Reis door Noord Amerika

Part 47

Chapter 473,224 wordsPublic domain

De watermeloenen zyn zeer sappig, en het sap is met het vleesch vermengd. Daarenboven is het zeer verkoelend, het welk in de hette zeer verkwikkend is. Men wist niet dat ’er iemant in Kanada, te Albany en in New York, zig kwalyk van bevonden had, al had men ’er wat veel van gegeten. Zelfs bragt men voorbeelden by dat zieken ’er zonder nadeel van gegeten hadden. Maar verder naar het zuiden agt men dat zy afgaande koortsen veroorzaken, vooral by menschen die ’er niet aan gewend zyn. De Franschen zeggen dat als menschen, die in Kanada geboren zyn, in ’t Land der Illinoizen komen, en daar enige malen van de watermeloenen eten, ten eersten de koorts van krygen; dat derhalven de Illinoizen hen waarschuwen van niet te eten van ene zo ongezonde vrugt. De Illinoizen zelven zyn aan koortsen onderworpen, als zy hunne magen te veel met deze spys verkouden. In Kanada bewaart men ze op plaatsen die matig warm gehouden worden; en op deze wys kunnen ze twee maanden na dat zy ryp geworden zyn goed blyven, maar men moet voor de vorst zorgen. De Engelschen bewaren ze een gedeelte van den winter over in droge kelders. Zy bleven, zeide men, langer goed als men de plaats daar zy van den steel afgebroken waren met een gloeyend yzer brandde. Op die wys kan men ze nog op kersmis en later hebben. In Pensylvanie, waar de grond droog en zandig is, maakt men een gat in den grond, en legt ze met hunne stelen daarin, met aarde ’er over heen; en dan blyven ze zo een tamelyk stuk van den winter over goed. Egter nemen weinig menschen die moeite ’er mede, om dat het niet ene zeer geschikte vrugt is om in de koude te eten. Men verbeeldt zig hier dat komkommers meer verkoelen dan watermeloenen. De watermeloenen dryven het water sterk af. De Iroquoizen noemen ze Onoheserakahtie.

[Kawoerden.]

Kawoerden van allerlei soorten, langwerpige, ronde, platte, kromhalzige, zeer kleine, en andere, worden door de Engelschen en de Franschen overal geplant. In Kanada maakten zy met de uyens by de Boeren het voornaamste van hunne moeskruiden uit. Onder de Engelschen was ’er niet een Boer die niet een groot stuk lands met kawoerden bepoot had. De Zweden, Duitschers en Hollanders teelden ’er ook zeer veel. De Wilden leefden ’er gedeeltelyk van. Dog dezen plantten meer Squashes dan eigenlyke kawoerden. Zy zeiden zelfs dat zy ’er reeds voor de aankomst der Europers al gehad hadden. Ook gewagen de eerste Europische Reisbeschryvers van de kawoerden als ene gewoonlyke spys der Wilden. De Franschen noemden ze Citrouilles en de Engelschen Pumpkins. In ’t voorjaar, als ’er gene vorst meer te wagten is, worden zy op den kouden grond in de open lugt gezet. Ook zet men ze wel op oude mistbedden. In Kanada worden zy in ’t begin van September ryp; dog in de Engelsche Volkplantingen en meer zuidwaards heb ik ’er al op ’t einde van Juli ryp gezien. Zodra zy beginnen ryp te worden, plukt men ’er enigen af om te gebruiken. De overigen laat men op ’t veld tot dat men voor de koude begint te vrezen. Dan brengt men ze in huis. Dit geschiedde nu te Montreal in het midden van September N. S. Dog in Pensylvanie heb ik ze nog den 19. October op ’t land zien staan. Somtyds zyn zy nog niet volkomen ryp als men ze plukt, dog zy worden in huis wel ryp als men ze maar van malkander leggen laat. In droge en warme kelders blyven zy wel enen gehelen winter goed, en nog beter in kamers daar gestookt wordt.

