
Ik vernam by velen, die ver ten noorden en ten zuiden onder de Wilden gereisd hadden, waarin de spyzen derzelver voornamelyk bestonden. Het antwoord was, dat zy die ver naar ’t Noorden wonen noit iets planten, dewyl ’er van wegens de felle koude gene tuin- of veldvrugten voort willen. Zy hebben geen brood, en eten niets het geen uit het plantenryk genomen wordt, maar leven alleen van vleesch en visch, voornamelyk van bevers, beren, rendieren, elanden, hazen, gevogelte en allerlei visch. Daarentegen planten die Wilden, welken meer zuidwaards wonen, mais, verscheiden soorten van wilde bonen, kawoerden, squashes, watermeloenen, en meloenen. Alle deze gewassen hebben zy reeds voor de aankomst der Europers gehad. Behalven dat eten zy verscheiden soorten van vrugten die by hen in de bosschen groeyen. Van visch en het vleesch van wilde dieren maken zy groot gebruik. Inzonderheid gevalt hun dat van wilde runderen, reebokken, herten, beren, bevers, en enige andere viervoetige dieren. Onder hunne lekkernyen behoort de Zizania aquatica, die de Franschen Folle avoine noemen, welke overvloedig in hunne meren en zagtvlietende wateren wast. Zy verzamelen ze in September en October, en maken ze op meer dan ene wys klaar, zo dat zy weinig in smaak voor de ryst wykt. Ook hebben zy menigen goeden maaltyd van velerlei soorten van walnoten, kastanjes, moerbezien, acimine [356], chinquapins [357], hazelnoten, persiken, wilde pruimen, wilde druiven, braam, mispelen, en andere vrugten en wortelen, die men in de bosschen vindt. Aanmerkenswaardig is het dat de in de oude wereld gewone granen, als weit, rogge, garst, en zo verders, voor de aankomst der Europers hier niet bekend geweest zyn; en dat de Wilden, schoon zy de voordelen voor hunne ogen zien, die de Europeanen van deze granen trekken, en zy zelven gaarne het daarvan gemaakte brood eten, niet de minste moeite willen doen om dezelven aantekweken.
[Bevers.]
Van Bevers wordt ’er ene grote menigte in Noord Amerika gevonden. Zy maken enen van de gewigtigste takken van den handel uit. De Wilden leven een groot deel van het jaar alleen van hun vleesch. Zeker is het, dat deze dieren sterk vermeerderen. Maar het is niet minder zeker, dat zy alle jaren sterk vernield worden, en dat de Wilden tegenswoordig genoodzaakt zyn veel verder te reizen en langer uitteblyven, wanneer zy op de beverjagt gaan, dan voorheen. En hierover behoeft men zig niet te verwonderen. Voor de aankomst der Europeanen vingen ’er de Wilden niet meer dan zy voor hun onderhoud en hunne kleding jaarlyks van noden hadden. Maar tegenswoordig wordt ’er sterke handel in beverhuiden gedreven, en vele schepen gaan ’er jaarlyks naar Europa, welker voornaamste lading uit bevervellen bestaat. De Franschen en de Engelschen zoeken malkander dezen handel te ontdrayen, door de Wilden rykelyk te betalen. Dit moedigt hen aan om deze dieren op allerlei wyzen te verdelgen. Oude menschen in Kanada zeiden dat in hunne kindschheid alle de stromen vol van bevers en beverdammen waren, niet alleen rondom Montreal, maar overal in de nabuurschap. Dog tegenswoordig zyn zy daar zo uitgeroeid dat men enige mylen ver moet reizen om ze te vinden. Ik heb reeds aangemerkt, dat hoe meer noordwaards de bevers gevangen worden hunne vellen des te beter zyn.
Het vleesch der bevers wordt niet alleen van de Wilden, maar ook van de Europeanen, inzonderheid de Franschen op hunne vastendagen, veel gegeten, want de Roomschen hebben, gelyk velen uit de Ouden, den bever onder de visschen gesteld. Het vleesch wordt voor beter gehouden als de bever meest van gewassen geleefd, dan wanneer hy veel visch gegeten heeft. Ik proefde den 27. September voor het eerst van deze spys. De meesten houden het bevervleesch voor een lekker geregt, en my dagt dat het zig wel eten liet, dog lekker kon ik het niet vinden. Gekookt zynde zag het ’er vry zwart uit, en had enen vreemden smaak, ik weet niet waar naar. Om het goed te krygen, moet het zo als ’t in den pot komt in gedurig vervarscht water koken, om ’er den vreemden smaak dien het heeft aftekrygen. Den staart dischte men eerst gekookt, en naderhand gebraden, op enen byzonderen schotel op. Maar hy bestond genoegzaam uit louter vet, schoon men het zo niet noemen wilde, en zeide dat dit den staart eigen was. Het was zo wonderlyk van smaak, dat iemant die ’er niet aan gewend was het bezwaarlyk konde binnen krygen.
Aangaande de dammen en andere werken der bevers is reeds zo veel geschreven, dat wy het niet herhalen zullen. Somtyds, dog zelden, heeft men bevers gevangen die wit waren.
[Wyn.]
Wyn was de enige drank, welken alle menschen die iets meer dan gemeen willen zyn, gebruiken. ’T is waar, men brouwt hier uit een soort van sparreboom [358] een Bier, dat des zomers gedronken wordt. Dog dit Bier wordt niet van de aanzienlykste lieden gebruikt. De rode Fransche wyn wierd het meeste, de witte ook wel nu en dan, gedronken. Hier uit kan men opmaken hoe veel Frankryk jaarlyks voor zyne wynen uit Kanada trekt, dewyl men daar genen wyn maken kan. De gemene man vergenoegt zig met zuiver water. Bier uit mout te brouwen is hier nog niet in gebruik, en de appelboomgaarden zyn nog niet in dien staat gebragt dat men ’er cyder van maken kan. De een of de ander, die veel appelbomen had deed wel enigen cyder perssen, dog alleen maar voor ene aardigheid. Zulken, die zig van jongs af aan den wyn gewend hadden, zyn in oorlogstyden zeer in verlegenheid, als de schepen die wyn overbrengen onder weg genomen worden. Op het einde van den vorigen oorlog gaf men voor een oxhoofd, of Barrique, tweehonderd en vyftig Francs, of tweehonderd Ecus; en men had nog werk hem daar voor te krygen.
[Prys van verscheiden’ dingen.]