Men bereidt hier de kawoerden op velerlei wyzen. De Wilden koken ze zo heel als zy zyn, of braden ze in de asch, en brengen ze dan te koop. Dus toegemaakt smaken zy zeer wel. De Franschen en Engelschen snyden ze in stukken, en braden ze. Ook snydt men ze in ’t midden door, doet ’er het zaad uit, en braadt ze dan. Als ze gaar zyn doet men ’er nog warm zynde van binnen boter op, die ’er dan in trekt. Dit smaakt zeer wel. Ook eet men ze gekookt, alleen of met vleesch. Sommigen maken ’er ene dunne pap van, door ze eerst te koken en dan fyn te maken. Deze pap wordt dan met een weinig van het sap en zoete melk vermengd en dan wel door een geroerd. Ook worden zy gekookt, tot moes gemaakt, met meel vermengd en gekneed, en dus tot koeken gebakken. Daar zyn ’er ook die ’er taarten en pudding van maken. Om ze doen te duren gaan ’er de Wilden dus mede om. Als zy ryp zyn worden zy in lange riemen gesneden, welken men door malkander vlegt, en in de zon of by het vuur te drogen hangt. Als zy regt droog zyn kunnen zy jaren lang goed blyven. Men kookt ze alleen of met ander eten. De Wilden eten ze op die wys toebereid, zo wel te huis als op reis; en dit hebben de Europeanen van hun geleerd. Somtyds eet men ze dan maar droog by pekelvleesch of andere spyzen; en ik moet bekennen dat zy dan ene hongerige maag niet kwalyk bevallen. In Montreal wierden zy ook wel dus ingemaakt. Men snydt ze in vier stukken, doet ’er het zaad uit, en goit de schillen weg. Het weke vleesch legt men in enen pot, en laat het een minuut of zes koken. Dan neemt men ’t met enen lepel, waarin gaten zyn, ’er uit, en laat het op ene tafel enen dag leggen dat ’er het water uitlope. Daarop maakt men het met anjelieren, cinnamomum, wat citroenschillen en syroop van suiker in. De syroop moet in even zo grote hoeveelheid als die der kawoerden genomen worden. Men kookt het dan zo lang tot dat de kawoerden van de syroop doortrokken zyn.

[Graan.]

Het graan dat dit jaar in Kanada gewassen was wierd doorgaans voor het beste gehouden dat men hier oit gehad had. Integendeel viel het in New York slegt uit. Voor ’t overige was de herfst in Kanada zeer schoon.

[Handel met de Wilden.]

Kanada dryft enen sterken handel met de Wilden; en deze was voorheen de enige handel dien dit grote Land dreef, en die den Ingezetenen aanzienlyke voordelen toebragt. Dog tegenswoordig vallen ’er verscheiden’ andere waren, behalven die men van de Amerikanen bekomt, die van daar verzonden worden. De Wilden, die hier het naast rondom wonen, en zo wel als alle de overigen den gantschen winter op de jagt zyn, brengen gemeenlyk hunne pelteryen in de naburige steden te koop. Dog dit bedraagt niet veel. Die genen die verder af wonen komen hier zelden. En dewyl men vreest dat zy hunne waren den Engelschen verkopen zullen, zo moet men hen voorkomen, ten welken einde de Franschen zelven naar hen toe reizen. Montreal in zonderheid dryft dezen handel sterk. Alle jaren gaan van hier velerlei lieden van allerhanden ouderdom op reis naar de Wilden. Zy vertrekken vroeg in ’t voorjaar, en komen in Augustus of September terug. Om dezen handel te dryven nemen zy alleen zulke waren met zig die zy weten dat onder de Wilden gewild zyn. Geld nemen zy weinig mede, want dit wordt by de Amerikanen niet geagt. Zy houden verscheidene soorten van waren, die men hun brengt, voor veel kostbaarder. Ook geloof ik dat nauwlyks een van de Franschen die op deze reizen gaan enen penning aan geld medeneemt.

De volgende waren zyn het voornamelyk die onder de Wilden enen goeden aftrek vinden.

Snaphanen, buskruid, lood, kogels en hagel. Alle de Wilden, die het voordeel der vuurwapenen boven den boog van de Europers geleerd hebben, en vuurwapenen bekomen kunnen, hebben voor dezelven het gebruik van boog en pylen afgeschaft. Indien men nu hun vuurwapenen wilde weigeren toetevoeren, zouden zy van honger moeten vergaan, dewyl hun voornaamste bestaan gelegen is in het vleesch van wilde dieren; en dit zou hen zo verwoed maken, dat zy in staat zouden zyn de Europers aantetasten. Geen van de Wilden weet nog een musket te maken. Zelfs weten zy hun eigen geweer, als het ontsteld is, niet weer te herstellen, maar moeten dat van de Europeanen laten doen. In ’t begin dat de Europers eerst in Noord Amerika kwamen droegen zy langen tyd zorg van den Amerikanen geen schietgeweer in handen te geven. Dog in de oorlogen, die de Franschen met de Engelschen en Hollanders voerden, deelden zy hunnen Amerikaanschen bondgenoten het gebruik der vuurwapenen mede, om hunnen vyanden des te sterker afbreuk te doen. De Franschen zeide dat de Hollanders van Albany de eersten geweest waren, die in ’t jaar 1642. den Wilden schietgeweer gegeven en hun het gebruik van het zelve geleerd hadden. Dus hadden zig de Franschen genoodzaakt gezien den met hen in verbond staanden Amerikanen insgelyks vuurwapenen te geven, dewyl die zeiden anders tegens de Hollanders en de Wilden van derzelver party niet op te kunnen, en gevolglyk tot die zyde te zullen overgaan. Maar die van Albany beweerden daarentegen dat de Franschen de eersten geweest waren die den Wilden schietgeweer gegeven hadden, dewyl zy zig anders te zwak bevonden om den Engelschen en Hollanderen het hoofd te bieden. Hoe het hier mede zy, dit is zeker dat de Wilden tegenswoordig schietgeweer gebruiken ’t welk zy van de Europeanen krygen, en waarmede zy thans beter dan hunne leermeesters zelven weten omtegaan. Maar te gelyk is het waar, dat deze handel den Europeanen alle jaren grote winsten aanbrengt.

Kleden van wit Laken, of grof ongeschoren Laken, van dat soort ’t welk men wel voor dekens op de bedden gebruikt. De Wilden dragen zulke kleden altyd, en winden ’er zig in; somtyds hangen zy over de schouders, en somtyds, by warm weder, binden zy ze zig om de middel. Maar als het koud is halen zy ze over ’t hoofd. Mans en vrouwen dragen ze beiden. Meesten tyd zyn ’er aan de randen enige blauwe en rode strepen.

Blauw of rood Laken. De vrouwlieden maken daar hare rokken van, die maar tot op de knie hangen. Meest gebruiken zy blauw Laken daartoe.

Linnen Hembden, welken zo wel de mans als de vrouwen dagelyks dragen. Als een Wilde eens zulk een hembd aan heeft, draagt hy ’t zo lang tot dat het geheel en al versleten is.

Laken om om de benen, in plaats van koussen, te winden gelyk de Russen doen.

Bylen, Messen, Scharen, Naalden, en stalen Vuurslagen. Deze werktuigen vindt men thans overal by de Wilden. Zy kopen ze allen van de Europeanen, en houden ze voor veel beter als hunne oude messen en bylen van been, waarvan men ’er in Kanada weinig meer vindt.

Ketels van rood of geel koper, somtyds van binnen vertind. Al hun eten wordt daarin gekookt. Dit is ene waar die gemeenlyk onder hun enen groten aftrek heeft. Voorheen gebruikten zy potten en vaten van aarde, of van hout, waarin zy het geen zy koken wilden goten, dan gloeyende stenen in het water werpende om het te doen koken.

Oorringen, groten en kleinen, meest van geel koper, dog somtyds ook van tin. Mans en vrouwen dragen ze, schoon niet allen.

Vermilioen. Hier mede verwen zy hunne aangezigten, hembden, en een deel van het lichaam rood. Voorheen schilderden zy zig met ene rode aarde, die hier te lande gevonden wordt. Dog na dat zy van de Europeanen vermilioen gekregen hadden, scheen hun gene kleur schoonder te zyn. Men vertelde, dat de Franschen in ’t eerst voor twee of driemaal zo veel van deze verw als ’er op de punt van een mes leggen kon enen groten hoop van allerlei pelteryen kregen.

Spaansch groen, om het aangezigt groen te verwen. Om het zwart te maken nemen zy het roet dat onder de ketels zit.

Spiegels. De Wilden zyn daar zeer opgesteld. Zy gebruiken ze in zonderheid om zig te beschilderen. Zy hebben gemeenlyk hunne spiegels op reis by zig. Dog dit heeft maar plaats by de mans, en niet by de vrouwen, die zig hier zo veel niet opschikken als de eersten.

Brandglazen. Dit is in het oog der Wilden een zeer noodzakelyk huisraad, dewyl, daar zy sterk tabak roken, en alles wat met enige moeite verzeld gaat haten, zy op reis met dezelven zo behendig te regt kunnen komen.

Tabak kopen de Wilden die wat ver naar het noorden wonen, waar geen Tabak wil voortkomen. Dog die meer zuidelyk hunne woonplaats hebben fokken zelven zo veel tabak als zy behoeven. By de eersten is de tabak ene waar die sterk gezogt wordt. Men heeft opgemerkt dat de Wilden, hoe verder zy naar het noorden wonen, des te groter rokers zyn.

Wampums, of zo als zy ’t noemen Porcellein. Zy worden van een zeker soort van mosselschelpen gemaakt, en tot kleine langwerpige kralen gedraid. Zy dienen hun voor geld en opschik te gelyk.

Glazen Kralen, die klein, en wit, of van ene andere kleur zyn. De vrouwlieden weten ze in hare linten, beurzen en andere klederen intelasschen.

Koper en yzerdraad om verscheiden’ dingen van te maken.

Brandewyn. Dit is de kostelykste zaak die zy op de wereld kennen. Ook is hun niets te lief en te kostbaar om het ’er niet voor te geven. Dog ter oorzake der menigvuldige ongeregeldheden die daar door kunnen veroorzaakt worden, is het onder zware straffen verboden den Wilden brandewyn toetevoeren. Maar deze wet wordt niet altyd zo nauwkeurig nagekomen.

Dit zyn de voornaamste waren die de Franschen den Wilden toevoeren, en die gemeenlyk by hun wel gewild zyn.

De waren die zy van de Wilden terug brengen, zonder den voorraad dien men op reis voor zyne koopmanschappen krygt mede te rekenen, bestaan byna alleen in pelteryen. Men onderscheidt dezen in twee soorten. Pelteryen die uit de noordelyke gewesten, en zulken die uit de zuidelyken komen. De eersten worden voor de besten gehouden, en zyn het duurst.

Uit de noordelyke Landen worden inzonderheid de vellen van de volgende dieren aangebragt. Bevers, Elanden [350], Rendieren [351], Wolflynxen [352] en Marters. Uit het zuiden krygt men ook wel somwylen Marters, dog hun vel is ros en niet goed. De Pichou du Nord zal misschien dat dier zyn ’t welk zig by de Hudsonsbai ophoudt, en door de Engelschen Wolverene genoemd wordt. Nog behoren onder de noordsche pelteryen de Berenhuiden, waarvan men ’er egter niet veel komen laat, en Vossenvellen, schoon men daar van ook maar weinigen meest zwarten trekt; behalven nog verscheiden andere soorten.

Het Bontwerk, dat uit de zuidelyke landstreken gehaald wordt, is inzonderheid van de volgende dieren. Wilde Stieren en Koeyen, Herten, Reën, Otters, Pichoux du sud, van de welken Vader Charlevoix [353] gewag maakt, en die of een soort van Katlynx, of van Panther wezen moet, voorts Vossen van verscheiden’ soorten, Rakoons, Katlynxen, en anderen.

Het is ongelooflyk wat ongemakken de menschen op deze reizen om pelteryen te kopen moeten uitstaan. Somtyds moeten zy hun pakkadie ver over land dragen. Dikwyls worden zy van de Wilden mishandeld en zelfs omgebragt. Veeltyds moeten zy dorst, honger, hette en koude verdragen, en worden van muggen, vergiftige slangen, en ander ongedierte gebeten. Deze ongemakken en gevaren slepen ene menigte lieden in den bloei hunner jaren weg, en maken dat de menschen in Kanada niet oud kunnen worden. Dog te gelyk worden zy hier door gehard en wakkere krygslieden, die nog gevaren nog ongemakken ontzien. Ook zetten zig velen diep in het land onder de Wilden neder, trouwen daar, en keren noit te rug.

De pryzen der pelteryen, zo als die in ’t jaar 1749. te Montreal waren, heeft my de Heer Couagne, een Koopman, by wien ik myn verblyf hield, medegedeeld. Zy waren als volgt.

Grote en middelbare Berenhuiden kostten 5. Livres. Huiden van jonge Beren, 15. Sols. ——— — Lynxen, 25. Sols. ——— — Pichoux du sud, 35. Sols. ——— — Vossen uit het Zuiden, 35. Sols. ——— — Otters, 5. Livres. ——— — Rakoons, 5. Livres. ——— — Marters, 45. Sols. ——— — Wolflynxen, Loup-cerviers, 4. Livres. ——— — Wolven, 40. Sols. ——— — Carcajoux, een dier dat ik niet ken, 5. Livres. Huiden van Visons, een soort van Marter die zig in ’t water onthoudt, 25. Sols. ——— — ruwe, van Elanden, Orignacs verts, 10. Livres. ——— —— Herten, Cerfs verts. ——— slegte, van Elanden en Herten, Orignacs & Cerfs passés, 3 Livres. ——— Reën, van 25. tot 30. Sols. ——— Rode Vossen, 3. Livres. ——— Bevers, 3. Livres.

Zie hier ene lyst van alle de verschillende soorten van vellen die hier in Kanada gekoft en naar Europa verzonden worden. Ik heb ze van enen der voomaamste Kooplieden in Montreal gekregen.

Chevreuils passés, [354] bereide Reevellen. Chevreuils verts, onbereide Reevellen. Chevreuils tannés, getouwde Reevellen. Ours, Beren. Oursons, jonge Beren. Loutres, Otters. Pecans. Chats, Katten. Loups de bois, Wolven. Loup-cerviers, Lynxen. Pichoux du Nord. Pichoux du sud. Renards rouges, Rode Vossen. Renards croisés, Kruisvossen. Renards noirs, Zwarte Vossen. Renards argentés, Grauwe Vossen. Renards du sud, ou de Virginie, Virginische Vossen. Renards blancs de Tadoussac, Witte Vossen van Tadoussak. Martres, Marters. Visons ou Foutreaux. Ecureuils noirs, Zwarte Eekhoorns. Cerfs verts, ruwe Hertenvellen. Cerfs passés, bereide Hertevellen. Originals verts, ruwe Elanden. Originals passés, bereide Elanden. Cariboux, Rendieren. Biches vertes, ruwe Hindevellen. Biches passées, bereide Hindevellen. Carcajoux. Rats musqués, Muskusratten. Castors gras d’hiver, vette Winterbevers. Castors gras d’été, vette Zomerbevers. Castors secs d’hiver, droge Winterbevers. Castors secs d’été, droge Zomerbevers. Castors vieux d’hiver, oude Winterbevers. Castors vieux d’été, oude Zomerbevers.

[Koper.]

Ik kreeg den 22. September een stuk louter Koper, dat van Lac Superieur gekomen was. Men vindt het daar byna geheel zuiver, zo dat het niet behoeft gesmolten te worden, maar terstonds bewerkt worden kan. Vader Charlevoix [355] spreekt ’er van in zyne Beschryving van Nieuw Frankryk. Een van de Jesuieten te Montreal, die zelf ter plaatse geweest was daar dit erts gevonden wordt, onderrigtte my dat men het gemeenlyk by de monden van stromen en rivieren vindt, veeltyds in zo zware stukken dat een man werk heeft ze optetillen, en meestentyds gantsch louter. Ook verhaalden daar ter plaatse de Wilden dat daar eertyds een stuk van enen vadem lang en enen halven vadem of meer in dikte, en byna geheel zuiver, gezien was. Dewyl dit erts altyd by de monden der rivieren in de aarde legt, is het waarschynlyk dat het door ’t water en ’t ys van enen berg derwaards gedreven is. Dog hoe zeer men gezogt heeft, heeft men nog zo ver niet kunnen komen van het in ene zekere menigte by malkander te vinden.

[Looderts.]

De Opperste van de Priesters te Montreal gaf my ook dien dag een stuk Looderts. Het was gekomen van ene plaats maar weinig mylen van hier; en bestond uit tamelyk digte en blinkende teerlingen. Ik vernam dat verder weg zuidwaards op ene plaats veel looderts in den grond was. De Wilden daaromheen smelten het, en maken ’er kogels en hagel uit. Ik kreeg ’er enige stukken van, bestaande uit een blinkend teerlingsch erts, met smalle strepen ’er in, en ene witte harde klei, die met sterk water opbruischt.

[Rode Aarde.]

Ook kreeg ik enige roodbruine Aarde, die gevonden was by Lac des deux Montagnes, enige mylen van Montreal. Zy kan gemakkelyk tusschen de vingers tot stof gewreven worden, dog is veel zwaarder dan enige andere aarde, en van buiten een weinig glinsterend. Als men deze aarde tusschen de vingers wryft, worden zy geheel glad, glimmend, en als half verzilverd, even als of zy met een stukje loods gewreven waren. Deze aarde moet derhalven of een soort van loodaarde, of met yzerdeeltjes vermengd zyn.

[Vrouwen.]